• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_71

    259 rechercheren en dan kwamen die “vuiltjes uit Haarlem” niet zo van pas, noch het parallel-pv noch de NN-verklaringen. Wij zeggen ook niet dat wat in het parallel-pv staat dat de enige en absolute  waarheid  is.  Het  kan  zeker  ook  een  variant  geweest  zijn  op  de  strategie  die  wij hebben  beschreven.  Maar  wij  hebben  wel  het  idee  dat  er  cocaïne  bij  deze  handel  was betrokken.   Binnen   onze   eigen   organisatie   en   breder   binnen   de   politie   en   het   openbaar ministerie voelden wij ons met de nek aangekeken, men zei regelmatig: “laat die zaak maar rusten, die hele IRT-affaire”, terwijl wij juist op het standpunt stonden dat het belangrijk was om uit te zoeken wat er precies was gebeurd, ook met het oog op de toekomst.” Vanuit  het  LRT  en  het  LBOM  bezien  had  men  een  geheel  andere  kijk  op  de  problematiek.  Entken schetste de situatie als volgt587: “Op een gegeven moment hebben wij rechercheurs daarop laten studeren om te zien of we een  en  ander  tactisch  konden  maken.  De  rijksrechercheurs  stelden  de  nodige  vragen  op, maar  het  was  onduidelijk  wie  de  beantwoording  van  die  vragen  op  zich  zou  nemen.  Peter Snijders zei dat Van Slobbe het moest doen, maar deze kende de achterliggende informatie niet. Hij is daarvoor wel bij Paul Schouten geweest en bij De Wit, maar wij kregen niets. Op een  gegeven  moment  zei  Peter  Snijders  dat  hij  de  achterliggende  informatie  had  gegeven aan Van Slobbe, maar die ontkende dit. Hij had nooit wat gehad. En ikzelf heb die informatie ook  nooit  gezien.  De  situatie  was  op  een  gegeven  moment  enorm  verward.  De  vraag:  “hoe gaan we hier in godsnaam nu mee om?”, is dan eigenlijk ook nooit beantwoord. Er ontstond “een soort van metaalmoeheid” rond deze hele kwestie.” Noordhoek wees op nog een ander probleem588: “In  de  analyse  van  Schouten  en  Van  Stormbroek  werd  in  een  aantal  gevallen  expliciet  een link  gelegd  met  de  CID  Kennemerland.  Maar  in  antwoord  op  vragen  van  de  rijksrecherche kwamen   we   helemaal   niet   uit   bij   de   RCID   Kennemerland,   maar   bij   de   FIOD,   Gooi   & Vechtstreek  en  Amsterdam.  Dat  deugt  dus  niet,  was  mijn  indruk.  Achteraf  moet  ik  zeggen dat   het   werk   van   de   rijksrecherche   nutteloos   werk   is   geweest,   in   de   zin   dat   het   geen onderbouwing heeft opgeleverd. Ik heb dat rijksrechercherapport aan allerlei mensen, die er qualitate qua iets mee te maken hadden, te lezen gegeven. Ik heb het ook zelf overhandigd aan   Steenhuis.   Mijn   credo   was:   “lees,   doe   er   maar   wat   mee”.   Bovendien   heb   ik   de betrokkenen  er  op  gewezen  dat  de  stellingen  in  het  parallel-pv  totaal  niet  spoorden  met  de antwoorden op de vragen die naar aanleiding van het proces-verbaal waren gesteld door de rijksrecherche.  Ik  vond  dat  het  college  vooral  met  die  constatering  iets  moest  doen.  Maar  ik was op dat moment, we spreken nu over het vroege voorjaar 1999, het strijden moe. Bij mij was de rek er wel uit.” Tot slot laten we Van Slobbe over het parallel-proces-verbaal aan het woord. In de hoedanigheid van chef   van   de   CID-sectie   van   het   LRT   was   hij   immers   een   sleutelfiguur   bij   de   analyse   van   het onderliggende  CID-materiaal.  Uit  de  woorden  van  Van  Slobbe  kan  in  ieder  geval  worden  opgemaakt dat de analyse van dit proces-verbaal geen hoge prioriteit had in het kader van het 060-onderzoek589: “Eerlijk  gezegd  had  het  niet  onze  hoogste  prioriteit  om  het  proces-verbaal  heel  goed  na  te lopen.  De  tijd  ontbrak  en  we  hadden  het  gevoel  te  worden  tegengewerkt  door  Snijders.  Ik                                                 587 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 588 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 589 Telefonisch interview J. van Slobbe d.d. 4 mei 2001.