• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_6

    194 voor de inzet van het personeel. Teamleider van het 060-team was nog altijd Entken. Er was voor het 060-onderzoek    nog    steeds    geen    speciale    CID-officier    van    justitie    aangewezen.    Naar    functie onderscheiden kende het team op 1 november 1997 de volgende samenstelling: — teamleiding 3 — tactische recherche 5 — financiële recherche 2 — CID/analyse 3 — rijksrecherche 2 — administratief 1 9.3 Het tactische onderzoek 9.3.1 De opsporingsactiviteiten na de opening van het gerechtelijk vooronderzoek Zoals is vermeld in paragraaf 7.3, werd het gerechtelijk vooronderzoek tegen J. op 1 december 1997 geopend     door     een     rechter-commissaris     te     Haarlem.     Na     de     opening     van     het     gerechtelijk vooronderzoek  werden  enkele  schriftelijke  stukken  opgevraagd  bij  onder  meer  een  aantal  banken. Ook  werden  printerlijsten  onderzocht  om  na  te  gaan  met  welke  telefoonnummers  (en  personen)  J. telefonische    kontakten    onderhield.    Maar    de    bronnen    “droogden”    op.    Weliswaar    leverden    de opgevraagde   gegevens   bij   de   Kamer   van   Koophandel   op   dat   J.   mede-aandeelhouder   en   mede- directeur was van een Oostenrijks bedrijf en onroerend goed bezat (al werden de aanwijzingen uit het BVD-ambtsbericht hieromtrent slechts gedeeltelijk bevestigd), de ingewonnen informatie leverde geen nieuwe gegevens op die het onderzoek konden (re-)activeren. Voor  een  goed  beeld  van  de  situatie  eind  1997  is  het  van  belang  op  te  merken  dat  zich  juist  op het  moment  van  een  dreigende  stagnatie  in  het  061-onderzoek  een  nieuwe  zaak  aandiende,  de strafzaak  tegen  de  “Taartman”.  Deze  zaak  bood  van  meet  af  aan  veel  perspectieven  op  een  goed opsporingsresultaat. Aan het opsporingsteam werden in die periode enkele nieuwe leden toegevoegd voor    dit    nieuwe    project.    In    hoofdstuk    10    wordt    het    onderzoek    naar    de    “Taartman”    uitvoerig beschreven. Na  het  opdrogen  van  de  bronnen  werd  in  de  periode  maart/april  1998  besloten  de  bakens  te verzetten. Omdat concrete aanknopingspunten voor onderzoek naar strafbare feiten ontbraken richtte het  team  zich  op  het  verkrijgen  van  een  beeld  van  het  leefpatroon  van  J.  en  diens  directe  sociale omgeving.  “Behoedzaam  opereren”  waren  daarbij  de  sleutelwoorden:  het  onderzoek  naar  J.  mocht niet  bekend  worden.  Daarom  ging  men  niet  over  tot  het  horen  van  getuigen  of  het  verrichten  van huiszoekingen.  Wel  werden  enkele  rechtshulpverzoeken  opgesteld  om  J.  ook  in  het  buitenland  te kunnen  observeren.  In  het  voorjaar  1998  werd  gekozen  voor  het  afluisteren  van  telefoonlijnen  van  J., in  de  hoop  dat  hij  in  verband  zou  kunnen  worden  gebracht  met  een  drugstransport.410  Het  tappen zou  tot  aan  de  aanhouding  van  J.  en  enkele  medeverdachten  (in  februari  2000)  toe  de  belangrijkste recherchemethodiek blijven van het LRT. Na de afsluiting van de tapperiode in 1999 bleek de teller te staan  op  78.174  afgeluisterde  gesprekken.  Het  betroffen  niet  alleen  door  J.  gevoerde  gesprekken, maar  ook  werden  telefoongesprekken  tussen  personen  in  de  kring  rond  J.  afgeluisterd.  Vanaf  het voorjaar    van    1998    tot    november    1998    was    nagenoeg    het    gehele    team    vrijwel    volledig    in beslaggenomen  door  het  afluisteren  van  telefoongesprekken.  De  hoofdverdachte  J.  bleek  intensief gebruik   te   maken   van   het   telecomnetwerk.   In   totaal   bediende   hij   in   deze   periode   van   circa   50 telefoonlijnen.   Ook   de   accountant   die   aan   het   LRT-team   was   toegevoegd,   was   gedurende   deze periode druk doende met het afluisteren van telefoongesprekken.                                                 410 Voortgangsnotitie 96060 van J. Crijns d.d. 28 juli 1999 (B4).