• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_72

    260 had ook niet de overtuiging dat het verhaal van de parallellen klopte. Het probleem met het parallel-pv  was  dat  het  een  juridisch  misbaksel  was,  een  parallel-verhaal.  Geen  feiten,  wel conclusies.” Het wederzijdse onbegrip over het toegankelijk maken van CID-informatie leidde tot een impasse. Het rapport,  zoals  opgemaakt  door  twee  rijksrechercheurs  op  24  maart  1999,  eindigde  dan  ook  met  het advies  om  het  team  van  de  rijksrecherche  terug  te  trekken  in  afwachting  van  de  beslissingen  die genomen moesten worden over de verstrekking van de CID-informatie. Dit advies werd opgevolgd en de onderzoeksactiviteiten werden gestaakt. 13.6 Problemen met toegang tot RCID-Kennemerland. De   in   de   vorige   paragraaf   beschreven   problemen   inzake   de   toegang   tot   relevant   geachte   CID- informatie in het kader van de onderbouwing van het parallel-proces-verbaal stonden niet op zichzelf. Immers,  in  hoofdstuk  9  is  in  het  kader  van  de  bespreking  van  de  discussies  die  ontstonden  omtrent het  gebruik  van  de  verklaringen  van  de  bedreigde  getuige  NN1  vastgesteld  dat  door  het  Haarlemse parket het gebruik van deze verklaringen gekoppeld werd aan de verstrekking van de door het LRT zo vurig gewenste CID-informatie door de registerbeheerder van het korps Kennemerland. In   hoofdstuk   12   is   vervolgens   geconstateerd   dat   het   college   van   procureurs-generaal   niet expliciet  van  een  directe  relatie  tussen  de  NN-verklaringen  en  het  verstrekken  van  CID-informatie uitging.  Het  college  besliste  uitsluitend  dat  de  00-informatie  over/van  de  groei-informant  bij  het  060- onderzoek diende te worden betrokken.590 Snijders interpreteerde dit besluit niettemin als een impliciete opdracht aan Noordhoek c.s. om de verklaringen uit het NN-GVO te gebruiken. In een schrijven aan zijn hoofdofficier stelde hij dat de CID- Kennemerland niet van zins was de 00-info prijs te geven.591 Was het volgens Snijders onontbeerlijk om gebruik te maken van de bedreigde getuigenverklaring  teneinde  de  mogelijke  dubbelrol  van  de  informant  aan  te  tonen,  het  LRT-team dacht  hier  anders  over.  Het  team  was  van  mening  dat  het  op  basis  van  de  beschikbare  gegevens (exclusief  de  bedreigde  getuigenverklaring)  wel  gerechtvaardigd  was  om  te  concluderen  dat  deze informant van de RCID Kennemerland  een dubbelrol had gespeeld. 13.6.1 Een ambtelijke aanwijzing en de weigering van Visser Het   verschil   van   inzicht   over   de   toegang   tot   de   informatie   die   zich   bij   de   RCID   van   de   regio Kennemerland  bevond,  bleef  dus  ook  na  de  collegevergadering  van  6  oktober  1998  voortduren.  De slepende kwestie werd door een brief van de Commissie-Kalsbeek d.d. 24 februari 1999 nog urgenter. In  deze  brief  verzocht  de  commissie  aan  de  minister  om  geïnformeerd  te  worden  over  de  uitkomsten van  de  post-Fort-onderzoeken.  Op  13  april  1999  zond  de  minister  aan  de  commissie  het  bericht  dat het  onderzoek  gestaag  vorderde.  In  de  laatste  zin  van  de  brief  verheelde  hij  evenwel  niet  dat  er problemen    waren:    “daar    waar    spanningen    optreden    nemen    de    betrokken    hoofdofficieren    en korpschefs  –  en  waar  nodig  het  college  –  hun  verantwoordelijkheid  en  treden  met  de  betrokkenen  in overleg  om  de  voortgang  van  het  onderzoek  te  bevorderen”.592   Met   deze   laatste   zinsnede   werd ongetwijfeld gedoeld op het conflict tussen het LRT/Landelijk Parket en “Haarlem” over het verkrijgen van de CID-informatie.                                                 590 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 6 oktober 1998 (A4). 591 Ambtsbericht van J. Snijders d.d. 21 december 1998 aan H. van Brummen (D21). 592 Brief   van   de   minister   van   justitie   d.d.   13   april   1999   aan   de   voorzitter   van   de   Tijdelijke   Commissie   Evaluatie Opsporingsmethoden (D25).