• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • DE BVD REVIEWD: MEER DAN INLICHTINGEN ALLEEN.

    ‘Geschiedenis van de BVD’ is de titel van een lijvig onderzoek van D. Engelen naar de rol van de BVD in de Koude Oorlog. Engelen is een historicus, die al sinds 1966 bij de BVD in dienst is, ‘in de sfeer van politieke analyses en van operaties en management’. Een boek van binnenuit, dat met veel intern bronnenmateriaal is geschreven.

    Veel ophef was er bij de presentatie over de onthulling dat de BVD actief een splitsing had bevorderd binnende CPN. Daarnast had de Dienst een concurrerende communistische partij opgezet en gefinancierd (de SWP). De banden met de CIA bleken ook hechter te zijn dan menigeen had verwacht, tot halverwege de jaren zestig is zo’n 10% van de BVD-begroting door de amerikanen gedekt. Opzienbarendste feiten over een inlichtingerndienst die zich het liefst in stilzwijgen hult. Wat heeft het boek nog meer te bieden?
    D. Engelen duikt in de eerste 100 bladzijden in de ontwikkeling van het inlichtingenwerk in Nederland. Niet bijster nieuw allemaal, wel handig om op een rijtje te hebben voor wie de ontwikkelingen van de CI (Centrale Inlichtingendienst) naar CVD, BNV tot uiteindelijk BVD erop na wil lezen. Volgens Engelen is behoefte aan inlichtingen van alle tijden, uit zijn eigen geschiedenis komt toch wel het beeld naar voren dat die inlichtingenbehoefte in Nederland ontstond uit een angst voor revolutionaire, communistische bewegingen aan het begin van deze eeuw. ‘Links’ heeft ook door de jaren heen altijd de voorkeur gehouden van de speurneuzen. ‘Rechts’ werd lange tijd slechts gevaarlijk gevonden als er een eigen inlichtingendienst werd opgericht. Alleen extreme varianten, waaronder Paul van Tienen’s (ex SS-er) Werkgemeenschap Europa, de stichting Oud Politieke Delinquenten van Wolthuis en de Nederlandse Oppositie Unie van Wilken stonden in de belangstelling van de BVD. Meeste tijd en energie ging ook na oorlog nog steeds naar ‘links’. Terwijl Engelen in 26 bladzijden de BVD bemoeienis met ‘rechts’ afhandelt heeft hij voor ‘links’ 120 pagina’s nodig.
    Links stond in die jaren vooral synoniem met communisten. Anarchisten en Trotzkisten werden natuurlijk ook in de gaten gehouden, maar het belang van die splinters werd als zeer laag ingeschat. Anders lag dat natuurlijk met de communisten, die na de Tweede Wereldoorlog flink aan populariteit hadden gewonnen.
    OPERATIES
    Engelen besteed uitgebreid aandacht aan de organisatie en werkwijze van de BVD. Interessant is het gedeelte waar hij de verschillende soorten van agenten bespreekt. In tegenstelling tot wat vaak beweert en gedacht wordt, dat er nooit direct agenten infiltreerden, blijkt dit wel degelijk een specialiteit van de Dienst te zijn. De ‘agenten’ hebben een belangrijke rol gespeeld te hebben bij de ondergang van de CPN.
    De invloed L. Einthoven op het werken en de organisatie van de Dienst was groot. Hij had een uitgesproken voorkeur had voor operationele taken (zo gaat het verhaal dat hij zelf een keer aanwezig was bij het plaatsen van afluisterapparatuur in een CPN kantoor). Die voorkeur leidde tot een structuur binnen de BVD, waarbij de afdelingen, Opleidingen (KO), contacten met buitenlandse diensten (Keb), juridische ondersteuning (KA) en operationeel werk (KB), direct onder Einthoven vielen. Het plaatsvervangend hoofd werd verantwoordelijk voor een aantal ‘gewone’ afdelingen, de ACD (centrale documentatie, B (politiek extremisme), C (contra-inlichtingen) en D (beveiliging overheid en bedrijfsleven).
    Het ‘echte’ inlichtingenwerk kwam dus voor rekening van B,C,D en Kb. Kb deed het operationele werk, zoals runnen van informanten en het plaatsen van afluisterapparatuur. ‘B’ was de belangrijkste van de andere drie, spil in het werk van de Dienst tegen de CPN.
    DRAAI- EN OPBOUWAGENTEN
    De BVD werkte met twee soorten agenten: draai- en opbouwagenten. Draai-agenten – het woord zegt het al – waren ‘bekeerde’ communisten. Mensen die uit eigen overtuiging communist waren, maar die om de één of andere reden met de Dienst samenwerkten. Volgens Engelen kwam hierbij zelden chantage van pas, onderzoeken naar BVD-activiteiten onder actievoerders en asielzoekers uit de tachtiger jaren van Buro Jansen & Janssen laten toch duidelijk een patroon van dwang en druk zien. Het lijkt me sterk dat dit in die jaren niet plaatsvond. Engelen ondergraaft z’n stelling eigenlijk ook al direct door aan te geven dat de contactambtenaren (de runners) een zeer grote vrijheid genoten. ‘Zij opereerden als regel zeer solistisch en konden grotendeels zelf bepalen wat zij wel of niet rapporteerden.’
    Dat de runners die vrijheid elk op hun eigen wijze invulden beschreef Igor Cornelissen in het Parool van 16 september.
    Hij verhaalt hoe de in ongenade geraakte hoofdredacteur van de Waarheid (’43-’48) A.J. Koejemans door de BVD werd benaderd. In 1956 staat een BVD’er midden in het boekwinkeltje van Koejemans. Koejemans laat merken niks te voelen voor het BVD-voorstel om Paul de Groot een hak te zetten. “De BVD man trekt een zuur gezicht en gooit het over een andere boeg. Is uw dochter niet verloofd met een meneer Roco? En staat die niet op het punt reserve-officier te worden? Het zou zijn carrière toch wel ernstig schaden als u niet zou meewerken.”
    Koejemans was niet vatbaar voor de druk op hem werd uitgeoefend. Chantage werkt maar zelden, ook in dit geval had de techniek van het langzaam inkapselen meer effect.
    Na een tijd meldde een tweede BVD’er zich bij Koejemans. Deze pakte het heel anders aan. Hij was vasthoudend, fris en zelfs intelligent. Hij nodigde Koejemans uit een geschiedenis van de CPN te schrijven (‘want ze weten bij de dienst zo weinig’). Het was niet eenvoudig te blijven weigeren. “Hij praatte en praatte, hij liet zich niet gemakkelijk de deur wijzen. Hij kwam steeds weer terug. Je voelde je in het web van een spin, die bezig was draadje na draadje om je heen wikkelen, tot je muurvast zou zitten”

    Een belangrijke categorie informanten waren de opbouw-agenten, iets wat tegenwoordig ‘burger-infiltrant’ zou heten. Dit waren door de BVD betrouwbaar gevonden niet-communistische Nederlanders. Langzaam maar zeker moesten zij zich een plek veroveren in de CPN, onder strenge begeleiding van de BVD. De runners van de opbouwagenten waren geduldige, bekwame BVD’ers die (dat kan je achteraf wel zeggen) vakkundig te werk zijn gegaan. Het moet niet eenvoudig geweest zijn buitenstaanders in het gesloten communistische wereldje in de Koude Oorlog binnnen te laten treden. Engelen schetst een aantal mogelijke problemen: iemand zou zich zover moeten identificeren met het communistische wereldje dat zijn eigen leven bijna helemaal op zou houden. Vooral in gezinnen met kinderen leverde dit problemen op: de kinderen moesten immers een getrouwe communistische opvoeding genieten, iets wat toch eigenlijk ook weer niet de bedoeling was. In een enkel geval zetten de kinderen of de vrouw een geheel zelfstandige operatie op touw. De opbouw agenten vervreemden vaak van hun eigen omgeving.
    Des te opmerkelijker was de lage beloning die de agenten volgens Engelen kregen: maar f50,- per maand. Voor iemand die z’n leven totaal op z’n kop gooide niet bijster veel. Motivatie van deze opbouw agenten moet dan toch voor een groot deel in hun anti-communisme of avonturisme hebben gelegen. Een hang naar het geheime ondergrondse werk uit Tweede Wereldoorlog zal bij een aantal een belangrijke rol hebben gespeeld.
    Rond ’61 waren er al 199 draai- en opbouw agenten in de CPN geïnfiltreerd. Vanaf eind vijftger jaren had de BVD een informant binnen het partijbestuur, 69 gewone leden, 86 afdelingsbestuurders en 24 districtsbestuurders.
    INBREKEN
    Inbreken was een veel gebruikt middel om aan gegevens te komen en om zenders te plaatsen. Deze SE-acties (‘sureptitious-entry’) waren blijkbaar aan de orde van de dag. In een nota van Neervoort (hoofd operationele zaken Nederland) aan Einthoven beschrijft hij hoe er tussen 10 en 24 september 1958 zes inbraken bij de EVC waren uitgevoerd.
    Men ging minitieus te werk: eerst werd de ruimte waar de gegevens vandaan gehaald moesten worden in kaart gebracht. Informanten zorgden voor de basisinformatie en indien mogelijk voor een kopie van de sleutel. Lukte dit niet dan deed een operationeel medewerker van de BVD dit gewoon zelf. Voor de aanvang van de inbraak werd het hoofd van de plaatselijke PID ingelicht, zodat niet per ongeluk een oplettende politie agent roet in het eten zou gooien. Op het moment supreme was er dan bovendien observatie om tijdig te waarschuwen tegen ongewenst bezoek. De inbraken zelf werden zeer professioneel uitgevoerd: eerst werd alles gefotografeerd, zodat alles weer op de juiste plek kon worden teruggezet. Hiervoor werd ruim de tijd genomen: soms verstreken er enkele dagen of weken later voor de uiteindelijke inbraak. De gewenste gegevens (meestal administratie) werden meegenomen om gekopieerd te worden, een operatie die soms wel de hele nacht (of meerdere) duurde. Na een aantal jaren bleek de ledenadministratie van de CPN en aanverwante organisaties zo belabberd bijgehouden te worden dat het risico van deze acties de moeite niet loonde, volgens Engelen werd zelfs besloten registratie uit het BVD archief te verwijderen en te vernietigen die op deze manier verzameld waren. Dit gebeurde midden jaren zestig, de BVD beweert zo’n 300 van dit acties uitgevoerd te hebben.

    Er is ook veelvuldig ingebroken om afluisterapparatuur te plaatsen. In vakjargon noemt Engelen dit ‘M-operaties’, het liefst uitgevoerd in kantoren waar belangrijke partijleden elkaar spraken. Ook het huis van partijleider de Groot was op deze manier vanaf 1957 volkomen onder controle.
    Zowel de opbouw van het informantennetwerk als de afluisteroperaties vonden plaats vanaf halverwege vijftiger jaren. Pas in de zestiger jaren, toen paradoxaal genoeg het belang van de CPN steeds verder afnam, beschikte de Dienst over een grote hoeveelheid agenten. Bij vergaderingen van het partijbestuur zaten drie van hen.

    Lange tijd was de BVD afhankelijk geweest van informatie die via de plaatselijke PID’s binnen was gekomen. Helaas gaat Engelen niet echt in op de verhouding tussen PID en BVD. Wel wordt gaandeweg duidelijk dat die niet altijd even fijntjes is geweest. In de vijftiger jaren wordt duidelijk dat veel PID informatie ‘gekleurd en overdreven’ is geweest. De plaatselijke politie zag meer communisten dan er werkelijk waren. De BVD besloot dan ook de beruchte interneringslijst voor mensen die opgepakt moesten worden in het geval van oorlog terug te brengen van 780 (’58) tot 308 (’62). Ook met de veronderstelde communistische voorbereiding tot een geweldadig optreden bij een dreigend militair conflict viel het wel mee. Net zoals de capaciteiten van de communistische leiders om in die omstandigheden het landsbestuur over te nemen jarenlang was overschat. Tekenend voor de verhouding is dat de eerste infiltrant in het partijbestuur gerund wordt door ‘de plaatselijke politie, die zijn identiteit niet aan de BVD prijs wilde geven’.
    BEINVLOEDING
    Naast het verzamelen van informatie heeft de BVD ook gepoogd ‘afbreuk te doen aan het doen en laten van de communisten’. Opmerkelijk is dat de BVD hiermee in feite haar eigen taken uitbreidde. Mocht de Dienst op grond van het geheime Koninklijk Besluit dat de taken regelde alleen inlichtingen verzamelen, met de ‘Kaderbrief’ operaties ging men over tot offensieve beïnvloeding. Deze werkwijze is ook altijd voor het parlement verborgen gebleven, alleen de betrokken ministers waren op de hoogte gesteld.
    De beinvloedingsoperatie tegen de CPN is zeer goed voorbereid en internationaal gecoodineerd. De geinfiltreerde agenten speelden een belangrijke rol in de acties. Ten eerste door de juiste informatie te verzamelen, maar nog belangrijker door op het juiste moment de CPN leider De Groot te steunen of juist aan te vallen. Door zijn Stalinistiche houding zag de BVD in De Groot zelf de beste bondgenoot en moest worden voorkomen dat hij het veld moest ruimen. De strategie van de BVD heeft dan ook alleen kunnen werken doordat de CPN zo goed geinfiltreerd was. Belangrijk doel was een splitsing bewerkstelligen.

    Bijzonder aan boek is vooral het operationele aspect van het BVD werk. Niet alleen tegen de CPN ontwikkelde de BVD zich als specialist op dit gebeid, ook in het Contra Inlichtingenwerk gebeurde dit. Zover dit al niet gebeurt is kan het imago van een klungenlende BVD definitief de ijskast in.
    De autonomie van de BVD was, zeker in de periode die Engelen beschrijft, zeer groot. Sinds het oprichten van de Dienst is de parlementaire controle minimaal, wat de mogelijk voor de Dienst openliet om haar taken ‘ruim’ in te vullen. Achteraf werden vaak wel de betrokken ministers ingelicht, zodat er in ieder geval politieke rugdekking was.

    Een groot manco van Engelen’s boek is het gebrek aan politieke analyse. Hij besteed erg weinig woorden aan de politieke verhoudingen van die tijd. Waar kwam de populariteit van de communisten vandaan, waarom was de EVC (Eenheids Vak Centrale) zo groot, hoe was het de doorbraakgedachte uit de Tweede Wereldoorlog vergaan en wat was de rol van anderen (socialisten, christen democraten, vakbonden) tegenover de communisten? Ook belangrijke internationale momenten, zoals de Coup in Praag in 1948 en het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 komen maar summier aan bod. Gevolg is dat de rol van de BVD eigenlijk geheel los van de ‘politiek’ wordt beschreven. Veel spannende verhalen, weinig diepgang.

    Zo ontbreekt vooral een goede analyse van de anti-communistische samenwerkingsverbanden waarin de BVD een belangrijke sturende rol had. Engelen plaatst de BVD wel in dat kader. ‘Verre van tegen de stroom in te zwemmen, zoals Einthoven de activiteiten van zijn dienst graag karakteriseerde, maakte de veiligheidsdienst deel uit van de brede en diepe anti-communistische stroom die in en door de oorlog misschien hier en daar iets smaller was geworden, maar die al snel na de bevrijding zijn vooroorlogse omvang weer begon aan te nemen’. Maar hoe zat het dan met die anti-communistische stroom?
    Neem bijvoorbeeld de verhouding tussen de BVD en de vakbonden. Ergens in een achteraf zinnetje schrijft Engelen dat Einthoven een zeer speciale band had met Suurhoff (Vrij Volk, PvdA, NVV, minister Sociale Zaken). Als een van de weinigen werd hij volledig op de hoogte gehouden van de operaties tegen de CPN en EVC. De BVD vervulde in de acties tegen de EVC ook wel degelijk de belangen van Suurhoff. Via het agentennetwerk binnen de EVC zorgde de BVD er mede voor dat, geheel volgens wens van Suurhoff, de EVC als zelfstandige vakbond bleef voortbestaan. Maar helaas, hier stopt Engelen. Geen verdere uitwerking van de verhoudingen, laat staan de analyse (voor wat hoort wat?)
    Hetzelfde minpunt komt naar voren bij de bespreking van het hoofd van de BVD, L. Einthoven. Het hoofdstuk over deze spraakmakende figuur eindigt vreemd genoeg op het moment dat hij de leiding van de Dienst krijgt. Juist deze man, centraal in alle opzichten voor de BVD, bepaalde de politiek en operationele lijn van de BVD. Engelen zelf beschrijft dat Einthoven een aantal ministers, waaronder Beel, min of meer in zijn zak had. Hij lichte ze wel in over ‘gevoelige operaties’, maar op zo’n manier dat ze volgens zijn plan werden uitgevoerd.
    Geen woord echter over Einthovens belangrijke dubberrol als hoofd van de Operationele tak van het Nederlandse Gladio. Ook niet over zijn activiteiten ten gunste van de propaganda organisatie Vrede en Veiligheid. Een club die in de ‘psychologische oorlogsvoering’ tegen de CPN een belangrijke rol heeft gespeeld.
    Duidelijk is dat Engelen niet in staat is geweest afstand te nemen van het BVD materiaal. Hij kan het blijkbaar niet over z’n hart krijgen ook maar iets van kritiek op te schrijven.
    In de slotbeschouwing schrijft Engelen dat men binnen de BVD de neiging had de invloed van de Dienst schromelijk te overschatten. Eigenlijk overkomt Engelen hetzelfde in dit boek. Zo is bijvoorbeeld de hele beschrijving van de opzet van de splitsing binnen de CPN is teveel gebaseerd op BVD informatie. Interessant zo het nu juist zijn om de vergelijking aan te gaan tussen het CPN- en BVD-archief. En waarom wel gesprekken met oud-BVD’ers, maar met oud-communisten alleen een briefwisseling?
    Nu ontbreekt een volledig beeld dat inzicht zou kunnen geven in de waarde van de BVD informatie. Het blijft gissen naar de werkelijke invloed van de BVD.