• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_88

    276 was  gegeven  aan  de  opdracht  van  het  college  uit  de  IRT-stukken  een  dossier  samen  te  stellen  van onbesmet materiaal dat in het kader van het 060-onderzoek zou kunnen worden gebruikt.632 Op  14  juni  1999  stuurde  Van  Brummen  een  aangepaste  versie  van  het  ambtsbericht  aan  het college.633  Hij  benadrukte  daarin  allereerst  dat  Snijders  op  verzoek  van  het  college  en  (ten  dele)  van de  minister  van  Justitie  onder  zijn  gezag  bezig  was  geweest  met  het  vergaren  van  informatie  over  de IRT-periode. Snijders had daarbij, zo vervolgde Van Brummen, gebruik gemaakt van de IRT-dossiers, het    RCID-register    van    de    regiopolitie    Kennemerland    en    van    informatie    voorhanden    bij    de rijksrecherche en de CRI waarover zij op basis van hun reguliere taakstelling beschikten. Tevens had Snijders gebruik gemaakt van zich voordoende nieuwe informatiebronnen, zoals informanten. Van  Brummen  riep  verder  in  herinnering  dat,  naast  een  aantal  individuele  gesprekken  met  de verantwoordelijke   portefeuillehouder,   aan   het   voltallige   college   tweemaal   over   de   voortgang   was gerapporteerd.  Verder  wees  hij  op  de  deelname  van  Snijders  aan  de  klankbordgroep  van  het  060- onderzoek, die op verzoek van Haarlem was ingesteld. Van Brummen benadrukte dat Snijders een rol had  in  de  informatievergaring,  facilitair  ten  behoeve  van  door  het  landelijk  parket  in  te  stellen  of ingestelde opsporingsonderzoeken. Analoog  aan  de  presentatie  van  6  oktober  1998  werd  er  door  Van  Brummen  op  gewezen  dat  er door Snijders c.s. drie hoofddossiers waren gevormd, te weten: — het dossier “Rollaag”; — het XTC-dossier; — en het corruptie-dossier.634 In een groot aantal bijlagen werden deze dossiers nader toegelicht. Holthuis  richtte  zich  in  zijn  ambtsbericht  allereerst  op  de  opdracht  en  doelstelling  die  aan  het  060- onderzoek  ten  grondslag  lagen.635   Vervolgens   schetste   hij   de   belangrijkste   ontwikkelingen   in   de deelonderzoeken   061,   062   en   063,   waarna   hij   er   toe   overging   de   belangrijkste   knelpunten   te benoemen  die  zich  in  de  loop  der  jaren  hadden  voorgedaan.  In  de  visie  van  Holthuis  betrof  het  de volgende problemen: — De   status   van   het   Fort-materiaal   ofwel   het   feit   dat   het   Fort-onderzoek   een   “fact-finding” onderzoek was geweest, met als gevolg dat het Fort-rapport in strafrechtelijke en strafvorderlijke zin voor een belangrijk deel onbruikbaar was; — Verschillende onderzoeksactiviteiten (“sporen”) naast die van het LRT/landelijk parket; — De discussie tussen het landelijk parket en het parket Haarlem over de verklaringen van de twee bedreigde getuigen; — Toegezegde   informatie   was   nog   steeds   niet   ter   beschikking   gekomen   van   het   LRT/landelijk parket;   in   het   bijzonder   werd   hier   gedoeld   op   de   bruikbare   informatie   uit   het   zogenaamde “besmette” IRT-dossier; — De  moeilijkheidsgraad  van  het  onderzoek  of,  in  de  woorden  van  Holthuis:  “  aan  analyses  en scenario’s geen gebrek, maar aan harde tactisch/operationele gegevens over het verleden des te meer”. Vrakking  ging  in  zijn  –  overigens  nauwelijks  bijgestelde  –  ambtsbericht636  uitgebreid  in  op  het  door Amsterdam gepercipieerde gebrek aan medewerking van de parketten te Alkmaar en Haarlem bij het ter   beschikking   stellen   van   beschikbare   informatie   ten   behoeve   van   het   XTC-onderzoek   en   het onderzoek  naar  de  liquidatie  van  Van  der  Heiden.  Het  parket  Amsterdam  had,  na  overleg  met  het                                                 632 Vertrouwelijk  deel  van  de  besluitenlijst  van  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  d.d.  1  juni  1999 (B2). 633 Ambtsbericht H. van Brummen d.d. 14 juni 1999 aan het college van procureurs-generaal (B2). 634 Onder deze noemer waren 21 onderwerpen gerubriceerd. 635 Ambtsbericht H. Holthuis d.d. 26 mei 1999 aan het college van procureurs-generaal (B2). 636 Ambtsbericht J. Vrakking d.d. 10 juni 1999 aan het college van procureurs-generaal (B2).