• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Rekonstruktie van de container-affaire

    Onderzoekscommissie stopt Bosio-affaire in de doofpot. Verslag aan de Tweede Kamer verzwijgt belangrijke feiten.
    Volgende week staat in de Tweede Kamer het Verslag van de speciale Onderzoekscommissie naar de Bosio-affaire op de agenda. De opdracht van de Onderzoekscommissie was kort geformuleerd:
    “Het instellen van een fact-finding onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met het bedrijf van Bosio in het algemeen en de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid in het bijzonder.”

    De Onderzoekscommissie concludeert in haar eindverslag aan de Tweede kamer dat er geen aanwijzingen zijn van een relatie tussen het inbeslagnemen van een container drugs in Antwerpen en het bedrijf Stairco van Bosio.
    “De relatie tussen Bosio en de drugscontainer ligt uitsluitend in het feit dat een voormalige zakenrelatie hem heeft gevraagd het adres van Russel Inc. in Kleve te gebruiken.”

    Uit het eindrapport blijkt dat een tip van een informant, die afkomstig was van de DEA, leidde tot de inbeslagname van de container. De bescherming van de identiteit van deze informant was van doorslaggevend belang voor de afwikkeling van de container-affaire. De rol van deze informant is echter door de Onderzoekscommissie niet tot in detail uitgezocht.

    Desalniettemin eindigt de Commissie haar rapport met een aantal aanbevelingen van beleidsmatig karakter die niet direct tot haar taakopdracht behoren:

    “De regering te verzoeken haar nader te informeren omtrent:
    a. de relatie tussen Nederlandse justitiële en politiële instanties en de DEA, de terzake gemaakte afspraken en de wijze waarop hierop toezicht wordt uitgeoefend;
    b. de positie van informanten, de reikwijdte van hun bescherming, de gevolgen van de mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten.”

    Deze aanbevelingen vloeien op het eerste gezicht op geen enkele manier voort uit de voorafgaande verslaglegging. Een rapport met een zo onverwachte conclusie roept meer vragen op dan er beantwoord worden. Nadere bestudering van de verhoren van de Rijksrecherche en de precieze reconstructie van de chronologie van de gebeurtenissen rond de container met drugs verschaffen meer duidelijkheid over de discrepanties in de nu gepresenteerde verslagen van de Onderzoekscommissie.

    Uitgaande van de conclusies en aanbevelingen in de rapportages aan de Tweede Kamer gaat het om de volgende vragen:
    Waarom was de DEA-informant zo belangrijk?
    Wat was de rol van deze informant in de container-affaire?
    Wie was de DEA-informant?
    en: Wat was de rol van de bovengenoemde zakenrelatie, de heer Parisius, in dit geheel?

    I.
    De rol van de informant in de container-affaire.
    De rol van de heer Parisius in de container-affaire.
    Was Parisius de informant?
    II.
    De rol van de DEA in de container-affaire.
    III.
    De rol van de CRI in de container-affaire.

    De citaten zijn afkomstig uit de Rijksrecherche-verslagen,
    tenzij anders vermeld.
    I.
    De rol van de informant in de container-affaire.
    Tijdens de debatten vorig jaar oktober en november moest minister Hirsch Ballin toegeven dat de container niet in beslaggenomen werd doordat de CRI Bosio’s tip van 4 november had doorgegeven.
    Het was de CID Schiphol die een week eerder -op 28 oktober- de Belgische autoriteiten op de hoogte stelde.
    Uit de verhoren van de Rijksrecherche blijkt nu dat de CID-Schiphol al voor de aankomst van het schip op de hoogte was van de inhoud. Die informatie was afkomstige van een informant, die, geruime tijd die geruime tijd voordat deze drugszaak speelde, door de DEA was geïntroduceerd.
    Waarom staat er in het Verslag van de Onderzoekscommissie aan de Tweede Kamer dat de CID pas één dag voor de inbeslagname informatie van de informant kreeg?
    “Uit het onderzoek van de Rijksrecherche is gebleken dat een informant van de DEA op 27 oktober 1985 informatie over de inhoud van de container heeft doorgegeven aan de CID van de Dienst Luchtvaart van het korps Rijkspolitie te Schiphol. Deze dienst heeft vervolgens rechtstreeks de Belgische autoriteiten ingelicht. Op 28 oktober is door de Dienst Luchtvaart Rijkspolitie contact opgenomen met de Douane recherche in Antwerpen om te bereiken dat de drugs uit de roulatie werden genomen en dat zou worden afgezien van een strafrechtelijk onderzoek zulks met oog op de bescherming van de identiteit van de informant.”

    De CID Schiphol ging op onderzoek uit en kwam er via de douane en de Rivierpolitie achter dat het container niet in Rotterdam aan zou komen, maar uitweek naar Antwerpen. Daar liep het schip binnen op 21 oktober. Pas op 27 oktober werd de Belgische politie gebeld, die op 28 oktober de container in beslagnam.

    Waarom duurde het bijna een week voor er aktie ondernomen werd?

    M.H. Schuckman, coördinator CID Schiphol:

    “Het was vele maanden voor de affaire met die container toen wij die informant zijn gaan runnen.”
    “De informatie met betrekking tot de container met marihuana betrof een Nederlandse zaak, althans de afnemers waren volgens de informant Nederlanders. De container zou aanvankelijk in Rotterdam arriveren.”
    “Collega Piening en ik zijn op basis van de informatie op bezoek geweest bij zowel de Rivierpolitie Rotterdam als de Douane recherche te Rotterdam. Het bleek toen onmogelijk om op basis van de door de informant verstrekte informatie een dergelijke container te traceren.”
    “Er is daarna door informant meer informatie aangedragen. Zover ik mij herinner verstrekte informant ons die informatie rechtstreeks. Informant belde ons regelmatig rechtstreeks. Ik sluit niet uit dat ook Dale Laverty wel eens aanvullende gegevens aan ons heeft doorgespeeld.”
    “Wij wisten op zeker moment om welk schip en welke container het ging. Vervolgens ontdekten wij dat de container niet in Rotterdam maar in Antwerpen gelost zou worden.”

    G. Piening, CID Schiphol, destijds de ‘runner’ van de informant:

    “Geruime tijd nadat de desbetreffende informant bij ons was geïntroduceerd nam hij, medio oktober 1985, contact met mij op. Hij deelde mij toen het volgende mee. Er zou vanuit Ghana een container met kokosnoten onderweg zijn naar de haven van Rotterdam en in die container zou een aanzienlijke partij marihuana verborgen zijn. De informant noemde mij het betreffende containernummer en naar ik thans aanneem ook de naam van het schip waarmee die container werd vervoerd.
    Informatie dienaangaande leerde mij vervolgens dat het desbetreffende schip niet naar Rotterdam doch naar de haven van Antwerpen ging.”

    Gerrit Jan Kamp, chef CID-Schiphol:

    “Het feit dat ik er bij betrokken werd had waarschijnlijk te maken met het risico welke de informant in deze zou kunnen lopen. De inbeslagneming van de container op zich zou al een aanwijzing kunnen zijn voor de achterliggende criminele organisatie dat de tip zou zijn gegeven door de bewuste informant. Ik kan mij nog herinneren dat de CID-rechercheurs toch mogelijkheden zagen om de container zo onopvallend mogelijk en met weinig risico in beslag te laten nemen omdat in die dagen bleek dat de container niet in Nederland zou worden ingevoerd maar in België en wel in de haven van Antwerpen. Ik kan mij vinden in hun voorstel om de tip van de informant door te spelen naar de Belgische douane.”

    Uit uitspraken van verschillende betrokken politiemensen tegenover de Rijksrecherche blijkt dat de identiteit van de informant is uitgelekt en dat hij grote gevaren liep in het criminele milieu.

    G.J. Kamp chef CID-Schiphol:

    “Ik kon mij vinden in hun voorstel om de tip van de informant door te spelen naar de Belgische douane. Enige tijd later vernam ik van Piening dat de bewuste container met drugs inmiddels in de haven van Antwerpen was in beslaggenomen, maar dat tevens de naam van de informant was uitgelekt, zodanig dat er vanuit gegaan moest worden, dat de Belgische justitie zou kunnen besluiten de informant internationaal te signaleren als verdachte in deze zaak.”

    G. Piening, CID Schiphol, runner van de informant:

    “Onze inschatting was namelijk dat de naam van de informant, vanwege zijn eigen rol in dit gebeuren, al heel snel bekend zou worden als er met betrekking tot deze container een opsporingsonderzoek zou gaan plaatsvinden. Dat wilden wij uiteraard koste wat kost voorkomen.”

    Voor het eigenlijke verhoor begint:

    “Ik wil in deze een verklaring afleggen over de aktiviteiten welke ik ondernam naar aanleiding van hetgeen één van die informanten mij meedeelde. Ik wil uitdrukkelijk stellen dat ik u de naam van deze informant niet noem omdat indien zijn naam bekend wordt dit voor hem gevaren op kan leveren vanuit het criminele milieu.”

    en na afloop:

    “Tot slot wil ik u verklaren dat in contacten met de informant met betrekking tot de onderhavige container mij een aantal details bekend zijn waarover ik geen verklaring heb afgelegd. Dit om reden dat deze details voor sommige buitenstaanders een gerede aanwijzing kunnen opleveren met betrekking tot de identiteit van de informant.”

    De rol van Parisius in de container-affaire.
    Voor een beter begrip van de gang van zaken moet de rol van Parisius bekeken worden.
    Wat is er bekend over zijn aandeel in de containerzaak?

    Parisius vraagt Bosio om het gebruik van een lege BV in Kleve als bestemming voor de container kokosnoten.
    Parisius stuurt drie ‘Amsterdammers’ voor wie de container bestemd is naar Bosio. Hij moet mee om bij de bank aan de firma Dokeb Rotterdam, het losbedrag van de container te betalen.
    Parisius waarschuwt Bosio: de container zit vol drugs, de politie weet ervan, het is een DEA-operatie. Hij zegt Bosio met niemand mee te gaan om de container op te halen.
    De ‘Amsterdammers’, die zich voorstellen als ‘gemachtigden van Parisius’, zijn dezelfden die Bosio later onder bedreiging willen meenemen om de container alsnog op te gaan halen.
    Volgens het onderzoek van de Rijksrecherche zijn het bekenden van de politie.
    Voor een nadere analyse van de rol van Parisius is het van belang de precieze volgorde van de samenloop van omstandigheden nader te beschouwen.

    Chronologie van de gebeurtenissen rond de hasj-container.
    ergens in 1985
    Parisius vraagt Bosio om het gebruik van zijn BV in Kleef.

    begin oktober 1985
    Parisius stuurt drie heren bij Bosio langs om het losbedrag van de container te betalen.

    20 oktober 1985
    Verwachte aankomstdatum van container vol drugs in Rotterdam.

    21 oktober 1985
    Aankomst van de container in Antwerpen vanwege stakingdreiging in Rotterdam.

    27 oktober 1985
    CID-Schiphol tipt douane Antwerpen telefonisch.

    28 oktober 1985
    Container opengemaakt, inhoud in beslaggenomen door de Belgische autoriteiten.

    28 oktober 1985
    Parisius tipt Bosio: haal container niet op.

    8 oktober 1985
    Vrachtauto komt toch lading halen, chauffeur verhoord en vrij.

    31 oktober 1985
    Artikel in de Gazet van Antwerpen, container in beslaggenomen en “niemand kwam opdagen”.

    4 november 1985, ‘s morgens
    Bosio krijgt weer bezoek van de drie heren en wordt bedreigd.

    4 november 1985, overdag
    Bosio’s zaakwaarnemer belt de CRI; krijgt een afspraak politie Arnhem.

    november 1985, ‘s avonds
    Bosio gaat met zijn zaakwaarnemer naar Buil, politie Arnhem.

    5 november 1985
    De politie Arnhem faxt de CRI over de gesteld en besluiten naar de CID Schiphol te gaan.

    12 november 1985
    Buil en zijn chef op bezoek bij de collega’s van de CID-Schiphol.

    Was Parisius de informant?
    Parisius is de spil in deze zaak. Hij heeft niet alleen de container georganiseerd, maar blijkt ook op de hoogte van stappen die de politie onderneemt.
    Dat is niet de enige aanwijzing die doet vermoeden dat Parisius en de informant één en dezelfde persoon zijn.
    Buiten de aantijgingen van Bosio, die zegt dat meerdere mensen van adjudant Buil van de Arnhemse politie gehoord hebben dat Parisius voor Amerikaanse geheime diensten zou werken, zijn er meer indicaties die in die richting wijzen.
    De chronologie van de gebeurtenissen roept een aantal vragen op die de Onderzoekscommissie niet heeft onderzocht.

    Parisius heeft aan de journalist Ephimenco verteld dat hij in de week voor 28 oktober een paar dagen is gegijzeld door de afnemers van de container, hasj-dealers uit Amsterdam die hem ervan verdachten een verklikker te zijn.
    S. Ephimenco heeft dit gemeld in een brief aan de Commissie voor Verzoekschriften (13 april 1990), het relaas van Parisius staat op de band. Waarom heeft de Onderzoekscommissie dit niet onderzocht?
    Parisius beweert dat het zijn redding was dat tijdens zijn gijzeling bleek dat er ook drugszaken waren stukgelopen waar hij niets mee te maken had. Hij kwam op de dag van de drugsvangst vrij, zelf zegt hij dat hij werd bevrijd door de politie. Is deze ontvoering een verklaring voor het relatief late tijdstip dat de CID Schiphol in aktie komt?
    Ondanks het feit dat de container al voor aankomst getraceerd is op basis van informatie van de informant, ligt het schip een week in de Antwerpse haven voor hasj in beslaggenomen wordt.
    Volgens het Rijksrecherche rapport neemt de informant op 27 oktober kontakt op met zijn ‘runners’. Op die dag belt de CID-Schiphol de Belgische autoriteiten. Is er pas aktie ondernomen nadat de informant vrijkwam?
    Wordt de operatie afgeblazen in verband met de gijzeling van de informant?
    Heeft de CID Schiphol besloten de Belgische douane te tippen omdat de identiteit van hun informant in gevaar kwam?
    Is het deze gijzeling waaraan CID chef refereert als hij zegt dat hem gebleken was dat de naam van de informant inmiddels is uitgelekt? (zie de hierboven geciteerde uitspraak)
    Is het deze gijzeling waarop gedoeld wordt als er sprake is van risiko’s die voor de informant dreigen vanuit het criminele milieu?
    Een dag na het telefoontje wordt op 28 oktober de container in beslaggenomen en op dezelfde dag waarschuwt Parisius Bosio.
    Hoe weet Parisius dat de container in beslaggenomen is of zal worden?
    Weer een week later, op 4 november staan de afnemers van de container, de hasj-handelaren uit Amsterdam, bij Bosio op de stoep om hem te dwingen de container op te halen.
    Kennelijk zien ze geen andere weg om bij het schip te komen en hebben de handelaren zelf geen kontakten in de Antwerpse haven en lezen ze geen Belgische kranten, weten ze niet dat alles al een week in beslag is genomen. De afnemers van de hasj zijn hun cruciale tussenpersoon kwijt.
    Parisius is de enige alle details over de container kent, ook wat de politie ermee van plan is. Is Parisius verdwenen omdat hij bedreigd is door de hasj-handelaren op verdenking van verklikken?
    De CID Schiphol doet alle mogelijke moeite om te voorkomen dat de identiteit van hun informant bekend wordt, vanwege gevaren vanuit het criminele milieu.
    In de woorden van CID-chef Kamp:
    “De toezegging aan een informant dat zijn identiteit nimmer zal worden prijsgegeven dienden wij staande te houden.”
    Waarom gaat de CID Schiphol zover in het beschermen van deze informant?
    II.
    De betrokkenheid van de DEA bij de container-affaire.
    Uit de verklaringen van de CID Schiphol blijkt het volgende:

    De DEA doet, in zaken waar zij “niet mee uit de voeten kunnen” en die “raakvlakken hebben met Nederland” over aan Nederlandse diensten, in dit geval de CID Schiphol.
    De CID Schiphol doet vervolgens erg haar best de indruk te wekken dat zij die zaak “zelfstandig” en “zonder sturing” heeft geregisseerd.
    De CID Schiphol geeft echter toe dat de DEA ook nog naderhand nadere bijzonderheden over deze zaak heeft doorgegeven.
    De Amerikaanse Ambassade ontkent dit tegenover de Rijksrecherche kategorisch: de deelname van Special Agent Laverty eindigde met de overdracht van de informant. Het eerste dat hij volgens zijn superieuren weer hoorde was dat de drugs in beslaggenomen waren.
    Schuckman, coördinator CID Schiphol:

    “De informant was bij de CID binnengekomen via Dale Laverty van de DEA. Laverty benaderde mij op zeker moment over die informant en vertelde dat die persoon regelmatige informaties vertelde over zaken waar hij niks mee kon doen en welke zaken raakvlakken hadden met Nederland. Laverty vroeg of wij voor dergelijke zaken die informant contact te laten opnemen met een CID in Nederland. Laverty vroeg of wij voor dergelijke zaken die informant wilden runnen. Met Laverty heb ik toen de afspraak gemaakt dat de bewuste informant in voorkomende gevallen zelfstandig contact kon opnemen met onze CID.”
    “Het was vele maanden voor de affaire met die container toen wij die informant zijn gaan runnen. In die tijd liepen onze contacten rechtstreeks met de DEA.”
    “De informant kwam destijds zelfstandig met het verhaal over de container. Hij vertelde die informatie tegen collega Piening en mij. Het is goed mogelijk dat het eerste gesprek over die container plaatsvond in het Hilton-hotel te Schiphol en dat Dale Laverty daarbij aanwezig was.”

    Piening, CID Schiphol, runner:

    “De informant werd tot dat moment gerund door Laverty voor zaken die zich veelal op een ander continent afspeelden. Met Laverty hadden wij nl. op enig moment een gesprek over een informant van hem, die hem ook confronteerde met zaken met een raakvlak naar Nederland. Laverty kon met die zaken niet uit de voeten en verzocht ons die informant voor die zaken te gaan runnen. Dat gebeurde vervolgens. Laverty introduceerde vervolgens die informant bij ons waarna die informant zelfstandig contact met ons kon opnemen en wij zelfstandig met deze informant zaken konden doen.”
    “U vraagt mij thans of diensten als de CIA, de DEA of de BVD enige rol hebben gespeeld met betrekking tot de onderhavige container met daarin marihuana. Neen, dit is, met uitzondering van de DEA, niet het geval.”
    “De informant heeft ons, voor zover ik dat weet, zelfstandig en uit eigen beweging, met de zaak op de hoogte gebracht.”
    “In een door mij op 10 december 1985 opgemaakt rapport – afkomstig uit de map bij de Dienst Luchtvaart, welke in verband met de kamervragen rond deze affaire is aangelegd – is met betrekking tot een gesprek over de onderhavige containerzaak het volgende gemeld:
    “Het in het Hilton-hotel gevoerde gesprek werd bijgewoond door SA Dale Laverty van de DEA te ‘s Gravenhage. Via Laverty werden regelmatig nadere bijzonderheden betreffende de zending marihuana aan ons doorgespeeld.”

    Uit de passage blijkt dat Dale Laverty aanwezig is geweest bij een gesprek, waarbij informatie over de container werd besproken en dat hij naderhand nog nadere bijzonderheden heeft doorgegeven.

    Uit de brief van de Amerikaanse Ambassade in Den Haag, in antwoord op vragen van de Rijksrecherche:

    “Some time during fall of 1985, SA D. Laverty, then assigned to DEA’s Country Office in The Hague, notified the Rijkspolitie at Schiphol Airport that, according to Confidential Informant (CI) information, a multi-hundred kilogram shipment of marihuana was destined to be shipped by sea container from Africa (probably Ghana or Nigeria) to Amsterdam via the port of Antwerp, Belgium.”
    “S/A Laverty was present during the initial debriefing of the CID by Rijkspolitie-Schiphol.(..)”
    “S/A Laverty’s participation in this case ended with this debriefing. S/A Laverty subsequently heard from the Dutch policie that the marijuana shipment had been seized in Antwerp, Belgium.”

    Iedere verdere samenwerking wordt ontkend, maar op de vraag onder wiens verantwoordelijkheid de informant werd gerund was het antwoord:

    “This informant was handled and directed jointly by DEA and the Rijkspolitie-Schiphol.”
    Door Amerikanen waar het drugs naar de VS betrof en door de Nederlanders voor wat Nederland en Europa aanging.
    De CID-Schiphol runt informanten van de DEA voor zaken waar die dienst niet mee uit de voeten kan. De indruk wordt gewekt dat de CID deze zaken geheel zelfstandig afwerkt, ondanks regelmatige nadere toevoer van informatie door de DEA.
    De Amerikaanse ambassade ontkent deze betrokkenheid van de DEA met alle kracht, geeft echter toe dat er informanten zijn die door diverse diensten worden gerund.

    De volgende vraag is:
    Wat weten de Nederlandse autoriteiten hiervan:

    III.
    De rol van de CRI in de container-affaire.
    De Kamercommissie concludeert op basis van het Rijksrecherche onderzoek:
    “De contacten van de CID van de Dienst Luchtvaart RP met de DEA en de Belgische autoriteiten verliepen rechtstreeks. Uit het onderzoek is niet gebleken dat tussen de Dienst Luchtvaart RP en de CRI over deze zaak contact is geweest.”

    Deze conclusie is absoluut in tegenspraak met wat CID Schiphol daarover verklaard heeft tegenover de Rijksrecherche:

    G.J. Kamp CID-Schiphol chef:

    “Het is gebruikelijk -en ook al in die tijd- dat onze narcoticazaken worden gemeld bij de CRI. Gelet op de goede relatie welke wij ook al in die tijd met de CRI hadden, ga ik er van uit dat onze CID contact heeft gehad met de CRI over deze aangelegenheid. Overigens merk ik op dat dit soort contacten met de CRI niet altijd schriftelijk werden vastgelegd. Vaak werd volstaan met een telefonische melding.”

    M.H. Schuckman, CID-Schiphol coördinator:

    “In die tijd was er in hoge frekwentie contact met diverse personen van de Verdovende Middelen Centrale van de CRI. Het was toen gebruikelijk dat zaken als de onderhavige container aan de CRI werd gemeld. Meestal gebeurde dit mondeling, hetzij telefonisch, hetzij tijdens een bezoek door een van de rechercheurs aan onze afdeling. Ik heb geen precieze herinnering hoe dat met de container qua informatie aan de CRI is verlopen.”
    “Er was in ieder geval geen enkele reden om deze informatie voor de CRI achter te houden.”

    G. Piening, CID-Schiphol runner:

    “De mensen van de CRI kwamen vrijwel dagelijks bij ons over de vloer. Onze werkwijze was, zeker als het buitenland er bij betrokken was, om de Verdovende Middelen Centrale van de CRI te informeren. Geredeneerd vanuit deze werkwijze ga ik er zonder meer vanuit dat wij met betrekking tot deze containerzaak toen ook de CRI informeerden. Ik neem zelfs aan dat wij dat al deden voordat wij naar België gingen.”

    Bij de CRI is echter over de container zaak helemaal niets bekend. Alle medewerkers lijken de zaak te zijn vergeten als de Rijksrecherche er naar vraagt:

    P.D. Carter verklaart dat hij aan deze zaak “geen enkele herinnering” heeft. Hij ging er niet over en in het computersysteem dat hij geraadpleegd zijn het schip en het bedrijf onbekend.

    G.F. de Gooyer, destijds hoofd Verdovende Middelen Centrale met wie Van den Heuvel zegt te hebben gebeld, kan zich “totaal niets herinneren van een container met hash in de haven van Antwerpen”
    Hij acht het zelfs “hoogst onwaarschijnlijk” dat hij ooit kontakt heeft gehad met de heer Buil van de politie Arnhem “aangezien ik mij niet meer herinner, dat ik ooit met hem heb gesproken en/of hem moet kennen”

    A.A.C. Kops over de fax die de politie Arnhem aan de CRI stuurde met het verhaal van Bosio over de container:
    “Aan de hand van het door u aan mij getoonde faxbericht verklaar ik, dat ik aan de daarin vermelde zaak geen enkele herinnering heb. Het feit dat die fax aan mij was gericht houdt niet automatisch in dat ik die aangelegenheid ook heb behandeld.”
    “Het is thans niet meer te traceren aan wie op 5 november 1985 onderhavige zaak is gedelegeerd.”

    W.M. Faubel is nog maar kort op de afdeling waar drugszaken binnenkomen werkzaam en verwijst naar zijn plaatsvervanger, de heer Hazenbroek. Vreest bovendien dat door sanering van het Centraal Politieregister niets meer terug te vinden is.

    F.J. Hazenbroek kan niet zeggen of alle binnenkomende drugszaken bij de afdeling Post- en Archiefzaken werden geregistreerd.
    “Uit ervaring weet ik, dat niet alle bij de Verdovende Middelen Centrale binnenkomende zaken bij ons terechtkomen. Dat was in het verleden zo en dat gebeurt nu nog steeds.”

    Zoals bekend zijn er de laatste jaren verschillende onderzoeken gedaan naar de organisatie en het functioneren van de CRI. Vooral op het interne berichtenverkeer is de nodige kritiek gekomen. De rapporten daarover waren ronduit vernietigend.

    De uitspraken over contacten tussen de CRI en de CID Schiphol over de drugscontainer staan diametraal tegenover elkaar.
    Waarom gaat de onderzoekscommissie er zonder meer van uit dat de ambtenaren van de CRI de waarheid spreken en die van de CID Schiphol niet?

    Conclusies.
    De relatie Informant – Hasj-container en de betrokkenheid van de Nederlandse overheid.
    De opdracht van de Onderzoekscommissie was het onderzoeken van de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid.
    De Commissie komt tot de conclusie dat de enige relatie tussen Bosio en de drugscontainer ligt in het feit dat ‘een voormalige zakenrelatie’ hem om het gebruik van zijn b.v. in Kleve heeft gevraagd.
    Die ‘voormalige zakenrelatie’ was Herbert Jan Parisius.

    Parisius werd enkele jaren eerder door regeringswaarnemer Belderbos geintroduceerd bij Bosio’s airconditioningbedrijf. Hij maakte als vertegenwoordiger voor Bosio enkele reizen naar Afrikaanse landen om daar de markt te verkennen.
    De vraag of Parisius en ‘de informant’ een en dezelfde persoon zouden kunnen zijn, is door de onderzoekscommissie niet onderzocht.

    Waarom was deze informant zo belangrijk?
    De DEA introduceerde hem bij de CID-Schiphol voor ‘zaken met een raakvlak naar Nederland’. De CID-Schiphol wist al in een vroeg stadium van de drugs in de container. Toch werd pas een week na aankomst van het schip actie ondernomen.
    De bescherming van de informant speelde een grote rol in de afwikkeling van de container-affaire. De CID-Schiphol deed en doet alle mogelijke moeite om de identiteit van de informant verborgen te houden.

    De rol van de informant en de betrokkenheid van de DEA blijven in het onderzoek van de Commissie onderbelicht.

    Parisius was de organisator van het hasj-transport, en wist tegelijkertijd af van de inbeslagname de op handen was. Parisius zegt zelf dat hij in de week voor de inbeslagname gegijzeld is geweest door de afnemers van de hasj, die hem ervan verdachten als verklikker voor de politie te werken.

    De rol van Parisius is door de Commissie niet onderzocht.

    Het combineren van deze gegevens met de chronologie in een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van de container-affaire, doen sterk vermoeden dat de rol van Parisius groter was dan in het Verslag van de Onderzoekscommissie wordt gesuggereerd. Voor een zorgvuldige afronding van deze affaire is het nog te vroeg. Teveel vragen blijven vooralsnog onbeantwoord.

    De relatie DEA-CID-CRI en de betrokkenheid van de Nederlandse overheid.

    Het verslag aan de Tweede Kamer van de Onderzoekscommissie eindigt met de volgende beleidsmatige aanbevelingen:

    “De regering te verzoeken haar nader te informeren omtrent:

    de relatie tussen Nederlandse justitiële en politiële instanties en de DEA, de terzake gemaakte afspraken en de wijze waarop hierop toezicht wordt uitgeoefend
    de positie van informanten, de reikwijdte van hun bescherming, de gevolgen van de mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten.”
    Ter afsluiting van deze reconstructie alvast een aantal suggesties voor specifieke vragen:
    Zijn er afspraken tussen de Nederlandse en Amerikaanse autoriteiten over het optreden van de DEA op Nederlands grondgebied?
    Hoe luiden de afspraken?
    Is daarop controle mogelijk?
    Moeten DEA operaties in Nederland worden gemeld?
    Bij wie moeten dergelijke DEA operaties worden gemeld?
    Wordt de CRI op de hoogte gesteld van DEA operaties in Nederland?
    Is er een speciale Officier van Justitie voor dit soort zaken?
    Wordt daarvan een deugdelijke en controleerbare administratie bijgehouden?
    Wie houdt daar toezicht op?
    Wordt de minister in voorkomende gevallen op de hoogte gebracht?
    Zijn dit soort zaken achteraf nog na te trekken?
    Is het intern berichtenverkeer bij de CRI intussen verbetert?
    Komen tegenwoordig wel alle binnengekomen op de desbetreffende afdeling terecht?
    (CRI medewerkers uitten daar tegenover de Rijksrecherche hun twijfels over)
    Kan het hedentendage nog voorkomen dat een zaak waarover meerdere malen telefonisch danwel schriftelijk danwel fax-contact is geweest, bij geen van de desbetreffende ambtenaren een herinnering oproept?
    Doet de DEA in zaken waarmee zij ‘niet uit de voeten kan’ informanten over aan Nederlandse diensten, zoals in dit geval aan de CID-Schiphol?
    Moet dat worden gemeld?
    Is er in zo’n geval sprake van een DEA-operatie op Nederlands grondgebied?
    Wie houdt daar toezicht op?
    Hoe is de positie van informanten geregeld?
    Hoever gaat de bescherming van informanten?
    Waar wordt beoordeeld hoe de geboden bescherming zich verhoudt tot de inschatting van de risico’s die de informant loopt?
    Moeten dat soort beslissingen ergens worden gemeld?
    Wordt daarvan een deugdelijke administratie bijgehouden?
    Is daar toezicht, c.q. democratische controle op mogelijk?
    Wordt de minister daarvan op de hoogte gehouden?