• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – de heer A. Broere

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 18

    14 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    donderdag 14 september
    1995 in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den
    Haag

    Verhoord wordt de heer A. Broere
    Aanvang 11.30 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos, alsmede de heer Nava,
    plv. griffier
    De voorzitter:
    Aan de orde is het verhoor van de heer A. Broere, geboren 23
    maart 1951 te Capelle aan de IJssel. Mijnheer Broere, wilt u
    opstaan voor het afleggen van de eed? De door u af te leggen eed
    luidt: “Ik zweer dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid
    zal zeggen.”
    De heer Broere:
    Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
    De voorzitter:
    Mijnheer Broere, welkom bij de enqutecommissie. Uw functie is
    teamchef van het arrestatieteam van het regiokorps
    Rotterdam-Rijnmond. Wij hebben u gevraagd bij de enqutecommissie te
    verschijnen vanwege het functioneren van arrestatieteams en
    eventueel ook het gebruik dat van arrestatieteams gemaakt wordt in
    het kader van de opsporing; niet uw gehele werk natuurlijk. Verder
    willen wij met u doornemen wanneer er een arrestatieteam wordt
    ingezet en uw aandeel in het uitvoeren van de inkijkoperaties. Ik
    begrijp dat u vroeger ook lid bent geweest van een infiltratieteam.
    Welk infiltratieteam was dat?
    De heer Broere:
    PIT west 1 van de Rijkspolitie.
    De voorzitter:
    Welke werkzaamheden heeft u daar vervuld?
    De heer Broere:
    Ik was begeleider binnen dat team.
    De voorzitter:
    Waarom is dat team opgeheven?
    De heer Broere:
    Omdat er informatie was dat de samenstelling van dat team en
    mogelijk de identiteit van de medewerkers bekend was bij derden. De
    korpsleiding heeft toen om veiligheidsredenen de beslissing genomen
    het team van de een op de andere dag totaal op te heffen.
    De voorzitter:
    Dat vond u een te zware reactie?
    De heer Broere:
    Wij kenden toen niet – en nu trouwens nog niet – de
    uitgangspunten op grond waarvan die beslissing is genomen. Wij
    hebben die beslissing geaccepteerd. Als u mij vraagt, of ik daar
    een fijn gevoel over heb, dan is mijn antwoord “nee”.
    De voorzitter:
    Wanneer was dat?
    De heer Broere:
    In juni 1992.
    De voorzitter:
    Sindsdien werkt u bij het arrestatieteam?
    De heer Broere:
    Ik werkte toen al bij het arrestatieteam. Ik deed de
    werkzaamheden bij het PIT er part time bij. Ik werk nu nog bij het
    arrestatieteam. Ik ben daar teamchef.
    De heer Koekkoek:
    U bent chef van het arrestatieteam van het regiokorps
    Rotterdam-Rijnmond. Denkt u nog wel eens met weemoed aan uw tijd
    bij de Rijkspolitie?
    De heer Broere:
    Nee, want ik denk dat het er beter op geworden is bij het
    arrestatieteam.
    De heer Koekkoek:
    In welk opzicht?
    De heer Broere:
    In allerlei opzichten. De landelijke afspraken zijn heter op
    elkaar afgestemd; het selectietraject is eenduidig; de opleiding is
    eenduidig; de werkzaamheden in het land zijn allemaal op elkaar
    afgestemd; er is sprake van een volledige uitwisselbaarheid van de
    medewerkers van het AT. In die zin hebben wij veel gewonnen bij de
    reorganisatie.
    De heer Koekkoek:
    Het is beter georganiseerd?
    De heer Broere:
    Jazeker.
    De heer Koekkoek:
    Wat is uw taak als chef van het arrestatieteam?
    De heer Broere:
    Ik ben binnen de criminaliteitsbeheersing eindverantwoordelijk
    voor dat arrestatieteam. In grote lijnen bestaan werkzaamheden uit
    leidinggeven, bedrijfsvoering, personeelsaangelegenheden, advies,
    administratie, externe contacten met binnen- en buitenland,
    landelijk overleg en deelnemen aan commissies.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u nog wel eens tijd om met de jongens mee te gaan of zijn
    er ook meisjes bij?
    De heer Broere:
    En AT heeft een vrouwelijke chef, maar het AT
    Rotterdam-Rijnmond heeft geen vrouwen in haar team. Ik ga
    incidenteel mee als mij dat uitkomt. Dat gebeurt meer in het kader
    van zicht krijgen op het leidinggeven door de kaderleden. Daar ben
    ik dan met name nieuwsgierig naar.
    De heer Koekkoek:
    Bent u als chef op de hoogte van alles wat uw mensen doen?
    De heer Broere:
    Ik heb geen reden aan te nemen dat het niet zo is.
    De heer Koekkoek:
    Hoe houdt u zich op de hoogte van de werkwijze?
    De heer Broere:
    Wij hebben dagelijks contact. Ik weet in ieder geval van elke
    inzet. Iedere dag beginnen wij met een ochtendbriefing. Ik maak die
    zoveel mogelijk mee. Er is wekelijks kaderoverleg en om de 14 dagen
    is er teamoverleg. Ik ben daar bij en blijf dus goed op de
    hoogte.
    De heer Koekkoek:
    Wat is de hoofdtaak van het AT? Dat lijkt een domme vraag, maar
    het is toch goed dat u die beantwoordt om aan te geven wat een
    arrestatieteam in ieder geval moet doen.
    De heer Broere:
    Hoofdtaak is het aanhouden van personen waarvan verwacht mag
    worden dat zij beschikken over vuurwapens en die zullen gebruiken
    bij hun verzet tegen onze aanhouding. Rotterdam-Rijnmond en
    Amsterdam-Amstelland hebben bovendien de verantwoordelijkheid voor
    het continentale plat wat betreft deze AT-zorg.
    De heer Koekkoek:
    Neemt het geweld toe?
    De heer Broere:
    In zijn algemeenheid meen ik te kunnen stellen dat het geweld
    toeneemt. Wij zitten natuurlijk in een stad die daar getuige van
    is. Er zitten steeds meer vuurwapens in het milieu. Wij nemen er
    ook steeds meer in beslag. De criminaliteit verhardt, ook
    onderling. De toepassing van geweld neemt soms rigoureuze vormen
    aan. Er vinden schietpartijen op straat plaats. Er zijn
    afrekeningen in het milieu.
    De heer Koekkoek:
    Is het arresteren van vuurgevaarlijke verdachten moeilijker
    geworden of is er eigenlijk geen verandering ten opzichte van tien
    jaar geleden?
    De heer Broere:
    In de aard eigenlijk niet. Wij houden altijd rekening met het
    maximale wat je kunt verwachten van de tegenpartij. Daarop wordt
    het plan in principe geschreven. Ik denk niet dat het gevaarlijker
    geworden is. Wij proberen wel innovatief en ontwikkelend bezig te
    zijn en antwoord te vinden op zaken die de tegenpartij
    uitdenkt.
    De heer Koekkoek:
    Als u in actie komt, hoe weten de verdachten van een criminele
    organisatie dan dat u van het arrestatieteam bent en geen vijandige
    concurrent?
    De heer Broere:
    Als het niet nodig is, melden wij niet dat wij er zijn. Stel
    dat wij de desbetreffende persoon op straat kunnen overrompelen,
    dan is het geschied voordat hij er erg in heeft en dan pas maken
    wij bekend dat wij van de politie zijn. Als wij enkele seconden te
    overbruggen hebben en de persoon kan vermoeden dat er iemand
    binnenkomt, dan wordt op dat moment heel nadrukkelijk kenbaar
    gemaakt dat wij van de politie zijn. Dat wordt hard en luid
    geroepen.
    De voorzitter:
    Maar dat kan iedereen natuurlijk roepen?
    De heer Broere:
    Ja, dat zou inderdaad kunnen. De kleding die wij daarbij
    dragen, is naar mijn mening niet voor tweerlei uitleg vatbaar. Het
    is f het inzet tenue van het AT, een blauwe overall, eventueel een
    baret en een kogelvrij vest, f wij treden op in burger en dan
    dragen wij daarover een kunststofjack met aan de voor- en
    achterzijde heel nadrukkelijk het woord “politie”.
    De voorzitter:
    Is het ooit voorgekomen dat een groep criminelen van dezelfde
    outfit gebruik heeft gemaakt om iemand te ontvoeren of te
    gijzelen?
    De heer Broere:
    Wij weten dat ooit een groepering gebruik gemaakt heeft van de
    overall overvaltechniek; dus naar binnen gaan met allemaal dezelfde
    outfit en zich voordoen als zijnde van de politie. De slachtoffers
    zijn geript; men heeft hen het nodige geld afgenomen. De mensen
    zijn vertrokken en achteraf bleek dat zij niet van de politie
    waren. Men heeft ons dat verteld.
    De voorzitter:
    Wanneer en waar is dat gebeurd?
    De heer Broere:
    Ik dacht in het zuiden van het land. De informatie stamt van
    ongeveer drie jaar geleden, plus minus 1992.
    De heer Koekkoek:
    Uw hoofdtaak is klaar zijn voor arrestaties als het nodig is en
    de oefening die daarbij hoort. Kunt u in percentages uitdrukken
    welk bestanddeel dat is van het werk?
    De heer Broere:
    Meer dan 90% van ons werk bestaat uit het aanhouden van
    vuurwapengevaarlijke personen.
    De heer Koekkoek:
    Over de andere 10% komen wij nog te spreken. Wie moet
    toestemming geven voor het optreden van het arrestatieteam?
    De heer Broere:
    In Rotterdam-Rijnmond zijn dat formeel de hoofdofficier van
    justitie en de districtsmanager van een district binnen de regio
    Rotterdam-Rijnmond die het verzoek doet om assistentie.
    De heer Koekkoek:
    Ik wilde ook met u spreken over de 10% andere activiteiten, ook
    wel bijzondere inzetten genoemd. Om welke activiteiten gaat het
    concreet?
    De heer Broere:
    Wij spreken in dat verband over ondersteunende taken. Het gaat
    daarbij om de technisch tactisch moeilijke aanhoudingen. Je weet
    dan niet voor 100% zeker dat er inderdaad sprake is van
    vuurwapengevaarlijkheid. Wij weten bijvoorbeeld niet, waar wij in
    een bepaalde groepering uitkomen.
    De heer Koekkoek:
    Ik wilde het nu niet verder hebben over de arrestaties. U hebt
    vanmorgen mijnheer Hellemons misschien gehoord van het DTOO in
    Driebergen.
    De heer Broere:
    Nee, ik heb dat gesprek niet gevolgd.
    De heer Koekkoek:
    Bij die neventaken denk ik bijvoorbeeld aan inkijkoperaties.
    Doet u die nog steeds in Rotterdam?
    De heer Broere:
    Als wij een verzoek daartoe krijgen, doen wij dat nog
    steeds.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer is dat voor het laatst gebeurd?
    De heer Broere:
    Ik kan mij niet herinneren dat wij de laatste twee jaar in
    Rotterdam een inkijkoperatie hebben gedaan. Zolang de huidige chef
    RCID er is – de heer In ‘t Veld – is de afspraak, dat hij degene is
    die dit bepaalt en het aan persoonlijk aan mij terugkoppelt.
    De heer Koekkoek:
    En voor andere korpsen?
    De heer Broere:
    Wij werken ressortelijk. Wij zijn ingebed in de organisatie van
    Rotterdam-Rijnmond. Wij werken voor vijf regiokorpsen. De laatste
    mij bekende inkijkoperatie is van februari dit jaar.
    De heer Koekkoek:
    Uitgevoerd door uw mensen?
    De heer Broere:
    Ja, uitgevoerd door mijn mensen.
    De heer Koekkoek:
    Is u bekend of de officier van justitie daarvoor toestemming
    heeft gegeven?
    De heer Broere:
    Daar gaan wij van uit. De chefs RCID…
    De voorzitter:
    Misschien is het goed aan te geven, dat de chefs RCID de chefs
    zijn van de Regionale criminele inlichtingendiensten in de
    verschillende korpsen. Het ressort waarin u werkt, is het ressort
    Den Haag neem ik aan?
    De heer Broere:
    Dat is correct.
    De voorzitter:
    Dat omvat Zeeland, Zuid-Holland-zuid, Rotterdam-Rijnmond, Den
    Haag, Hollands-Midden en Haaglanden. Van Leiden tot Middelburg,
    h?
    De heer Broere:
    Dat is correct. De chefs RCID weten dat dit een zwaar middel is
    om in te zetten. Daarbij zijn proportionaliteit en het moment
    waarop heel nadrukkelijk aan de orde. Afgesproken is dat al deze
    verzoeken via de RCID lopen en dat men daar de afweging maakt, of
    dit bij uitstek het middel is om de informatie te verzamelen. Zij
    sluiten dat ook kort met de CID-officier van justitie. Als mij een
    dergelijk verzoek bereikt, beperk ik mij tot het stellen van de
    controlevraag: heeft u overleg gehad met de CID-officier. Als die
    vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt door ons de naam van de
    officier genoteerd in de aanvraag. Wordt die vraag ontkennend
    beantwoord, dan zijn wij niet in voor deze operatie.
    De heer Koekkoek:
    Sinds wanneer is dat zo?
    De heer Broere:
    Dat wij de chef-RCID belast hebben met de cordinatie van dit
    soort zaken, stamt nog uit mijn tijd bij de Rijkspolitie.
    De heer Koekkoek:
    Ik kan mij toch voorstellen dat u best wel eens inkijkoperaties
    hebt uitgevoerd – eventueel in uw tijd bij de Rijkspolitie –
    waarbij u er niet zeker van was of de officier van justitie had
    ingestemd. Hoe was dat in die tijd?
    De heer Broere:
    Het is een evolutie geweest. Ongeveer 11 jaar geleden zijn dit
    soort zaken bij ons begonnen. Toen werden wij bijvoorbeeld benaderd
    door een tactisch-teamleider. Ook toen vroegen wij, of de betrokken
    zaak officier het goed vond.
    De heer Koekkoek:
    Welk antwoord kreeg u dan?
    De heer Broere:
    Dat er overleg had plaatsgevonden.
    De heer Koekkoek:
    Goedvinden is wat stelliger dan dat er overleg heeft
    plaatsgevonden.
    De heer Broere:
    Hoe concreet de vraag toen gesteld werd, weet ik op dit moment
    niet. Wij gingen er in ieder geval van uit, dat het geen
    eenmansactie was van de tactisch-teamleider.
    De heer Koekkoek:
    Sinds wanneer legt u zelf vast dat er toestemming is van de
    officier van justitie?
    De heer Broere:
    Vanaf het moment dat de RCID-chef er tussen kwam als zeef. Toen
    hebben wij afgesproken dat hij in ieder geval de aangesproken
    persoon was. Vanaf dat moment werden de tactisch-teamleiders door
    ons terugverwezen naar de chef-RCID. Vanaf toen heeft mijn team
    nadrukkelijk gevraagd, of er toestemming was en hebben wij ook de
    naam genoteerd.
    De heer Koekkoek:
    Over welk jaar spreken wij dan?
    De heer Broere:
    1990-1991.
    De heer Koekkoek:
    U werkt met aanvraagformulieren? Staat daarop een regel:
    instemming of toestemming van de officier van justitie, ja of
    nee?
    De heer Broere:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Als er dan “nee” wordt geantwoord, wordt een operatie dan nooit
    uitgevoerd?
    De heer Broere:
    Als de officier geen toestemming heeft gegeven of de officier
    weet er niet van of er wordt niet alsnog toestemming genomen, gaat
    het voor ons niet door.
    De heer Koekkoek:
    Dat is dus zo vanaf het begin van de jaren negentig?
    De heer Broere:
    Nee, dat is altijd al zo geweest. Uw vraag was, vanaf welk
    moment wij de naam zijn gaan noteren. Dat is vanaf het moment dat
    ik zojuist heb aangegeven. Ook in de daaraan voorafgaande fase
    hebben wij echter “nee” verkocht, als die toestemming niet
    duidelijk was.
    De heer Koekkoek:
    Wilt u zeggen dat u in het verleden bij de Rijkspolitie, waar u
    ook chef was van een arrestatieteam, nooit inkijkoperaties hebt
    uitgevoerd zonder toestemming van de officier van justitie?
    De heer Broere:
    De enige manier die ik zou kunnen bedenken, is dat ik gelummeld
    ben.
    De heer Koekkoek:
    Gelummeld?
    De heer Broere:
    In de zin van: wij hebben toestemming, wij hebben overleg
    gehad; gaat uw gang.
    De voorzitter:
    Het ging vroeger toch veel informeler? Men vroeg toch gewoon:
    kunt u dit voor mij doen?
    De heer Broere:
    Het probleem werd uiteindelijk aan ons voorgelegd met de vraag:
    kunt u dit doen. Dan bekeken wij of wij daartoe inderdaad in staat
    waren met de mogelijkheden en middelen die ons ten dienste
    stonden.
    De voorzitter:
    Uit hetgeen wij nu weten, moet het een normale praktijk geweest
    zijn om het in zwaardere zaken zo te doen? Om bijstand aan
    arrestatieteams te vragen om dit soort operaties uit te
    voeren?
    De heer Broere:
    Maar niet in de collegiale sfeer in de zin van: dat regel ik
    wel even voor u! Dat is mij niet bekend.
    De heer Koekkoek:
    Maar bijvoorbeeld op verzoek van een tactisch team?
    De heer Broere:
    Dat gebeurde.
    De voorzitter:
    Opbellen was toch voldoende?
    De heer Broere:
    Het opbellen naar mij was voldoende. Ik stelde de
    controlevraag: weet de officier daarvan. Die vraag werd dan wel of
    niet bevestigend beantwoord. Ik toets niet – dat doe ik nu ook niet
    – het traject naar het OM. Daar ga ik van uit.
    De voorzitter:
    Bent u wel eens gelummeld?
    De heer Broere:
    Niet dat ik weet.
    De voorzitter:
    Hoeveel van die operaties heeft u uitgevoerd?
    De heer Broere:
    Gedurende de tijd dat wij daarbij betrokken waren, zijn het er
    ongeveer 50 geweest. Dat betreft een periode van 10, 11 jaar.
    De heer Rabbae:
    Er is mij iets niet duidelijk. Aan de ene kant zegt u, dat u nu
    met een formulier werkt waarop men “ja” of “nee” kan antwoorden. U
    wekt de indruk dat het niet gebeurt als het antwoord “nee” is. Aan
    de andere kant zegt u, dat u ervan uitgaat dan u het juiste
    antwoord krijgt, dat u niet het contact met het OM toetst. Het is
    de verantwoordelijkheid van de aanvrager om de zaak met het OM te
    regelen. De check op het formulier is dus eigenlijk overbodig?
    De heer Broere:
    Nee, niet overbodig. Het is echter wel een marginale toetsing.
    Wij willen voor onszelf administreren, hoeveel aanvragen er zijn
    gekomen en hoeveel er op jaarbasis gehonoreerd worden. Wij moeten
    die gegevens ook maandelijks aanleveren bij het OM.
    De heer Rabbae:
    Het is meer voor de statistiek?
    De heer Broere:
    Het is maar hoe u het benaderd. Ik gebruik het niet als
    toetsing of het overleg inderdaad heeft plaatsgevonden.
    De heer Koekkoek:
    U vraagt of er toestemming is. Kunt u zich herinneren of u dat
    altijd gevraagd hebt? Of is er een periode geweest waarin u het
    niet vroeg en waarin u in actie kwam op het enkele verzoek van een
    chef tactische recherche.
    De heer Broere:
    Ik ben begonnen als medewerker van het AT. Ik ben pas sinds zes
    jaar teamleider en nu ben ik chef van het AT Rotterdam-Rijnmond.
    Daarvoor ging ik niet over het toezeggen van assistentie, dat deden
    de toenmalige bazen.
    De heer Koekkoek:
    Als teamleider hebt u altijd gevraagd, of de officier het
    goedvindt.
    De heer Broere:
    Precies.
    De heer Koekkoek:
    Doet u ook andere zaken, bijvoorbeeld het plaatsen van
    peilzenders?
    De heer Broere:
    Niet vaak, in verhouding tot onze eigenlijke taakstelling
    gebeurt dat niet zo veel.
    De heer Koekkoek:
    Hoeveel keer per jaar?
    De heer Broere:
    Marginaal. Een twee keer per jaar met misschien een uitschieter
    in een bepaald jaar waarin het was meer gebeurd is.
    De heer Koekkoek:
    Het is nu stil aan het front.
    De voorzitter:
    Is dat omdat Driebergen het nu doet?
    De heer Broere:
    Het is mogelijk dat de verzoeken rechtstreeks naar Driebergen
    gaan.
    De voorzitter:
    Wanneer gebeurde het meer dan nu het geval is?
    De heer Broere:
    Ik dacht dat ik in het voorgesprek 1991, 1992 genoemd heb. Toen
    hebben wij het meer gedaan.
    De voorzitter:
    Hoe vaak heeft toen u peilbakens geplaatst en waar?
    De heer Broere:
    Acht tien keer, in het ressort en daarbuiten.
    De heer Koekkoek:
    Komt u op dit gebied wel eens in actie in het buitenland?
    De heer Broere:
    Als AT of op dit vakgebied?
    De heer Koekkoek:
    Op dit gebied. Wij spreken nu over de 10% van uw
    nevenwerkzaamheden.
    De heer Broere:
    Die 10% bestaan niet alleen uit inkijken en het plaatsen van
    bakens. Dat is misschien maar 0,1% van ons werk. Wij plaatsen
    inderdaad bakens in het buitenland.
    De heer Koekkoek:
    Moet u dan wel eens ver weg?
    De heer Broere:
    Wat is ver?
    De heer Koekkoek:
    Hoe ver bent u geweest?
    De heer Broere:
    Kreta bijvoorbeeld.
    De voorzitter:
    Wist de politie aldaar wat u deed? Dat heeft u gecheckt.
    De heer Broere:
    Daar kun je niet omheen. Je krijgt hier een verzoek om
    rechtshulp. Je gaat die kant op. Je moet je daar aanmelden; dat
    doen wij ook altijd.
    De voorzitter:
    U heeft nooit onaangemeld gewerkt in het buitenland?
    De heer Broere:
    Nee, absoluut niet.
    De voorzitter:
    Moest u naar Kreta omdat de apparatuur niet werkte?
    De heer Broere:
    Of de apparatuur niet werkte, weet ik niet. Er moest wel een
    batterij worden vervangen.
    De heer Koekkoek:
    Dat kan ik mij voorstellen. Werkt u met
    afluisterapparatuur?
    De heer Broere:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Bij welke gelegenheden?
    De heer Broere:
    Gijzelingen, ontvoeringen. Wij maken daarbij ook gebruik van
    camera’s om zicht te krijgen op wat zich binnen afspeelt.
    De heer Koekkoek:
    Maakt u buiten die noodsituaties ook wel gebruik van
    afluisterapparatuur?
    De heer Broere:
    Niet dat ik weet.
    De voorzitter:
    Dat heeft u nooit gedaan?
    De heer Broere:
    Nee.
    De voorzitter:
    Ook niet in uw team.
    De heer Broere:
    Niet dat ik weet.
    De voorzitter:
    Ook niet om meeluisterapparatuur te installeren?
    De heer Broere:
    Niet dat ik weet.
    De voorzitter:
    Daarnet zei u “nee” en nu zegt u “niet dat ik weet”. Daarin zit
    een klein verschil.
    De heer Broere:
    U vroeg eerst, of ik het zelf had gedaan. Het antwoord op die
    vraag is “nee”.
    De voorzitter:
    Anderen in uw team onder uw verantwoordelijkheid?
    De heer Broere:
    Nee, daarvan is mij niets bekend.
    De voorzitter:
    U bent nooit door de CID of door een tactisch team gevraagd om
    ergens een meeluistersituatie op te zetten?
    De heer Broere:
    Niet in die bewoordingen.
    De voorzitter:
    Heeft u dan wel eens meeluisterapparatuur laten plaatsen?
    De heer Broere:
    Ik laat niets plaatsen. Ik doe dat op verzoek.
    De voorzitter:
    Is het verzoek aan u gericht?
    De heer Broere:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Waarom doet een arrestatieteam deze dingen als inkijken,
    plaatsen van een peilzender, plaatsen van afluisterapparatuur en
    niet bijvoorbeeld een observatieteam of een dienst technische
    ondersteuning?
    De heer Broere:
    Een dienst technische ondersteuning doet het ook. In het geval
    van gijzelingen vragen ook wij om ondersteuning van DTOO. Dan wordt
    dat voor ons geregeld.
    De heer Koekkoek:
    Maar het daadwerkelijk plaatsen van apparatuur doet u dat of de
    DTOO?
    De heer Broere:
    Met name de laatste jaren gebeurt dat door de DTOO. Wij
    bepalen, waar wij gehoor en zicht willen hebben. De DTOO probeert
    dat te realiseren. Op uw vraag waarom het AT, ik denk dat dit te
    maken heeft met vaardigheden.
    De heer Koekkoek:
    Het observatieteam doet het niet?
    De heer Broere:
    Dat is mij niet bekend.
    De heer Koekkoek:
    U werkt dus voor deze bijzondere opdrachten nauw samen met de
    dienst technische ondersteuning?
    De heer Broere:
    Als dat noodzakelijk is. In Rotterdam-Rijnmond hebben wij zelf
    ook de beschikking over techniek. Als dat voldoende is, gebruiken
    wij dat.
    De heer Rouvoet:
    Als er samengewerkt moet worden, bent u er dan zelf graag bij,
    of laat u het dan aan de DTOO over?
    De heer Broere:
    Ik vraag mij af, of ik alles weet van DTOO. DTOO is mij geen
    verantwoording verschuldigd. Ik denk dat er soms helemaal niet
    samengewerkt kan worden omdat wij het niet weten.
    De heer Rouvoet:
    Als er echter wel samengewerkt wordt, zijn er dan acties
    waarbij u samen op pad gaat of treedt u terug en laat het DTOO
    helemaal alleen doen?
    De heer Broere:
    Dat laatste het liefst. Met name in gijzelingssituatie hebben
    wij immers een totaal andere verantwoordelijkheid. Dan zijn wij
    liever niet bezig met randvoorwaarden.
    De heer Koekkoek:
    Werkt u bij deze bijzondere opdrachten uitsluitend voor de
    criminele inlichtingendienst van Rotterdam-Rijnmond of werkt u voor
    het hele ressort?
    De heer Broere:
    Wij werken dan voor het hele ressort. Het verzoek kan in ieder
    geval van elke RCID in het ressort komen.
    De heer Koekkoek:
    Er zijn twee arrestatieteams in het ressort Den Haag. U werkt
    heel nauw met elkaar samen?
    De heer Broere:
    Dat is correct.
    De heer Koekkoek:
    In welke gevallen wordt er een peilzender geplaatst of vindt er
    een inkijkoperatie plaats? Zijn daarvoor bepaalde criteria?
    De heer Broere:
    Ik heb reeds eerder geschetst wie de afweging maakt. Hierbij
    geldt hetzelfde. Natuurlijk zijn er criteria voor de inzet van dit
    soort middelen. Ik kan hier geen juridische verhandeling geven over
    alle ins en outs van het wetboek. Ik heb gisteren echter begrepen
    dat ik dat onder mijn hoofdkussen moet hebben.
    De voorzitter:
    Nee hoor!
    De heer Broere:
    Die afweging geschiedt elders.
    De voorzitter:
    Heeft u ooit gehoord van de handleiding kijkoperaties?
    De heer Broere:
    Niet meer dan dat?
    De voorzitter:
    Is er ooit gezegd: dat ding is er nu, wij moeten er even naar
    kijken?
    De heer Broere:
    Binnen mijn team is dat niet het geval geweest.
    De voorzitter:
    In de richtlijn voor de procureurs-generaal staat bijvoorbeeld
    dat het moet gaan om een verdachte. Is dat u meegedeeld? Voordien
    was dat namelijk niet duidelijk in het beleid.
    De heer Broere:
    Ja, het moet gaan om een verdachte; het moet gaan om een
    verdenking waar mogelijk een verdachte aan vastzit. Over dergelijke
    zaken filosofeer je wel met elkaar. Nogmaals, die afweging ligt
    niet bij mij. Ik krijg concreet het probleem op mijn bordje. Er
    wordt gezegd: wij hebben besloten dat dit aan de orde is, kunt u
    dat voor ons uitvoeren?
    De heer Koekkoek:
    Verkoopt u wel eens “nee”?
    De heer Broere:
    In principe niet.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer wel?
    De heer Broere:
    Als er geen toestemming is of als er geen terugkoppeling heeft
    plaatsgevonden.
    De heer Koekkoek:
    Zegt u ook wel eens, dat u een bepaalde klus niet ziet
    zitten?
    De heer Broere:
    Als wij er al zicht op krijgen, moet je je wel afvragen of het
    middel opweegt tegen de veiligheid van je eigen mensen. Nogmaals,
    dan moet ik alle ins en outs van het traject kennen. Soms is dat
    niet het geval en wil ik dat ook niet weten. Er zijn zaken waarvan
    ik zeg, dat men het mij niet hoeft te vertellen.
    De heer Koekkoek:
    Maar u blijft verantwoordelijk voor de veiligheid van uw
    mensen. Ik kan mij voorstellen dat u zegt: leuk bedacht, maar niet
    uitvoerbaar.
    De heer Broere:
    Als het operationeel technisch niet uitvoerbaar is en wij
    moeten dus echt risico’s nemen, vindt er overleg plaats met de
    aanvrager.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u daarover wel eens een conflict gehad?
    De heer Broere:
    Bij sommige zaken hebben wij gezegd, dat zij op dat moment op
    die plaats niet uitvoerbaar waren. Toen hebben wij het ook niet
    gedaan.
    De heer Koekkoek:
    Beslist u daar uiteindelijk over?
    De heer Broere:
    Ik beslis over de risico’s van mijn mensen.
    De heer Koekkoek:
    Als u een inkijkoperatie hebt gedaan, hoe legt u die vast?
    De heer Broere:
    De informatie die wij vergaren, wordt teruggekoppeld naar de
    chef CID. Dat gebeurt mondeling en soms schriftelijk met een
    verslag van bevindingen.
    De heer Koekkoek:
    Gebeurt dat nog steeds zo?
    De heer Broere:
    Tot begin dit jaar gebeurde dat zo. Ik heb reeds gezegd dat de
    laatste inkijkoperatie in februari heeft plaatsgevonden. Ik weet
    dat de betrokken recherchechef daarvan proces-verbaal heeft
    opgemaakt. Die zaak loopt nog, daarom wil ik er nu niet verder op
    ingaan. Binnen het AT hebben wij nu intern de afspraak gemaakt dat
    wij van al dit soort zaken proces-verbaal opmaken.
    De heer Koekkoek:
    Maakt u dat proces-verbaal op?
    De heer Broere:
    Niet ikzelf, maar degene die de waarneming heeft gedaan maakt
    proces-verbaal op. Dat wordt ter beschikking gesteld van de chef
    RCID. Wat hij daarmee verder doet, is de verantwoordelijkheid van
    die chef RCID.
    De heer Koekkoek:
    U spreekt over “al dit soort zaken”. Wij hebben het gehad over
    kijkoperaties en het plaatsen van peilzenders. Zijn er nog andere
    zaken die u n in een proces-verbaal moet vastleggen doch dat
    vroeger niet gebeurde?
    De heer Broere:
    Het gaat met name om dit soort zaken. Een ander voorbeeld dat
    ik mij voor de geest kan halen, is het nemen van een monster in een
    milieuzaak.
    De voorzitter:
    Het nemen van een monster in een milieuzaak of in een
    drugszaak?
    De heer Broere:
    Ik sprak over een milieuzaak. Er ligt ergens een berg afval en
    men wil zekerheid over de samenstelling. Dan krijgt men dat.
    De heer Koekkoek:
    U gaat er dan met een schepje naar toe?
    De heer Broere:
    Met een schepje en een emmertje.
    De heer Koekkoek:
    U zei, dat vroeger mondeling aan de chef CID verteld werd, wat
    er gezien was. Staat u of een van uw medewerkers ingeschreven als
    informant bij de CID?
    De heer Broere:
    Nu niet meer.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer wel?
    De heer Broere:
    In een ressortelijke vergadering van chefs RCID – belegd op
    verzoek van de teamchefs AT Rotterdam en West 1 informant. In die
    tijd was dat de beste optie. – is deze problematiek aan de orde
    geweest. Toen was de optie aan de orde om ingeschreven te worden
    als
    De heer Koekkoek:
    Is het gebeurd in de praktijk.
    De heer Broere:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Komt het nu nog voor?
    De heer Broere:
    Nee, het komt nu niet meer voor.
    De voorzitter:
    Bent uzelf ingeschreven geweest als informant?
    De heer Broere:
    Ja, ik was toen zelf ook ingeschreven als informant.
    De voorzitter:
    Hoe lang heeft dat geduurd?
    De heer Broere:
    Slechts een heel korte periode. Het was aan de orde net voordat
    het AT van de gemeentepolitie en het AT West 1 samengingen. Beide
    chefs waren erbij betrokken. De huidige CID-officier en de huidige
    chef CID hebben beiden verklaard hieraan absoluut niet mee te
    willen werken. Dat is al twee jaar geleden. Ik heb dus ongeveer een
    jaar ingeschreven gestaan.
    De voorzitter:
    Vindt u het zelf wel een acceptabele werkwijze?
    De heer Broere:
    Op dat moment was dat voor ons acceptabel. Er is toen heel
    nadrukkelijk over de voors en tegens gesproken en het werd als
    zodanig geaccepteerd. Op grond van voortschrijdend inzicht – het is
    een wat afgezaagde kreet – hebben wij nu de conclusie getrokken dat
    wij van al onze bevindingen proces-verbaal opmaken.
    De voorzitter:
    Is het het voortschrijdend inzicht of is het de ophef die nu
    daarover gemaakt wordt?
    De heer Broere:
    De gedachten daarover vormden zich reeds eerder. Er is ook
    jurisprudentie. Uitspraken op dat gebied worden nauwlettend
    gevolgd. Uiteindelijk zijn wij tot de conclusie gekomen, het maar
    open te spelen.
    De voorzitter:
    Maar een politieambtenaar moet toch gewoon proces-verbaal
    maken? Die kun je toch niet afschermen door hem als informant weg
    te stoppen in een systeem?
    De heer Broere:
    Dat gebeurde toen wel; dat zijn de feiten
    De heer Vos:
    Kunt u uitleggen waarom dat daadwerkelijk gebeurde? Kunt u een
    casus beschrijven waarin u voorstelt dat er redenen zijn om het wel
    te doen?
    De heer Broere:
    Het voorstel komt niet van ons. De chef RCID moet met zijn
    informatie aan de gang. Die kiest voor een bepaalde opzet.
    Toentertijd was de optie aan de orde om als informant ingeschreven
    te zijn. Er zijn ook regio’s die dat nooit gedaan hebben. Die
    hebben die optie wel besproken, maar hebben daarvan geen gebruik
    gemaakt.
    De heer Vos:
    Uw mensen durven in beginsel toch wel als getuigen op te
    treden?
    De heer Broere:
    Ja.
    De heer Vos:
    Dus voor uw team was het in feite nooit nodig?
    De heer Broere:
    Het gaat om CID-informatie. Het gaat niet om de vraag, of wij
    al dan niet willen verschijnen. Het is de verantwoordelijkheid van
    de CID-chef en van de CID-officier, hoe met die CID-informatie moet
    worden omgegaan.
    De voorzitter:
    Als u nu weet dat in de handleiding kijkoperaties staat, dat
    het om verdachten moet gaan, zou u zich dan die vraag nog stellen?
    Of vindt u het niet uw pakkie aan om dat allemaal af te wegen?
    De heer Broere:
    Nogmaals ik ga ervan uit, dat dit in het vooroverleg aan de
    orde is, waarbij iedereen zich bewust is van de zwaarte van het
    middel. Het is mijn vaste overtuiging dat dit zo gebeurt.
    De heer Rouvoet:
    U zegt dat in de ressortelijke vergadering de voors en tegens
    zijn afgewogen. Waren er nog andere tegens dan het argument van de
    verbaalplicht?
    De heer Broere:
    Dat weet ik niet meer.
    De heer Koekkoek:
    Weet u, of het nu nog voorkomt dat een AT chef als informant
    ingeschreven staat?
    De heer Broere:
    Dat weet ik niet.
    De heer Koekkoek:
    Er is een landelijke contact AT. Daar ontmoet u elkaar. U
    spreekt ook over AT Nederland?
    De heer Broere:
    Ik houd ervan daarover te spreken.
    De heer Koekkoek:
    Dat geeft aan dat je elkaar kent. Je moet met elkaar
    samenwerken. Weet u uit dat verband of het nog gebeurt?
    De heer Broere:
    Nee.
    De voorzitter:
    Heeft u daarover nooit met elkaar gesproken?
    De heer Broere:
    Daarover wordt niet gesproken.
    De voorzitter:
    Dat kan ik mij niet voorstellen.
    De heer Broere:
    Soms is het professioneel om zaken niet te weten.
    De voorzitter:
    Dat is met het voortschrijdend inzicht ook niet veranderd?
    De heer Broere:
    Ik weet het niet.
    De voorzitter:
    U praat natuurlijk over veel dingen. U wilt toch niet zeggen
    dat hierover nooit gesproken wordt?
    De heer Broere:
    Ik begrijp dat het heel vreemd klinkt, maar er zijn zaken
    waarover niet wordt gepraat. Binnen ons team wordt niet over een
    embargozaak gepraat, terwijl de kaderleden wel weten wat er speelt.
    Er wordt ook niet naar gevraagd door de mensen. Het is absoluut
    niet interessant te weten, wat nu zo geheim is. Daarvoor is het
    geheim.
    De heer Koekkoek:
    Hoe legt u bij uw eigen team die bijzondere operaties
    vast?
    De heer Broere:
    Die worden op dit moment vastgelegd in een geautomatiseerd
    systeem, als een inzet van het AT.
    De heer Koekkoek:
    Als een CID-officier wil weten, of twee jaar geleden een
    bepaald object is betreden, kan hij dat bij u navragen?
    De heer Broere:
    Iets wat twee jaar geleden gebeurd is, niet. Het
    geautomatiseerde systeem werkt vanaf begin dit jaar. Daarvoor
    werden acties alleen verantwoord in het urenverantwoordingssysteem.
    Dat systeem bevat niet de zaken zelf en de inhoud daarvan, het
    meldt alleen het aantal uren AT-acties. Dat is een tekortkoming van
    dat systeem.
    De heer Koekkoek:
    Inkijkoperaties vinden niet iedere dag plaats zoals reeds is
    gebleken. Zijn er andere diensten binnen het ressort die zich
    daarmee bezig houden, die eventueel ook een inkijkoperatie
    uitvoeren?
    De heer Broere:
    Dat is mij niet bekend.
    De heer Koekkoek:
    Wat zou u ervan vinden als het zou gebeuren?
    De heer Broere:
    Het is wat hypothetisch. De chef RCID zal dus een ander moeten
    benaderen om dit te doen. Op dat moment is het de
    verantwoordelijkheid van degene die benaderd wordt om “ja” of “nee”
    te zeggen. Ik weet niet of dit voorgekomen is. Ik kan mij dat ook
    niet voorstellen.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u dat het arrestatieteam daarvoor het beste gequipeerd
    is?
    De heer Broere:
    Ik denk dat wij dit het meest veilig kunnen doen.
    De heer Koekkoek:
    Kijkt u wel eens in in woningen?
    De heer Broere:
    Alleen van buiten naar binnen door de ramen. Dat komt voor.
    Inkijken in de zin van betreden gebeurt niet bij woningen.
    De heer Koekkoek:
    Er zijn natuurlijk wel eens twijfelgevallen. Neem bijvoorbeeld
    een bedrijf waaraan de woning vastzit. Hebt u wel eens situaties
    meegemaakt, waarbij je minstens op de grens van een woning zit om
    een inkijk operatie uit te voeren?
    De heer Broere:
    Met dat grensgebied zijn wij heel voorzichtig. Bij ons is de
    kreet: bij twijfel niet inhalen. Waar het lokaal wettelijk gezien
    kan worden als woning, gebeurt het dus niet. Het kan bijvoorbeeld
    niet gebeuren in de hut van een schip. Dat wordt aangemerkt als
    woning, dus daar ben je niet welkom. Wij komen daar dan ook
    niet.
    De voorzitter:
    En een winkel?
    De heer Broere:
    Als die niet wordt aangemerkt als zijnde een woning, dan zou
    het kunnen.
    De voorzitter:
    Dat is toch ook wel gebeurd?
    De heer Broere:
    Van een winkel staat mij niets bij.
    De voorzitter:
    En een bakkerij?
    De heer Broere:
    Ja, maar dat is de lokaliteit waar gebakken wordt. Dat is niet
    de winkel. Het is de plaats waar de oven staat.
    De heer Koekkoek:
    Maar daar werden niet alleen zoete broodjes gebakken?
    De voorzitter:
    Wij mogen aannemen van niet, anders gaat u daar niet
    kijken.
    De heer Broere:
    Op dat moment werd er berhaupt niet gebakken.
    De heer Rabbae:
    Wanneer wordt een ruimte een priv-ruimte?
    De heer Broere:
    Als de juristen het erover eens zijn dat die ruimte als woning
    wordt aangemerkt. Dat is een vlak waarop ik mij absoluut niet kan
    begeven. Als de chef RCID en het OM het erover eens zijn dat de
    ruimte op geen enkele manier als woning kan worden aangemerkt, zijn
    wij ervoor in.
    De heer Rabbae:
    Is een ruimte waarin slechts een tafel en twee stoelen staan
    een priv-ruimte?
    De heer Broere:
    Ik kan daarop geen zinnig antwoord geven.
    De heer Rabbae:
    Als er een bed staat, is het dan nadrukkelijk een
    priv-ruimte?
    De heer Broere:
    Ik kan mij voorstellen dat een ruimte waarin geleefd wordt,
    waarin gegeten en geslapen wordt, wordt aangemerkt als woning.
    De voorzitter:
    U zegt, dat u er niet bent om dat soort onderscheid te
    maken.
    De heer Broere:
    Wij doen een soort vooronderzoek. Wij laten ons niet zo
    gemakkelijk sturen. Wij weten uiteindelijk waar wij terecht komen.
    Wij kunnen zelf heel goed inschatten, of wij een bepaalde grens
    overschrijden. Bij twijfel vindt er overleg plaats. Komen wij daar
    niet uit, dan doen wij het niet.
    De heer Rabbae:
    Is een cabine van een vrachtauto overdag een andere ruimte dan
    ‘s avonds wanneer het bed uitgetrokken wordt?
    De heer Broere:
    De volgende vraag is: de man leeft er de hele week en hij heeft
    een slaapruimte boven zijn cabine.
    De heer Rabbae:
    U weet het niet?
    De heer Broere:
    Nee, dat weet ik niet. Ik ben nog nooit in een cabine
    geweest.
    De voorzitter:
    In het vorige gesprek hebben wij gehoord dat vrachtauto’s
    blijkbaar geen woningen zijn.
    De heer Broere:
    Ik heb het vorige gesprek niet gehoord.
    De voorzitter:
    Toen heeft de heer Hellemons ons uitgelegd dat apparatuur ook
    aan vrachtauto’s etcetera bevestigd kan worden. Daaruit meende ik
    op te maken, dat men niet vindt dat een vrachtwagen een woning is.
    Dat lijkt mij logisch. Een vrachtwagen is immers niet direct een
    woning?
    De heer Koekkoek:
    Mijn volgende vraag gaat over de samenwerking tussen
    arrestatieteam en observatieteam. Hebt u veel met elkaar te
    maken?
    De heer Broere:
    Wij hebben regelmatig met elkaar te maken.
    De heer Koekkoek:
    In welke soort situaties?
    De heer Broere:
    In ieder geval als het facet vuurwapengevaarlijkheid aan de
    orde is. Ook bij technisch/tactisch moeilijke aanhoudingen; als wij
    niet weten waar wij uitkomen met bijvoorbeeld een partij verdovende
    middelen of als wij inschatten dat wij op dat moment geen tijd
    hebben om de plaatselijke politie in te seinen, voor te bereiden en
    een actie te laten uitvoeren. Bij dergelijke zaken moeten wij met
    elkaar kunnen praten, snel een plan kunnen trekken en bijvoorbeeld
    een partij verdovende middelen op tijd kunnen onderscheppen. Dan
    werken wij samen.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u meegemaakt dat u een partij moest doorlaten?
    De heer Broere:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u meegemaakt dat er daartoe een opdracht was van de
    officier van justitie of van een chef RCID?
    De heer Broere:
    Dan heeft het ook geen zin om het AT te laten meerijden. Dan is
    het optreden niet gewenst, dus zijn wij er niet bij.
    De heer Koekkoek:
    Ik kan mij voorstellen dat zich een situatie voordoet dat u er
    wl bij bent en dat op het laatste moment uw optreden wordt
    afgeblazen omdat blijkt dat collega’s van u zelf aan het vervoeren
    zijn. Hebt u dat wel eens meegemaakt?
    De heer Broere:
    Niet in de zin dat de partij in het milieu moest verdwijnen.
    Wij zijn als AT ter plaatse om de aanhouding te plegen. Ik kan mij
    voorstellen dat wij een half uurtje wachten omdat er bijvoorbeeld
    meer mensen verschijnen.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u te maken gehad met trajecten waar de politie een rol
    speelde in het afleveren van drugs en waar u geroepen was om op te
    treden, doch het op het laatste moment niet doorging omdat u dan
    eigen mensen had moeten pakken?
    De heer Broere:
    Nee dat heb ik niet meegemaakt.
    De heer Koekkoek:
    U hebt ook ervaring met politie-infiltratie. Was dat als
    begeleider? Hebt u niet zelf gewerkt als politie-infiltrant?
    De heer Broere:
    Nee, ik was duidelijk begeleider.
    De heer Koekkoek:
    Wat deed u als begeleider van politie-infiltratie?
    De heer Broere:
    Begeleiden in de meest ruime zin van het woord. Vooroverleg met
    het OM, plannen maken, randvoorwaarden invullen, daadwerkelijk
    begeleiden van de infiltrant als dat mogelijk was, opvang en nazorg
    als het achter de rug was, aanwezig zijn bij het opmaken van het
    proces-verbaal en ervoor zorgen dat de man in kwestie weer veilig
    thuiskomt.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u het een goed middel?
    De heer Broere:
    Ik vind het een goed middel.
    De heer Koekkoek:
    Wat vindt u van het gebruik maken van een burger als
    infiltrant?
    De heer Broere:
    Op het moment dat ik daarbij betrokken was, was dat absoluut
    niet aan de orde. Alleen opgeleide politiemensen mochten worden
    ingezet, in eerste instantie als pseudo-koper en later is dat
    politile infiltrant geworden.
    De heer Koekkoek:
    Dat ging verder dan pseudo-koop?
    De heer Broere:
    Het is een ander gebied. Met pseudo-koop probeert men gericht
    zicht te krijgen en te komen tot een koop. Op dat moment worden de
    mensen aangehouden en het aangebodene in beslag genomen.
    Infiltratie hoeft daar niet per se op gericht te zijn.
    De heer Koekkoek:
    Je moet dan binnen dringen in een organisatie. Is dat gelukt
    voor zover u daarmee te maken hebt gehad?
    De heer Broere:
    Ja, dat is wel gelukt.
    De heer Koekkoek:
    Heeft dat tot een strafzaak geleid?
    De heer Broere:
    Ja, dat heeft tot strafzaken geleid.
    De heer Koekkoek:
    In uw ervaring kan het een effectief middel zijn?
    De heer Broere:
    Het kan een heel effectief middel zijn.
    De voorzitter:
    Wat heeft tot strafzaken geleid: pseudo-koop of
    diepte-infiltratie?
    De heer Broere:
    Wij zijn gestart als pseudo-koopteam. Op een gegeven moment
    zijn wij gaan praten over politile infiltratie. Wij zijn overigens
    nooit verder gekomen dan kortstondige infiltratie.
    Lange-termijninfiltratie is nooit aan de orde geweest.
    De voorzitter:
    Wat was het langste traject?
    De heer Broere:
    In tijdsduur kan dat mr dan een jaar zijn, waarin je
    kortstondig de mensen ertussen schuift, contact laat maken en
    uiteindelijk altijd laat terugkeren f naar het team f naar het
    thuisfront.
    De heer Koekkoek:
    Is politile infiltratie beheersbaar?
    De heer Broere:
    Mijn ervaring is dat politile infiltratie heel goed beheersbaar
    is.
    De heer Koekkoek:
    Worden de mensen dan niet even slecht als het milieu waarin zij
    moeten verkeren?
    De heer Broere:
    Het was een van de taken van de begeleider om dat nu juist te
    voorkomen.
    De heer Koekkoek:
    Dat is u gelukt?
    De heer Broere:
    Ja, dat is gelukt.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u niet meegemaakt dat mensen de fout in gingen?
    De heer Broere:
    In het PIT West 1 heb ik niet meegemaakt dat mensen de fout in
    gingen.
    De heer Koekkoek:
    Ik heb voldoende gehoord, voorzitter.
    De heer Rouvoet:
    Mag ik nog een vraag stellen over infiltratie vanuit uw
    AT-ervaring? Weet je als AT altijd van te voren of er bij een groep
    die je moet aanhouden infiltranten of informanten tussen
    zitten?
    De heer Broere:
    Ik kan mij voorstellen dat wij dat niet weten.
    De heer Rouvoet:
    Wilt u het weten?
    De heer Broere:
    Ik wil het niet weten.
    De heer Rouvoet:
    U pakt gewoon iedereen even hard aan.
    De heer Broere:
    Als wij daarvan niet op de hoogte zijn, wordt iedereen op
    dezelfde manier geveegd.
    De heer Rouvoet:
    Maar soms wordt het u verteld?
    De heer Broere:
    Soms wordt het ons verteld.
    De heer Rouvoet:
    Waarom?
    De heer Broere:
    Ik praat nu over de tijd dat ik daarbij betrokken was. Zoals u
    weet, ben ik in 1992 gestopt.
    De voorzitter:
    U zit nu toch nog steeds in een AT?
    De heer Broere:
    Na 1992 heb ik nooit meer daarvan gehoord. Ook als wij het
    weten, wordt hij op dezelfde manier aangepakt.
    De heer Rouvoet:
    Het wordt u dus niet verteld om daarmee op de een of andere
    manier rekening te houden?
    De heer De Graaf:
    U heeft aan het begin van het verhoor gezegd, dat u niet met
    het wetboek onder uw hoofdkussen slaapt. Dat lijkt mij heel terecht
    want dat is ook niet erg prettig. Kent u wel de regeling waarin de
    taken van de AT’s verwoord staan?
    De heer Broere:
    Ja, in grote lijnen.
    De heer De Graaf:
    Die regeling valt onder het Besluit regionaal politiebeheer.
    Daarin staat het verrichten van planmatige aanhoudingen. Dat is
    hier uitvoerig uiteengezet. Verder staat er: het bewaken en
    beveiligen van politie-infiltranten; het assisteren bij het bewaken
    en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten en
    gedetineerden – dat zult u ook regelmatig doen – het assisteren bij
    het bewaken en beveiligen van objecten en andere werkzaamheden
    waarvoor toestemming is verkregen van onze ministers. Alle
    werkzaamheden waarover wij in dit verhoor hebben gesproken, vallen
    daar eigenlijk onder. Dat zijn die nevenwerkzaamheden.
    De heer Broere:
    Ik weet niet precies, hoe dat bedoeld is. Ik denk dat het een
    soort kapstok is.
    De heer De Graaf:
    Kent u als chef van het AT een besluit waarin staat, wat u
    allemaal aan nevenwerkzaamheden mag doen? In de regeling staat
    immers, dat u uitsluitend de volgende taken doet. Kent u zo’n
    besluit van de beide ministers waarin staat, wat het AT precies mag
    doen als nevenwerkzaamheden, bijvoorbeeld inkijken en
    dergelijke?
    De heer Broere:
    Nee, zo’n besluit ken ik niet.
    De heer De Graaf:
    U is in ieder geval nooit meegedeeld, dat er zo’n besluit
    is?
    De voorzitter:
    Is daarover wel eens landelijk gesproken?
    De heer Broere:
    Ja, er wordt landelijk over meer zaken gesproken die niet
    duidelijk zijn.
    De voorzitter:
    Laten wij die nog eens even op een rijtje zetten.
    De heer Broere:
    Wij leveren bijvoorbeeld personeel voor de BBE van de politie.
    Dat is een regeling die ons is opgelegd.
    De heer De Graaf:
    U laat personeel daaraan deelnemen. Het is dan echter niet het
    AT dat op dat moment optreedt. Het zijn mensen uit uw AT. De
    nevenwerkzaamheden waarover wij met u hebben gesproken, staan in uw
    regio nergens op papier? Er is geen lijstje vastgesteld door de
    korpsleiding waarop staat: dat mag je doen en de rest niet?
    De heer Broere:
    Er is een convenant ressortelijke AT-zorg. Er is een afspraak
    tussen de vijf regio’s die de beide AT’s in stand houden en
    onderhouden. Daarin zijn heel concreet hoofdtaken, neventaken en
    ondersteunende taken genoemd. Die zijn limitatief opgesomd. Daarin
    staat echter niet het BBE verhaal.
    De heer De Graaf:
    Maar hetgeen de wet eist, namelijk dat er een besluit is
    waaruit de toestemming van beide ministers blijkt, daarvan weet u
    niets?
    De heer Broere:
    Ik ken dat besluit niet.
    De voorzitter:
    Zou u het lijstje willen afmaken van wat er niet geregeld
    is?
    De heer Broere:
    De ministers schrijven voor het AT een bepaalde sterkte voor.
    Het AT is niet overal ingericht, zoals dat is voorgeschreven. De
    regeling organisatie ondersteunings- en aanhoudingseenheden kent
    maar drie soorten medewerkers: een medewerker, een operationele
    baas en een chef. In de praktijk zijn er wel een stuk of zes
    benamingen en salarisklassen. Er is een regeling dat de medewerkers
    van het AT moeten beschikken over een kogelvrije helm. Niemand
    heeft erover nagedacht dat zo’n helm minstens vijf kilo weegt en
    dat wij na drie maanden structureel bij de manuele therapeut lopen.
    Dat soort voorschriften staan allemaal op papier. Niemand vraagt
    zich echter af, hoe wij eraan komen.
    De voorzitter:
    Zijn die helmen er?
    De heer Broere:
    Ja, die zijn er wel maar wij kunnen die niet betalen. Dan houdt
    het snel op. Wij gaan echter wel 300 keer per jaar de confrontatie
    aan met criminelen die vuurwapengevaarlijk zijn. Het zij zo.
    De voorzitter:
    Wat zit u nu precies dwars?
    De heer Broere:
    Dat bepaalde verantwoordelijkheden niet worden opgepakt. Zij
    worden wel aan het papier toevertrouwd maar vervolgens wordt er
    niets mee gedaan.
    De voorzitter:
    Wij hebben u enigszins doorgezaagd over die inkijkoperaties. Nu
    hebben wij in de krant kunnen lezen dat gepensioneerde
    politiemensen zeggen, dat zij dat reeds deden in 1920; dat het echt
    helemaal niets bijzonders is.
    De heer Broere:
    Inkijkoperaties?
    De voorzitter:
    Ja, dat noemen wij nu zo. Net zo goed als wij tegenwoordig
    praten over gecontroleerde doorlevering. Dat deden wij een jaar
    geleden ook nog niet. Je geeft het een naam. Maar het heimelijk
    naar binnen gaan om te kijken hoe de zaken ervoor staan, heeft de
    Nederlandse politie dat altijd al gedaan?
    De heer Broere:
    Het lijkt mij verschrikkelijk interessant voor degene die dat
    vertelt.
    De voorzitter:
    Een ex-politieman van 72 jaar zegt: waar maken zij zich toch
    druk over, wij deden dit al jaren lang.
    De heer Broere:
    Dan was die politieman op dat moment niet goed met zijn vak
    bezig.
    De voorzitter:
    Toen dit 10 jaar geleden als het ware begon, hoorde het er toen
    normaal bij?
    De heer Broere:
    Het hoort niet tot ons normale standaardtakenpakket.
    De voorzitter:
    Dat bedoel ik niet. Zag u het als normaal werk? Wij proberen
    even na te gaan, hoe zich dit heeft ontwikkeld.
    De heer Broere:
    Tien, elf jaar geleden zijn wij begonnen te filosoferen over de
    mogelijkheden. Ik heb toen niet de indruk gekregen dat het al heel
    lang aan de orde was. Naar mijn mening is het op dat moment pas
    begonnen.
    De voorzitter:
    Hoe effectief is het geweest?
    De heer Broere:
    Ik weet niet wat er uiteindelijk is gedaan met de informatie
    die wij hebben verzameld.
    De voorzitter:
    Maar dat vraag je toch wel? Je wilt toch weten, of je werk
    effect heeft? Dat is toch logisch!
    De heer Broere:
    Ik weet dat het vreemd klinkt, maar bepaalde zaken willen wij
    niet weten. Daar vraag je dan ook niet naar.
    De voorzitter:
    Denkt u dat het succesvol was om de zaken op te lossen?
    De heer Broere:
    Ja, mijn indruk is dat het een positieve bijdrage kan leveren
    aan het opsporingstraject.
    De voorzitter:
    Als u nu terugkijkt op die 50 keer, hoeveel keer was het dan
    raak?
    De heer Broere:
    Nu moet ik echt gissen. Een paar keer is het gebleven bij een
    poging. Dan lukte het gewoon niet. In de meeste gevallen kwamen wij
    wel binnen. Bij die gevallen was het een beetje fifty-fifty, f wij
    troffen relevante zaken aan f wij troffen niets aan.
    De voorzitter:
    Dan ging het altijd om verdovende middelen?
    De heer Broere:
    Nee, soms gaat het bijvoorbeeld om vuurwapens of om een
    gestolen auto die door de organisatie gebruikt wordt bij het
    transport van verdovende middelen. Het kunnen verschillende dingen
    zijn.
    De voorzitter:
    Gestolen schilderijen?
    De heer Broere:
    Dat zou kunnen, maar ik heb die nooit gezien.
    De voorzitter:
    Heeft u buiten gestolen auto’s, verdovende middelen en
    vuurwapens nog meer relevante voorwerpen voor het onderzoek
    aangetroffen?
    De heer Broere:
    Een laboratorium om verdovende middelen te fabriceren. Dat
    schaar ik echter ook onder verdovende middelen.
    De voorzitter:
    Meer relevante voorwerpen voor het opsporen van strafbare
    feiten heeft u niet aangetroffen? De grote meerderheid is dus
    verdovende middelen?
    De heer Broere:
    Ja, de grote meerderheid betreft verdovende middelen.
    De voorzitter:
    Mijnheer Broere, dank u wel! Sluiting 12.45 uur


    Inhoudsopgave en zoeken