• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_76

    264 14 Het 063-onderzoek 14.1 Inleiding Zoals  beschreven  is  in  hoofdstuk  12,  ging  het  college  van  procureurs-generaal  op  6  oktober  1998 akkoord  met  het  voorstel  nader  strafrechtelijk  onderzoek  in  te  stellen  naar  de  (voormalige)  informant P. Dit onderzoek had de codering 063 meegekregen en werd ook door het LRT uitgevoerd. In  de  overlegvergadering  met  de  minister  en  de  secretaris-generaal  van  22  oktober  1998  lichtte Ficq toe dat, anders dan in de presentatie van 6 oktober 1998 was aangegeven, het de bedoeling was om   de   zaak   tegen   P.   eerder   in   de   operationele   fase   te   brengen   dan   de   zaak   tegen   J.   Dit   om operationele  en  bewijstechnische  redenen,  maar  ook  omdat  in  die  zaak  de  publieke  sympathie  de publicitaire discussie over het gebruik van voormalig IRT-materiaal positief zou kunnen beïnvloeden.603 Als  zaaksofficier  was  Van  der  Burg  van  het  landelijk  parket  aangewezen.  Naar  het  oordeel  van het  college  maakte  hij  te  weinig  haast  met  de  aanvang  van  het  onderzoek.  In  de  notulen  van  de vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  van  23  december  1998  wordt  Van  der  Burg althans tot spoed gemaand bij de aanpak van onderzoek 063.604 Van  der  Burg  zelf  weerspreekt  dat  terughoudendheid  hem  bij  de  aanvang  van  het  onderzoek parten  speelde.  In  zijn  optiek  had  de  wat  lange  aanloop  met  de  complexiteit  van  de  zaak  en  de omvang van het dossier te maken605: “In oktober 1998 is er een presentatie geweest bij het college. Toen zijn kennelijk afspraken gemaakt. Ik was daar niet bij aanwezig. Ik ben toen, of direct daarna, kennelijk aangewezen als zaaksofficier. Het ging om een veronderstelde zaak, maar toch was ik al zaaksofficier. Ik heb   toen   niet   afgewacht   welk   materiaal   ter   beschikking   kon   worden   gesteld,   maar   heb gekeken   wat   er   aan   onderzoeksmateriaal   lag.   Er   lag   veel   materiaal,   rijp   en   groen   door elkaar. Mijn opvatting was dat ik voldoende ruimte moest krijgen om te bepalen of er sprake was van een zaak. Ik heb die ruimte dan ook genomen.” In dit hoofdstuk zal worden toegelicht waartoe de inspanningen van Van der Burg c.s. hebben geleid. Eerst  zal  het  plan  van  aanpak  en  het  daaropvolgende  advies  van  Van  der  Burg  worden  besproken. Vervolgens  passeren  de  beraadslaging  en  de  besluitvorming  in  het  college  –  en  de  reacties  van  Van der Burg en Snijders daarop – de revue. Tot slot wordt stilgestaan bij de opening van het gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak.                                                 603 Uit: Overzicht post-Fort-onderzoek opgesteld op basis van de schriftelijke gegevens aanwezig bij het college (B2). 604 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 23-12-1998 (B1). 605 Interview G. van de Burg d.d. 5 februari 2001.