• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – de heer A. Kloosterman

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 16

    13 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 13 september 1995
    in de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    de heer A. Kloosterman
    Aanvang 17.00 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos, alsmede mevrouw Coenen,
    griffier
    De voorzitter:
    Mijnheer Kloosterman, wilt u de volgende belofte afleggen? De
    door u af te leggen belofte luidt: Ik beloof dat ik de gehele
    waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
    De heer Kloosterman:
    Dat beloof ik.
    De voorzitter:
    Mijnheer Kloosterman, u bent ploegchef van het observatieteam
    Hollands Midden. Wij zijn bijzonder blij dat u ook vanmiddag naar
    Den Haag heeft willen komen om ons vooral de praktijk van het
    observatiewerk uit te leggen. Het is voor ons namelijk van belang
    om daar ook kennis van te nemen. Dit komt naast de verhoren die wij
    hebben met allerlei hoger geplaatsten in het systeem. Wij willen in
    feite met u doornemen de wijze waarop u werkt als observatieteam en
    de wijze waarop u daarin als ploegchef werkt. Wij willen dat ook zo
    goed mogelijk van u vernemen, alsook wat u meemaakt in uw, zeg
    maar, dagelijks leven, wat misschien nog wel eens ver van de
    wetboeken af staat. Heeft u het wetboek altijd in de zak?
    De heer Kloosterman:
    Eh nee, helemaal niet, eigenlijk.
    De voorzitter:
    Helemaal niet.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    En de vraag “wat doe je wel, wat doe je niet?” is te
    beantwoorden met: dat leer je als het ware in de praktijk?
    De heer Kloosterman:
    Ik heb al heel lang bij een observatieteam gezeten. En pas
    enkele jaren ben ik daar werkzaam als ploegchef. Ik geef leiding
    aan dat team, maar in principe, als ik een probleem heb dat met een
    wetboek te maken zou hebben, is daar een telefoon voor. Ik heb dan
    weer een baas die mij daarin steunt. Op die manier weten ze het ook
    op straat, als tenminste uw vraag hierop sloeg.
    De voorzitter:
    Nou ja, omdat, toen wij er even over spraken, het idee bij al
    die gesprekken was dat iedereen van de politie het wetboek onder
    zijn kussen had liggen.
    De heer Kloosterman:
    Ik heb hier vrij formeel dingen gehoord, ja.
    De voorzitter:
    Hoe bedoelt u?
    De heer Kloosterman:
    Ja, iedereen heeft ontzettend veel verstand van alle artikelen.
    Daar wordt veel mee gegooid, maar, ja. Ik heb wel even zitten
    studeren om hier te komen; want ik was er ook bang voor. Dus ik heb
    ook een beetje mijn bevoegdheden zitten te bekijken en alles,
    maar… Ja.
    De voorzitter:
    Tja. Maar voordien was het niet zo dat u elke ochtend uw
    bevoegdheden bekeek.
    De heer Kloosterman:
    Ja, nee. Voor mij is het nooit zo geweest. Het is iets, ja,
    mijn werk doe je op gevoel. En op het moment dat er situaties
    ontstaan dat ik moet denken aan een wettelijke regeling, is dat
    voor mij eenvoudig te controleren; dan vraag ik dat na. Maar ik
    loop niet paraat met een heel wetboek in mijn binnenzak. Maar dat
    is voor mijn werk eigenlijk ook niet nodig.
    De voorzitter:
    De heer Koekkoek heeft ook in het voorgesprek met u gesproken.
    Hij gaat nu verder.
    De heer Koekkoek:
    Hoewel het mijn vak is, mijnheer Kloosterman, zeg ik dat dit
    geen examen is.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Hoe lang doet u dit werk al?
    De heer Kloosterman:
    Ongeveer twaalf jaar; elf, twaalf jaar.
    De heer Koekkoek:
    Ja. Wat vindt u nu het leuke aan het vak, het observeren?
    De heer Kloosterman:
    Eh, ja, het leuke is dat je veel dingen op heterdaad ziet
    gebeuren. Dus wat een ander meestal achteraf hoort, zien wij
    gebeuren. En dat is eigenlijk het meest leuke.
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Kloosterman:
    Dat is heterdaad constateren van bepaalde dingen, waardoor je
    een zaak kunt oplossen…
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja.
    De heer Kloosterman:
    …en de ontbrekende schakel bent in het hele onderzoek.
    De heer Koekkoek:
    Ja. U ziet het gebeuren, maar u moet ervoor zorgen dat u niet
    gezien wordt.
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat is het grootste probleem.
    De heer Koekkoek:
    Dat is eigenlijk het vak.
    De heer Kloosterman:
    Ja, daar draait het om.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja. Hebt u nou het gevoel dat het eigenlijk een voortdurend
    kat-en-muis-spelletje is?
    De heer Kloosterman:
    Ja, zo is de praktijk wel. Het is een spel dat je aan het
    spelen bent. En de ene keer is de tegenpartij slimmer dan wij en de
    andere keer zijn wij slimmer.
    De heer Koekkoek:
    Eh, bent u de kat of de muis?
    De heer Kloosterman:
    Ik ben in de meeste gevallen de kat, ja.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja. Wanneer hebt u het gevoel dat u de muis bent?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ik heb het nog nooit gehad dat ik de muis was, maar…
    De heer Koekkoek:
    Nou, dat u achtervolgd wordt bijvoorbeeld.
    De heer Kloosterman:
    Ja, er zijn wel eens situaties dat zij achter ons aan zitten in
    plaats van wij achter hen aan, ja.
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Kloosterman:
    Maar dan is je eigen afscherming op dat moment nog even het
    belangrijkste. Anders is het dus met je baan afgelopen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, en wat doet u dan, dus als u merkt dat u gevolgd
    wordt?
    De heer Kloosterman:
    Eh, stoppen met de actie. Tenminste die persoon wordt er dan
    uitgehaald, als er n persoon is. En mochten wij allemaal ontdekt
    zijn of als, eh – hoe moet ik het zeggen – de mensen op wie je aan
    het werk bent zodanig gaan reageren dat zij echt laten merken dat
    zij het door hebben dat de politie hen op de hielen zit, ja, dan
    wordt de hele zaak afgeblazen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja.
    De heer Kloosterman:
    Het staat altijd voorop dat het OT niet kenbaar wordt.
    De heer Koekkoek:
    U bent ploegchef. Wat houdt die functie in?
    De heer Kloosterman:
    Eh, eigenlijk is het een stuk verantwoordelijkheid dragen voor
    het observatiewerk op straat. Maar er is niet heel veel verschil
    tussen een observant en een observatieploegchef. Alleen geef ik
    leiding aan de observatiemedewerkers. Ik bundel eigenlijk een
    beetje het beleid van bovenaf naar iedereen op straat.
    De heer Koekkoek:
    Ja, dus u hebt te maken met de werkvoorbereiding?
    De heer Kloosterman:
    Ja, wij doen dat op een soort van roulatiebasis. Er zijn vier
    ploegchefs in Hollands Midden. En om de zoveel tijd speelt een van
    ons als werkvoorbereider.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja. Maar betekent dit dat u als ploegchef niet thuis, op
    het bureau blijft zitten? U gaat mee en doet volop mee?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja, ja. Wij zijn echt meewerkend voorman, zoals dat in het
    boek staat.
    De heer Koekkoek:
    Meewerkend voorman.
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja, ja. Eh, hoe zit het nu met uw organisatie? U maakt deel
    uit van de CID in Midden-Holland?
    De heer Kloosterman:
    Hollands Midden, ja.
    De heer Koekkoek:
    Hollands Midden, dank u.
    De heer Kloosterman:
    Dat nemen ze u kwalijk, hoor.
    De heer Koekkoek:
    U mag mij gerust verbeteren.
    De heer Kloosterman:
    In Hollands Midden is het zo geregeld: je hebt de
    korpsrecherche, daarbinnen zit de CID-afdeling en onder de CID is
    de observatie geplaatst, samen met een gedeelte inwinning en
    verwerking. Dat zijn dus de afdelingen.
    De heer Koekkoek:
    Wat is nu de verhouding tussen die afdelingen? Wat doet
    inwinning en verwerking? Wat hebt u aan die afdeling?
    De heer Kloosterman:
    Eh, de afdeling inwinning – het woord zegt het al – wint
    informatie in. Daar moet u de informantenrunners onder hangen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, precies.
    De heer Kloosterman:
    Die halen overal hun informatie vandaan. De afdeling verwerking
    spreekt ook voor zich: daar zit een stuk analyse onder de
    informatie. Daar hebben ze apart het OT aan gehangen. Maar dat is
    eigenlijk ook alleen maar informatie-inwinning en het aanbieden van
    alles.
    De heer Koekkoek:
    Ja. Eh, werkt u nu het meest voor uw eigen dienst, voor de
    Criminele-inlichtingendienst?
    De heer Kloosterman:
    In principe werken wij eigenlijk voor de CID, maar de zaken
    waar wij echt op draaien, zijn…
    De heer Koekkoek:
    Dat bedoel ik.
    De heer Kloosterman:
    …voornamelijk tactisch.
    De heer Koekkoek:
    Kunt u ongeveer aangeven hoe de verhouding op dit moment ligt,
    wat u doet voor de tactische recherche en wat voor het echte
    inlichtingenwerk?
    De heer Kloosterman:
    Ja, het is heel moeilijk aan te geven, maar ik denk, eh… ik
    heb er zelf niets over gelezen. Zo eerlijk moet ik zijn. Ik kan
    niet exact zeggen dat het zoveel procent is. Maar ik schat 80%
    tactisch en 20% CID-matig.
    De heer Koekkoek:
    Ja, weet u, als u observeert, als u volgt, of u dat doet voor
    de tactische recherche of voor de CID?
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat weet ik.
    De heer Koekkoek:
    Oh, dat weet u. Ik wil vervolgens met u kijken wie nu bepaalt
    welke zaken u doet. Want de observatiecapaciteit is beperkt. U zit
    met vier teams.
    De heer Kloosterman:
    Twee secties. Ik moet u weer corrigeren, maar wij hebben twee
    secties.
    De heer Koekkoek:
    Twee secties, van hoeveel mensen?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben 20, 25 man, ongeveer.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja. Maar u hebt vier ploegchefs. Daarom dacht ik…
    De heer Kloosterman:
    Vier ploegchefs; in elke sectie zitten twee ploegchefs. Er is
    er altijd wel een vrij of…
    De heer Koekkoek:
    Ja, want eigenlijk wat u doet, is een continubedrijf.
    De heer Kloosterman:
    Wij proberen dat te doen, maar het lukt natuurlijk niet
    altijd.
    De heer Koekkoek:
    Nee, nee. Wie bepaalt nu welke zaken u moet doen, waar u
    naartoe moet?
    De heer Kloosterman:
    Eh, in eerste instantie heb ik natuurlijk boven mij het hoofd
    van het OT zitten. En die heeft een overleg met het hoofd CID. Echt
    de zaken waarop beslist gaat worden waarop gewerkt moet worden, dat
    wordt door het hoofd CID gedaan in samenwerking met hoofden van
    andere diensten, de tactische…
    De heer Koekkoek:
    Ja. Hebt u daar nu zelf invloed op?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Helemaal niet?
    De heer Kloosterman:
    Nee, het enige waar wij invloed op hebben, is dat wij kunnen
    zeggen dat van een bepaald onderzoek waar wij al observaties in
    verricht hebben, het waarschijnlijk niet zinvol is om daar nog meer
    observatie op te gaan plegen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, ja. Dus indirect hebt u wel invloed op die manier?
    De heer Kloosterman:
    Indirect wel, maar als het echt om beleid gaat, dan niet.
    De voorzitter:
    Wanneer heeft observatie zin? Wat moet je er eigenlijk uit
    halen? Mensen die elkaar ontmoeten? Pakjes die worden overgegeven?
    Wat moet je zien?
    De heer Kloosterman:
    Ja, er moet toch een redelijk succes uit te halen zijn door de
    observatie.
    De voorzitter:
    Zou u kunnen beschrijven hoe dat in de praktijk in zijn werk
    gaat?
    De heer Kloosterman:
    Een observatie-actie op zich?
    De voorzitter:
    Ja.
    De heer Kloosterman:
    Eh, wij krijgen een soort van opdracht mee waarin gevraagd
    wordt of wij een bepaalde handeling kunnen vastleggen, dat kunnen
    zien, een overdracht van het maakt niet uit wat, verdovende
    middelen, gestolen televisies en noem maar op. Daarvoor gaan wij de
    straat op. En dat proberen wij vast te leggen. En daar kan een
    tactisch team mee werken.
    De voorzitter:
    Maar hoe lang? Het gaat meestal toch op een paar mensen of op
    een auto of op een huis?
    De heer Kloosterman:
    Ja, je hebt onderzoeken waar wij vrij lang op zullen werken en
    je hebt onderzoeken die eenmalig zijn. Eh, maar in feite wordt dat
    allemaal beslist door het hoofd CID. Dat is mijn pakkie-an
    eigenlijk niet zo. Ik doe eigenlijk wat mij opgedragen wordt.
    De voorzitter:
    Maar als u het al een paar weken doet en het schiet absoluut
    niet op?
    De heer Kloosterman:
    Dat meld ik mijn baas weer en die probeert het weer zodanig om
    te zetten dat wij op een andere zaak gaan die meer succes zal
    hebben.
    De voorzitter:
    En wanneer schiet het helemaal niet op?
    De heer Kloosterman:
    Als ik een paar weken naar dezelfde deur sta te kijken en er
    komt niemand naar buiten, dan denk ik niet dat het zin heeft.
    De heer Koekkoek:
    Wat is de langste observatie die u ooit heeft gedaan op
    dezelfde zaak?
    De heer Kloosterman:
    Enkele jaren.
    De heer Koekkoek:
    En dat betekende dat u steeds maar weer…
    De heer Kloosterman:
    U moet het niet zo zien dat wij ‘s ochtends vroeg opstaan en
    dan direct op die zaak gaan en dat wij dat twee jaar lang
    doen.
    De heer Koekkoek:
    Ik bedoel dat u er regelmatig mee bezig bent.
    De heer Kloosterman:
    Enkele malen in de week wordt er gekeken wat hij doet. Meestal
    loopt daarnaast het traject van een tactische recherche die ons de
    informatie geeft dat de betrokkene dan en dan een ontmoeting heeft
    met die en die. Je kunt dan kijken of hij er inderdaad naar toe
    gaat en wie het andere contact is.
    De heer Koekkoek:
    Wat voor soort zaken doet u meestal? Is het meestal verdovende
    middelen?
    De heer Kloosterman:
    Ja, bijna alles is verdovende middelen. Dat zit eigenlijk
    overal in verweven maar het varieert ontzettend.
    De heer Koekkoek:
    Vertelt u eens.
    De heer Kloosterman:
    Welke criminaliteit er in Nederland is, moet u beter weten dan
    ik.
    De heer Koekkoek:
    U ziet het.
    De heer Kloosterman:
    Het varieert van overvallers tot geweldplegers tot
    schennisplegers. Alles wat een behoorlijke aantasting is in
    Hollands Midden wordt aangepakt.
    De heer Koekkoek:
    U komt alles tegen?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    U ziet het en wij lezen en praten erover.
    De heer Kloosterman:
    Ja. Daar was ik in het begin heel erg trots op.
    De heer Koekkoek:
    Waarop?
    De heer Kloosterman:
    Dat ik alles zag wat in de kranten stond.
    De heer Koekkoek:
    Is dat wat afgenomen? Went het?
    De heer Kloosterman:
    Het went en het wordt steeds minder. (de verdachte zegt
    “minder” maar de heer Koekkoek verstaat “meer”)
    De heer Koekkoek:
    Hoe bedoelt u: steeds meer?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben steeds meer moeite om de zaken waar te nemen omdat
    het middel observatie voor die tijd redelijk goed afgeschermd is
    geweest. De laatste jaren hebben ze het aan de andere kant ook
    uitgevonden en het wordt steeds meer in de publiciteit
    gebracht.
    De heer Koekkoek:
    En u hebt te maken met contra-observatie?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ook.
    De heer Koekkoek:
    Doet u ook milieucriminaliteit? Volgt u daar wel eens wat?
    De heer Kloosterman:
    Wij zijn ingezet voor een milieuzaak. Ik weet toevallig van een
    zaak, maar wij worden eerlijk gezegd niet zo vaak ingezet.
    De heer Koekkoek:
    Hoe liep dat? Als er een pakje wordt overhandigd, dan kun je
    dat vaststellen maar als je achter een vrachtauto rijdt, wat kun je
    dan vaststellen?
    De heer Kloosterman:
    Er worden bewegingen vastgesteld van vrachtwagens en als een
    vrachtwagen een besloten terrein op rijdt waar een groot hek omheen
    zit, dan houdt het voor ons op. Er is nagenoeg geen zicht op te
    krijgen wat er met de inhoud van de vrachtwagen gebeurt: of het
    daar gelost wordt… Je weet niet meer waar het blijft. Ik kan wel
    een voorbeeld geven. Je hebt een vrachtwagen van een bepaald
    bedrijf waarvan het duidelijk is dat er verontreinigde grond is
    opgeslagen. Ze willen dan weten waar het bedrijf die grond laat.
    Dan worden wij ingezet om die vrachtwagen te volgen. Maar die
    vrachtwagen rijdt niet in een keer rechtstreeks naar de plek waar
    gestort zal worden, want die heeft een aantal stops onderweg. Dan
    rijdt die vrachtwagen een terrein op en dan houdt het voor ons op
    en daarna komt hij er weer af en gaat hij naar het volgende. Het is
    voor ons niet te doen om vast te stellen waar iets overgeladen
    wordt of waar iets verdwijnt.
    De voorzitter:
    Gaat u wel eens de auto uit en het terrein op om te kijken wat
    er gebeurt?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben het, voor zover ik weet, in dit geval niet
    gedaan.
    De voorzitter:
    Zou je het kunnen doen?
    De heer Kloosterman:
    Kunnen wel, maar mogen is een tweede. In eerste instantie
    zullen we wel proberen om als verdwaalde toeristen even het landje
    op te lopen om te kijken wat er is. Maar op het moment waarop je
    weggestuurd wordt, is het gauw weg wezen.
    De voorzitter:
    Maar je komt, bij wijze van spreken, wel je auto uit.
    De heer Kloosterman:
    Ja. Ik zit niet 100% van mijn tijd in de auto.
    De voorzitter:
    Maar wel 80%?
    De heer Kloosterman:
    Wel heel veel ja.
    De voorzitter:
    En dat gaat ongeveer met vijf, zes auto’s?
    De heer Kloosterman:
    Dat ligt aan de zaak. Maar over het algemeen…
    De voorzitter:
    Die er omheen cirkelen?
    De heer Kloosterman:
    Ik heb er een beetje moeite mee om tactieken weer te
    geven.
    De voorzitter:
    Maar daar komt het op neer?
    De heer Kloosterman:
    Ja, daar komt het op neer.
    De voorzitter:
    Die contra-observanten weten immers beter dan wij hoe het
    werkt? Daar hoeft dit niet geheim voor te blijven.
    De heer Kloosterman:
    Nee, daar heeft u gelijk in.
    De heer Koekkoek:
    In zo’n milieuzaak kunt u het traject vastleggen met de
    tussenstations, maar eigenlijk zou u met een schopje een monster
    moeten kunnen nemen van wat er wordt achtergelaten. Maar dat is een
    beetje moeilijk.
    De heer Kloosterman:
    Dat is heel moeilijk.
    De heer Koekkoek:
    Dat doet u dus niet.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Weet u, als u met een bepaalde zaak bezig bent, of de officier
    van justitie het goed vindt, of gaat u daar zonder meer van
    uit?
    De heer Kloosterman:
    Ik weet wel dat hij het goed vindt, omdat het overleg dat wij
    hebben zeer open is. Wij zijn altijd genteresseerd in de
    afscherming van alles. Ik pas er natuurlijk voor op om dingen te
    gaan doen waar geen goedkeuring voor is. Alleen het feit dat mijn
    baas zegt dat het goed is, veroorzaakt meteen weer de vraag: we
    willen toch wel wat meer weten. We zullen in de meeste gevallen
    weten of er een officier in gekend is.
    De heer Koekkoek:
    Hoe was dat vroeger? Toen reed u ook voor het inlichtingenwerk.
    Wist u toen of een officier van justitie er van af wist? Sinds
    wanneer is dat ter sprake gekomen?
    De heer Kloosterman:
    Eigenlijk toen ik ploegchef werd. Voor die tijd was ik gewoon
    observant en toen dacht ik daar niet over na.
    De heer Koekkoek:
    Betekent dat, dat je vroeger eigenlijk betrekkelijk vrij was of
    zei uw ploegchef toch: ho, wacht eens even?
    De heer Kloosterman:
    Natuurlijk, ik had wel een ploegchef die ons in bedwang hield.
    Dat is eigenlijk een verkeerd woord. Hij hield de controle erop.
    Maar vroeger waren wij meer afgesloten van het hele
    politiegebeuren. Ik was eigenlijk nog nooit op een bureau
    geweest.
    De voorzitter:
    Vroeger kwam u nooit op een bureau?
    De heer Kloosterman:
    Nee, wij hadden een afgeschermde locatie waar wij alleen
    kwamen. Alleen de bazen kwamen op bureaus maar wij niet. Wij waren
    eigenlijk heel vreemd van het politiewerk op zich.
    De voorzitter:
    Als u nu die ontwikkeling eens overziet, wist u vroeger dan
    waarvoor u een bepaalde klus deed of niet?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    Er is altijd bij gezegd dat het voor die en die zaak was? Hoe
    specifiek was het doel dan gedefinieerd en is dat nu beter
    opgeschreven of gevraagd?
    De heer Kloosterman:
    Nee, in dat opzicht is er niets veranderd. Ik praat alleen voor
    mijzelf…
    De voorzitter:
    Dat doet iedereen.
    De heer Kloosterman:
    Er zijn een heleboel observatieteams in Nederland en ze zullen
    niet allemaal op dezelfde manier werken, denk ik. Ik weet het niet
    maar ik schat het zo in. Maar ons is altijd veel informatie
    verstrekt. Wij wisten altijd het doel waar het om ging. Er werd
    niet alleen een klein dingetje verteld: ga naar die deur kijken en
    verder niets. Nee, wij wisten waarom wij naar die deur moesten
    kijken; wij wisten wat de bedoeling ervan was.
    De heer Koekkoek:
    Maakt het nu voor u verschil of u voor de tactische recherche
    werkt of voor het inlichtingenwerk, het CID-werk?
    De heer Kloosterman:
    Voor het observatiewerk maakt dat niets uit.
    De heer Koekkoek:
    En voor de verslaglegging?
    De heer Kloosterman:
    Zoals wij dat doen, maakt het ook niets uit. Wij registreren
    alles wat wij doen en wat wij waarnemen. Alles wordt vastgelegd,
    eigenlijk per minuut. Als wij niets doen dan schrijven wij
    natuurlijk niets op maar alle belanghebbende zaken die spelen,
    worden opgeschreven en met name genoemd.
    De heer Koekkoek:
    Doet u dat op een blocnote, bij wijze van spreken?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Wie werkt dat uit? Doet iedere observant dat zelf of doet de
    ploegchef dat?
    De heer Kloosterman:
    Nee. Weer een voorbeeld naar de praktijk. Wij draaien een klus
    en er is er een in de ploeg die alles bijhoudt. Inderdaad wordt
    alles op een kladblok opgeschreven.
    De heer Koekkoek:
    Dus u heeft een soort secretaris?
    De heer Kloosterman:
    Nee, dat doet iedere keer weer iemand anders. Het minst leuke
    van het observatiewerk is namelijk het rapport bijhouden.
    De voorzitter:
    Het minst leuke?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Wij wisselen dat in eerlijkheid af. Na afloop van de klus
    komen wij weer op kantoor en dan wordt het uitgewerkt. Zijn er
    zaken die heel erg belangrijk zijn, dan wordt er in elk geval weer
    gekeken wie daadwerkelijk wat gezien heeft. Dat wordt in die
    verslaglegging verwerkt.
    De voorzitter:
    Worden de observanten dan bij nummer genoemd?
    De heer Kloosterman:
    Wij noemen alleen onze naam. Maar het rapport blijft in
    principe alleen bij de CID.
    De voorzitter:
    Dat blijft dus bij de CID maar hoe en wanneer wordt er dan een
    proces-verbaal van gemaakt?
    De heer Kloosterman:
    Meestal zal iemand vragen om een proces-verbaal vanwege een
    waarneming, iets dat wij gezien hebben. Dan moet er proces-verbaal
    van opgemaakt worden. In dit geval maakt de hoofd-CID een
    proces-verbaal op van al die zaken die wij gezien hebben. Dat is
    meer om ons af te schermen. Hij verklaart in het proces-verbaal dat
    hij van ons gehoord heeft…
    De voorzitter:
    Het maakt dan niet uit of het van de tactische recherche is of
    om in de CID-bak gestopt te worden?
    De heer Kloosterman:
    Op het moment dat het CID-matig is, wordt er geen
    proces-verbaal opgemaakt.
    De voorzitter:
    Helemaal niet?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    Dat wordt eventueel pas gedaan als je het nodig hebt?
    De heer Kloosterman:
    Ja. In feite moet je zaken als het proces-verbaal maken
    terugvoeren op een CID-officier of een zaaksofficier die daarom
    vraagt. Daar komt het op neer.
    De voorzitter:
    Er kan dus tijd zitten tussen het moment waarop je werkelijk
    iets gezien hebt en waarop er proces-verbaal van gemaakt wordt. Je
    gaat dan als het ware weer terug naar je opschrijfboekje of naar de
    computer…
    De heer Kloosterman:
    Ja, wij verwerken het wel in de computer die wij inmiddels
    hebben gekregen.
    De voorzitter:
    En daar maak je het uit op?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    Is er nog wel eens een probleem dat men vraagt hoeveel later
    het PV is opgemaakt?
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat is een probleem.
    De voorzitter:
    Zijn daar al eens problemen over geweest bij Hollands Midden,
    of niet?
    De heer Kloosterman:
    Ik heb wel eens problemen gehad. Ik weet dat uit eigen ervaring
    en dat staat mij bij. Er wordt dan gevraagd om bepaalde dingen die
    ik drie, vier jaar geleden gezien zou hebben. Het spijt mij dan
    maar daar wordt geen proces-verbaal van opgemaakt, want dat kan ik
    mij niet meer herinneren. En wat er in een rapport staat, kan wel
    eens niet nauwkeurig genoeg geweest zijn. Na een aantal jaren
    vragen ze toch weer om andere dingen. Wat schrijf je nou in je
    verslaglegging op? Je weet niet of je het goede opschrijft.
    Misschien moet ik dat toelichten. Het is mogelijk dat wij iemand
    bij een andere persoon zien komen, een ontmoeting, waarvan wij
    denken dat die persoon helemaal niet meespeelt, niet van belang is.
    Hij wordt dan niet vastgelegd. Misschien wordt er wel een foto
    gemaakt van die ontmoeting maar als blijkt dat die man er niets mee
    te maken heeft gehad, gaat de foto de vernietiging in en wordt
    verder niet gebruikt. Maar na bijvoorbeeld een jaar kan zo’n zaak
    op de terechtzitting komen en dan blijkt het een belangrijk persoon
    te zijn. Maar ja, er is geen proces-verbaal.
    De heer Koekkoek:
    Kunt u een voorbeeld geven van het werken voor de CID? Welk
    type werk houdt dat in?
    De heer Kloosterman:
    Het is het zelfde werk. Alleen de subjecten waar je op rijdt,
    zijn anders. Het zijn CID-subjecten. Dat zijn mensen die nog niets
    hebben gedaan maar waarvan wel informatie is dat ze iets zullen
    gaan doen op het criminele vlak. Dat is het verschil eigenlijk.
    Maar voor ons observatiewerk verandert er niets.
    De heer Koekkoek:
    Controleert u wel eens de betrouwbaarheid van informanten?
    De heer Kloosterman:
    Dat wordt wel gevraagd en dat hebben wij ook enkele keren
    moeten doen.
    De heer Koekkoek:
    Dan controleert u bijvoorbeeld of afspraken die gemaakt zijn,
    ook worden nagekomen?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Nu doet u ook observaties voor tactische onderzoeken en dan
    fietst daar ineens een informant doorheen. Weet u dan dat het een
    informant is? Weten uw mensen dat?
    De heer Kloosterman:
    Ik weet meestal wel wie een informant is, maar dat durf ik
    eigenlijk niet hardop te zeggen want mijn baas vertelt mij
    waarschijnlijk ook niet alles. Maar ik heb zelf het gevoel dat ik
    uit sommige zaken toch wel een aantal informanten ken. Alleen, wat
    er verder is… Ik weet ook niet alles.
    De heer Koekkoek:
    Maar is dat niet lastig?
    De heer Kloosterman:
    Dat is wel een probleem, maar op zich maakt het voor ons werk
    niet uit. Het kan zijn dat het weten van wie een informant is, heel
    belangrijk is in een zaak.
    De heer Koekkoek:
    Maar…
    De heer Kloosterman:
    Ik neem ook aan dat ik het anders niet te horen zou krijgen,
    hoor.
    De voorzitter:
    Dan heeft u gehoord, zeg maar, wie het is. Dan heeft u dat dus
    in uw hoofd en dan houdt u hem buiten het OT-rapport?
    De heer Kloosterman:
    Eh, in sommige gevallen wel, ja. Dan wordt dat
    afgeschermd.
    De voorzitter:
    En als u het niet zou weten, wordt-ie er later nog wel eens
    uitgehaald?
    De heer Kloosterman:
    Niet dat ik weet; niet bij ons. Onze verslaglegging is, wat ik
    al zei, op papier. Daarna wordt het in een computer ingevoerd en
    het verdwijnt naar het hoofdkantoor, naar de CID. En wij hebben
    daar verder eigenlijk geen toegang of… nee, wij kunnen daar
    verder niets meer aan doen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, eh, vindt u dat u het eigenlijk moet weten, als u met een
    tactisch onderzoek bezig bent, wie daar als informant bij betrokken
    kan zijn?
    De heer Kloosterman:
    In sommige gevallen zal het handig kunnen zijn en, ja…
    De heer Koekkoek:
    Vraagt u…?
    De heer Kloosterman:
    Als ik het bekijk van de CID-kant, zeg ik: in sommige gevallen
    kan je het beter niet weten.
    De heer Koekkoek:
    Vraagt u ernaar?
    De heer Kloosterman:
    Nee…
    De voorzitter:
    Dat is gevoel.
    De heer Koekkoek:
    Voordat u op pad gaat, vraagt u er niet naar?
    De heer Kloosterman:
    Nee, maar, ja, h, ik begin een beetje te hakkelen, maar…
    De heer Koekkoek:
    Dat valt wel mee.
    De heer Kloosterman:
    Het is helemaal niet bijzonder, maar, als wij in een zaak aan
    het werk zijn en er zit een informant in, dan komen wij er
    eigenlijk wel achter wie een informant is.
    De heer Koekkoek:
    Hoe?
    De heer Kloosterman:
    Dan blijkt dat wel uit onze observaties. Elke keer hebben wij
    die persoon op een bepaalde plaats… en wij krijgen geen opdracht
    om die te volgen of zo. Daar zou voor ons al uit kunnen blijken dat
    het misschien een persoon is die ze liever niet, eh, gevolgd
    hebben. En dan denken wij al: dat zal wel een informant zijn.
    De heer Koekkoek:
    Maar u rapporteert er wel over?
    De heer Kloosterman:
    Ik rapporteer er wel over.
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Kloosterman:
    Als ik niet weet dat het een informant is, wordt erover
    gerapporteerd.
    De voorzitter:
    Eh, tenzij…
    De heer Kloosterman:
    Als ik wel weet dat het een informant is, wordt er niet over
    gerapporteerd.
    De heer Koekkoek:
    Wordt het…
    De heer Kloosterman:
    Dat is met name gevraagd.
    De heer Koekkoek:
    Nog even. Wordt u wel eens meegedeeld dat er een informant in
    het spel is?
    De heer Kloosterman:
    Het is wel eens meegedeeld, ja.
    De heer Rabbae:
    Wordt u wel eens verteld…
    De voorzitter:
    Even, de heer De Graaf.
    De heer De Graaf:
    Mijn vraag gaat over uw eigen rapporten.
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Mijnheer Kloosterman, schrijft u daarin uw waarnemingen op,
    alsook de manier waarop u dat heeft gedaan, waarop uw waarneming
    tot stand kwam?
    De heer Kloosterman:
    Nee. Er wordt dus niet opgeschreven hoe het gedaan is.
    De heer De Graaf:
    Nee, dat wordt nooit, op geen enkele manier opgeschreven?
    De heer Kloosterman:
    Er wordt wel opgeschreven of er foto’s zijn gemaakt, dat wel.
    Maar of ik nu met een verrekijker heb gekeken of dat ik uit een
    auto of lopend of op de fiets iets…
    De heer De Graaf:
    Nee, maar als u uw eigen ogen heeft gebruikt, dan schrijft u
    niet op “met eigen ogen gezien”?
    De heer Kloosterman:
    Nee, nee.
    De heer De Graaf:
    En als er gebruik wordt gemaakt van instrumenten?
    De heer Kloosterman:
    Foto’s…
    De heer De Graaf:
    De verrekijker dan nog even niet.
    De heer Kloosterman:
    Foto’s worden wel verwerkt, ja, dat wordt wel
    opgeschreven.
    De heer De Graaf:
    Videocamera en dat soort dingen ook?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    En dat komt dan in het journaal terecht, in uw eigen
    rapport?
    De heer Kloosterman:
    Ja, het is een soort van journaal dat wij bijhouden, ja.
    De heer De Graaf:
    Dat komt dan ook in de computer terecht?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    En als het nodig is, ook in het proces-verbaal?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Het wordt uitgeprint. En wij brengen het persoonlijk naar
    de CID, waar…
    De heer De Graaf:
    U gebruikte het voorbeeld dat u een keer als een verdwaalde
    toerist eens kijkt op zo’n besloten terrein. Wordt dat nou, dus dat
    voorbeeld, opgeschreven in zo’n journaal? Of zegt u “dat is niet
    relevant; het ging erom of wij iets zagen en wij zagen niks, dus
    hebben wij ook niks opgeschreven”?
    De heer Kloosterman:
    Nee, ik… Naar mijn mening schrijven wij gewoon alles op. Ja,
    in dit geval kan ik natuurlijk niet… het is niet gebeurd. Stel
    dat het zou gebeuren, dus dat ik zo’n terrein op loop en er zou wat
    gezien zijn, dan wordt het gewoon opgeschreven, ja.
    De voorzitter:
    De heer Rabbae.
    De heer Rabbae:
    Wordt u gevraagd om te controleren of een informant zijn werk
    goed doet?
    De heer Kloosterman:
    Ja, wat is “zijn werk goed doen”? Ik, eh… Wij worden gevraagd
    om te controleren of een informant een bepaalde ontmoeting met een
    andere crimineel heeft. Dat soort ontmoetingen zullen wij
    vastleggen; als dat uw vraag is.
    De heer Koekkoek:
    Eh, gebeurt het wel dat de tactische recherche ook achter
    mensen aan zit, dus ook observatie-acties uitvoert?
    De heer Kloosterman:
    Helaas, ja.
    De voorzitter:
    Zij doen het minder goed dan u het doet?
    De heer Kloosterman:
    Nou, of zij het minder goed doen, weet ik niet. Want zij zullen
    best wel even veel kunnen zien als wij kunnen zien, maar ik denk
    dat wij er wat meer op getraind zijn en daarmee wat professioneler
    omgaan, ja. Ik heb een getraind observatieteam hoger staan dan een
    stel tactische rechercheurs die op pad gaan.
    De heer Koekkoek:
    Heeft u er een verklaring voor dat het toch wel gebeurt?
    De heer Kloosterman:
    Te weinig OT-capaciteit. Als ik tactisch rechercheur zou zijn,
    zou ik ook op straat gaan, hoor; dan zou ik ook gaan kijken. Als er
    geen OT ter beschikking is, ga je zelf kijken. Dat kan je ze niet
    ontnemen, natuurlijk. En op zich maakt het ook niet uit; alleen, ik
    denk wel eens dat er beter een professioneel OT ingezet kan worden
    dan wanneer men er zelf mee aan de gang gaat.
    De heer Rouvoet:
    U bedoelt hier met “professionaliteit” ook: ze zien misschien
    wel even veel, maar ze worden ook makkelijker gezien? Of bedoelt u
    dat niet?
    De heer Kloosterman:
    Wij zijn op zich veel beter getraind; wij hebben opleidingen
    gehad daarin; wij hebben betere apparatuur. Ik denk dat wij beter
    met de informatie omgaan, ja.
    De heer Koekkoek:
    Werkt u veel voor andere regiokorpsen?
    De heer Kloosterman:
    Nee, niet veel. Dat behoort niet… Het gebeurt wel; niet
    veel.
    De heer Koekkoek:
    Dus u werkt in hoofdzaak voor Hollands Midden?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Dat was vroeger in uw loopbaan anders.
    De heer Kloosterman:
    Vroeger hadden we de beschikking over Zeeland, een stuk van
    Brabant, Zuid-Holland. Dat was een heel groot stuk.
    De heer Koekkoek:
    U zat bij de Rijkspolitie?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Dat was echt n grote hoop waar wij opereerden. Alleen maar
    de zwaardere zaken kwamen eigenlijk aan bod, want voor iets anders
    was eigenlijk geen OT-capaciteit.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil overgaan naar de grensoverschrijdende observatie. Moet u
    wel eens naar het buitenland?
    De heer Kloosterman:
    Eh, ja.
    De heer Koekkoek:
    Vaak?
    De heer Kloosterman:
    Nee, niet vaak.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer was het laatst?
    De heer Kloosterman:
    Poeh… eh… voor mij het laatst waar ik, zeg maar, over kan
    praten, is toch wel een poos terug, ja, toch wel een halfjaar
    terug, een jaar terug.
    De heer Koekkoek:
    Wat is de meest bijzondere opdracht die u de laatste jaren hebt
    gehad?
    De heer Kloosterman:
    Dat is een reis naar het buitenland, ja.
    De heer Koekkoek:
    Kunt u ook zeggen welk buitenland?
    De heer Kloosterman:
    Wij zijn toen terecht gekomen in, eh, Zwitserland, ergens die
    kant op, Oostenrijk.
    De heer Koekkoek:
    Eh…
    De heer Kloosterman:
    Wij zijn daar met een sectie naartoe gegaan achter een
    verdachte aan. En, eh, dat ging goed.
    De heer Koekkoek:
    Dat ging goed?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Dat ging met hoge snelheid over de autobaan?
    De heer Kloosterman:
    Nee, dit ging met heel lage snelheid. Ja, ik kan het eigenlijk
    wel vertellen, maar… Wij maakten toen gebruik van peilapparatuur.
    Eh, de man reed nogal langzaam.
    De heer Koekkoek:
    Wat is langzaam op de autobaan?
    De heer Kloosterman:
    80 km/u. Dan word je ongeveer in Duitsland, eh, maar wij zijn
    dan niet in Duitsland geweest. Dat zeg ik weer verkeerd. Maar
    meestal word je dan voorbij gereden door de vrachtwagens. Dus dan
    valt 80 km/u erg op, als er een hele sliert OT-auto’s rijdt.
    (Gelach) Het schijnt grappig te zijn, maar voor ons zijn zulk soort
    situaties heel moeilijk. Dus toen is er besloten om peilapparatuur
    in te zetten.
    De heer Koekkoek:
    Wist u dat de verdachte als een langzame toerist reed? Dat wist
    u van tevoren?
    De heer Kloosterman:
    Ik wist het niet, maar ik denk dat de opdrachtgever het wel
    wist.
    De heer Koekkoek:
    Vandaar de peilapparatuur.
    De heer Kloosterman:
    Eh, onder andere. Ik denk dat ook meegenomen is dat een sliert
    Nederlandse auto’s in een buitenland heel moeilijk te verbergen is.
    Dus vandaar dat er ook peilapparatuur ingezet is.
    De voorzitter:
    Wat in de praktijk betekent dat u uit het zicht wilt
    blijven?
    De heer Kloosterman:
    Wij konden op grotere afstand blijven en niet in de gaten
    komen, zeg maar, van die verdachte.
    De heer Koekkoek:
    Eh, werkt u niet met buitenlandse nummerborden?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    ??
    De heer Kloosterman:
    U kijkt zo. Helaas niet, nee.
    De voorzitter:
    Heeft u het wel gevraagd en niet gekregen?
    De heer Kloosterman:
    Eh, ja, vragen.
    De voorzitter:
    Nou ja, gesuggereerd.
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja.
    De heer De Graaf:
    Maar mag dat dan niet?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer De Graaf:
    Mag het dus niet, met buitenlandse kentekenplaten werken?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer De Graaf:
    Maar een sliert auto’s met Nederlandse kentekens ergens in
    Zwitserland valt wel op, denk ik.
    De heer Kloosterman:
    Vandaar dat het, denk ik, tegenwoordig ook niet meer zo vaak
    gebeurt. Tegenwoordig wordt het eigenlijk gelijk overgedragen aan
    andere observatieteams…
    De heer De Graaf:
    Buitenlandse observatieteams.
    De heer Kloosterman:
    …van het buitenland, die de zaak dan overnemen. Maar vroeger
    werd er nogal moeilijk over gedaan, omdat er dan informatie, zeg
    maar, over de grens ging. Want de buitenlanders moeten dan ook
    weten waar het over gaat. En dan komt zo’n hele zaak weer, eh, bij
    meer mensen terecht. En daar waren ze bang voor. Vandaar dat er
    toen vaak gezegd werd: rij maar door als Nederlands OT.
    De heer Koekkoek:
    Maar de buitenlandse autoriteiten moeten toch weten dat daar
    Nederlandse politiemensen rijden?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    Bent u er nou van overtuigd dat zij dat weten? Vraagt u nog
    even “zijn ze op de hoogte” of denkt u dat dat…? Hoe wordt dat
    geregeld? Hoe weet u dat?
    De heer Kloosterman:
    Uit het verleden bleek dat het niet altijd gebeurde dat de
    buitenlandse autoriteiten het wisten. Dat is wel een paar keer fout
    gegaan. En daarom, eh, zijn er andere methodes ontwikkeld. Ze
    hebben een commissie in het leven geroepen die dat allemaal
    cordineert, bij de CRI.
    De voorzitter:
    Nee, dat klopt.
    De heer Kloosterman:
    En dan het LIPO, het Landelijk…, goh… informatiepunt,
    eh…
    De voorzitter:
    Landelijk informatiepunt observatie.
    De heer Kloosterman:
    …observatie. Ja, en daar bellen wij dan naartoe, dat wij
    richting de grens gaan. Eh, en die nemen dan contact op met de
    buitenlandse autoriteiten.
    De voorzitter:
    Voordat u de grens over bent, heeft u dan nog bericht terug
    gekregen of… rijdt u door?
    De heer Kloosterman:
    Eh, ja, dat zal niet in alle gevallen gebeuren. Nou ja, ik kan
    niet helemaal uit ervaring spreken, maar, eh, als wij de grens over
    zouden gaan, is dat ook nog geen probleem. Wij mogen nog een heel
    stuk door blijven rijden. Het is een maximum van vijf uur, naar ik
    meen en dan…
    De voorzitter:
    Vijf uur?
    De heer Kloosterman:
    En dan moeten wij verplicht afhaken.
    De voorzitter:
    Als u… Dus u mag vijf uur doorrijden, eh…
    De heer Kloosterman:
    Nou ja, in feite mogen wij helemaal niet doorrijden, tenzij er
    overleg is, uiteraard met het LIPO, en dat die voor ons bezig is om
    ons te laten aflossen door buitenlandse observatieteams.
    De heer Koekkoek:
    En wat gebeurt er nou, als het niet geregeld is met een bepaald
    land?
    De heer Kloosterman:
    Dan houdt het op bij de grens.
    De heer Koekkoek:
    Ja, maar als u al 1500 km gereden hebt…
    De heer Kloosterman:
    Ja?
    De heer Koekkoek:
    Dan zegt u toch niet “hier is de grens, nu gaan wij niet
    verder”? Dan wilt u toch wel de verdachte blijven volgen, neem ik
    aan?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ik wil het wel, ja, maar…
    De heer Koekkoek:
    Dat doet u toch ook wel?
    De heer Kloosterman:
    Nee, nee.
    De heer Koekkoek:
    Is het nooit gebeurd dat u dat toch deed?
    De heer Kloosterman:
    Nou, dan praat ik toch wel over een hele tijd terug. Vroeger
    gebeurde dat wel; dan reden we door. De autoriteiten werden wel in
    kennis gesteld, maar, ja, dat is misschien een beetje buiten mijn
    “niveau” om gegaan, omdat ik toen observant was. Maar in de tijd
    dat ik als ploegchef hier werkzaam ben, gebeurt dat niet; dan
    stoppen wij bij de streep en dan houdt daar het rapport op.
    De heer Koekkoek:
    Eh, ja, het is iets anders waar het rapport ophoudt dan waar u
    ophoudt. Hoe lang is het geleden dat u geen toestemming had om door
    een bepaald land te gaan, maar het toch wel hebt gedaan?
    De heer Kloosterman:
    U heeft mij niet horen zeggen dat ik geen toestemming had.
    Alleen, ik weet dat ik vroeger de grens over reed en dat de
    buitenlandse autoriteiten dat nog niet wisten, ja.
    De heer Koekkoek:
    En wat gebeurde er toen?
    De heer Kloosterman:
    Maar… niets, de observatie ging gewoon voort.
    De voorzitter:
    Bent u wel eens gestopt bij een douanepost, dat ze uw auto bij
    wijze van spreken gewoon controleerden en ineens zagen “h,
    politie…”…
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    …”daar weten wij niet van”?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Ja, dat is wel een keer gebeurd. Dan wordt de auto bijkans
    gestript. Dan heb je geen poot om op te staan, lijkt het, ja.
    De voorzitter:
    En dan eerst, eh… Maakt u zich dan gelijk bekend als politie
    of niet? Probeert u dan eerst nog te zeggen…?
    De heer Kloosterman:
    In eerste instantie probeer je uiteraard nog de toerist te
    spelen om te voorkomen dat je daar gelijk als een OT kenbaar wordt.
    Maar lukt dat niet, dan maak je je gewoon als politieman kenbaar,
    dan maak je kenbaar waar je mee bezig bent en eh, dat het een heel
    belangrijke zaak is en dan worden contactpersonen genoemd naar wie
    ze kunnen bellen. Maar ja, niet in alle gevallen wordt daarop
    ingegaan en dan word je toch min of meer uitgekleed.
    De voorzitter:
    Word je dan ook teruggestuurd of…?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    …of wat gebeurt er dan verder? Je wordt dan gewoon
    teruggestuurd?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ik weet n voorbeeld dat wij teruggestuurd zijn en dat de
    auto, zeg maar, helemaal bekeken is, dat de informatie van de zaak
    gekopieerd is. Dus onze informatie waar wij op reden, is gekopieerd
    door, eh, douane of marechaussee, ik weet niet hoe het daar
    heet.
    De voorzitter:
    Toen heeft de politie daar het gekopieerd?
    De heer Kloosterman:
    Ja, die vindt dat heel interessant, uiteraard.
    De heer Koekkoek:
    Heeft u wel eens meegemaakt dat u te hard reed – we hadden het
    net over die 80 km per uur – en aangehouden werd door buitenlandse
    collega’s?
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat is ook wel eens gebeurd. In het buitenland mogen wij
    ons niet aan die spelregels onttrekken. Wij moeten ook netjes 100
    km per uur rijden als er staat 100 km per uur. En als je 120 km per
    uur rijdt en je wordt aangehouden, dan zal je dat helaas moeten
    betalen.
    De heer Koekkoek:
    En dan maakt u zich ook bekend als politie of doet u dat niet
    als het niet nodig is?
    De heer Kloosterman:
    Als het niet nodig is, niet.
    De heer Koekkoek:
    Worden alle observatiezaken die u doet naar het buitenland
    aangemeld bij het LIPO, het landelijk informatiepunt?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Dat overleg gaat heel goed en werkt bijzonder prettig.
    De heer Koekkoek:
    Welke informatie krijgt het LIPO van u?
    De heer Kloosterman:
    Dat weet ik niet. Dat zult u aan mijn baas moeten vragen, de
    chef CID.
    De heer Koekkoek:
    Krijgt u wel eens wat terug van het LIPO? Wat vraagt u aan het
    informatiepunt?
    De heer Kloosterman:
    Als het voor een buitenlandse reis is, dan wordt medegedeeld
    dat wij de grens over gaan. Eigenlijk wordt aan een tactisch team
    die de zaak draait, min of meer gevraagd om dat overleg gaande te
    houden. Wat wij terugkrijgen van het LIPO is een telefoonnummer van
    een buitenlandse dienst waar wij weer contact mee leggen om de zaak
    over te dragen.
    De voorzitter:
    Misschien kunnen wij overgaan naar methoden en
    opsporingsmiddelen die u verder gebruikt. Misschien kunt u ook nog
    enkele voorbeelden geven van hoe u in grotere drugszaken
    opereert.
    De heer Koekkoek:
    Wat zijn zo de methoden die u hanteert bij uw
    observatie-acties?
    De heer Kloosterman:
    Methoden?
    De heer Koekkoek:
    U hebt al peilzenders genoemd.
    De heer Kloosterman:
    De methode bestaat voor 90% uit kijken, het waarnemen van
    alles.
    De voorzitter:
    En foto’s maken?
    De heer Kloosterman:
    En foto’s maken.
    De voorzitter:
    Ook een video vanuit een rijdende auto? Of is dat te
    ingewikkeld?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben geen meedraaiende videocamera’s, zoals op TV wel
    eens te zien is. Wij hebben wel video-apparatuur in de auto maar
    als dat ingezet wordt is het eigenlijk allemaal statisch.
    De voorzitter:
    Dan heb je nog het scannen van telefoons.
    De heer Kloosterman:
    Dat gebeurt ook.
    De voorzitter:
    En de Kolibrie? Werkt dat goed?
    De heer Kloosterman:
    Dat hele scannen heeft niet veel zin meer tegenwoordig.
    De voorzitter:
    Waarom heeft dat geen zin meer?
    De heer Kloosterman:
    Iedereen maakt gebruik van GSM en dat is digitaal versleuteld.
    Voor zover mijn kennis strekt, is het nog niet mogelijk om dat te
    kraken. Maar ik weet ook niet alles. Maar wij werken nagenoeg niet
    meer met scanners of met Kolibries of wat u ook…
    De voorzitter:
    Die heten toch Kolibries in het jargon en die konden
    autotelefoons uitpeilen?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Het is een verfijnde scanner die iets duidelijker aangeeft
    wie belt. Je kunt heel duidelijk zien wie er aan het bellen is
    binnen de straal van jouw auto.
    De voorzitter:
    En dan kun je de gesprekken ook…
    De heer Kloosterman:
    Hij is heel erg selectief in de ontvangst.
    De voorzitter:
    Kun je de gesprekken ook opvangen?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    En dat is ook gebeurd?
    De heer Kloosterman:
    Dat is gebeurd.
    De voorzitter:
    Vroeg u of daarvoor machtiging was of gebeurde dat gewoon om
    iemand te spotten?
    De heer Kloosterman:
    Ik weet van zaken waar het gebruikt is met machtiging en ik
    weet van zaken waar het gebruikt is zonder machtiging.
    De voorzitter:
    Maakte dat voor u iets uit of niet?
    De heer Kloosterman:
    Voor ons niet, want voor ons gaat het alleen om werkinformatie
    die wij nodig hebben voor onze observatie, zodat wij weten waar de
    persoon naartoe gaat. Als hij telefonisch een afspraak maakt dat
    hij gaat eten in een of ander wegrestaurant, dan maakt dat het voor
    ons een stuk makkelijker. Maar van informatie die bruikbaar is in
    een zaak, is mij nog niet gebleken. Daar kan ik eigenlijk niet over
    praten.
    De heer Koekkoek:
    Maakt het voor u wat uit of er een rechterlijke machtiging was
    om af te luisteren of niet?
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat maakt voor mij wel iets uit. Maar je kunt natuurlijk
    een scanner aanzetten wanneer je wilt. Het gaat erom wat je met die
    informatie doet. Als er een rechterlijke machtiging is geweest, dan
    zou de informatie gebruikt kunnen worden.
    De heer Koekkoek:
    Bent u vanuit het observatieteam wel eens betrokken bij
    inkijkacties?
    De heer Kloosterman:
    Nee. Ik niet.
    De heer Koekkoek:
    Het kijken in loodsen?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Daar bent u nooit bij betrokken geweest?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Ook niet om als observatieteam de omgeving in de gaten te
    houden?
    De heer Kloosterman:
    Ik ben er nog nooit bij betrokken geweest en ik ben nog nooit
    als OT’er rond een inkijkoperatie betrokken geweest.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u ervaring met gecontroleerd afleveren van drugs?
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat hebben we wel een paar keer gehad. Ik meen twee keer in
    Hollands Midden.
    De heer Koekkoek:
    Recent?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer voor het laatst?
    De heer Kloosterman:
    Ja, wel recent… Er gebeurt zo verschrikkelijk veel. Het was
    een aantal maanden terug.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u toen kunnen waarnemen of de partij kon worden
    gepakt?
    De heer Kloosterman:
    Alles is gepakt ja.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u het wel eens meegemaakt dat u als observatieteam net
    iets te laat kwam en dat de drugs in het criminele milieu
    verdwenen?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    Wij horen – en dat hoort u ook – over doorleveren. Gebeurt dat
    wel? Er wordt ook vaak gezegd: het OT raakt een partij kwijt. Of:
    we kunnen er niet meer bijkomen. Of: we komen te veel in de
    buurt.
    De heer Kloosterman:
    Ja, dat kan echt hoor.
    De voorzitter:
    Leg eens uit hoe het kan dat je het kwijt raakt?
    De heer Kloosterman:
    Ja, je kan het echt kwijt raken. Wij zijn ook gewoon mensen die
    fouten kunnen maken. Ons leven bestaat niet uit een garantie van
    100% dat wij een vrachtwagen of een personenwagen of wat dan ook
    kunnen blijven volgen. Er raakt wel eens iets kwijt.
    De voorzitter:
    Hoe raak je iets kwijt?
    De heer Kloosterman:
    Als je de zaak niet goed onder controle hebt. Ik weet niet hoe
    u dat bedoelt. Maar als een vrachtwagen op een bepaalde plaats zou
    vertrekken en dat is niet goed afgezet en hij floept, zonder dat
    wij het zien, er tussendoor dan ben je een hele vrachtwagen kwijt.
    Dan krijg je wel op je donder ja.
    De voorzitter:
    Vind je hem dan nog terug of niet meer?
    De heer Kloosterman:
    In sommige gevallen is het mogelijk dat je hem terug vindt.
    Waarom niet? Ik kan misschien wel een voorbeeld geven van een
    vrachtwagen die door de mazen van het net is geglipt. Wij zijn toen
    uit alle macht met een aantal teams aan het zoeken gegaan en wij
    vonden de partij weer terug en zelfs nog meer.
    De heer Koekkoek:
    Dus dat was een meevaller?
    De heer Kloosterman:
    Dat was een meevaller. Als u echt bedoelt het gecontroleerd
    doorleveren, want dat proef ik uit alles dat u dat bedoelt, dan kan
    ik zeggen dat wij dat nog nooit hebben gedaan.
    De voorzitter:
    Dat heeft u niet bij de hand gehad?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Vos:
    Als u bezig bent met het volgen van een vrachtauto over een
    gevaarlijke route, bijvoorbeeld door een stad, en het is moeilijk
    om hem te volgen, kun je dan niet dat risico inperken door een
    peilzender te gebruiken. Is het risico dat je een partij kwijt
    raakt derhalve niet helemaal vermijdbaar?
    De heer Kloosterman:
    U praat al in het openbaar over peilzenders en dan kunt u zich
    toch voorstellen dat er geen een crimineel meer is die op die wijze
    te volgen is? Wij gebruiken dat eigenlijk helemaal niet meer. Het
    enige wat wij doen, is oefenen. Het inzetten van peilapparatuur is
    al heel lang geleden. Wij nemen dat risico niet meer. Het zou
    inderdaad een stuk makkelijker zijn om zo een vrachtwagen te
    volgen.
    De voorzitter:
    U zegt: wij nemen niet meer het risico om er zelf een onder te
    plakken want ze halen hem er zo weer onderuit?
    De heer Kloosterman:
    Ik denk dat wat dat betreft de techniek bij de politie Hollands
    Midden niet ver genoeg is.
    De voorzitter:
    Wat is er niet wat zij wel hebben?
    De heer Kloosterman:
    Ik denk dat peilapparatuur heel eenvoudig te detecteren is met
    de huidige spullen die je zo in de winkel kunt kopen. Ik denk dat
    je een ontoelaatbaar risico neemt door dat in te zetten.
    De voorzitter:
    Dus door die peilzender eronder te plakken?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Je verraadt jezelf als het ware.
    De heer Kloosterman:
    Ja. Dan kun je beter gewoon je ogen gebruiken. Wat dat betreft
    zijn wij een heel ouderwets observatieteam.
    De voorzitter:
    Maar er zijn wel observatieteams in Nederland die betere
    spullen hebben?
    De heer Kloosterman:
    Niet dat ik weet. Wij hebben een van de meest dure spullen
    gekocht.
    De heer Koekkoek:
    En gebruikt u die ook?
    De heer Kloosterman:
    Ja, om te oefenen, zoals ik al zei. Wij weten heel goed hoe het
    spul werkt en het was heel ideaal geweest als wij het tien jaar
    geleden hadden gehad. Maar in deze tijd… nee.
    De heer De Graaf:
    U maakt ook geen gebruik van de diensten van een andere
    politie-organisatie die daarin is gespecialiseerd?
    De heer Kloosterman:
    Nee. Ik weet wat u bedoelt, maar dat hebben wij niet
    gedaan.
    De heer De Graaf:
    Wanneer was in uw herinnering de laatste keer dat u een
    peilzender heeft geplakt.
    De heer Kloosterman:
    Ik denk dat ik heel erg lang in mijn herinnering moet teruggaan
    en toen bestonden ze nog niet eens.
    De heer Rabbae:
    Moet u in het verkeer vaak door rood rijden?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Ongelukken?
    De heer Kloosterman:
    Nee, gelukkig niet, want dat is ons eigen risico. Wij worden
    daar niet in gedekt.
    De voorzitter:
    U moet dat zelf betalen?
    De heer Kloosterman:
    Dat weet ik niet. Dat heb ik nog niet meegemaakt.
    De voorzitter:
    Maar het is uw eigen risico als u in diensttijd door het rode
    licht rijdt?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben ontheffing voor een heleboel zaken, maar rood
    licht… Je kan het mensen niet kwalijk nemen als ze bij groen
    licht oversteken en als er dan een OT’er aan komt rijden die zich
    erin boort, dan kun je dat op geen enkele manier verdedigen. Dat
    kan niemand rechtvaardigen uiteraard.
    De voorzitter:
    Ik wil nog verder gaan met de berichten over de hobbyisten of
    de contra-observatie. Heeft u daar veel last van? Mensen die om en
    achter u aan rijden?
    De heer Kloosterman:
    Ja, daar hebben we wel last van.
    De voorzitter:
    Hoe komt het, dat het blijkbaar zo gemakkelijk kan?
    De heer Kloosterman:
    Dat is een heet item. Wij moeten communiceren met elkaar anders
    kun je niet volgen. Ik moet weten waar Jantje, Pietje en Klaasje
    van mijn sectie zitten. Dat vereist dat je gaat zenden. Als je
    zendt met een zender dan is dat detecteerbaar. Iedereen heeft een
    scanner in Nederland en iedereen luistert politiefrequenties af.
    Dat is heel simpel.
    De voorzitter:
    Maar kunt u ook weer luisteren naar de mensen die om u heen
    rijden?
    De heer Kloosterman:
    Wat zegt u?
    De voorzitter:
    Kunt u de mensen die u trachten uit te peilen, zelf niet
    uitpeilen?
    De heer Kloosterman:
    Nee, want die zenden niet. Ze luisteren alleen maar. Ze
    reageren op onze signalen en op die manier komen ze bij ons. Maar
    ik maak nu slapende honden wakker hoor, want nou krijgen we er nog
    meer achter ons aan.
    De voorzitter:
    Maar wat ik nu vraag, weten die mensen toch precies?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    Dat bedoel ik alleen maar. Meer wil ik er niet over vragen,
    behalve dat wat die mensen blijkbaar al weten en waarom het
    blijkbaar zo makkelijk is om dat te doen.
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    Dat zou te verhelpen zijn door andere vormen van communicatie
    tussen uw auto’s?
    De heer Kloosterman:
    Als er een geavanceerd communicatiesysteem komt in Nederland,
    is dat probleem weg. Maar dat kost geld, heel veel geld.
    De heer Rabbae:
    U heeft geen middelen om te detecteren dat het gebied waarin u
    aan het werk bent, “schoon” is?
    De heer Kloosterman:
    Hoe bedoelt u: “schoon” is?
    De heer Rabbae:
    Dat het veilig is.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De heer Rabbae:
    Is het u bekend of de criminele organisaties dat wel
    hebben?
    De heer Kloosterman:
    Je kunt die apparatuur in elke winkel kopen.
    De heer Rabbae:
    Maar u heeft het niet?
    De heer Kloosterman:
    Wij hebben het niet.
    De heer Rabbae:
    Dat is toch raar? Het is te koop maar u heeft het niet en de
    criminelen hebben het wel?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Wat belet u om dat te kopen?
    De heer Kloosterman:
    Ik denk dat u die vraag aan mijn chef moet stellen.
    De voorzitter:
    Dat zullen we doen.
    De heer Kloosterman:
    Ik heb verder geen mogelijkheden om iets aan te schaffen. Dat
    moet u ook begrijpen. Ik kan wel een hoop willen maar…
    De voorzitter:
    Maar ik wil het even duidelijk krijgen. U zegt: wij kunnen die
    mensen niet uitpeilen omdat ze alleen maar ons uitluisteren…
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    …en zelf geen verkeer hebben.
    De heer Kloosterman:
    Nee, niet dat ik weet. Maar ze zullen misschien best wel bellen
    met een telefoon of weet ik wat. Maar daar heb ik geen idee van.
    Het komt op mij wel over dat het vrij georganiseerd is.
    De voorzitter:
    En wat zou het volgens u kosten om dat bijvoorbeeld in uw
    ploeg, h – want daar moet u onder elkaar toch wel eens over praten
    – beter te regelen, bij wijze van spreken?
    De heer Kloosterman:
    Als u nagaat dat n simpele portofoon iets van 12.000 kost. Nou
    ja, dat is geen simpele portofoon, maar dat is er een die niet
    afluisterbaar is, waarmee je een heleboel problemen zou kunnen
    voorkomen. Dat kost 12.000. Ik denk dat dit dan heel veel geld
    kost, voor heel Nederland.
    De voorzitter:
    Maar dus u zegt “met 12.000 per auto zouden wij al een boel
    verder zijn”?
    De heer Kloosterman:
    Nou, dan heb je alleen maar een portofoon. Er komt nog wel wat
    meer bij kijken dan een portofoon. Ja, dit is allemaal heel
    technisch. Ik, eh, ben een klein beetje technisch onderlegd, maar
    zo heel erg veel ook weer niet.
    De voorzitter:
    Nee, maar om ons een idee te geven, h, hoeveel het in uw ogen
    zou kosten.
    De heer Kloosterman:
    Ik denk dat de beste oplossing is een heel netwerk, een heel
    digitaal netwerk in Nederland voor het communiceren van de politie.
    Eh, het probleem van uitzenden zal blijven bestaan, maar je moet
    ondergaan in de massa. Ik denk dat dit de enige oplossing is, dus
    dat het politieverkeer ondergaat in een heleboel gekakel en dat je
    daardoor niet meer weet wie wie is. En dan kunnen wij er tussendoor
    blijven rijden.
    De voorzitter:
    En nu is het moeilijker?
    De heer Kloosterman:
    Nu rijden wij eigenlijk met een vlag op onze auto. Het is van:
    daar gaat er weer een.
    De heer Koekkoek:
    En mag dat, dus u steeds maar volgen, afluisteren,
    enzovoorts?
    De heer Kloosterman:
    Ja, als ik er geen last van zou hebben, zou ik er ook niets van
    gezegd hebben. Want ik vind het best dat ze allemaal luisteren en
    doen; alleen het probleem is wel eens dat ze, als wij met een actie
    bezig zijn, die actie kunnen verstoren, omdat, als ze zo bezig zijn
    met ons te vinden, zo’n actie kapot gaat.
    De heer Koekkoek:
    Ja, dat wil zeggen: wat er gebeurt, is in feite niet strafbaar,
    dus het afluisteren van datgene wat de ether in gaat.
    De heer Kloosterman:
    Nee, dat is niet strafbaar.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil nog even terugkomen op de situatie dat u een partij
    drugs niet kan volgen. Hoe vaak is dat nou voorgekomen? Hoe vaak
    hebt u het meegemaakt dat je als observatieteam een partij drugs
    moest laten gaan, dat je die niet meer kon volgen?
    De heer Kloosterman:
    Poeh, nou, dat is in elk geval niet dichtbij geweest volgens
    mijn geheugen. Dus, ik zou het niet weten… Ik heb het volgens mij
    eigenlijk nog nooit meegemaakt.
    De heer Koekkoek:
    U hebt altijd zo’n container kunnen volgen?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ik zit echt hard te denken. Misschien weet u meer dan ik.
    Maar, in mijn herinnering ben ik nog nooit wat kwijt geraakt.
    De heer Koekkoek:
    Nee? Wij weten niet wat u weet. Daarom vragen wij.
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja. Ja. Nee, ik kan het niet, eh… Ik weet het niet,
    nee.
    De heer Koekkoek:
    Maar…
    De heer Kloosterman:
    Wat zo in mijn herinnering zit, is dat nog nooit gebeurd, dus
    ben ik geen partijen kwijt geraakt.
    De heer Koekkoek:
    Niet dat een container waarvan u wist dat er drugs in
    zaten…?
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    …eh, op een gegeven moment uit het zicht verdwenen was,
    terwijl u aan het observeren was en niet meer teruggevonden werd
    door u? Is dat nooit gebeurd?
    De heer Kloosterman:
    Eh…
    De voorzitter:
    Misschien praten wij ook aldoor over wat anders. Wij praten
    namelijk over de situatie waarin bij wijze van spreken eerst
    welbewust iets in het milieu komt en u het daar dan nog een eindje
    moet volgen, tot een nieuwe opslagplaats of een nieuwe
    loods…
    De heer Kloosterman:
    De heer Koekkoek:
    … (?) gedacht, had ik niet, voorzitter.
    De heer Kloosterman:
    Ik weet wel dat wij… Uiteraard volgen wij partijen een stuk
    het milieu in, maar niet zodanig dat wij de controle daarop kwijt
    raken. Op het moment dat de controle door ons niet meer
    gegarandeerd kan worden, zullen wij dat onmiddellijk melden. En dan
    zal er eigenlijk gelijk ingegrepen moeten worden. De partij is het
    belangrijkst; daar gaat het om.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil dit onderdeel over de opsporingsmethoden afsluiten,
    tenzij er nog vragen zijn.
    De heer Rabbae:
    Ja, komt het voor, mijnheer Kloosterman, dat u
    gewetensproblemen of ethische problemen heeft tijdens het
    werk?
    De heer Kloosterman:
    Als ik eerlijk ben, niet. Maar…
    De heer Rabbae:
    Niet?
    De heer Kloosterman:
    Nee, maar ik weet niet waar u op doelt, hoor. Want je kan
    ethische problemen… Ethiek is natuurlijk heel ruim. Maar ik kom
    eigenlijk weinig tegen waarvan ik zou zeggen: nou, hier moeten wij
    stoppen, want dit gaat te ver.
    De heer Koekkoek:
    Laten wij het positief zeggen. Wat vindt u nou de mooiste zaak
    om te doen?
    De heer Kloosterman:
    De mooiste zaak om te doen?
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Kloosterman:
    Een, eh, simpele woninginbreker, die regelmatig inbreekt;
    iemand die vijftig, zestig keer woninginbraken per maand
    pleegt.
    De heer Koekkoek:
    Om die te pakken?
    De heer Kloosterman:
    Om die te pakken, ja. Maar dat is een persoonlijke
    genoegdoening.
    De heer Rouvoet:
    Eh…
    De heer Kloosterman:
    Zulk soort zaken spreekt gewoon aan.
    De heer Koekkoek:
    Om daar een eind aan te maken door middel van uw
    observatie?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja. Daar is door geen enkele andere methode een vinger
    achter te krijgen. Zo’n man pleegt achter elkaar inbraken en
    niemand kan hem pakken, totdat wij het zien, op heterdaad.
    De heer Koekkoek:
    En het komt nog voor dat u hem pakt?
    De heer Kloosterman:
    Gelukkig wel.
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Rouvoet:
    Mijnheer Kloosterman, u zegt: ik heb nooit iets hoeven te doen
    waarvan ik dacht “eigenlijk kan ik dat niet doen”. U hoort
    natuurlijk ook wel van collega’s wat er aan acties loopt. Hebt u
    wel eens gedacht “ik hoop dat mij dat nooit gevraagd wordt, want
    dat gaat toch echt een stap te ver voor een observant, dat zou ik
    toch nooit voor mijn rekening willen nemen”?
    De heer Kloosterman:
    Ik kan mij voorstellen dat het misschien wel eens een keer
    gebeurt, maar wij zijn natuurlijk ook gewone, eh… Wij kunnen
    “nee” zeggen.
    De heer Rouvoet:
    Maar denkt u concreet ergens aan? Kunt u een illustratie geven
    en zeggen “daar zou ik toch erg veel moeite mee hebben”?
    De heer Kloosterman:
    Ja, het is iemands privacy waar je mee bezig bent. En daar zijn
    wij natuurlijk best wel mee bezig. Observatie is toch wel een klein
    beetje een inbreuk op iemands eigen leven. Alleen het vervelen…,
    tenminste het voordeel voor ons is dat wij van degenen achter wie
    wij aan rijden, altijd weten dat het criminelen zijn, eigenlijk, of
    verdacht worden van criminele activiteiten. Op het moment dat het
    niet zo zou zijn, heb je natuurlijk een heel ethisch probleem.
    De voorzitter:
    Maar u heeft nooit het idee gehad “waar ik nou achteraan rijd,
    ik begrijp niet wat ze bezielt; ik zit nu iemands leven door te
    ploegen, daar begrijp ik niks van”? Bij wijze van spreken, h?
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja, dat gebeurt wel, ja. Maar dat is puur… Als u bedoelt
    dat ik met de observatie “een inbreuk maak” op iemand, terwijl er
    helemaal niets gebeurt, ja, dat gebeurt. Dan gaan wij terug naar
    onze chef en dan zeggen wij: dit heeft helemaal geen zin; die man
    doet gewoon niets; die zit ‘s avonds netjes thuis, binnen, en
    overdag gaat hij naar zijn werk; wat kunnen wij verder voor jullie
    betekenen?
    De voorzitter:
    Na hoeveel tijd zeg je dat?
    De heer Kloosterman:
    Eh, nou, ja, ik heb iets in mijn geheugen zitten; dat was na
    een dag of drie, vier.
    De voorzitter:
    Dan weet je al eigenlijk wel…
    De heer Kloosterman:
    Ja.
    De voorzitter:
    …hoe laat het is?
    De heer Kloosterman:
    Dan heb je al een stuk van het gedrag van iemand vastgelegd,
    ja.
    De voorzitter:
    Goed.
    De heer Kloosterman:
    Ja, of dat echt waar is, moet achteraf natuurlijk maar weer
    blijken, maar op dat moment is het voor ons, eh, nee, niet
    aantrekkelijk. Dan gaan wij ervan uit dat het een nette mijnheer of
    mevrouw is.
    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Kloosterman, nog een vraag over de opleiding. Welke
    opleiding hebt u nou gehad voor dit werk?
    De heer Kloosterman:
    Eh, vroeger was er een observatie-opleiding. Die werd ook
    gegeven op de opleidingsschool voor politie in Zutphen.
    Tegenwoordig is het allemaal nog iets meer verfijnd; het is echt
    gericht op observatie. Er is nu een echt heel goede
    observatie-opleiding. Vroeger werd je een aantal… eh, goh – ik
    weet het al niet eens meer – een paar weken naar zo’n opleiding
    gestuurd en het werk leerde je eigenlijk in de praktijk. Nu komen
    mensen van de opleiding die vrij goed getraind zijn. Je kunt ze al
    bijna inzetten.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u inspraak in de keuze van de mensen voor uw team?
    De heer Kloosterman:
    Nee, had ik die maar. Dan had ik als eerste gezegd: iedereen
    laten screenen die bij de CID komt. Maar die inspraak heb ik
    niet.
    De heer Koekkoek:
    Hebt u slechte ervaringen?
    De heer Kloosterman:
    Nee, maar ik vind het nog steeds vreemd dat de CID-mensen niet
    gescreend worden.
    De voorzitter:
    Binnen de politie?
    De heer Kloosterman:
    Binnen de politie.
    De voorzitter:
    Mag ik u tot slot nog vragen: doet u in uw werk wel eens aan
    meeluisteren of…?
    De heer Kloosterman:
    Oh, bedoelt u dat? Nee, nee.
    De voorzitter:
    Nou, je komt in een caf of ergens anders en je…
    De heer Kloosterman:
    Ja, het zal…
    De voorzitter:
    …vangt een gesprek op en je rapporteert het en…
    De heer Kloosterman:
    Ik heb het nog nooit meegemaakt dat het gebeurd is of dat wij
    er iets aan gehad hebben. Eh, uiteraard zou het leuk zijn als je
    iets hoorde, als je naast hem zou zitten in een restaurant of
    zoiets, maar…
    De voorzitter:
    Nee, omdat sommige mensen uit OT’s tegen ons ook wel eens
    zeggen dat zij soms, als zij het werk doen, ook mee kunnen
    luisteren, bijvoorbeeld in een publieke gelegenheid.
    De heer Kloosterman:
    Eh… wij hebben daar geen spullen voor, als u het technisch
    bedoelt.
    De voorzitter:
    Nee, nee, ik bedoel het niet technisch. Ik bedoel gewoon ogen
    en oren, dus niet alleen ogen, maar ook oren.
    De heer Koekkoek:
    Achter de plantenbak.
    De heer Kloosterman:
    Nee, wij doen…
    De voorzitter:
    Dat doet u niet?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    Wat u altijd doet, is dus kijken.
    De heer Kloosterman:
    Ja, het komt alleen maar op kijken neer.
    De voorzitter:
    Mag ik u nog vragen: heeft u wel eens afgeluisterd met een
    technisch hulpmiddel?
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    Bent u wel eens ook een buitenlandse OT-ploeg tegengekomen,
    waarvan niemand wist dat die hier rond reed?
    De heer Kloosterman:
    Of ik een buitenlandse OT tegen ben gekomen?
    De voorzitter:
    Ja, want u moet daar een oog voor hebben.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    In Nederland?
    De heer Kloosterman:
    Nee. Nee, die ben ik nog nooit tegengekomen. Dit is een vraag
    die ik nog nooit gehoord heb, eigenlijk, van niemand.
    De voorzitter:
    Die moeten er ook zijn. Als wij naar het buitenland
    gaan…
    De heer Kloosterman:
    Ja, ja. Je zou het wel zeggen…
    De voorzitter:
    …moeten ze hier ook komen.
    De heer Kloosterman:
    Ja, je zou het wel zeggen, maar ik… nee. Ik heb ook niet
    gehoord in mijn collega-kringen dat er een buitenlandse OT geweest
    is.
    De heer Koekkoek:
    U observeert ze niet?
    De heer Kloosterman:
    Misschien dat nu de indruk ontstaat dat wij alleen maar in het
    buitenland zitten, maar… Ze zullen ook best wel hier komen; dat
    zal best wel, maar ik heb ze niet gezien.
    De heer De Graaf:
    Maar u observeert toch ook wel eens ten behoeve van
    buitenlandse politie, als ze het nadrukkelijk vragen of niet? Zoals
    het, als u naar buiten, over de grens wil, wordt overgenomen door
    een ander?
    De heer Kloosterman:
    Wij niet. Tegenwoordig is het allemaal geregeld via het LIPO.
    Je hebt grensoverschrijdende observatieteams die dat overnemen. Wij
    zijn niet zo’n team, dus wij krijgen dat soort zaken niet
    aangeleverd.
    De heer Koekkoek:
    Mijn laatste vraag: zijn er nu opsporingsmethoden of middelen
    waarover u graag de beschikking zou hebben in uw werk en die u op
    dit moment niet hebt?
    De heer Kloosterman:
    Eh, niet echt, nee. Tja, het klinkt misschien heel raar, maar,
    eh… Het item afluisteren bijvoorbeeld met gerichte microfoons
    speelt, eh, nee… dat werkt niet.
    De voorzitter:
    Dat werkt niet?
    De heer Kloosterman:
    Ik heb nog nooit gezien dat zoiets werkt. Ze hebben mij nog
    nooit kunnen bewijzen dat dit te doen is voor ons soort werk. Het
    is mooi in het bos, als het heel stil is, voor de vogeltjes, maar
    ik denk niet dat je in een stad als Amsterdam een richtmicrofoon
    kan gebruiken. Verder kan ik mij eigenlijk geen middelen indenken
    die ons werk makkelijker zouden kunnen maken.
    De heer Koekkoek:
    Het afluisteren van GSM?
    De heer Kloosterman:
    Ik denk wel dat dat een voorwaarde is, maar het is een tweede
    of dat door ons moet gebeuren of gewoon in een speciale kamer.
    De heer Rabbae:
    Liplezen?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Nou, ik weet inderdaad gevallen waarin je dat best wel eens
    zou willen. Als je een video-opname hebt van de een of andere
    ontmoeting en je ziet daarop mensen praten, zou het misschien wel
    eens makkelijk zijn, maar ik heb dat nog nooit…, nee. Het is een
    heel goed idee van u, maar…
    De heer Rabbae:
    Ik begrijp dat u dat niet overneemt.
    De heer Kloosterman:
    Nee.
    De voorzitter:
    Goed, mijnheer Kloosterman, mogen wij met dat goede idee
    sluiten? Ik dank u wel.
    De heer Kloosterman:
    Graag gedaan. Sluiting 18.13 uur


    Inhoudsopgave en zoeken