• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • Jansen Library

  • Observant #31, januari 2005

     
    3 januari 2005
    Naar een cyclopisch (straf)recht
    Ties Prakken (Emeritus Hoogleraar capaciteitsgroep strafrecht en criminologie Faculteit der Rechtsgeleerdheid Maastricht)

    Ten aanzien van de terroristische dreiging moet vooropgesteld worden dat het een vanzelfsprekende overheidstaak is de burgers zo goed mogelijk te beschermen en dat het nodig kàn zijn gegeven de omstandigheden aan overheidsorganen extra bevoegdheden voor dit doel toe te kennen. Onder de huidige omstandigheden bestaat die noodzaak waarschijnlijk inderdaad. Bovendien is het actuele terrorisme ook tegen de democratische staatsvorm zelf gericht en moet de staat dus niet alleen zijn burgers maar ook zichzelf beschermen. Dan komen al gauw bevoegdheden in beeld die ingrijpende inbreuken maken op juist in een democratische rechtsstaat elementaire waarden waaronder de grondrechten van burgers. Hier ligt dus een duivels dilemma, maar de gezagsdragers van het moment wekken niet de indruk daaronder te lijden. In tegendeel, zij wekken de schijn dat zij de gelegenheid aangrijpen om vergaande maatregelen te treffen die de controle van de staat op zijn burgers ook buiten de terroristische context versterken, en dat zij dat voorzichtig gezegd niet erg vinden. In dit verband wordt vaak gewezen op het recht op privacy, dat volgens velen opgeofferd zal moeten worden aan effectieve terrorismebestrijding. Ik sta te kijken van het gemak waarmee veel politici bereid zijn de privacy van burgers te minimaliseren door maatregelen waarvan bepaald niet vast staat dat ze een effectieve bijdrage aan de veiligheid leveren (algemene identificatieplicht, bewaren van communicatiegegevens, doorspelen van gegevens van burgers die naar de VS vliegen aan de autoriteiten van dat land, om er maar een paar te noemen). Nog verbazingwekkender is het gemak waarmee burgers zelf zich geruststellen met de populaire kreet dat wie niets te verbergen heeft geen privacy nodig heeft, zonder blijk te geven van enig inzicht in de consequenties van de voorgestelde inbreuken op de privacy. Wie bang is is blijkbaar bereid vlot van al zijn rechten afstand te doen, en in dat verband is het van belang vast te stellen dat naast de privacy tenminste ook het recht op vrijheid en dat op een eerlijk proces in het geding zijn bij de terrorismebestrijding.


    3 januari 2005
    Terrorisme en het strafproces
    Ties Prakken (Emeritus Hoogleraar capaciteitsgroep strafrecht en criminologie Faculteit der Rechtsgeleerdheid Maastricht)

    Bij de strafrechtelijke bestrijding van terrorisme kunnen in principe twee wegen bewandeld worden: het gewone strafrecht kan worden voorzien van bepalingen die dienstig zijn bij de bestrijding van terrorisme en er kan een aparte wetgeving voor terrorismebestrijding komen. Bij de eerste optie is het voordeel dat de valkuil van het uitzonderingsrecht wordt vermeden, waarin voor het goede doel meestal in snel tempo rechtsstatelijke waarden worden opgeofferd, en waarmee dubieuze verschijnselen als speciale rechtbanken voor staatsveiligheidszaken worden geassocieerd. Guantanamo Bay is het actuele trefwoord voor datgene wat we niet moeten willen. Bij de tweede optie is het gevaar dat restricties in de rechtspositie van de verdachte, die worden ingevoerd om wille van de bestrijding van het terrorisme, ook in het commune strafrecht gaan worden gebruikt omdat daar formeel niets aan in de weg staat: het recht geldt immers voor iedereen. En aangezien het soort bepalingen waarmee het berechten van vermeende terroristen vergemakkelijkt wordt, natuurlijk ook de berechting van andere verdachten vereenvoudigt, is de verleiding groot. Het is een duivels dilemma. Voor de gevallen waarin opoffering van stukjes rechtspositie echt noodzakelijk is voor de bestrijding van terrorisme, spreek ik voorlopig een voorzichtige voorkeur uit voor regeling in het commune strafrecht, vooral omdat we dan in ieder geval niet belanden bij speciale staatsveiligheidsrechtbanken en de onverbloemd politieke rechtspraak die dan onvermijdelijk is. Essentieel is in ieder geval dat de rechter altijd gedwongen moet zijn de strikte noodzaak van beperkingen in het concrete geval te toetsen. Intussen lijkt de minister van justitie geen duidelijke keuze te maken en beide wegen te bewandelen.

    Alle anti terrorisme maatregelen op een rij


    14 januari 2005
    Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven
    Justitie.nl

    In het kort komen de voorstellen op het volgende neer:

    • een verruiming van de mogelijkheden om in een verkennend onderzoek informatie te verzamelen;
    • een verruiming van de mogelijkheden om personen te fouilleren buiten concrete verdenking van een strafbaar feit;
    • een verruiming van de toepassingsmogelijkheden van bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals stelselmatige observatie en telefoontap;
    • het mogelijk maken van bewaring bij verdenking van een terroristisch misdrijf, ook buiten het geval van ernstige bezwaren;
    • een mogelijkheid tot uitstel van volledige inzage van processtukken.

    Uit het artikel ‘Cyclopisch Strafrecht’ van Ties Prakke een aantal belangrijke negatieve effecten van dit voorstel:

    De laatste loot aan de stam van de nieuwe terrorismebestrijding is het wetsvoorstel dat in de brief van de minister van 10 september 2004 werd aangekondigd en dat begin november is ingediend en ter consultatie verzonden naar de gebruikelijke adviesinstanties. Hierin wordt een groot aantal speciale regels van strafvorderlijke aard geïntroduceerd voor de opsporing en berechting van terroristische misdrijven en worden nog enige aanscherpingen van materiële strafbepalingen voorgesteld. De voorgestelde maatregelen zijn in een aantal verschillende categorieën te onderscheiden:
    – tal van bijzondere opsporingsmethodes zullen voortaan mogen worden toegepast op basis van ‘aanwijzingen’, waar nu nog een redelijk vermoeden nodig is dat een misdrijf is begaan;
    – burgerinfiltranten kunnen worden gebruikt bij de opsporing van terroristische misdrijven;
    – bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen in de openbare dienst van een vreemde staat voor de toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld;

    De in deze drie punten geplande uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden en beperking van de mate van objectiviteit op basis waarvan zij kunnen worden ingezet, geven de politie de facto bijna dezelfde bevoegdheden als de AIVD heeft. Dat lijkt overbodige machtsuitbreiding voor de politie, nu juist ook al in het onder c. genoemde wetsvoorstel de informatie van de AIVD rechtstreeks in het strafproces zal kunnen worden gebruikt. De genoemde voorstellen voor extra bevoegdheden voor de politie zullen van de desbetreffende afdeling van de KLPD een soort schaduw geheime dienst maken en dat lijkt nodig noch wenselijk.

    – art. 132a Sv komt te luiden:
    ‘Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.’

    Hierdoor wordt het opsporingsbegrip, dat in de wet BOB al gevoelig was uitgebreid van het onderzoek naar vermoedelijk gepleegde strafbare feiten naar de beraming van zeer ernstige misdrijven in georganiseerd verband, praktisch onbegrensd. Dus ook op grond van aanwijzingen voor wat voor vage aktiviteiten dan ook, niet eens beperkt tot terroristische aktiviteiten, mag de politie opsporen wanneer het parlement niet waakzaam is.

    – bij het verkennend onderzoek naar terroristische misdrijven kunnen databanken gekoppeld worden;

    Het verkennend onderzoek van art.126gg Sv, ter voorbereiding van de eigenlijke maar zelf ook steeds meer naar voren getrokken opsporing, was in de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden van 2000 ingevoerd met de bedoeling dat daarmee alleen een mogelijkheid werd vastgelegd. Hieraan zouden geen opsporingsbevoegdheden worden gekoppeld, zodat de politie alleen oren en ogen open mocht hebben zoals altijd. Het koppelen van bestanden is een vergaande bevoegdheid die de politie ook weer laat lijken op de AIVD. Wanneer we de filosofie van gescheiden informatiecircuits voor politie en geheime diensten serieus nemen – en er is alle reden om dat te doen – dan is gebruik voor het bewijs in strafzaken van AIVD informatie bedenkelijk, maar het verlenen van verstrekkende bevoegdheden aan de politie voor ‘fishing expeditions’ in de vermeende terroristische vijver minstens zo aanvechtbaar: dat is werk voor de inlichtingendiensten.

    – voor een bevel tot bewaring zijn bij verdenking van terroristische misdrijven geen ernstige bezwaren meer vereist, slechts een verdenking;
    – de gevangenhouding, waarvoor nog wel ernstige bezwaren nodig zijn, kan in die gevallen na de eerste 90 dagen steeds met drie maanden verlengd worden tot maximaal twee jaar zonder dat de zaak ter zitting wordt behandeld en al die tijd hoeft het volledige procesdossier dus niet aan de verdediging te worden gegeven;

    Deze voorgestelde voorlopige hechtenisbepalingen roepen een horrorbeeld op van geheime politieke processen waaraan onderzoek van de geheime diensten dan wel de politie met praktisch onbeperkte bevoegdheden vooraf gaat, waar de toetsing door de rechter drastisch gereduceerd wordt en de verdediging buiten spel wordt gezet. Wat moet men zich voorstellen bij een vooronderzoek met een gedetineerde verdachte dat twee jaar duurt zonder dat de verdediging over de stukken beschikt? Als die verdediging dan als enige mogelijkheid heeft om de AIVD informatie waarop de hele zaak mogelijk gebaseerd is te toetsen door het oproepen van afgeschermde getuigen bij de RC, wanneer moet hij dat dan doen? Na afloop van die twee jaar? Wanneer inderdaad de belangrijkste functie van het strafrecht tegen terrorisme is om terroristische aanslagen te voorkomen, dan valt niet in te zien waarom vervolgens totale rechteloosheid van de vervolgde verdachte noodzakelijk zou zijn.

    – de mogelijkheid van preventief fouilleren wordt uitgebreid tot niet door de burgemeester maar door de officier van justitie aan te wijzen gebieden of gevallen;

    Volgens de Memorie van Toelichting wil de minister de mogelijkheid hebben om in gevallen van acute dreiging bijvoorbeeld op last van de officier van justitie preventief te kunnen laten fouilleren op een tijdelijke risicoplek. Daarnaast wil hij een bevoegdheid voor de politie creëren om op plaatsen die altijd een verhoogd risico opleveren, zoals stations en luchthavens, ook zonder bevel van de officier van justitie preventief te fouilleren. Misschien is de eerste bevoegdheid in acute crisissituaties inderdaad nodig, maar dan zou het voorkeur verdienen het bevel daartoe bijvoorbeeld bij de minister zelf te leggen, die is dan voor zo’n ingrijpende maatregel direct politiek verantwoordelijk. Wanneer elke officier van justitie dit mag is het gevaar aanzienlijk dat zo’n ingrijpende bevoegdheid veel te makkelijk ingezet wordt en vervolgens marginaal getoetst door het parlement. De rechter was al bijna uitgeschakeld bij de controle op het preventief fouilleren. Permanente fouilleerbevoegdheid voor de politie op bepaalde plekken lijkt onaanvaardbaar omdat er geen enkele garantie is dat die bevoegdheid vooral ter opsporing van terrorisme zal worden toegepast, in tegendeel, zo’n arbitraire bevoegdheid zal eerder wel dan niet tot misbruik leiden. De minste garantie zou hiervoor toch een bevel van de officier van justitie moeten zijn.

    – in art. 189 Sr wordt niet alleen degene die iemand verbergt die veroordeeld is of vervolgd wordt strafbaar, maar ook degene die iemand verbergt naar wie opsporing wordt verricht.

    Gezien de populariteit van heimelijke opsporing brengt dit iedereen onder de strafwet die logees heeft waar de politie belangstelling voor heeft! Wanneer men deze bepaling serieus zou nemen wordt elke burger die iemand in zijn huis heeft eigenlijk opgezadeld met het doen van onderzoek naar mogelijke politiebemoeienis, en tot het stellen van vragen aan zijn gasten die een normaal mens niet wenst te stellen. Ook deze bepaling is niet beperkt tot de opsporing naar terroristische misdrijven, al is in dat geval een strafverhoging van toepassing. De staat lijkt de samenleving geheel in dienst te willen stellen van het veiligheidsconcept van de overheid. Verklikken wordt een deugd, gastvrijheid en solidariteit een misdrijf. Ik zal mijn geplande logeerpartijen maar afzeggen om mijn vrienden niet in de problemen te brengen. Je weet maar nooit, zeker met de reikwijdte van de opsporing na inwerkingtreden van het nieuwe art. 132a Sv.


    14 januari 2005
    Commentaar van de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak op bovenstaand wetsvoorstel
    www.nvvr.nl

    De NVvR heeft met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft vanwege de grote dreiging die van terroristische aanslagen uitgaat, een afweging gemaakt die anders uitvalt dan in het reguliere straf(proces)recht. Gesteld wordt dat het belang dat met het voorkomen (de preventie) van terroristische misdrijven is gemoeid, een vroegtijdige inzet van strafrechtelijke bevoegdheden wenselijk maakt. De NVvR begrijpt dat gedoeld wordt op de afweging tussen een uit art. 2 EVRM voortvloeiende verplichting van de overheid tot bescherming van het leven van personen in de samenleving en andere mensenrechten, waaronder het recht van burgers op privé-leven (artikel 8 EVRM) en de rechten die voortvloeien uit artikel 5 EVRM.
    Het is de NVvR opgevallen dat in de concept-memorie van toelichting in het kader van deze afweging niet wordt verwezen naar het Europees kaderbesluit van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, noch naar de Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on human rights and the fight against terrorism1. Genoemde documenten bieden een genuanceerd instrumentarium voor de afweging die inzake terrorismebestrijding gemaakt moet worden tussen noodzakelijke restricties ten aanzien van verdachten en de daarbij minimaal in aanmerking te nemen rechten van die verdachten.
    Voorts merkt de NVvR op dat het onderhavige voorstel meebrengt dat rechtmatigheidtoetsingen door de rechter(-commissaris) neerwaarts worden bijgesteld, zodat deze (nog) minder dan voorheen in staat zal zijn het handelen van opsporingsinstanties te toetsen. Dit wordt hieronder toegelicht.
    In het navolgende zal de NVvR ingaan op de voorgestelde artikelen in de volgorde van het wetsvoorstel. Vanwege de korte adviestermijn zal een en ander echter beperkt moeten blijven tot een bespreking op hoofdlijnen.


    14 januari 2005
    Braaf zijn, beste burger
    Alex van Veen
    Ravage # 1

    Om de aanhoudelijke stroom aan dreigementen in de richting van autoriteiten in te dammen, grijpen het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht naar onorthodoxe middelen. De jongeman die voor de radio via een omweg minister bedreigde, kreeg hiervoor drie jaar gevangenisstraf opgelegd. Ter afschrikking van het gepeupel.
    Hoofdschuddend hoorde advocaat Frans Donze het vonnis aan waarmee de Amsterdamse rechtbank diens cliënt een celstraf van twee jaar oplegde, waarvan acht maanden voorwaardelijk. De 22-jarige verdachte R.E., die verstek liet gaan bij de uitspraak, had in een telefonisch onderhoud met RTV Noord-Holland (RTVNH) gezegd dat minister Verdonk binnen twee weken moest terugkomen op haar integratiebeleid, anders zou zij daarvan de gevolgen merken. Hij refereerde daarbij aan de moord op Pim Fortuyn.
    Het Openbaar Ministerie (OM) had drie jaar gevangenisstraf geëist, waarvan een jaar voorwaardelijk. Volgens de rechtbank was de bedreiging van E. een poging het regeringsbeleid te beïnvloeden en daarmee een aanval op het hele kabinet en de Nederlandse samenleving. Door de actie van E. bestaat de kans dat Verdonk en de regering niet meer vrij en onbelemmerd hun plicht kunnen vervullen, oordeelde de rechter.

    Zie uitspraak op Rechtspraak.nl
    Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het door bedreiging met geweld de vergadering van de raad van ministers tot het nemen van enig besluit te dwingen en opzettelijk een lid verhinderen in die vergadering vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen.


    14 januari 2005
    Deel van de documenten die Outman Ben A.lekte

    Ben A., een Nijmegenaar van Marokkaanse afkomst, zou staatsgeheimen hebben doorgespeeld aan de zogenoemde Hofstadgroep, waartoe Mohammed B. behoorde, die wordt verdacht van de moord op Theo van Gogh. In de agenda van Ben A. zijn daarvoor aanwijzingen gevonden. (http://www.volkskrant.nl/binnenland/1105146919452.html)


     

    7 december 2004
    Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht,aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO
    College van procureurs-generaal

    Op 1 juni 1994 is de Wet op de identificatieplicht (WID) in werking getreden en naar aanleiding daarvan is de Richtlijn WID op 13 april 1994 door de vergadering van procureurs-generaal vastgesteld. De WID bevat, kort samengevat, twee soorten verplichtingen:

    * de verplichting voor alle burgers om in bepaalde situaties een identiteitsbewijs ter inzage te verstrekken (de identificatieplicht);
    * de verplichting voor bepaalde personen en instanties om in bepaalde situaties de identiteit van een derde vast te stellen aan de hand van een identiteitsbewijs (de verificatieplicht).

    In artikel 1 van de WID worden de documenten genoemd waarmee de identiteit kan worden aangetoond. Na de inwerkingtreding van de WID zijn in verschillende andere wetten, vooral in de sfeer van de sociale zekerheid, identificatie- en verficatieplichten in het leven geroepen, waarbij steeds werd verwezen naar de opsomming van identiteitsdocumenten van art. 1 WID.

    Inmiddels heeft de wetgever de WID gewijzigd en aangevuld met de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Stb. 2004, 300). Deze wet treedt op 1 januari 2005 in werking. Gelet hierop heeft het College van procureurs-generaal een nieuwe aanwijzing voorbereid. Deze aanwijzing vervangt voornoemde richtlijn uit 1994.

    SAMENVATTING

    Deze aanwijzing geeft een nadere uitwerking van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, waarin wijzigingen zijn vervat in onder andere de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht en de Politiewet 1993. Doel van de uitbreiding van de huidige identificatieplichten is het verschaffen van een instrument om de handhaving en het toezicht door de overheid over de gehele linie te ondersteunen en te versterken.

    Na een overzicht van de voor deze aanwijzing belangrijkste onderdelen uit de nieuwe wetgeving, volgt een bespreking van de bevoegdheid tot het vorderen van een identiteitsbewijs door de politie. In dit verband worden zowel situaties geschetst waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn, als situaties waarin dat nu juist niet het geval is. Ook is een passage gewijd aan de strafvorderlijke dwangmiddelen om de identiteit te achterhalen. Daarna wordt kort aandacht geschonken aan de identificatieplicht bij de handhaving van bijzondere wetgeving door de bijzondere opsporingsdiensten, buitengewoon opsporingsambtenaren en toezichthouders. Het onderdeel ‘strafvordering’ behandelt het strafvorderingsbeleid en mogelijke samenloopvraagstukken. Ten slotte komen achtereenvolgens de opslag van gegevens ter zake van de identiteitscontroles en het klachtrecht van burgers aan de orde.


    COMMISSION REPORT FROM SECI – CROSS-BORDER CRIME
    European Commission report from the South-East European Cooperative Initiative (SECI) in Bucharest: Assessment of the SECI Regional Center for combating trans-border crime – Final Assessment Report (3MB, pdf):

    SECI, the Southeast European Co-operative Initiative, was launched in December 1996, on the basis of the "Points of Common EU-US Understanding" to develop a viable economic strategy from the region.SECI Regional Centre for the Combating of Trans-Border Crime (Crime Centre) in Bucharest was set up in October 2000, SECI is promoting regional co- operation among participating countries in order to identify, arrest, and prosecute criminals operating in the region. SECI participating States include Albania, Bosnia and Herzegovina, Bulgaria, Greece, Hungary, Moldova, Romania, Slovenia, the Former Yugoslav Republic of Macedonia, and Turkey. SECI supporting States are Austria, Italy, Liechtenstein, Switzerland, and the United States of America. In addition, countries such as Belgium, France, Germany, Serbia & Montenegro and Ukraine have the status as observer.


    The Politics of CCTV in Europe and Beyond
    Surveillance & Society

    Surveys on the growth of video surveillance or Closed-Circuit Television (CCTV) throughout the
    world, setting the scene for this special double issue of Surveillance & Society, on the politics and practice
    of CCTV, and provides a brief introduction to the contents of the issue .


    Medewerkers van Jansen & Janssen spitten regelmatig het vuilnis door in steden en dorpen waar AIVD-ers wonen. In de afgelopen 15 jaar waren we niet echt succesvol, maar begin december 2004 was het raak. We vonden een oude laptop met alle gegevens van personen en instellingen die door de AIVD in de gaten worden gehouden. Jouw naam staat misschien ook op die lijst.
    Voor een geringe maandelijkse of jaarlijkse vergoeding kunnen we je begeleiden, informeren of zelfs in uitzonderlijke gevallen van de lijst krijgen. Nu kan het zo zijn dat je zegt, “ik heb niets te verbergen!”. Onze ervaring leert echter dat iedereen wel minstens één geheimpje heeft dat hij of zij voor de overheid wil verbergen. Voor die mensen bieden wij ook een uitkomst. Door ons gul te steunen, zullen wij pogen (let op de kleine letters) je van de lijst te weren.

    Ons anoniem steunen behoort natuurlijk tot de mogelijkheden.
    Buro Jansen & Janssen,
    gironummer 603904 t.n.v. stichting Res Publica,
    Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam


    AIVD -rapporten:

    11 oktober 2004
    Rapportage ‘Uitvoerbaarheid Wet veiligheidsonderzoeken’
    Aivd.nl

    Op 1 februari 1997 is de Wet veiligheidsonderzoeken (WVO) in werking getreden. In deze wet worden regels gesteld ten aanzien van het verrichten van veiligheidsonderzoeken. Een veiligheidsonderzoek is een onderzoek door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) naar een persoon die een werkgever van plan is te benoemen of aan te stellen in een vertrouwensfunctie (een door de daartoe bevoegde autoriteiten aangewezen functie die de mogelijkheid biedt de nationale veiligheid te schaden). Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet veiligheidsonderzoeken in de Eerste Kamer is toegezegd een toetsing van de uitvoerbaarheid van de wet te laten uitvoeren. Die rapportage is in dit kamerstuk opgenomen. Bij het onderzoek is een aantal knelpunten gesignaleerd. In de rapportage wordt op deze knelpunten ingegaan en wordt aangegeven welke daarvan met organisatorische maatregelen kunnen worden ondervangen en welke punten tot aanpassing van de wet nopen. Een voorstel tot wetswijziging wordt voorbereid.

    16 november 2004
    Eindrapport Commissie Bestuurlijke Evaluatie AIVD, “De AIVD in verandering”
    Reactie van minister Remkes op het rapport

    aivd.nl

    De Commissie Bestuurlijke Evaluatie biedt op 16 november 2004 aan minister Remkes haar rapport aan over het functioneren van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. De Commissie Bestuurlijke Evaluatie AIVD heeft onderzoek gedaan op basis van drie hoofdvragen:
    1. Welke verwachtingen bestaan er in de politiek-bestuurlijke omgeving over de taken van de AIVD mede gezien de veranderingen in de samenleving?
    2. Hoe voert de AIVD zijn taken en verantwoordelijkheden uit en welke verbeteringen zijn mogelijk?
    3. Zijn de bevoegdheden en de kwalitatieve en kwantitatieve middelen (materieel, personeel en financiën) waarover de AIVD beschikt voldoende om aan de gestelde eisen en verwachtingen te voldoen?

    21 december 2004
    Nota Van dawa tot jihad
    aivd.nl

    Het tegengaan van de dreiging van de radicale islam vereist de brede inzet van alle bestuursorganen, zowel op internationaal, nationaal als lokaal niveau. Zij moeten daarvoor alle beschikbare instrumenten inzetten, uiteenlopend van het stimuleren van gematigde krachten tot en met het strafrecht wanneer de wet wordt overtreden. Dat schrijft minister Remkes in de brief aan de Tweede Kamer waarmee hij het AIVD-rapport ‘Van dawa tot jihad, de diverse dreigingen van de radicale islam tegen de democratische rechtsorde’ aanbiedt. Volgens Remkes is het voorkomen, isoleren of indammen van radicalisering een belangrijke manier om terrorisme duurzaam te bestrijden.
    Het rapport van de AIVD laat zien dat de radicale islam bestaat uit een veelheid van stromingen, bewegingen en groeperingen. Die beslaan het gehele spectrum van aan de ene kant ‘jihad’ (in de betekenis van de gewapende strijd) tegen het Westen tot aan de andere kant ‘dawa’ (via missionering uitdragen van radicaal-islamitische ideologie). Het AIVD-rapport signaleert dat ook vanuit de meer dawa-georiënteerde vormen van de radicale islam dreigingen tegen de democratische rechtsorde kunnen uitgaan. Die diversiteit maakt dat iedere vorm van radicale islam een aparte tegenstrategie vereist. Het rapport bevat voor alle betrokken instanties bouwstenen waarmee zij op maat gesneden tegenstrategieën kunnen ontwerpen.
    Het rapport gaat niet in op de concrete dreiging die uitgaat van radicaal-islamitische groepen of netwerken. Het gaat volgens Remkes om een conceptuele bijdrage zowel aan het onderzoek naar de radicale islam als aan de ontwikkeling en uitvoering van een brede tegenstrategie. Het rapport schetst acht vormen van radicale islam. Die verschillen in de wijze waarop zij al dan niet met geweld hun doelstellingen willen bereiken. Ook de mate waarin zij al dan niet openlijk te werk gaan maakt verschil uit. Verder streven sommige stromingen naar een totaal andere staatsinrichting dan de westerse democratische rechtsstaat, terwijl andere zich richten op een totaal andere wijze van samenleven. Deze laatste vormen gaan veel verder en zijn veel intoleranter: niet alleen moeten er politieke veranderingen komen; het hele leven en de intermenselijke verhoudingen in de samenleving moeten worden ingericht op basis van de sharia. De stromingen die dit nastreven worden in het rapport van de AIVD onder de noemer radicaal-islamitisch puritanisme beschreven. Vooral de dawa-activiteiten van deze stromingen dragen momenteel bij aan de radicalisering van sommige moslimjongeren in Nederland omdat zij prediken dat de Westerse samenleving moreel verderfelijk is en een bedreiging vormt voor de ‘zuivere’ islam.
    Minister Remkes heeft het rapport van de AIVD als beleidsondersteunend document ook toegezonden aan de burgemeesters, de Commissarissen der Koningin, de korpschefs van politie en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.