• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Informant bij de Black Panters

    In de VS is een controverse ontstaan naar aanleiding van een publicatie over de mogelijke aanwezigheid van een FBI-informant bij de Black Panthers in de jaren ’60. Deed Richard Masato Aoki het nu wel of niet?

    Op 20 augustus 2012 publiceerde The Center for Investigative Reporting (CIR) een verhaal over Richard Masato Aoki, een voormalig lid van de Black Panther Party in de jaren ’60-’70 en inmiddels overleden. Op de website van CIR gaf Seth Rosenfeld het artikel de titel ‘Man who armed Black Panthers was FBI informant, records show.’ De San Francisco Chronicle publiceerde nog dezelfde dag exact hetzelfde verhaal met de titel ‘Activist Richard Aoki named as informant.’ Het nuanceverschil in de kop van markeert de discussie die zich ontpopte in de dagen die volgden.

    De basis voor de claim van Rosenfeld op 20 augustus 2012 betreft een document van de FBI (terwijl Rosenfeld in de titel zegt dat het om records gaat): een interview met zowel een FBI-agent, Burney Threadgill Jr. die beweert de runner te zijn geweest van Aoki, als met Aoki zelf. Rosenfeld heeft ook contact opgenomen met een kritische gepensioneerde FBI-agent, M. Wesley Swearingen, om het vrijgegeven document te laten analyseren. Volgens Rosenfeld levert dit document voldoende bewijs op om Aoki neer te zetten als voormalig informant.

    In de kop van het artikel voegde de onderzoeker daaraan toe dat Aoki in 1967 de Panthers van wapens voorzag. Vanaf dat moment gingen Panther-leden openlijk wapens dragen bij hun patrouilles om de politie van Aokland in de gaten te houden in verband met wijd verspreide gevallen van mishandeling van Afro-Amerikanen door agenten. De redactie van de San Francisco Chronicle is veel genuanceerder en stelt in de kop slechts dat Aoki wordt genoemd als informant in het document dat Rosenfeld via de Freedom of Information Act in handen heeft gekregen van de FBI.

    Verhit debat

    In de weken die volgden op de publicatie ontstond er een verhit debat. Ex-Panther-leden organiseerden een bijeenkomst om Aoki’s eer te beschermen en op diverse websites, twitter, facebook en in de media schreven oud Panther-leden dat zij het verhaal van Rosenfeld niet geloven. Diane C. Fujino, de schrijfster van het boek ‘Samurai Among Panthers: Richard Aoki on Race, Resistance, and a Paradoxical Life’, vroeg zich twee dagen later af waar het bewijs dan is dat Aoki een informant zou zijn geweest. Fujino is net als Aoki Aziatisch-Amerikaans, haar boek is een biografie van de in 2009 overleden voormalig Panther-activist.

    Zij stelt diverse vragen: Wanneer zou Aoki dan een informant zijn geweest? Hoe hielp hij dan de FBI om de sociale bewegingen te verstoren en wat waren zijn motieven? Zij vindt het bewijsmateriaal dat Rosenfeld gebruikt erg mager. Volgens Fujino was Aoki wel lid van allerlei actiegroepen in die tijd, maar zeker geen prominent lid. Zij noemt bijvoorbeeld de Third World Strike waarbij volgens haar Aoki geen prominente rol heeft gespeeld. Daarnaast stelt zij in de San Francisco Chronicle dat Aoki destijds geen gewelddadige activist is geweest, maar de Panthers juist trainde om de door hem geleverde vuurwapens op een veilige manier te gebruiken. Volgens haar verschafte Aoki de Black Panther Party wapentuig om symbolische redenen, als tegenwicht voor het veel grotere geweld van de staat.

    Mede Panther-leden mengden zich in de discussie en eren Aoki als een voormalig zeer prominent lid van allerlei bewegingen zoals de Communist Party, de Socialist Workers Party, studentengroepen, the Panthers en ook de Third World Strike. Het enige bewijs dat Rosenfeld op 20 augustus 2012 openbaar gemaakt heeft wordt door verschillende mensen anders geïnterpreteerd. Sommige commentatoren stellen dat de FBI zelfs postuum probeert Aoki als informant positioneert om mensen binnen een beweging tegen elkaar op te zetten. Aoki is echter dood, hij heeft zelfmoord gepleegd. Ook Burney Threadgill is overleden, zodat aanvullend onderzoek niet mogelijk lijkt. De andere FBI-agent, M. Wesley Swearingen, zegt dat Fujino als Aziatisch-Amerikaanse door de Panthers niet zal worden verdacht.

    Rosenfeld verdedigt zich in radio- en televisieshows, maar erg overtuigend is zijn claim niet. Daarbij komt dat van de hand van de onderzoeker net een nieuw boek is verschenen: ‘Subversives: The FBI’s War on Student Radicals, and Reagan’s Rise to Power.’ Het artikel over Aoki beslaat slechts één voetnoot in dit 750 pagina’s tellende boek, waarin de onderzoeker zegt gebruik te hebben gemaakt van 300.000 pagina’s vrijgegeven documenten van de FBI.

    In het licht van de publicatie van het boek, de 300.000 pagina’s in tegenstelling tot één document over Aoki en de tientallen jaren onderzoek die volgens Rosenfeld in het boek zijn gestoken, geven zijn claim een wrange nasmaak. De bewering van Rosenfeld dat de Black Panthers een redelijk hooggeplaatste FBI in hun midden hebben gehad, en dat hij ze ook nog aan wapens hielp, zal zeker behulpzaam zijn om de verkoopcijfers van het boek op te stuwen.

    Dubbele loyaliteit

    Wie het levensverhaal van Aoki overziet, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het destijds mogelijk is geweest dat Aoki destijds benaderd werd met de vraag om informant te worden voor de FBI, en dat hij daarop ook is ingegaan. Als Aziatisch-Amerikaan werd Aoki met broer en ouders voorafgaande de Tweede Wereldoorlog opgesloten in een concentratiekamp voor Japanse ingezetenen van de Verenigde Staten. De aanval op Pearl Harbor van de Japanners op 7 december 1941 was de aanleiding voor die internering. Aoki en zijn broer werden gescheiden van hun moeder en grootgebracht door hun vader.

    Na de Tweede Wereldoorlog werd Aoki lid van allerlei bendes en diverse keren gearresteerd voor merendeels kleine vergrijpen, zoals auto- en winkeldiefstal en diverse inbraken. Aoki stond in die tijd bekend om zijn gewelddadige gedrag. Op de Berkeley High School sloeg hij een mede-student bijna dood. Aoki bleek ook geobsedeerd door wapens en begon deze te verzamelen. Al die jaren echter toonde hij geen interesse in politieke activiteiten.

    In 1957 trad hij in dienst en zorgden de militaire autoriteiten ervoor dat zijn strafblad werd gesloten. Hij sprak de wens uit om de eerste Aziatisch-Amerikaanse generaal van de Verenigde Staten te worden. Na een jaar dienst verliet Aoki het leger en bleef nog zeven jaar reservist. In die jaren studeerde hij aan het Merritt College en de UC Berkeley. Op het Merritt College ontmoette hij Huey Newton en Bobby Seale, die later de voormannen zouden worden van de Black Panther Party.

    Aoki’s politieke loopbaan is in wezen pas begonnen rond 1961-1962. Newton en Seale benaderden Aoki omdat de Aziatisch-Amerikaan inmiddels naam had gemaakt binnen de Communist Party, Socialist Workers Party, Young Socialist Alliancee en de Vietnam Day Committee. Allemaal organisaties die door de FBI scherp in de gaten werden gehouden wegens hun anti-oorlogsactiviteiten en communistische/socialistische sympathieën.

    De scherpe omslagen in het leven van Aoki, van een lid van diverse bendes naar een soldaat in het Amerikaanse leger en vervolgens een prominent lid van de Black Panther Party, roepen zeker vragen op. Natuurlijk is dit geen bewijs, maar een van de vrienden van Aoki, Harvey Dong, herinnert zich Aoki als een man die delen van zijn leven in aparte compartimenten stopte die niets met elkaar te maken hadden. Zo was hem opgevallen dat Aoki twee uniformen had neergelegd in zijn woning waar hij zelfmoord pleegde: een van de Black Panthers en een van het Amerikaanse leger.

    Aoki’s verleden moet dan ook gelezen worden als dat van iemand die twee loyaliteiten heeft gehad: een met de staat die hem op het rechte pad hielp en van zijn strafblad afhielp, en een met de tegenstanders van die staat. Hij voelde zich gediscrimineerd, iets waarmee hij al op 4-jarige leeftijd werd geconfronteerd vanwege de internering van zijn familie. Die dubbele loyaliteit zal hem ertoe gedreven hebben om zowel de FBI van dienst te zijn als de Panthers.

    Sommige commentaren stellen dat Aoki te radicaal en te politiek was om informant te kunnen zijn geweest. Dat is deels de verklaring van die dubbele loyaliteit. Hij diende de onderdrukten, maar ook de staat en heeft beiden veel geleverd. Uiteindelijk trok de staat echter aan het langste eind hetgeen ertoe zal hebben geleid dat Aoki de zijde van de staat heeft gekozen. Hij moest natuurlijk ook rekening houden met zijn carrière aan de universiteit.

    De bewapening van de Panthers leidde namelijk niet tot een ‘balance of power’ in tegenstelling tot wat Aoki’s biografe stelt. In de jaren na 1967 werden 28 Panthers doodgeschoten door de politie. Volgens Fujino probeerde Aoki het geweld te kanaliseren en controleren. Ze spreekt in relatie tot de persoon Aoki soms zelfs van geweldloosheid, maar dat wordt nergens duidelijk. Aoki koos in die periode voor zijn studie wel als onderwerp het toenemende geweld tussen de staat en de Panthers. Het leek erop alsof hij daarmee zijn eigen hachje wilde zien te redden.

    Aanvullend bewijs

    Zonder aanvullende documenten zou de conclusie gerechtvaardigd kunnen zijn dat Aoki mogelijk een informant is geweest, maar het bewijs dat Rosenfeld daarvoor heeft geleverd is volstrekt onvoldoende. Dat sympathisanten van Aoki Rosenfeld’s motieven achter zijn verhaal ‘Man who armed Black Panthers was FBI informant, records show’ in twijfel trekken, is terecht. Die twijfel is bij een aantal oudgedienden gegroeid nadat Rosenfeld op 7 september 2012 plotseling een 273 tellend dossier van de FBI openbaar maakte dat volgens hem onomstotelijk vaststelt dat Aoki een informant van de FBI is geweest. Waarom dan niet 18 dagen gewacht met de eerste publicatie?

    Rosenfeld vertelt niet wanneer hij de nieuwe stukken van de FBI heeft gekregen voor zijn follow up artikel ‘FBI files reveal new details about informant who armed Black Panthers.’ De nieuwe documenten die Rosenfeld openbaar maakte, hebben het stempel van de FBI met de datum 18 en 19 juli 2012 (unclassified). Nu hoeft dat niet de datum te zijn geweest waarop de onderzoeker deze stukken in handen heeft gekregen, maar de onzorgvuldigheid draagt bij aan de verwarring en de discussie over de status van Aoki.

    Rosenfeld vermeldt namelijk wel dat de stukken werden vrijgegeven naar aanleiding van een rechtszaak in het kader van een Wob-verzoek, ingediend na de publicatie van het oorspronkelijke verhaal van 20 augustus 2012. Het valt echter te betwijfelen dat de Wob-procedure in minder dan 18 dagen zal zijn afgehandeld. Ook met de weergave van het video-interview met Aoki in het eerste artikel blijkt Rosenfeld onzorgvuldig. Volgens hem zou Aoki tijdens dat interview ‘people change’ hebben gezegd als mogelijke verklaring voor zijn verraad.

    Dit en een andere passage uit een interview met Aoki gebruikte Rosenfeld als steunbewijs voor zijn bewering. Aoki zegt namelijk ook: ‘It is complex. Layer upon layer.’ De laatste uitspraak komt in de geluidsfragmenten die Rosenfeld vrij heeft gegeven voor. Het eerste fragment echter, ‘people change’, niet. Deze incorrecte weergave door Rosenfeld en de onduidelijkheid over het video-interview dragen bij aan de achterdocht waarmee voormalige Panthers-leden de berichtgeving tegemoet treden.

    Wat de beweegredenen van Rosenfeld zijn, is niet duidelijk. De uiteindelijk vrijgegeven documenten laten duidelijk zien dat er sprake is van de persoon ‘Aoki’ als informant. ‘Authority is not granted at this time to take any steps to develop Aoki as an informant’ (21-03-1961). De volgende pagina bevat een formulier van ‘the name searching unit’ naar Aoki Richard Masato. En het daarop volgende document laat aan duidelijkheid al helemaal niets te wensen over: ‘The above captioned individual is currently being considered for development as a […] informant… Aoki was contacted and expressed a willingness to cooperate with the Bureau in any way possible.’

    Dit document van 6 maart 1961 stelt verder dat de FBI aan Aoki de naam ‘Richard Ford’ toe heeft gekend voor zijn rapportages. Hoewel het eerste memorandum enkele fouten bevat, zoals Aoki’s afkomst -Koreaan in plaats van Japanner- wijzen de rest van de gegevens op Richard Masato Aoki. Zijn geboortedatum, ouders, geboorteplaats, school, diensttijd en enkele andere feiten komen overeen met die van Aoki. Een document gedateerd van een maand later, 10 april 1961, toont aan dat de FBI contact heeft gehad met het Amerikaanse leger over de gegevens die zij van Aoki in bezit had.

    Groen licht voor informant

    Er volgen nog enkele documenten waarin de betrouwbaarheid van de informant wordt geëvalueerd. Op 8 november 1961 wordt het groene licht gegeven voor de informantenrol van Aoki. ‘In view of the voluminous information, as well as important data furnished by informant, the San Francisco office is designation him a […] informant. Informant is currently a member of the […] He has purposely declined membership in several other front groups which he has reported on.’ Met die andere ‘front groups’ zullen studentengroepen, de communistische partij en mogelijkerwijs the Young Socialist Alliance worden bedoeld.

    Aoki ging zich meer richten op de activiteiten van the Socialist Workers Party waar hij tot 1967 lid van bleef. De informant is erg precies. ‘Informant is submitted thorough, concise and complete reports, usually typewritten by him, as well as […]’ Aoki wordt betaald door de FBI. Al op 25 juni 1962 vermeldt een memo: ‘You should also advise the Bureau whether the informant’s economic situation would warrant his expenditure of such […]’ De informant ging vervolgens op zichzelf wonen en kocht een tweedehands auto, een 1956 Ford. Zijn salaris van zijn baan bij de ‘mail room of the California State Department of Public Health in Berkeley’ bleek ontoereikend, maar zijn uitgavepatroon leek in de jaren die volgden geen achterdocht te wekken bij medeactievoerders.

    Aoki was van grote waarde voor de FBI. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een memo van 28 juni 1962: ‘During the past four months, informant has furnished a great deal of information […] The informant was recently very helpful in […] Informant continues to be a close personal friend of […] The informant has attended the following meetings […]’ Aoki zegt in een memo van 19 juli 1962 dat hij tevreden is met de financiële bijdrage van de FBI: ‘The informant contends that he is satisfied with his situation because he feels that his services are in the best interests of his country and that whatever service he is able to perform for this Bureau.’

    Op 1 juli 1963 wordt opgetekend dat Aoki is verhuisd, maar dat hij nog steeds hetzelfde werk heeft. Of de verhuizing te maken heeft met zijn bijverdiensten als FBI-informant wordt niet duidelijk. De FBI lijkt in elk geval niet ongerust, maar dat kan ook zijn weggelakt. ‘Informant recently moved to 2533 Grant Street, Berkeley, California, while his employment remains the same, noted.’ Op 9 augustus 1963 meldt de rapportage van de FBI dat Aoki ontslag heeft genomen en dat hij gaat studeren aan de Oakland City College in Oakland. Op 27 augustus 1963 meldt een memorandum de mogelijkheid de informant te ondersteunen bij zijn financiële situatie. ‘Inasmuch as he will probably be helped on his expenses.’

    Uiteindelijk zal Aoki ‘s nachts gaan werken en overdag de universiteit bezoeken waardoor hij minder tijd heeft voor zijn informantenwerk. ‘Due to the fact that he is working nights and attending school during the day. Until such time as he is able to resume full activities he will be […]’ (11-01-1965) De FBI laat de informant met rust. Het contact met zijn runner lijkt goed te zijn. ‘Informant is eager to maintain relationship with the Bureau and to be of any service possible.’

    Aoki lijkt zichzelf te willen opwerken in de studentenwereld om daarmee dichterbij de activiteiten van de Black Panthers te kunnen komen. Hij meldt zijn runner dat hij nog een semester wil doorlopen aan het Merritt College en vervolgens aan de University of California (UC) wil gaan studeren. ‘Informant feels that once he is enrolled at the UC he will be in a good position to assist the Bureau in its investigation.’ Op het Merritt College ontmoet hij Huey Newton en Bobby Seale die met plannen rondlopen om de Black Panther Party for Self-Defense op te richten. Aoki treedt toe tot de intimi van de twee voormannen van de Panthers.

    Status geëvalueerd

    Op 30 juni 1965 meldt een FBI-memo dat de status van informant Aoki voor het licht is gehouden. Omdat hij de laatste maanden minder heeft geproduceerd moet hij zijn rol mogelijk afbouwen. De Black Panther Party bestaat dan nog niet en de informant richt zich vooral op zijn studie. ‘During the recent inspection of the San Francisco Office informant’s file was reviewed at which time he was rated ‘Fair’ with the notation that unless substantial increase in production of informant is received within 90 days, his status should be re-evaluated as an informant.’

    De druk om informatie te leveren aan de FBI is hoog voor Aoki. De lokale afdeling van de inlichtingendienst wil hem graag behouden en schrijft notities over zijn goede werk. ‘He has done a good job of fence-mending and now appears to be held in a very good light by the […]’ Het pleidooi voor zijn behoud lijkt geslaagd en Aoki wordt met rust gelaten, althans dat suggereren de vrijgegeven documenten.

    Het eerste memo van 1966 is gedateerd op 29 juli 1966. De mogelijke toelating van Aoki tot de Universiteit van California wordt erin besproken, zijn woonsituatie in een memo van 29 juli 1966. Op 21 november 1966 worden er afspraken gemaakt over de wijze waarop het contact met de informant dient te verlopen. De informant wordt echter omschreven als een blanke man. ‘Informant is a unemployed white male. He has been furnishing information to the Bureau since […]’

    Hoewel dit een fout van de FBI kan zijn, roept deze het wel vragen op over de vrijgegeven stukken. In een memo van 12 april 1967 wordt namelijk ook vermeldt dat de informant de meeste tijd verbonden is geweest aan de University of California, Berkeley (UCB). Als het om dezelfde informant gaat, dan klopt dat niet. Aoki is pas in het najaar gaan studeren aan de UCB en was al vanaf 1961 informant.

    Tegelijkertijd betreft de beschreven informant wel een sociologie-student die in 1966 aan de universiteit is gaan studeren. Huey Newton en Bobby Seale tonen Aoki het tien-punten programma van de Panthers en de partij wordt in oktober 1966 opgericht. Aoki is een van de eerste leden. De FBI meldt dit waarschijnlijk in een memo van 4 april 1967. ‘Captioned informant has become a member of and currently reports on the […]’

    Nader onderzoek

    De jaren 1967 tot en met 1969 lijken niet erg bijzonder te zijn geweest voor Aoki als informant. Dit in tegenstelling tot de ‘bewapening’, training en de diverse schietpartijen tussen de Panthers en de politie. De mogelijke rol van de informant wordt ook niet duidelijk. Hij lijkt soms meer en soms minder actief.

    Aanknopingspunten voor nader onderzoek over de betrouwbaarheid van de door Rosenfeld gepubliceerde FBI-documenten zijn er echter genoeg. Een beginpunt hiertoe is bijvoorbeeld het woonadres van de informant. Vanaf 1961 tot en met 1977 wordt dit regelmatig vermeld, alleen in de periode 29 juli 1966 tot 29 december 1972 niet. Ook zijn universitaire carrière biedt aanknopingspunten. In een memo van 30 juni 1970 wordt vermeld dat de informant zijn Master heeft gehaald. ‘He has just obtained a Master’s Degree in Sociology at the university of California, Berkeley (UCB). He has been active in the formation of a new department of Asian Studies at UCB and expects to obtain employment by the University as an Assistant Program Coordinator for the new department and as a lecturer.’

    De informant blijft al die tijd op allerlei niveaus informatie doorsluizen naar de FBI. ‘Informant has submitted written reports on all functions attended. He has submitted oral reports on contacts with and news of numerous individual subjects. This oral information is subsequently reduced to writing’ (24-06-1968). ‘Informant is cognizant of the Bureau’s interest in activities on campus being limited to those individuals and organizations whose activities are directed against the interests of the U.S.’ (29 december 1969). ‘Informant has covered meetings, verifications, or contacts with leaders of the following organizations: […]’ (5 januari 1970). ‘As of November, 1970, Professor […] University of California at Santa Cruz, was gathering material for the preparation of an ‘autobiography’ of […]’ (26-07-1970).

    De informant blijft inlichtingen verstrekken aan de FBI tot 30 september 1977. Dan besluit hij plotseling te stoppen met zijn informantenrol. ‘When contacted 9/30/1977, source advised that he desired to discontinue seeking information for the FBI because he believed that this was inconsistent with his present career and objectives as a student counselor and instructor at a junior college in Oakland, California.’

    Waarom de informant zijn werkzaamheden als spion beëindigd, blijft onduidelijk. Hij was al vanaf de zomer van 1971 ‘instructor and counselor at University of California at Berkeley and Grove Street campus Peralta Junior College District, Oakland, Calif.’ (memo 14 december 1971). Een jaar eerder lijkt de informant nog geen problemen te hebben met zijn dubbelrol als instructor op een junior college en informant. Hij geeft dan zelfs aan over bepaalde studenten informatie te kunnen verstrekken. ‘Informant will be teaching a new college course in Asian Studies. He expects to be in contact with […]’ (memo 05-01-1976). Op de pagina’s 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61 en 62 komt de naam van Aoki voor. Hoewel Aoki de naam Richard Ford kreeg toegewezen, komt deze naam in de stukken maar een enkele keer voor. De stukken waar de naam Aoki in voor komt stammen uit 1961.

    Airmail-bericht

    Hoewel de vrijgegeven FBI-documenten duiden op een informantenrol voor Aoki, roepen de stukken ook vragen op. Dit zijn niet alleen vragen met betrekking tot een ‘foute’ beschrijving van Aoki als Koreaan of blanke. Ook niet over het beëindigen van zijn rol als informant en zijn werk als ‘instructor’ op een junior college. De biograaf van Aoki, Diane Fujino, wees in eerste instantie op enkele memo’s die volgens haar eigenaardig zijn en in haar ogen aangeven dat Aoki als informant mogelijk onjuiste informatie aan de FBI heeft verstrekt.

    Zo is er sprake van een airmail-bericht (09-08-1962) aan een directeur van de FBI waarin de informant wordt duidelijk gemaakt dat hij naar San Francisco moet terugkeren. ‘Informant has also been instructed that he should return to San Francisco immediately.’ In dat bericht wordt de informant aangeduid als Richard Ford. Dit zou op AOKI kunnen duiden, maar die had geen enkele connectie met San Francisco.

    Ook attendeert Fujino ons op de memo’s van 1 en 2 mei 1967 en 29 februari 1968 waarin er volgens haar sprake zou zijn van een situatie waarin de informant de FBI in verlegenheid heeft gebracht. ‘That the Special Agent in Charge, San Francisco, personally insure that the informant is operated in such a manner as to preclude any possible embarrassment to the Bureau’ (1/2-05-1967). ‘With the exception of information previously furnished to the Bureau, there is no indication that this informant will in the future become a source of embarrassment to the Bureau’ (29-02-1968).

    Aoki’s biograaf zinspeelt op de mogelijkheid dat de ’embarrassment to the Bureau’ te maken zou kunnen hebben met de levering van wapens en de trainingsactiviteiten van Aoki aan leden van de Panthers. Zij verwijst hier expliciet naar de demonstratie van gewapende Black Panthers in Sacramento op 2 mei 1967. Tot slot wijst Fujino nog op een memo van 30 juni 1967 waarop met een pen is geschreven dat er onmiddellijk een evaluatie moet plaatsvinden van de informant. ‘Immediately submit 4-mo. Evaluation letter recaptioned informant. Letter was due 11-1-1967. Continued delay if this matter will result in discontinuance of informant.’

    Probleem voor de kritiek van Fujino is dat zij, mede als biograaf, een groot ontzag lijkt te hebben voor Aoki, zowel vanwege diens bijdrage aan de strijd van de Aziatisch-Amerikanen als om zijn betrokkenheid bij de Panthers. De volgens haar ‘eigenaardige’ stukken zijn zeker van belang om nader te onderzoeken, maar het zijn juist andere documenten, die geen betrekking hebben op die complexe periode van 1967-1968, die vragen oproepen.

    Memo’s

    Zo bevat de memo van 23 januari 1969 de zin: ‘Captioned individual was converted from a […] informant to a […] informant on 24 October 1968.’ Uiteindelijk is het gissen wat met deze zin wordt bedoeld, maar blijkbaar is er sprake geweest van een aanpassing van Aoki’s status. Uit de stukken valt echter geen dergelijke gewijzigde rol op te maken.

    Dan de memo van 13 januari 1975. Dit document bevat heel weinig informatie. Bijna alles is zwart gemaakt. Aan de andere kant verschilt het document niet van de overige documenten die zijn vrijgegeven; karakter, vorm en opzet zijn hetzelfde. Er wordt bijvoorbeeld vermeld dat ‘none – no change’ hetgeen mogelijkerwijs verwijst naar zijn woon-werk situatie. Opvallend is echter dat onderaan deze memo de volgende zin is toegevoegd: ‘In order to comply with SAC memo 12-73, dated 3/13/73, and to avoid placing identifying data in this letter, this summary of information has been phrased in general, non-specific language.’

    In de daarop volgende memo van 10 juli 1975 wordt Aoki’s aanstelling op een school ook niet genoemd, er wordt gesproken over ‘occupation’. Op 5 januari 1976 wordt echter weer vermeld dat ‘informant will be teaching a new college course in Asian Studies.’ Alle vrijgegeven stukken bevatten veel traceerbare informatie, zoals adressen, opleiding, werk en dergelijke. Er kan een verandering in de reglementen hebben plaatsgevonden, maar die valt uit de stukken niet op te maken. Zoals de memo van 10 juli 1975 aantoont heeft de memo van 13 januari 1975 geen enkele verandering in de wijze van verslaggeving tot gevolg gehad.

    De eerste elf pagina’s van het dossier bevatten de naam Aoki. Hiermee is het bewijs geleverd dat hij informant is geweest. Het zijn zeker duidelijke aanwijzingen, maar het lijkt erop dat onderzoeker Rosenfeld enkel op de vrijgegeven FBI-documenten is afgegaan. Uit de artikelen wordt niet duidelijk welk aanvullend onderzoek Rosenfeld heeft verricht. Is de biografie wel naast de stukken gelegd? Zijn voormalige mede-strijders, vrienden, familie, bekenden, collega’s en anderen geïnterviewd? Zijn voormalige mede-strijders van de Black Panters verzocht om hun dossiers op te vragen?

    Bijkomend probleem voor de FBI-documenten is dat deze niet bijster veel informatie over de rol van de informant bevatten: hij was belangrijk, maar waarom precies en welke informatie over wie hij heeft verstrekt wordt na lezing niet duidelijk. Ook de rol van de FBI bij de bewapening van de Panthers blijft onduidelijk, alsmede de betrokkenheid van Aoki als informant.

    Indien Rosenfeld in zijn publicaties zou hebben aangegeven dat Aoki mogelijk eind jaren ’60 een informant van de FBI is geweest, maar dat nader onderzoek naar de individuen en organisaties waar hij mee heeft samengewerkt moet worden verricht om zijn rol precies vast te stellen, was de ophef omtrent de onthulling en de twijfel over Rosenfeld’s positie als onderzoeker waarschijnlijk minder groot geweest. De stukken bieden voldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek.

    Aannemelijk

    Het is aannemelijk dat Richard Masato Aoki een informant van de FBI is geweest. Rosenfeld heeft daar een aantal bewijsstukken voor aangeleverd, maar is tegelijkertijd uiterst onzorgvuldig met de bewijslast en de presentatie omgegaan. In het eerste artikel presenteert hij een document waaruit valt op te maken dat Aoki informant zou zijn geweest. Het formulier is echter dusdanig vaag dat het terecht is er vragen bij te stellen. Aoki’s uitspraken in het interview vallen niet serieus te nemen en geen van de twee FBI-agenten kent Aoki persoonlijk.

    Runner en informant zijn ondertussen overleden. Aoki heeft in 2009 zelfmoord gepleegd, hem met de bewijslast confronteren is niet langer mogelijk. De runner, Threadgill, is vier jaar eerder in 2005 overleden. Achttien dagen na de eerste publicatie op 20 augustus 2012 presenteert Rosenfeld 273 pagina’s vrijgegeven documenten van de FBI, documenten die al op 18 en 19 juli 2012 door de FBI formeel waren vrijgegeven. Rosenfeld is niet helder over de datum waarop hij de stukken, voor het merendeel onleesbaar, heeft gekregen.

    De heftige reacties van betrokkenen is logisch. Met informanten en infiltranten grijpen overheden diep in op het leven van burgers. Overheden staan er niet om bekend over hun handelen verantwoording af te leggen. In het geval van Aoki is dit tot op heden nog niet gebeurd, en zal waarschijnlijk ook niet gebeuren.

    De implicaties van de informantenrol van Aoki zijn uiteenlopend. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in verschillende bewegingen. Hij leverde de Panthers wapens en trainde hen. Aoki was belangrijk voor de beweging, heeft het zelfbewustzijn van de Panthers vergroot, maar was blijkbaar ook informant. Hij zou dat zelf nooit hebben toegegeven, daarvoor zat de dubbele loyaliteit hem teveel in de weg.

    Welke schade Aoki sociale bewegingen in zijn hoedanigheid als informant heeft toegebracht, is niet duidelijk. Daarvoor moet zijn verleden en de geschiedenis van de Black Panther Party opnieuw worden geëvalueerd. Het zou heel goed kunnen dat hij een dubbelrol heeft vervuld, maar ook daarvoor is het te vroeg om conclusies te trekken.
    artikel als pdf
    Activist Richard Aoki named as informant
    Man who armed Black Panthers was FBI informant, re
    FBI files reveal new details about informant who a
    eerste vrijgegeven document Rosenfeld
    FBI files Richard Aoki