• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_80

    268 Peter  Snijders,  want  die  heeft  het  een  aantal  keren  met  mij  over  dat  onderwerp  gehad,  dat bij  die  mensen  het  idee  leefde  dat  het  college  ook  niet  door  wilde  pakken,  dat  het  eigen leden “buiten schot” zou willen laten. Maar dat idee heeft nooit geleefd, niet bij mij, noch bij Gonsalves,  noch  bij  René  Ficq.  Als  er  aanleiding  toe  was  geweest,  was  een  strafrechtelijke vervolging  op  zich  denkbaar  geweest,  maar  dan  moest  er  wel  een  gegronde  verdenking liggen  en  die  was  er  op  dat  moment  niet.  Behalve  met  Snijders  heb  ik  over  dit  onderwerp ook  indringend  gesproken  met  Maarten  van  Traa,  een  maand  voor  z’n  overlijden.  Van  Traa was  op  dit  punt  ook  behoorlijk  in  zijn  wiek  geschoten.  Hij  vond  dat  bepaalde  officieren  van justitie  met  fluwelen  handschoenen  werden  aangepakt.  Ik  heb  daar  stelling  tegen  genomen en gezegd dat ik individuen niet laat boeten voor organisatorische gebreken. Ik moest er ook rekening  mee  houden  dat  bij  een  aantal  mensen  zeer  sterk  het  idee  leefde  van:  “houdt  het nou nooit op?”. Bij   het   college   was   zeer   sterk   het   idee   aanwezig   van:   “we   gaan   geen   mensen   naar   de slachtbank leiden”. Je moet wat dat betreft ook voor je mensen kunnen en willen gaan staan. Die overtuiging leefde bij mij en overigens ook bij Winnie Sorgdrager. Ze heeft dat standpunt ook voluit in de Kamer verdedigd.” In  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  2  maart  1999  kregen  Holthuis  en  Van der  Burg  uiteindelijk  de  opdracht  mee  om  aan  Snijders  voor  te  leggen  of  hij  de  analyse  van  Van  der Burg deelde met betrekking tot het feitencomplex inzake verder onderzoek in de XTC-trajecten en om het  college  over  de  uitkomst  daarvan  te  berichten.615  Op  een  andere  plaats  in  de  notulen  van  deze vergadering  wordt  deze  opdracht  overigens  nader  gespecificeerd.  Van  der  Burg  moest  bij  Snijders nagaan   of   deze   zijn   analyse   deelde   dat   er   geen   sprake   was   van   “nieuwe   feiten”   in   de   vorm   van andere,     tot     dan     toe     onbekende     transporten,     van     indicaties     van     parallel-transporten     of     van aanwijzingen  dat  P.  criminele  activiteiten  had  ontplooid  waarvan  de  destijds  betrokken  officieren  van justitie geen weet hadden en die zij dus ook niet voor hun rekening hadden genomen.616 Inzake  de  (veronderstelde)  bedreigingen  van  P.  in  de  richting  van  Van  T.  was  het  college  van mening  dat  het  departement  stappen  diende  te  ondernemen  om  de  Engelse  autoriteiten  te  bewegen Van  T.  zijn  straf  in  Nederland  te  laten  uitzitten.  Het  openbaar  ministerie  zag  het  bovendien  als  zijn juridische plicht om P. terzake van de bedreigingen te vervolgen. Zoals Ficq het verwoordde617: “Het  beeld  dat  Van  T.  doelbewust  zijn  hoofd  door  de  strop  had  gestoken,  moest  behoorlijk worden  bijgesteld.  Later  kregen  we  informatie  dat  er  sprake  zou  zijn  geweest  van  dwang. Neem daarbij nog eens de figuur van P., die de kluit natuurlijk behoorlijk had belazerd. Wat het college betreft mocht elke strohalm, om hem alsnog strafrechtelijk te vervolgen, worden aangegrepen mits er natuurlijk concrete aanwijzingen waren.” 14.4 Het vervolg van het 063-onderzoek Naar   aanleiding   van   de   besluitvorming   in   het   college   van   procureurs-generaal   op   2   maart   1999 hielden   Van   der   Burg   en   Snijders   op   18   maart   1999   spoedberaad.   Snijders   uitte   tijdens   deze bespreking zijn ongenoegen over de tot dan toe door Van der Burg gevolgde werkwijze en over de in de  collegevergadering  van  2  maart  1999  getrokken  conclusie  dat  er  geen  sprake  zou  zijn  van  nieuwe feiten.                                                 615 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1) 616 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 2 maart 1999 (B1) 617 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001.