• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_82

    270 dat   gerechtelijk   vooronderzoek   ook   al   te   gaan   zitten   op   een   140-constructie   werden geblokkeerd door Van Daalen. Smid heeft bij de opening van het gerechtelijk vooronderzoek melding  gemaakt  van  het  bestaan  van  de  vijf  verklaringen  van  Van  T.  Door  die  informatie weg  te  geven  viel  de  bodem  weg  onder  mijn  strategie,  want  de  verdediging  was  toen  ook onmiddellijk op de hoogte van het bestaan van meerdere verklaringen.” Na  de  opening  van  het  gerechtelijk  vooronderzoek  gebeurde  er  in  1999  niet  veel  meer  in  het  063- onderzoek.622  Eind  november  1999  werd  althans  aan  de  Tweede  Kamer  meegedeeld  dat  er  nog steeds strategische keuzen moesten worden gemaakt met betrekking tot de eventuele uitbreiding van het   onderzoek   (andere   feiten   en/of   andere   verdachten).   De   in   de   zomer   van   1999   aangestelde coördinerend  officieren  van  justitie  Haverkate  en  Don  zouden  daartoe  een  deelplan  opstellen.623  Dit deelplan werd in besloten overleg op 25 januari 2000 met de Tweede Kamer besproken.624 Niettegenstaande de stilstand die in 1999 optrad in het 063-onderzoek, bleven Snijders c.s. zich beijveren  voor  een  verbetering  van  de  detentiepositie  van  Van  T.  In  de  discussie  naar  aanleiding  van het  rapport  van  de  Commissie-Kalsbeek  kwam  dit  element  ook  aan  de  orde.  In  het  verlengde  van deze discussie gaf het college van procureurs-generaal op 2 juli 1999 de opdracht aan Van Brummen om  na  te  gaan  welke  informatie  in  het  verleden  vanuit  Nederland  aan  de  Engelse  autoriteiten  was verstrekt, op basis waarvan Van T. de “high risk”-status had gekregen en als vluchtgevaarlijk gold.625 Van  Brummen  droeg  dit  onderzoek  op  aan  Snijders  en  Schouten.  Beiden  brachten  in  1999  diverse bezoeken aan Engeland. Op enig moment werd door Engelse opsporingsambtenaren, werkzaam voor de  Criminal  Cases  Review  Commission  (CCRC),  contact  gezocht  met  Snijders  en  Schouten.  Het bleek  dat  het  Engelse  onderzoek  zich  richtte  op  dezelfde  XTC-zaak,  maar  dan  in  relatie  tot  een veroordeelde medeverdachte van Van T. Snijders en Schouten besloten de mogelijkheden van een revisieverzoek ten behoeve van Van T. nader  te  onderzoeken.  De  CCRC  was  reeds  van  zijn  zaak  op  de  hoogte  via  een  brief  van  advocaat Korvinus.  Op  17  februari  2000  vond  in  Birmingham  overleg  plaats  met  leden  van  deze  commissie. Tijdens  dit  overleg  werd  door  de  CCRC  een  aantal  concrete  vragen  geformuleerd,  die  men  door Snijders en Schouten beantwoord wilde hebben. Dit om de mogelijkheden te onderzoeken of de zaak van Van T. voor revisie in aanmerking kwam.626 Op 29 februari 2000 rapporteerden Snijders en Schouten aan de CCRC. In de kern kwamen hun antwoorden  er  op  neer  dat  Van  T.  een  ondergeschikte  rol  had  gespeeld  in  de  criminele  organisatie, dat de door hem uitgevoerde transporten volledig onder controle hadden gestaan van de Nederlandse opsporingsinstanties  en  dat  Van  T.  al  vrij  snel,  als  gevolg  van  tegen  hem  gerichte  bedreigingen,  niet meer in de gelegenheid was om vrijwillig met deze transportactiviteiten te stoppen. De  CCRC  zag  in  deze  argumenten  vooralsnog  geen  grond  voor  revisie  van  de  zaak  van  Van  T. De  CCRC  heeft  althans  tot  de  dag  van  vandaag  nog  geen  stap  in  deze  richting  gezet.627  Aangezien ook   een   tweede   –   in   september   1999   ingediend   –   verzoek   in   het   kader   van   de   Wet   Overdracht                                                 622 Snijders   had   zijn   standpunt   dat   er   wel   degelijk   sprake   was   van   nieuwe   feiten   overigens   nog   wel   vervat   in   een voortgangsrapportage aan het college van procureurs-generaal d.d. 4 mei 1999. Deze rapportage werd op dat moment inhoudelijk niet meer besproken. Het (naderende) rapport van de Commissie-Kalsbeek overschaduwde vanaf mei 1999 het gehele post-Fort-traject. 623 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26269, nr. 16 (eerste voortgangsrapportage integraal onderzoek, 29 november 1999). 624 Tweede  Kamer,  vergaderjaar  1999-2000,  26269,  nr.  29  (tweede  voortgangsrapportage  integraal  onderzoek,  31  mei 2000). 625 Brief J. de Wijkerslooth d.d. 2 juli 1999 aan H. van Brummen (D24). 626 Rapportage  van  J.  Snijders  en  P.  Schouten  ten  behoeve  van  de  Criminal  Cases  Review  Commission  d.d.  29  februari 2000 (D24). 627 Opmerkelijk genoeg werd het revisieverzoek van zijn Engelse medeverdachte wel gehonoreerd. Deze is inmiddels weer op vrije voeten.