• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_58

    246 waren  naar  hun  mening  in  vergelijking  met  een  jaar  eerder  de  aanwijzingen  sterker  geworden  dat  in een  aantal  gevallen  de  integriteit  van  de  overheid  in  het  geding  was.  Deze  inschatting  was  onder andere  gebaseerd  op  een  handgeschreven  notitie  van  een  officier  van  justitie  in  het  XTC-traject  naar Engeland.  Ten  aanzien  van  de  parallel-importen  vanuit  Zuid-Amerika  wezen  vooral  de  verklaringen van de bedreigde getuigen in de richting van corruptie onder overheidsfunctionarissen. Een bijkomend probleem was volgens Snijders en Schouten dat een aantal overheidsfunctionarissen  een  beroep  deed  op  bronbescherming  en  niet  over  het  verleden  wenste  te verklaren. Als gevolg daarvan bleef onduidelijkheid bestaan over hun eigen rol in het geheel. Snijders   en   Schouten   signaleerden   ten   slotte   een   omgekeerd   evenredig   verband   tussen   de dreiging   in   de   richting   van   een   informant   om   geliquideerd   te   worden   en   de   kans   dat   hij   of   zij dubbelspel had gespeeld. De achterliggende gedachte bij dit punt was dat de dubbelrol van bepaalde informanten bekend was in het criminele milieu of zelfs van daaruit gestimuleerd werd. Twee personen werden  in  dit  verband  genoemd  die  het  meeste  in  aanmerking  kwamen  voor  nader  strafrechtelijk onderzoek.559 12.4.2 Beraadslaging en besluitvorming Over   de   voorgestelde   strategie   bestond   een   vrij   grote   mate   van   consensus   in   het   college   van procureurs-generaal. Zo valt uit de vastgestelde notulen van de vergadering van 6 oktober 1998 op te maken dat het college bij de eerder genomen beslissing bleef om J. strafrechtelijk aan te pakken. Met deze beslissing zou volgens de notulen ook de minister van Justitie hebben ingestemd. Ook  werd  een  standpunt  ingenomen  ten  aanzien  van  de  problemen  die  het  LRT  ondervond  bij het verkrijgen van informatie uit het bestand van de CID-Kennemerland. Zonder dat op de details van de  zaak  werd  ingegaan  werd  door  het  college  uitgesproken  dat  indien  zou  komen  vast  te  staan  dat een  informant  een  dubbelrol  heeft  gespeeld,  de  overheid  niet  langer  gebonden  is  om  de  toegezegde bescherming te bieden: de oudste wanprestatie ontbindt. 560 Het  college  besloot  verder,  conform  het  voorstel  van  Snijders  en  Schouten,  dat  de  bij  het  XTC- traject  betrokken  informant  P.  moest  worden  aangepakt.  Het  onderzoek  werd  opgedragen  aan  het LRT.  Om  bewijstechnische  en  tactische  redenen  werd  besloten  om  de  zaak  tegen  P.  –  het   063- onderzoek , rapporteurs – als eerste op te pakken. Volgens Ficq was de stemming ten tijde van de presentatie in oktober 1998 heel positief. Dat gold zowel voor het 063-onderzoek als het 061-onderzoek561: “De  verwachting  was  toen  bij  alle  aanwezigen  dat  in  het  voorjaar  van  1999  tot  aanhouding van de hoofdverdachten zou kunnen worden overgegaan.” Uit de notulen valt op te maken dat er evenwel ook enkele tegengeluiden waren te horen. Zo was een der  procureurs-generaal  niet  gerust  op  de  afloop  van  de  diverse  zaken.  Hij  schatte  het  afbreukrisico hoog in en sprak de zorg uit dat het openbaar ministerie onnodig zou worden zwart gemaakt.562 Op de vraag  van  deze  procureur-generaal  of  het  openbaar  ministerie  dit  risico  wel  wilde  lopen,  repliceerde Holthuis met de mededeling dat in elke zaak op 120% zekerheid werd gespeeld en dat de aanpak van deze  zaken  voor  het  openbaar  ministerie  –  na  het  IRT-debâcle  –  een  soort  van  reinigende  werking had. Als gevolg van de gehanteerde zorgvuldigheid vorderden deze zaken ook extra langzaam, aldus Holthuis.                                                 559 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6-10-1998 (C5). 560 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6-10-1998 (C5). 561 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 562 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6-10-1998 (C5).