• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_86

    274 15 De nasleep van het rapport van de Commissie-Kalsbeek 15.1 Inleiding Dit   rapport   ving   aan   met   een   verwijzing   naar   het   rapport   van   de   Tijdelijke   Commissie   Evaluatie Opsporingsmethoden   (TCEO)   en   eindigt   eveneens   bij   het   werk   van   deze   commissie.   Het   laatste hoofdstuk  staat  namelijk  in  het  teken  van  de  gevolgen  van  het  rapport  van  de  Commissie-Kalsbeek voor  het  verloop  van  de  post-Fort-onderzoeken.  Allereerst  staan  we  stil  bij  de  informatievoorziening die naar aanleiding van de (op handen zijnde) publicatie van het rapport plaatsvond in de richting van het  ministerie  van  Justitie.  Vervolgens  wordt  belicht  op  welke  wijze  de  hoofdofficieren  Holthuis,  Van Brummen  en  Vrakking  verantwoording  moesten  afleggen  aan  het  college  van  procureurs-generaal. Het   hoofdstuk   eindigt   met   een   korte   beschrijving   van   de   veranderingen   die   medio   1999   in   de organisatie van het post-Fort-traject werden doorgevoerd. Met  nadruk  wijzen  we  er  nogmaals  op  dat  het  onderzoek  van  de  Commissie-Kalsbeek  zelf  geen deel  uit  maakt  van  deze  evaluatie.  Het  doel  van  het  onderhavige  onderzoek  was  het  analyseren  van het verloop van de opsporingsonderzoeken en de daarmee samenhangende factoren. De Commissie- Kalsbeek vormt in dat opzicht niet meer dan het vertrek- en eindpunt. 15.2 Informatieverstrekking aan het departement van Justitie In  de  eindfase  van  het  onderzoek  van  de  Commissie-Kalsbeek  werd  ook  een  aantal  personen,  dat een  sleutelrol  had  vervuld  in  het  post-Fort-traject,  gehoord.  Ter  voorbereiding  van  de  publicatie  vond op  17  maart  1999  overleg  plaats  tussen  een  aantal  ambtenaren  van  het  departement  van  Justitie  en het   openbaar   ministerie,   waarbij   van   de   zijde   van   het   departement   werd   gevraagd   om   meer duidelijkheid  te  geven  over  het  verloop  van  de  onderzoeken.  De  volgende  vragen  stonden  daarbij centraal629: — Wat  is  precies  de  onderzoekopdracht  c.q.  –doelstelling  van  het  LRT-onderzoek  naar  aanleiding van de analyse van het Fort-materiaal? — Is deze opdracht/doelstelling reeds bekend bij de TCEO? — In hoeverre en met welke gevolgen interfereren de LRT-onderzoeken met andere opdrachten c.q. onderzoeken? — Hoe wordt op de samenhang/interferentie gestuurd binnen het openbaar ministerie en met welke resultaten? Deze  vragen  verraden  dat,  ondanks  de  presentatie  ten  overstaan  van  de  minister  van  Justitie  op  6 oktober  1998,  er  kennelijk  weinig  bekend  was  op  het  departement  over  de  achtergronden  en  het verloop    van    de    onderzoeken    in    het    kader    van    het    post-Fort-traject.    Dit    gebrek    aan    kennis manifesteerde  zich  ook  in  een  later  stadium.  Ter  voorbereiding  van  het  debat  met  de  Tweede  Kamer over het rapport van de Commissie-Kalsbeek stuurde de directeur-generaal rechtshandhaving van het ministerie  van  Justitie  Dessens  namelijk  een  faxbericht  aan  de  voorzitter  van  het  college  met  enkele “openstaande” vragen. Onder meer de volgende vragen werden gesteld630:                                                 629 Kort verslag van het besprokene op het departement van Justitie inzake post-Fort d.d. 17 maart 1999 (C1). 630 Fax van S. Dessens d.d. 23 juni 1999 aan J. de Wijkerslooth (B2).