• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_78

    266 betrokken  overheidsfunctionarissen  –  beredeneerd  vanuit  het  standpunt  dat  één  of  meer  van  hen  in de   uitoefening   van   hun   functie   strafrechtelijke   grenzen   zou(den)   hebben   overschreden   –   kon   tot gevolg  hebben  dat  er  nog  wel  degelijk  een  recht  tot  vervolging  bestond,  maar  dan  óók  jegens  deze functionaris(sen). Tijdens het interview lichtte Van der Burg dit standpunt als volgt toe608: “Uiteindelijk  geef  ik  in  mijn  stuk  (het  advies  van  17  februari  1999,  rapporteurs)  aan  dat  ik morele problemen had met het vooruitzicht om een “smal” 063-onderzoek te starten, slechts gericht  op  de  toenmalige  verdachten.  De  overheid  wist  van  vier  van  de  zes  transporten  en had  die  laten  doorgaan.  Er  hebben  toen,  blijkens  de  door  mij  geraadpleegde  stukken,  geen vervolgacties in hun richting plaatsgevonden, ondanks de bewijsbare betrokkenheid van een aantal   personen.   En   ik   vond   het   onjuist   dat   na   zes   jaar   dit   opeens   weer   zou   worden opgepakt,  zonder  de  verwijtbare  rol  van  de  overheid  daarin  te  betrekken.  Daarom  heb  ik tijdens  de  collegevergadering  van  2  maart  1999  aangedrongen  op  een  “breed”  onderzoek, derhalve ook gericht op verwijtbare betrokkenheid van overheidsfunctionarissen.” In  het  verlengde  van  zijn  advies  vroeg  Van  der  Burg  de  aandacht  van  het  college  voor  de  benarde positie   van   Van   T.   in   een   streng   Engels   gevangenisregime.   Gelet   op   zijn   voorlopige   bevindingen achtte  hij  het  (mede)  de  verantwoordelijkheid  van  het  openbaar  ministerie  verdere  inspanningen  te (doen) verrichten om de detentie van Van T. draaglijker te maken. Tot   slot   leek   het   Van   der   Burg   aanbevelingswaardig   om   te   bestuderen   of   de   door   Van   T. afgelegde verklaringen mogelijkheden boden voor de Staat der Nederlanden om in de richting van P. civielrechtelijke    stappen    te    ondernemen    in    relatie    tot    de    in    1994    met    hem    overeengekomen afkoopsom. 14.3 Beraadslaging en besluitvorming Op 2 maart 1999 werd het plan van aanpak 063 en het daaraan gekoppelde advies van Van der Burg geagendeerd  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal.609  Van  der  Burg  hield  de aanwezigen  tijdens  zijn  inleiding  nogmaals  voor  dat  zijns  inziens  de  kans  op  niet-ontvankelijkheid geringer werd indien, naast de in het plan van aanpak genoemde verdachten, ook functionarissen van de  overheid  (politie  /  openbaar  ministerie)  in  het  onderzoek  zouden  worden  betrokken.  Aangezien  de “knip”  tussen  overheidsfunctionarissen  die  veel  en  zij  die  minder  wisten,  niet  duidelijk  was  aan  te brengen,  pleitte  hij  voor  een  grotere  aanpak  in  een  bredere  context.  Wel  zou  hij  in  dat  geval  een expliciete opdracht van het college willen ontvangen.610 Een   procureur-generaal   benadrukte   dat   bij   het    beantwoorden    van    de    vraag    of    er    nieuw onderzoek moest komen, de vraag naar de grond daarvan cruciaal was. Duidelijk moest zijn waarom er  een  nieuw  onderzoek  moest  komen  als  alle  feiten  al  eerder  bekend  waren  en  er  destijds  niet  toe was besloten. Hij wees er op dat in het verleden het handelen van de betrokken officieren van justitie reeds  was  getoetst.  Een  van  de  onderdelen  van  het  referentiekader  was  de  vraag  of  er  sprake  was van eventueel door hen begane strafbare feiten. Die vraag was, zoals reeds is vermeld in hoofdstuk 2, negatief    beantwoord    door    de    “Equipe    Ficq”,    welk    oordeel    door    de    minister    van    Justitie    was overgenomen. In de optiek van de procureur-generaal in kwestie diende, gegeven het oordeel van de Enquêtecommissie  Opsporingsmethoden,  de  verklaringen  die  de  minister  van  Justitie  had  afgelegd  in                                                 608 Interview G. van de Burg d.d. 5 februari 2001. 609 Het onderwerp was eerder geagendeerd voor de vergadering van 24 februari 1999, maar toen aangehouden omdat het college van procureurs-generaal niet voltallig was. 610 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1).