• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_95

    283 In  een  rechercheonderzoek  is  het  proces  van  informatie-inwinning  en  vervolgens  de  eliminatie van   informatie   van   groot   belang.   Na   een   fase   van   divergentie   volgt   onvermijdelijk   een   fase   van convergentie.  Het  afscheid  nemen  van  bepaalde  veronderstellingen  is  een  moeilijk  en  veelal  ook  een pijnlijk  proces.  Niettemin  wordt  de  kwaliteit  van  de  besluitvorming  hierdoor  goeddeels  bepaald.  Het besluit  om  bepaalde  veronderstellingen  als  niet  aannemelijk  terzijde  te  leggen  en  daarmee  bepaalde onderzoekslijnen  af  te  kappen  veronderstelt  immers  een  gedegen  onderbouwing.  Voor  het  verloop van   een   strafrechtelijk   onderzoek   is   het   van   groot   belang   dat   onbewijsbare   stellingen   worden verworpen,  wilde  speculaties  definitief  naar  het  rijk  der  fabelen  worden  verwezen  en  uiteindelijk  de harde    bewijsbare    gegevens    zich    uitkristalliseren    en    de    basis    gaan    vormen    voor    de    verdere interpretaties. In  het  post-Fort-onderzoek  heeft  deze  filtering  in  onvoldoende  mate  plaatsgevonden.  Te  lang  is “te  veel  voor  waar”  aangenomen,  of  wellicht  beter,  “te  weinig  voor  onwaar”.  Zo  zijn  gedurende  de gehele post-Fort-periode enkele hoofdrolspelers er primair op gericht geweest om een bevestiging te vinden   voor   de   hypothese   van   de   parallel-importen.   Voor   informatie   die   duidde   op   een   mogelijke falsificatie    van    deze    hypothese    hadden    deze    personen    nauwelijks    oog.    Aan    zulke    selectieve percepties    van    de    “gelovigen”    werd    ook    onvoldoende    tegenwicht    geboden    door    de    “sceptici”. Noordhoek   c.s.   hebben   nagelaten   gericht   onderzoek   te   doen   naar   de   houdbaarheid   van   de   door Snijders  c.s.  aangereikte  aanknopingspunten  en  daarmee  de  kans  voorbij  laten  gaan  om  een  zekere reductie van onzekerheid te bewerkstelligen. Uit   het   conflict   tussen   “Haarlem”   en   het   landelijk   parket   over   de   NN-verklaringen   is   ook   een andere  les  te  trekken.  De  relatie  tussen  een  CID-officier  en  een  zaaksofficier  staat  of  valt  bij  een basaal  vertrouwen  in  elkaars  professionaliteit.  In  de  onderhavige  situatie  was  al  snel  duidelijk  dat  dit vertrouwen aan weerszijden ontbrak. Daarbij kwam dat Noordhoek in eigen kring niet kon terugvallen op  een  CID-officier  die  door  Snijders  en  Teeven  als  zodanig  werd  geaccepteerd.  De  opstelling  van Noordhoek  was  wellicht  minder  rigide  geweest  wanneer  een  collega  van  het  landelijk  parket  inzage had gehad in de veiligheidsanalyse die ten grondslag lag aan de NN-verklaringen. Dreef   de   controverse   over   de   NN-verklaringen   –   en   later   over   het   parallel-proces-verbaal   – Noordhoek  en  Snijders  ver  uiteen,  tegelijkertijd  vond  weer  toenadering  plaats  tussen  Noordhoek  en Teeven.  Het  verhaal  van  de  post-Fort-onderzoeken  laat  zich  lezen  als  dat  van  wisselende  combines. Waar  in  deel  I  nog  werd  vastgesteld  dat  Snijders  en  Teeven  elkaar  hadden  gevonden  bij  de  analyse van  het  “besmette”  IRT-dossier,  werden  de  verhoudingen  tussen  Haarlem  en  Amsterdam  in  1998 weer  zwaar  op  de  proef  gesteld.  De  pre-deal  met  K.  was  het  sluitstuk  in  een  proces  van  verwijdering tussen Snijders en Teeven. Laatstgenoemde haalde daarop weer de banden aan met Noordhoek. De externe impuls die Teeven medio 1998 gaf aan het 060-onderzoek in de vorm van de verstrekking van een  CID-bericht  vanuit  het  regiokorps  Amsterdam-Amstelland,  kwam  dan  ook  geenszins  uit  de  lucht vallen. Het  wederzijdse  gebrek  aan  vertrouwen  verklaart  ook  goeddeels  de  verharding  van  de  “slag  om de informatie”. Het voortdurende getouwtrek rondom de CID-informatie uit Kennemerland van/over de vermeende groei-informant, de woede van Snijders over het CID-bericht uit Amsterdam dat plotsklaps op  de  burelen  van  het  LRT  neerdwarrelde  en  de  controverse  tussen  “Haarlem”  en  “Amsterdam”  over de   verstrekking   van   informatie   uit   het   IRT-dossier,   zijn   even   zovele   voorbeelden   van   de   “Chinese walls” die door de betrokkenen rondom hun eigen informatiepositie werden opgetrokken. Tijdens de openbare verhoren door Commissie-Van Traa kwamen enkele overheidsfunctionarissen ter sprake van wie werd vermoed dat zij een dubieuze rol hadden gespeeld bij   de   Delta-methode.   Zij   werden   met   naam   en   toenaam   genoemd:   Van   V.   en   L.   van   de   CID Kennemerland en de FIOD-ambtenaar De J. Ondanks het feit dat zij – uiteraard – van het begin af aan hebben    behoord    tot    de    belangrijkste    (potentiële)    verdachten,    moet    na    ruim    drie    jaar    post- Fortonderzoek   worden   vastgesteld   dat   er   relatief   weinig   strafrechtelijke   activiteiten   jegens   hen   zijn ontplooid.    Vanuit    het    perspectief    van    het    naar    boven    halen    van    de    “onderste    steen”    is    het onbevredigend   en   onbegrijpelijk   dat   de   personen   die   (vermoedelijk)   het   meeste   zouden   kunnen