• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – mr. A.C. Maan

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 35

    29 september 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 29 september 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. A.C. Maan
    Aanvang 14.30 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos, alsmede de heer Nava,
    plv. griffier
    De voorzitter:
    Mijnheer Maan, wilt u opstaan voor het afleggen van de belofte?
    Deze luidt: Ik beloof de gehele waarheid en niets dan de waarheid
    te zeggen.
    De heer Maan:
    Dat beloof ik.
    De voorzitter:
    Mijnheer Maan, u bent officier van justitie in Amsterdam. U was
    officier van justitie in Utrecht. Wij willen in algemene zin
    spreken over het functioneren van een zaaksofficier, dat wil
    zeggen: degene die de zaak op de zitting brengt, over uw rol als
    officier in de zware criminaliteit en over de opsporingsmethodieken
    in de zaak-R., die wij hier gisteren en vandaag al besproken
    hebben, omdat u daar ook een rol in speelt als zaaksofficier. U
    begint in 1989 als officier van justitie. Komt u daarin direct
    vanuit de RAIO-opleiding of bent u ook advocaat geweest?
    De heer Maan:
    Ik ben advocaat geweest gedurende een tweetal jaren in het
    kader van de opleiding tot rechterlijk ambtenaar. Verder ben ik
    rechtstreeks van de universiteit in de opleiding gegaan en daarna
    officier van justitie geworden.
    De voorzitter:
    Is officier van justitie een baan voor het leven?
    De heer Maan:
    Voor mij in elk geval niet.
    De voorzitter:
    Voor u niet?
    De heer Maan:
    Nee.
    De voorzitter:
    Hoe ziet u het verder ingericht, als ik vragen mag?
    De heer Maan:
    Ik heb geen vastomlijnde ideen welk werk ik zal doen tegen de
    tijd dat mijn pensionering in beeld komt. Ik heb het uitstekend
    naar mijn zin in het openbaar ministerie. Het werk bevalt mij erg
    goed, maar ik zal niet zeggen dat ik dit blijf doen tot aan mijn
    65ste.
    De voorzitter:
    Wat zijn de beperkingen ervan?
    De heer Maan:
    Ik denk dat n van de beperkingen ervan is dat je uitsluitend
    met strafrecht bezig bent en dus slechts een onderdeel van het
    juridisch gebied. En van de voordelen is weer dat je daarnaast heel
    veel op beleidsmatig gebied bezig bent en diverse soorten van
    contacten naar buiten toe hebt. Het is tamelijk divers, maar het
    draait om het strafrecht.
    De voorzitter:
    Bent u een magistraat? Voelt u zich een magistraat?
    De heer Maan:
    Ik voel mij wel een magistraat. En van de belangrijkste
    kenmerken van mijn functie is een toetsende taak hebben ten aanzien
    van wat aangeleverd wordt en wat je voorlegt aan de rechtbank.
    De voorzitter:
    Voelt u zich daar onafhankelijk in?
    De heer Maan:
    Ik voel mij daar in de praktijk onafhankelijk in. Als je de
    formele structuur gaat bekijken, denk ik dat die onafhankelijkheid
    beperkt is, gelet op de formele regeling. In de praktijk is het zo
    dat je een behoorlijk grote ruimte hebt, zeker wanneer het moment
    van een zitting is aangebroken, om je eigen invulling te geven aan
    je taken.
    De voorzitter:
    Dus in de praktijk blijf je je eigen baas?
    De heer Maan:
    Je blijft je eigen baas ten aanzien van bepaalde soorten
    beslissingen die je neemt, bijvoorbeeld welke eis je uiteindelijk
    op een zitting stelt, hoe je het formuleert, wat voor redengeving
    je daaraan verbindt. Daarin ben je zeker je eigen baas.
    De voorzitter:
    Als officier van justitie leidt u de opsporing, volgens het
    Wetboek van Strafvordering. Wij hebben veel officieren van justitie
    hier gehad die in feite zeggen dat zij volstrekt afhankelijk zijn
    van wat de politie hen aanlevert, dat zij nauwelijks kunnen zeggen
    dat zij het opsporingsonderzoek leiden.
    De heer Maan:
    Tot op zekere hoogte is dat uiteraard zo, want de informatie
    die je aangeleverd krijgt, op basis waarvan je beslissingen neemt,
    is informatie die je aangeleverd krijgt door de politie. In dat
    opzicht ben je dus afhankelijk van de informatie die je aangeleverd
    krijgt.
    De voorzitter:
    Zou u het anders willen hebben?
    De heer Maan:
    Ik denk dat het heel moeilijk is om het anders vorm te geven,
    want dat zou betekenen dat je een heel andere structuur moet
    krijgen, waarin je als officier van justitie bij wijze van spreken
    zelf in de politie-organisatie zit, zodat je daarin zelf informatie
    inwint. Terwijl het, denk ik, juist van belang is dat politie en
    openbaar ministerie twee gescheiden instanties zijn en
    blijven.
    De voorzitter:
    Nu is gisteren bij ons geweest mevrouw Gonzales. Zij heeft een
    functie verdedigd waarin zij zeer nauw samenwerkt met de politie.
    Zij beschreef het als “wij zitten in n team”. Ziet u dat ook
    zo?
    De heer Maan:
    Ik zie dat in de grote zaken zeker zo. Ik denk dat je daarin
    heel dicht op de politie moet zitten en zeer frequent contact met
    de politie moet hebben en gezamenlijk moet bekijken welke richting
    het onderzoek uit gaat. Ik denk dat je dan wel kunt spreken van n
    team.
    De voorzitter:
    Wilt u meer te zeggen hebben over de keuze van onderwerpen die
    je als zaaksofficier behandelt?
    De heer Maan:
    U bedoelt onderwerpen in het kader van een onderzoek of het
    kiezen van een onderzoek?
    De voorzitter:
    Het kiezen van een onderzoek en dan binnen een onderzoek.
    De heer Maan:
    Het kiezen van een onderzoek, denk ik, is eerder iets wat in
    het kader van een overleg tussen bijvoorbeeld CID-officier, een
    unit-hoofd en een hoofdofficier en de politieleiding plaatsvindt
    dan dat daarin een zaaksofficier die de zaak moet gaan doen,
    meekiest welke zaak hij moet gaan doen. Ik kan mij best voorstellen
    dat dit ook op een ander niveau beslist wordt. Een zaaksofficier
    die dus verantwoordelijk is voor een specifieke zaak, is degene die
    heel sterk bepaalt welke richting het onderzoek uit gaat en wat
    daarin aan deelonderwerpen gekozen wordt.
    De voorzitter:
    En dan voelt u zich niet te veel gestuurd door de politie?
    De heer Maan:
    Nee. Ik heb die ervaring in elk geval niet.
    De voorzitter:
    Goed. Het is de bedoeling dat de heer Vos over de algemene
    elementen, die ik zojuist noemde, met u doorgaat.
    De heer Vos:
    Mijnheer Maan, ik wil inderdaad kort met u stilstaan bij enige
    algemene aspecten van uw werkveld in het Utrechtse. In eerste
    instantie heb ik van u gehoord dat u grote zware zaken doet. Zijn
    dat ook de plekken waarop u uw gezag kunt waarmaken?
    De heer Maan:
    Als zaaksofficier vind ik van wel. Het zijn langlopende zaken,
    waarin je met een vast team werkt en waarin dus ook een heel
    frequent contact is met de leiding van het team en waarin overleg
    plaatsvindt welke richting het onderzoek uit gaat en welke middelen
    gebruikt worden, welke deelprojecten gekozen worden. “Gezag”
    suggereert dat ik zou bepalen wat er gebeurt, maar het is uiteraard
    altijd een kwestie van overleg met de leiding van het
    desbetreffende team waarin uiteindelijk de keuzes bepaald
    worden.
    De heer Vos:
    Maar het gezag komt natuurlijk niet alleen tot uitdrukking op
    het juridisch vlak. Er moet ook een baas zijn, iemand die de
    eindverantwoordelijkheid heeft. U heeft zelf gezegd dat u juridisch
    misschien wat te weinig aan uw trekken komt op het strafrechtelijke
    terrein. Kunt u uw gezag ook in de persoonlijke zin waar maken?
    Bepaalt u de strategie?
    De heer Maan:
    Ik bepaal mede de strategie. Zoals ik zei, is dat iets wat je
    doet in overleg met het team, waarin je samen kiest op basis van de
    informatie die je krijgt, welke richting het uit gaat. Daarin
    bepaal je dus ook de strategie hoe het onderzoek vorm wordt gegeven
    en gaat lopen.
    De heer Vos:
    In Utrecht heb je, naar ik heb begrepen, de afdeling
    Bestrijding criminele organisaties.
    De heer Maan:
    Ja.
    De heer Vos:
    Is dat een organisatie die goed loopt?
    De heer Maan:
    Ja.
    De heer Vos:
    Heel goed loopt?
    De heer Maan:
    Mijn ervaring in de tijd dat ik in Utrecht zat, was dat dit een
    afdeling was die goed liep.
    De heer Vos:
    Is het aan te bevelen voor de rest van Nederland, zo’n
    organisatie?
    De heer Maan:
    Ik denk dat nagenoeg elk korps wel een afdeling heeft die zich
    gespecialiseerd heeft op dit soort delicten. Ik denk dat het ook
    een vereiste is dat als je het hebt over bestrijding van criminele
    organisaties, de aanpak van verboden zware feiten, dat er dan
    sprake moet zijn van een vast, geformeerd team dat daarin werkt,
    dat daarin ervaring opdoet, dat daarin leert en niet sprake van een
    groep mensen die los van de verschillende diensten bij elkaar
    worden gebracht om een zaak te gaan doen.
    De heer Vos:
    Maar het concept is niet zodanig dat u zegt dat het zo speciaal
    is dat de rest van Nederland het maar moet overnemen? Het is een
    algemeen concept?
    De heer Maan:
    Ik denk dat het een vorm is, waarin je kunt zorgen dat er een
    standaardcapaciteit is om dit soort zaken aan te pakken. Ik zal
    niet zeggen dat dit ht voorbeeld is hoe het in de rest van
    Nederland zou moeten.
    De heer Vos:
    Maar goed, ik begrijp dat het wel functioneert naar bevinden.
    De BECRO draagt voorstellen voor. Hoe is uw rol bij die
    voorstellen, als zij eenmaal voorgedragen zijn? Bent u de man die
    als het ware met de hamer zegt “ok” of heeft u nog verder een
    sturende rol?
    De heer Maan:
    Wanneer wij het hebben over de voorstellen welke zaak
    geselecteerd wordt, ben ik daarin in mijn Utrechtse tijd niet
    betrokken geweest. Dat was een kwestie van het overleg tussen de
    CID-officier, de hoofdofficier en de politieleiding. Nadat ik
    aangezocht ben als zaaksofficier voor een specifieke zaak, ben ik
    wel degene die daarin meepraat in welke richting het onderzoek
    gaat. Maar ik doe dat niet – dat is in elk geval niet mijn stijl –
    met een soort voorzittershamer, in de zin van “nu einde discussie,
    wij gaan die kant uit”. Je praat erover, je filosofeert erover.
    Daar ontstaat op een gegeven moment een bepaald beeld uit.
    De heer Vos:
    Heb ik het bij het juiste eind, als ik zeg dat u met name uw
    gezag vanuit de juridische insteek probeert waar te maken en minder
    vanuit de persoonlijke contactsfeer?
    De heer Maan:
    Het juridische is voor mij heel belangrijk. Dat is uiteindelijk
    ook de taak die ik op dat moment heb te vervullen, het juridisch
    toetsen en het juridisch bewaken van het onderzoek. Daarnaast zijn
    persoonlijke contacten wel degelijk van belang. Zonder persoonlijke
    contacten en zonder dat dat goed loopt, is het, denk ik, nauwelijks
    mogelijk om in onderling overleg samen tot een bepaalde beslissing
    te komen.
    De heer Vos:
    Maar het juridisch autoriteit zijn is voor u het
    belangrijkste?
    De heer Maan:
    Ja.
    De heer Vos:
    Het bureau Misdaadanalyse functioneert ook in Utrecht. Dat
    verzorgt een top-tien, begrijp ik. Is dat correct?
    De heer Maan:
    Ja.
    De heer Vos:
    Bent u het eens met de keuzes die door het bureau
    Misdaadanalyse gemaakt worden? Is dat voldoende kwalitatief
    hoogwaardig?
    De heer Maan:
    Ik denk het wel. Ik heb slechts n maal een dergelijke
    presentatie meegemaakt. Dat was lang in het verleden. Dat zal eind
    1990 geweest zijn. Dat was een bepaalde presentatie van die
    top-tien. Naar aanleiding daarvan is uiteindelijk de keuze gemaakt
    door de hoofdofficier en de CID-officier welke zaken uit die
    top-tien gekozen zouden moeten worden. Ik moet zeggen dat de
    presentatie die toen gehouden werd, op mij een degelijke indruk
    maakte.
    De heer Vos:
    Maar met alle respect, dat zo’n bureau Misdaadanalyse dat dan
    een top-tien heeft samengesteld, dan maar n keer een presentatie
    aan u heeft gehouden, verbaast mij toch, omdat u als officier, naar
    ik aanneem, verder de onderzoeken bepaalt. Of vergis ik mij
    daarin?
    De heer Maan:
    De presentatie van de top-tien was met name gericht op de
    selectie van de zaak die aangepakt zou worden. Zoals ik u heb
    gezegd, ben ik niet degene geweest die de uiteindelijke keuze
    bepaald heeft.
    De heer Vos:
    U heeft niet de ambitie om zelf de top-tien samen te
    stellen?
    De heer Maan:
    Of ik die ambitie heb, weet ik niet.
    De heer Vos:
    Dat vraag ik u.
    De heer Maan:
    De bedoeling van de presentatie was om een keuze te maken uit
    die projecten. Nogmaals, die keuze werd niet door mij bepaald op
    dat moment. Ik was toen aangezocht om de te selecteren zaak als
    zaaksofficier te gaan behandelen.
    De heer Vos:
    Maar betekent dat eigenlijk ook dat dan de politie het
    zwaartepunt ook heeft wat betreft de onderzoeken die eigenlijk
    gedraaid worden, en u een soort van staalkaart presenteert waaruit
    u de top-drie trekken mag?
    De heer Maan:
    Ik denk niet dat de politie uiteindelijk bepaalt welke zaak
    geselecteerd wordt. Als je enige jaren werkzaam bent op een bepaald
    gebied – ik was dat op dat moment nog niet, want zo lang was ik nog
    niet in Utrecht werkzaam – is op een gegeven moment redelijk
    bekend, ook binnen het openbaar ministerie, welke organisaties er
    actief zijn. Dan valt het uiteraard op als een bepaalde organisatie
    die bekend is, niet in die top-tien voorkomt. Daar worden dan
    uiteraard vragen over gesteld.
    De heer Vos:
    Maar had uw voorganger dan een doorslaggevende hand gehad in
    die top-tien?
    De heer Maan:
    Nee, bij mijn weten niet. Zoals ik zei, het kiezen uit die
    top-tien en het bepalen van die top-tien was een aangelegenheid die
    tussen de CID-officier, de hoofdofficier en de leiding van de
    politie besproken werd. Daar ben ik als zaaksofficier niet bij
    betrokken.
    De voorzitter:
    Is er dus eigenlijk een enorm verschil tussen de feitelijke rol
    van een doorsnee zaaksofficier aan de ene kant en de hoofdofficier
    en de CID-officier aan de andere kant?
    De heer Maan:
    Ten aanzien van het onderwerp waar u het nu over heeft bestaat
    er een heel groot verschil. De hoofdofficier en de CID-officier
    bepalen op enig moment aan de hand van de top tien welke zaak
    geselecteerd wordt. Zij zoeken – dat was in Utrecht het geval –
    binnen het officierenkorps de officier die de zaak gaat doen als
    zaaksofficier.
    De heer Vos:
    Ik kom er toch even op terug. Er zijn al vele officieren hier
    geweest. Iedereen, ook vanuit de CID, zegt dat de zaaksofficier de
    eindverantwoordelijkheid heeft. Die trekt de zaak en moet van alles
    op de hoogte zijn. Hij is eigenlijk de man bij wie de
    eindverantwoordelijkheid en het zwaartepunt liggen. U zegt
    eigenlijk meer dat u toch een beetje op afstand staat. Hoe zit het
    nou?
    De heer Maan:
    Dat zeg ik zeker niet. Ik ben degene die de
    eindverantwoordelijkheid heeft voor de zaak, maar ik ben niet
    degene die de eindverantwoordelijkheid heeft voor de keuze van de
    zaak die op een moment door de afdeling Becro aangepakt gaat
    worden.
    De voorzitter:
    Was er in Utrecht bijvoorbeeld een officierenvergadering, waar
    men met elkaar overleg had in algemene zin, zoals wij een
    fractievergadering hebben? Ik kan mij zo voorstellen, dat het
    helemaal op uw bord wordt gedeponeerd door die twee hogere dames
    en/of heren, de CID-officier en de hoofdofficier.
    De heer Maan:
    Er is in Utrecht een maandelijkse parketvergadering waarin alle
    officieren bij elkaar zijn en allerlei juridische, praktische en
    feitelijke zaken besproken worden. De keuze van de zaak is
    inderdaad uiteindelijk een beslissing van de hoofdofficier en de
    CID-officier, die ook medio februari 1991 bij mij gekomen zijn om
    een gesprek te hebben over de zaak die was geselecteerd en mij als
    zaaksofficier daarin aan te zoeken.
    De heer Vos:
    Ik vraag het eigenlijk omdat nogal eens verdedigd wordt, dat de
    tactische recherche de CID-recherche behoort aan te sturen. In het
    tactische traject is de zaaksofficier belangrijk. Deelt u het
    standpunt dat de tactische recherche en daarmee de daarbij
    behorende officier een drukkende functie heeft?
    De heer Maan:
    Lopende de zaak zeker! Ik ben van mening, dat de zaaksofficier,
    die uiteindelijk in de zitting de zaak zal moeten doen, degene is
    die daarin de volledige verantwoordelijkheid dient te dragen.
    De heer Vos:
    Heeft het financieel rechercheren volgens u toekomst?
    De heer Maan:
    Ik denk zeker dat dit toekomst heeft. Het rechercheren van
    financile stromen binnen een organisatie is zeker van belang.
    De heer Vos:
    Bent u er enthousiast over? Denkt u: langs die weg gaan wij ze
    pakken?
    De heer Maan:
    Het hangt helemaal van de zaak af, van het onderwerp dat
    gerechercheerd wordt.
    De heer Vos:
    Wij spreken over de zware georganiseerde criminaliteit.
    De heer Maan:
    Ook daarin kunnen diverse vormen voorkomen. In een bepaalde
    zaak kan het volgen van financile stromen veel helderheid geven
    over de andere stromen in een organisatie. Ik denk dat het zeker
    een onderzoeksonderdeel is dat van groot belang is.
    De heer Rouvoet:
    Hoe gespitst bent u op het openen van een financieel
    strafrechtelijk onderzoek? Doet u dat regelmatig?
    De heer Maan:
    Ik doe het niet regelmatig. Tot nu toe hebben zich naast de
    zaak R., die overigens dateert van voor de desbetreffende
    wetgeving, nog geen andere zaken aangediend die aanleiding gaven om
    dat traject in te zetten.
    De heer Rouvoet:
    Maakt u wel de afweging of het niet meer de financile kant op
    moet? Moet de politie een duwtje in die richting worden gegeven?
    “Jongens, is er geen reden voor een SFO?”
    De heer Maan:
    Ja zeker! Er kan echter in een zaak ook zonder financieel
    strafrechtelijk onderzoek al voldoende informatie zijn om
    bijvoorbeeld een ontnemingstraject in te gaan en de financile
    stromen af te romen. Het is niet altijd noodzakelijk dat daarvoor
    een SFO plaatsvindt.
    De voorzitter:
    Zou ik het gedeelte over de keuze van het onderzoek nog met een
    volgende vraag mogen afronden? Ook uit Utrecht hebben ons geluiden
    bereikt, dat die top tien toch een beetje armoedig is vastgesteld,
    omdat er geen goed zicht zou zijn op hetgeen zich in de hele regio
    afspeelt. Er zou ook wel eens een keuze worden gemaakt meer om
    duidelijk te maken dat een zaak eigenlijk ten onrechte in de top
    tien staat dan omdat het nu werkelijk de belangrijkste zaak is. In
    Amsterdam zou dat beter geregeld zijn, doordat er daar een
    combinatie is van Criminele Inlichtingendienst, bureau
    recherche-informatie en tactische recherche.
    De heer Maan:
    Uit mijn Utrechtse verleden is mij niet bekend, dat een zaak in
    de top tien heeft gestaan om aan te tonen dat zij daar niet bij
    hoorde.
    De voorzitter:
    Dat zij er al lang op staat zou de mensen tot de keus brengen
    om dat maar te doen, zodat zij er daarna misschien meteen afgehaald
    zou kunnen worden. Dat zegt u niets?
    De heer Maan:
    Nogmaals, ik ben niet betrokken geweest bij het daadwerkelijk
    kiezen. Ik weet niet of dat een afweging is geweest.
    De voorzitter:
    Heeft u er nooit van gehoord?
    De heer Maan:
    Ik heb ervan gehoord in het kader van het eerdere gesprek dat
    ik met uw commissie heb gevoerd; daarvoor niet.
    De voorzitter:
    En daarna ook niet meer?
    De heer Maan:
    Nee!
    De heer Vos:
    Om nog even de omstandigheden op uw werkveld te schetsen: hebt
    u het gevoel dat u dweilt met de kraan open? Houdt u zware
    criminaliteit tegen of is er geen houden aan?
    De heer Maan:
    Ik denk niet dat het dweilen is met de kraan open. Er zijn naar
    mijn inschatting zodanig veel organisaties, dat het aanpakken van
    elke organisatie op dit moment, gelet op de capaciteit en de
    middelen die politie en justitie in Nederland hebben, een illusie
    is. Ik denk wel dat politie en justitie op dit moment duidelijk
    successen boeken. Kijk je wat er de afgelopen tijd is gebeurd met
    een aantal collega’s van mij, naar de wijze waarop criminele
    organisaties proberen terug te slaan, dan toont dat naar mijn
    overtuiging aan dat wij op de goede weg zijn.
    De heer Vos:
    Helpt het daarbij dat u een beroep doet op derden, zoals
    accountants, om uw onderzoeken hoogwaardiger te maken?
    De heer Maan:
    Het kan van belang zijn in een bepaald onderzoek om de hulp van
    een externe deskundige in te roepen, om duidelijkheid te scheppen
    hoe bijvoorbeeld – u noemt accountants – financile geldstromen in
    elkaar zitten.
    De heer Vos:
    Is dat gebeurd?
    De heer Maan:
    Niet in mijn praktijk, maar ik weet dat er afspraken zijn via
    het CABB, de instantie de belast is met het verlenen van
    ondersteuning voor de ontnemingswetgeving die er nu is.
    De heer Rabbae:
    Het beslagbureau!
    De heer Maan:
    Ja! Dat heeft contacten en afspraken met een accountantskantoor
    in Nederland, om deskundigen in te schakelen op het moment dat dit
    in bepaalde zaken noodzakelijk is.
    De heer Vos:
    Zou u het zelf doen als u de gelegenheid kreeg?
    De heer Maan:
    Ja! Als de noodzaak daartoe aanwezig is, zou ik er een beroep
    op doen.
    De voorzitter:
    Vindt u dat priv-accountants mee kunnen gaan opsporen? Dat zijn
    toch geen opsporingsambtenaren?
    De heer Maan:
    Naar mijn mening is er geen sprake van opsporing. Externe
    deskundigen wordt gevraagd, een oordeel te geven over materiaal dat
    de politie heeft opgespoord. Naar mijn mening is dat geen
    opsporing.
    De voorzitter:
    Maar kun je derden buiten de overheid, buiten politie en
    justitie, zo maar inzage geven in vertrouwelijke stukken en
    opsporingsgegevens?
    De heer Maan:
    Als je daar goede afspraken over maakt en er is een convenant
    gesloten met het desbetreffende kantoor, waarin zaken als
    geheimhouding, kennisneming en dergelijke geregeld zijn, dan denk
    ik dat het wel kan.
    De voorzitter:
    Zou u er ook voor kunnen zijn om bijvoorbeeld een
    recherchebureau in te schakelen voor de opsporing?
    De heer Maan:
    Nee, absoluut niet! Een recherchebureau zou opsporen. Zoals ik
    zei is het vragen van het oordeel van een deskundige over materiaal
    dat de politie heeft opgespoord iets anders dan een derde vragen om
    zelf te gaan opsporen.
    De heer Vos:
    Waarom eigenlijk niet? Er zijn natuurlijk toch recherchebureaus
    die een goede rol zouden kunnen vervullen. Zij zouden in feite
    bevoegdheden kunnen uitoefenen die bij de politie niet mogelijk
    zijn, maar die toch binnen een legaal circuit kunnen plaatsvinden.
    Daar kunt u toch gebruik van maken?
    De heer Maan:
    Naar mijn mening niet! In Nederland is de politie belast met de
    opsporing van strafbare feiten. Daar zijn bevoegdheden aan
    gekoppeld die in het kader van de wetgeving zijn toegekend. Het zou
    mij veel te ver gaan als de politie priv-organisaties of commercile
    organisaties ging benaderen om te doen wat zij zelf niet zou
    mogen.
    De heer Vos:
    Ik wil hiermee het algemene gedeelte afsluiten en de voorzitter
    vragen, over de zaak R. door te gaan.
    De voorzitter:
    Wij hebben de zaak R. hier al van een paar kanten bekeken. Wij
    hebben die zaak uitgekozen omdat zij uiteindelijk een althans voor
    het openbaar ministerie vrij dramatische afloop heeft. Wij hebben
    in ons onderzoek gekeken wat daar feitelijk de redenen van waren.
    Dat is u ook bekend. Kunt u voor ons heel in het kort de zaak
    schetsen? Het was een heel grote zaak, in ongeveer vijftig ordners.
    U bent er volgens uw stukken ongeveer drie jaar mee bezig
    geweest.
    De heer Maan:
    Het onderzoek richtte zich op het ontmantelen van een
    organisatie die zich in hoofdzaak bezighield met het invoeren en
    verhandelen van softdrugs. Het is medio 1991 gestart. Begonnen is
    met allerlei informatie in te zamelen die er in het land was over
    de leden van de organisatie. Die informatie gaf op enig moment
    aanleiding om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen en daarin
    toepassing van bepaalde dwangmiddelen te vragen. Vervolgens heeft
    men in het kader van de resultaten daarvan een aantal deelprojecten
    geselecteerd, waaruit concrete strafbare feiten bleken die gepleegd
    waren door de organisatie. Die zijn verder uitgediept, in overleg
    met mij. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een dossier van de
    omvang die u schetst, waarna de zaak op de rechtbank gepresenteerd
    is door mij.
    De voorzitter:
    Wanneer kreeg u de eerste verdachte?
    De heer Maan:
    Dat is al relatief snel. Dat zal medio april 1991 geweest
    zijn.
    De voorzitter:
    Was de start van het onderzoek gebaseerd op
    CID-informatie?
    De heer Maan:
    De start van het onderzoek was niet alleen gebaseerd op
    CID-informatie, maar ook op operationele informatie die in het land
    aanwezig was, omtrent activiteiten van de hoofdverdachte en op
    informatie die afkomstig was uit het buitenland.
    De voorzitter:
    Operationele informatie, waar moeten wij dan aan denken? Waar
    haalt u die vandaan?
    De heer Maan:
    Dat was informatie die in het kader van een onderzoek door
    rechercheurs verzameld is bij verschillende politiekorpsen. Daar
    lag informatie dat leden van deze organisatie zich zouden
    bezighouden met de handel…
    De voorzitter:
    Nee, maar uit wat voor een bestand komt dat dan?
    De heer Maan:
    Dat komt uit verschillende bestanden bij andere korpsen. Dat
    kunnen CID-bestanden zijn, dat kunnen oude processen-verbaal zijn,
    dat kunnen processen-verbaal uit het buitenland zijn, over bepaalde
    partijen softdrugs die gepakt zijn.
    De voorzitter:
    Wij hebben dat dossier ook gezien. Het heeft een enorme omvang.
    Hoeveel mensen, denkt u, hebben dat dossier helemaal gelezen?
    De heer Maan:
    Dat zou ik niet durven zeggen. Ik weet het niet. Er zijn een
    heleboel mensen bij de zaak betrokken geweest, dus ik neem aan dat
    een heleboel mensen het gelezen hebben.
    De voorzitter:
    Je kreeg bijna de indruk dat er een enorme hoeveelheid
    verzameld wordt. Is zo’n zaak niet bijna te veel uitgedijd?
    De heer Maan:
    Nee, want als wij alle strafbare feiten die zich mogelijk
    binnen de organisatie voordeden hadden meegenomen, was het dossier
    nog veel groter geweest. Er is een selectie gemaakt van zaken die
    uiteindelijk in het dossier zijn gekomen. Als u onverhoeds
    geconfronteerd wordt met een rij van vijftig ordners, kan ik mij
    voorstellen dat dit haast onoverkomelijk lijkt. Er is natuurlijk
    een proces-verbaal dat in de loop van de tijd gegroeid is. Vanaf de
    aanvang ben ik betrokken geweest bij het ontstaan. In zoverre is
    dat voor mij een situatie waarin ik langzaam op de hoogte ben
    geraakt van het dossier.
    De voorzitter:
    Hoeveel verdachten hebt u op de zitting gebracht?
    De heer Maan:
    In totaal zijn er vijf verdachten op de zitting geweest.
    De voorzitter:
    Hoe groot was volgens u de groep?
    De heer Maan:
    De groep verdachten die gepland was om op de zitting te brengen
    was aanzienlijk veel groter. Dat zullen ongeveer twintig man zijn
    geweest. Dat was een groep die betrokken was bij de organisatie,
    maar dat is heel breed. Als je het ook hebt over een chauffeur die
    een keer een partij rijdt zit je al op een veel groter aantal.
    De voorzitter:
    Wat doet u besluiten om uiteindelijk toch maar vijf mensen te
    nemen?
    De heer Maan:
    Besloten is om met name de drie hoofdverdachten als eersten op
    de zitting aan te brengen. Dat is gebeurd. De ontwikkelingen
    tijdens de zitting op de rechtbank gaven vervolgens aanleiding, met
    het aanbrengen van de overige verdachten te wachten totdat het
    gerechtshof een beslissing had genomen in de zaak, gelet op alles
    wat er uiteindelijk gebeurd is in de zaak. De reden dat er niet
    meer verdachten zijn vervolgd, is erin gelegen dat de zaak bij het
    gerechtshof in een niet-ontvankelijkheid is geindigd.
    De voorzitter:
    Anders had u het wel gedaan?
    De heer Maan:
    Dat was zeker het voornemen, ja.
    De voorzitter:
    Wat was er ten laste gelegd?
    De heer Maan:
    Een variteit aan delicten: deelname aan een criminele
    organisatie, artikel 140 Wetboek van Strafrecht, en daarnaast de
    handel in verdovende middelen, in verschillende delicten.
    De voorzitter:
    Ook nog het witwassen c.q. heling?
    De heer Maan:
    Dat was niet opgenomen op de dagvaarding.
    De voorzitter:
    Dat was omdat de Pluk ze-wetgeving er nog niet was?
    De heer Maan:
    Wij zaten in het kader van deze zaak met het probleem van de
    invoering van de Pluk ze-wetgeving, halverwege het onderzoek. Dat
    gaf juridisch een aantal complicaties in het kader van het
    overgangsrecht, waardoor de ontneming op basis van de oude
    bepalingen toegepast moest worden. Aangezien alle feiten die op de
    dagvaarding stonden en die zich hadden voorgedaan, partijen betrof
    die uiteindelijk gepakt waren door de politie, kun je je afvragen
    of je dan niet in een heel moeilijke voordeelsberekening terecht
    moet komen wat het voordeel betreft.
    De voorzitter:
    Had u nu veel geld gelokaliseerd of viel dat tegen?
    De heer Maan:
    Er is uiteindelijk niet veel geld in beslag genomen.
    De voorzitter:
    Hoeveel?
    De heer Maan:
    Dat weet ik niet uit mijn hoofd. Dat zou ik moeten
    nazoeken.
    De voorzitter:
    Maar minder dan een miljoen gulden?
    De heer Maan:
    Ja.
    De voorzitter:
    U heeft ook geprobeerd geld te zoeken in Zwitserland,
    Liechtenstein etcetera.
    De heer Maan:
    Ja.
    De voorzitter:
    Was dat succesvol?
    De heer Maan:
    Het heeft uiteindelijk niet geleid tot het traceren van
    bedragen en inbeslagneming daarvan.
    De voorzitter:
    Als wij nu de punten nagaan waarop de zaken blijkbaar mislopen,
    voor u dan, is dat allereerst dat de politie in de zaak-R.
    videocamera’s gebruikte. Wist u van het gebruik van die
    videocamera’s?
    De heer Maan:
    Daar wist ik van.
    De voorzitter:
    Daar had u ook toestemming voor gegeven?
    De heer Maan:
    Daar had ik toestemming voor gegeven.
    De voorzitter:
    Als je het proces-verbaal leest, is niet duidelijk dat een
    videocamera gebruikt is. Uit mijn hoofd: ordner nr. 6. Is u dat nog
    opgevallen, toen u het proces-verbaal las?
    De heer Maan:
    Dat is mij bij lezing van het proces-verbaal niet opgevallen.
    Ik wil dat graag toelichten. In het kader van deze zaak hebben
    natuurlijk heel veel observaties plaatsgevonden. Observaties door
    een observatieteam, observaties met behulp van statische camera’s;
    op allerlei verschillende manieren. Soms heeft dat resultaat in de
    zin dat iets gezien wordt, soms ook niet. Dat betekent dat voor mij
    niet traceerbaar is, als officier van justitie, uit al die
    observaties die in de loop van de tijd zijn gepleegd, of de
    observaties die in het procesverbaal zijn neergelegd en die dus
    iets hebben opgeleverd, op de ene wijze of de andere wijze zijn
    geconstateerd. Ik kan het alleen lezen in het proces-verbaal, zoals
    het daarin is verwoord. Dat gaf mij geen aanleiding om te
    veronderstellen dat het op een andere wijze is geweest.
    De heer Vos:
    Maar heeft u niet juist met speciale interesse gezocht naar de
    resultaten van de camera’s die u ingezet had? U heeft daar een
    besluit over genomen; een bijzondere methode, technisch vernuft.
    Dan ben je toch genteresseerd om te weten wat het oplevert?
    De heer Maan:
    Uiteraard ben je genteresseerd om te weten wat het oplevert.
    Dat betekent, als op een gegeven moment aan mij teruggekoppeld
    wordt dat een bepaald iets gezien is, wat van belang kan zijn, dat
    dit voor mij interessant is. Ik heb alleen op dat moment niet de
    neiging gehad om te vragen of het door een observatieteam is
    gezien, of door een informant die het verteld heeft of dat het
    gezien is met behulp van een videocamera. Het ging mij op dat
    moment erom, de inzameling van bewijsmiddelen te bewaken.
    De heer Vos:
    Maar u kunt ook zeggen dat het u op dat moment weinig uitmaakte
    hoe in feite geobserveerd was. Het maakte niet uit of het met de
    ogen was gezien of met een camera. Is dat een mogelijk
    antwoord?
    De heer Maan:
    Nee. Het is bij mij niet een geval geweest dat ik heb gedacht:
    het maakt niet uit hoe het ingezameld is, als het resultaat er maar
    is. Er is mij op enig moment gevraagd hoe ik stond tegenover het
    plaatsen van een videocamera en het gebruik maken ervan. Dat heb ik
    goedgekeurd. Later in het dossier heb ik geconstateerd dat er
    observaties zijn. Er zitten in het dossier veel meer observaties.
    Ik lees dat proces-verbaal. En dan lees ik daarin dat iets gezien
    is. Dan is mijn veronderstelling – daar ben ik althans van
    uitgegaan – als ik in een proces-verbaal lees dat een
    opsporingsambtenaar op een bepaalde dag iets gezien heeft, dat hij
    zelf op die dag…
    De voorzitter:
    Misschien moeten wij even uitleggen waar het over gaat. Het
    gaat erom dat in het proces-verbaal staat: Ik, opsporingsambtenaar,
    heb gezien dat op zo en zoveel januari negentien zoveel, om 9.32
    uur de mij bekende A. het pand in de Kalverstraat verliet. Het was
    niet de Kalverstraat, maar dat doet er nu niet toe.
    De heer Maan:
    Dat stond in het proces-verbaal. Dat gaf mij ook aanleiding om
    ervan uit te gaan dat er sprake was van een observatie door de
    bewuste opsporingsambtenaar, die dat gezien heeft. Later bleek dat
    de desbetreffende ambtenaar de videoband bekeken had waarna die
    scne, hetgeen er gebeurd is, door hem beschreven is. Dat betekent
    dat hij dus niet op die dag, dat tijdstip, dat gezien heeft, maar
    dat hij later aan de hand van een videoband geconstateerd heeft dat
    op die dag dat gebeurd is.
    De voorzitter:
    Daar zit dus verschil in. Vond u dat een belangrijk
    verschil?
    De heer Maan:
    Ik vind dat een politieman in zijn verbaal moet vermelden wat
    hij gedaan heeft. Dus vind ik dat een belangrijk verschil. Hij
    heeft een videoband bekeken; hij heeft niet daar op die dag dat
    gezien.
    De voorzitter:
    Waren die videobanden nog terug te vinden?
    De heer Maan:
    De videobanden waren niet terug te vinden. Zij waren
    gewist.
    De voorzitter:
    Wist u daarvan?
    De heer Maan:
    Ik wist niet van het wissen van de videobanden. Dat heb ik
    later inderdaad vernomen, toen dit onderwerp ter sprake kwam. Mij
    is verteld dat de reden van het wissen van die videobanden was het
    voorkomen dat ooit iemand zou kunnen constateren waar die camera
    gestaan had. Daar kan ik mij iets bij voorstellen, maar ik denk dat
    het verstandiger was geweest als besloten was om de banden wel te
    bewaren zodat ik later zelf kon beoordelen of die banden en zo ja,
    aan wie getoond zouden worden.
    De voorzitter:
    Nu vindt de rechtbank dit klaarblijkelijk een belangrijk
    onderscheid, want in het vonnis van de rechtbank wordt dit gedeelte
    als het ware niet meer tot het bewijs toegelaten. Het wordt eruit
    gehaald. Vond u dat een terechte conclusie?
    De heer Maan:
    Ik vond dat geen terechte conclusie. Ik was van mening dat er
    in het onderzoek openheid van zaken werd gegeven hoe het wel was
    gegaan. Er zijn toen ook aanvullende processen-verbaal gemaakt door
    de bewuste mensen, waarin zij hebben weergegeven dat zij een
    videoband hebben afgekeken. Ik denk dat bijvoorbeeld door het
    verhoor van deze politiemensen op de zitting er duidelijkheid had
    kunnen komen omtrent hetgeen gebeurd was. Ik zie geen reden om te
    zeggen, nu de videobanden gewist waren, dat nimmer meer vastgesteld
    kan worden wat gebeurd is, want op het moment dat een observant
    achter een boom staat te kijken – om dat voorbeeld te noemen – kan
    iemand anders later ook niet aan de hand van een videoband
    terugzien wat hij gezien heeft. Ook dan moet je afgaan op zijn
    verklaring, die hij onder ede op de zitting aflegt.
    De voorzitter:
    Maar is het probleem misschien ook niet dat iemand die
    proces-verbaal maakt, dat in feite een hele tijd later maakt dan
    dat het gebeurd is?
    De heer Maan:
    De videobanden zijn elke 24 uur afgekeken.
    De voorzitter:
    Maar daarvan is geen proces-verbaal gemaakt. Dat is
    waarschijnlijk in een journaal gezet.
    De heer Maan:
    Dat is direct in een journaal verwerkt. Daarin staat dus ook de
    informatie die later is omgebouwd naar een proces-verbaal.
    De voorzitter:
    En het proces-verbaal zoals het eerst gemaakt was… Was het
    nu, kun je zeggen, een slordigheid? Want zij hadden natuurlijk
    beter kunnen zeggen: wij zagen dat mijnheer X op 9.32 uur dat en
    dat deed. Niet: wij zagen om 9.32 uur, maar: wij zagen dat mijnheer
    X op 9.32 uur. Dan was het waarschijnlijk goed gegaan.
    De heer Maan:
    Dan was het goed gegaan, als men openheid had betracht.
    De voorzitter:
    Maar heeft de politie dat nu bewust gedaan om die observatie
    per video als het ware af te schermen? Of is het gewoon een
    stommiteit?
    De heer Maan:
    Ik heb achteraf niet de indruk dat het bewust om die reden
    gedaan is. Er bevinden zich in het dossier namelijk ook
    processen-verbaal van observaties waarin het wel op de juiste wijze
    geformuleerd is, maar waarin niet letterlijk met zoveel woorden
    staat dat er een videocamera gebruikt is.
    De heer De Graaf:
    Staat er dan ook bij wanneer het is waargenomen? Als je naar
    een videoband kijkt, kan dat ook later zijn. Was het de dag erna,
    dan zouden zij eigenlijk moeten zeggen: Ik zag op 21 augustus dat
    op 20 augustus op dat en dat tijdstip dat is gedaan.
    De heer Maan:
    Ik heb niet de exacte formulering in mijn hoofd. Voor zover ik
    mij kan herinneren, was het een formulering dat geconstateerd is
    dat op die en die datum op dat en dat tijdstip dat en dat is
    gebeurd.
    De heer De Graaf:
    Dat zegt nog niets. Dan weet je nog steeds niet of het een
    video of niet is geweest.
    De heer Maan:
    Er wordt geen openheid gegeven omtrent de vraag of het een
    video-opname is geweest of niet. Het zegt in zoverre iets dat er
    niet staat dat die man op die dag dat en dat gezien heeft. Want dat
    kan dus niet.
    De heer Vos:
    Vindt u niet dat het gebruik van camera’s zich uitstekend leent
    voor het zogenaamde half-open traject, waarmee je wel aangeeft met
    welke methode is waargenomen, maar niet precies waar die methode is
    aangewend?
    De heer Maan:
    Ik denk dat die zich daar uitstekend voor leent.
    De voorzitter:
    U zegt dat je eventueel de videocamera toch uit het
    proces-verbaal kunt laten.
    De heer Maan:
    Persoonlijk vind ik van niet. Ik denk dat er in het inmiddels
    gevolgde systeem van een methodiekenverbaal gewoon openheid moet
    worden gegeven over de methode die gebruikt is.
    De voorzitter:
    Ik wil overgaan naar het scannen van de autotelefoons, de
    ATF’s. Er is eerst een machtiging voor een bepaald nummer gekregen
    van de rechter-commissaris, maar in feite is veel algemener gescand
    dan die ene machtiging toestond. Is dat juist?
    De heer Maan:
    Dat is de beslissing die uiteindelijk door het gerechtshof
    gegeven is.
    De voorzitter:
    Laat ik dan terugredeneren naar hoe u het zag.
    De heer Maan:
    Het probleem toen met het scannen van autotelefoons was dat er
    een bepaalde frequentie afgeluisterd kon worden, maar niet exact
    kon worden aangegeven welk telefoontoestel, welk nummer op dat
    moment afgeluisterd werd. Dat is ook aanleiding geweest om een
    bespreking te hebben met de rechter-commissaris waarin die
    problematiek aan de orde is geweest. Er is toen een
    machtigingsvordering gekomen, waarin een bepaald nummer aangevoerd
    werd. Er is toen een beschikking gekomen, waarin aangegeven werd
    dat dit bepaalde nummer afgeluisterd mocht worden. Uit mijn
    herinnering geput, stond daar een zinsnede onder dat ook
    afgeluisterd mochten worden andere gesprekken waarvan vastgesteld
    werd dat de hoofdverdachte die voerde. Dat was dus ook de opzet, om
    op die manier een machtiging te kunnen krijgen die zich richtte op
    een bepaalde verdachte die gebruik maakte van mobiele
    telefoontoestellen.
    De voorzitter:
    Nu is het probleem dat die machtiging elke vier weken moet
    worden vernieuwd en dat die klaarblijkelijk vier weken daarna niet
    voor al die nummers vernieuwd wordt.
    De heer Maan:
    De machtiging is daarna elke vier weken vernieuwd. In de
    machtiging stond een bepaald nummer van een toestel genoemd.
    Geprobeerd is ook om steeds zo concreet mogelijk aan te geven van
    welke toestellen de verdachte gebruik maakte. In die beschikking
    stond eveneens vermeld: handhaaft de bepaling van de voorgaande
    beschikking voor wat betreft het overige. Dat is door mij opgevat
    als betrekking hebbend op het mogen afluisteren van de
    hoofdverdachte ten aanzien van elk toestel waar hij gebruik van
    maakte. Later is gebleken dat er kennelijk een communicatiestoornis
    is geweest met de rechter-commissaris, die bij het gerechtshof, als
    getuige gehoord, verklaard heeft dat dat niet de bedoeling
    was.
    De voorzitter:
    Wij hebben ook die heel dikke map, met al die machtigingen
    erin. In feite is het zo dat u daar n keer ten gronde over praat
    met de rechter-commissaris en dat er daarna al een stempel op wordt
    gezet van “machtiging toegestaan zoals geist” of zo.
    De heer Maan:
    Bij mijn weten is er niet elke keer gebruik gemaakt van een
    stempel. Ik weet dat het rechter-commissariaat in Utrecht dat soms
    doet. Er worden ook heel vaak beschikkingen zelf opgemaakt door het
    rechter-commissariaat waarin die zinsnede staat.
    De voorzitter:
    Heeft u nu ook nog overwogen om helemaal geen machtiging te
    vragen, met het argument dat het scannen van het verkeer in de open
    lucht is toegestaan?
    De heer Maan:
    Dat is overwogen. Daar is over gesproken in de fase dat wij
    naar het afluisteren van telefoongesprekken toe gingen. Toen is
    overwogen of het noodzakelijk is om een rechterlijke machtiging aan
    te vragen. Het resultaat van die discussie was dat die machtiging
    wel gevraagd is.
    De voorzitter:
    Had u nu ook, volgens u, een telefoontap kunnen krijgen op alle
    telefoonnummers die de verdachte gebruikte? Zo geformuleerd, zou
    dat nog in overeenstemming met de wet zijn?
    De heer Maan:
    Ik weet uiteraard niet wat had kunnen gebeuren, want dat is
    puur hypothetisch. Ik denk niet dat een rechter-commissaris akkoord
    gaat met het verlenen van een beschikking die erop neerkomt, dat je
    maar moet zien wat je afluistert.
    De voorzitter:
    Dat is toch in feite vaak de praktijk geworden, niet alleen bij
    u, maar ook in andere zaken? Eerst gebruikt men in het algemeen
    scanners, om er nummers uit te halen die men daarna aan de
    rechter-commissaris geeft? Zo werkte het toch ook bij
    Kolibrie?
    De heer Maan:
    In deze zaak is geprobeerd, zoveel mogelijk vast te stellen van
    welke nummers de verdachten gebruik maakten en die in vorderingen
    aan te geven. Door middel van een bepaalde techniek werd het
    scannen zoveel mogelijk op de verdachten gericht, in de omgeving
    waar zij op dat moment verbleven. Gesprekken daaromheen werden
    zoveel mogelijk buiten het scannen gehouden.
    De voorzitter:
    Ik wilde zeggen, dat men eerst als het ware semi-pro-actief
    gaat scannen om achter de nummers te komen. Dat is ook de enige
    manier om achter de nummers te komen. Zo’n meneer heeft zoveel
    nummers, dat er op een andere manier niet achter te komen is.
    De heer Maan:
    Dat kan wel op een andere manier, door bijvoorbeeld via een
    machtiging gewoon een huislijn af te luisteren. Op enig moment kan
    dan gezegd worden: bel mij op mijn nummer, 06-zoveel. Dan heb je
    een bepaald nummer.
    De voorzitter:
    Maar hier is toch ook zeg maar pro-actief gescand?
    De heer Maan:
    Bij mijn weten is er niet pro-actief gescand. Bij mijn weten is
    er pas gescand op het moment dat ik een machtiging bij de
    rechter-commissaris heb ingediend.
    De heer Koekkoek:
    Toch nog even de gang van zaken. Uw eerste vordering strekt
    ertoe om bepaalde nummers te kunnen afluisteren en ook eventueel
    autotelefoonaansluitingen. De machtiging van de RC strekt daar ook
    toe, want daarin is sprake van eventuele andere
    autotelefoonaansluitingen waarvan het vermoeden bestaat, dat
    verdachte eraan deelneemt. Bij de verlenging verwijst u in uw
    vordering in feite naar de eerdere vordering, maar de laatste zin,
    die behoorlijk wat ruimte gaf, verschijnt niet meer op de
    machtiging van de RC. Is dat u niet opgevallen?
    De heer Maan:
    Wat ik zag verschijnen op de machtiging van de RC zijn de
    nummers die in de verlengingsvordering genoemd waren. Daarbij stond
    de zinsnede: handhaaft voor het overige de bepalingen van de
    eerdere beschikking. Dat heb ik genterpreteerd als mede omvattende
    de zin die u zojuist geciteerd hebt.
    De voorzitter:
    Dat vond het hof in Amsterdam dus niet precies genoeg.
    De heer Maan:
    Mede naar aanleiding van de verklaring van de
    rechter-commissaris ter zitting bij het hof.
    De voorzitter:
    Wat was die verklaring van de rechter-commissaris?
    De heer Maan:
    Ik ben niet bij het verhoor aanwezig geweest. Ik heb begrepen
    dat de rechter-commissaris daar heeft verklaard, dat het niet zijn
    bedoeling was om de eerste zin te laten herhalen in de andere
    beschikkingen.
    De voorzitter:
    Wat is de les die u uit deze episode trekt, voor als u weer met
    scanners en zo te maken krijgt?
    De heer Maan:
    Vorderingen nog letterlijker en zorgvuldiger formuleren!
    De voorzitter:
    Het volgende punt waarover ik het met u wilde hebben is, dat
    wij hebben begrepen dat de tactische recherche in de pro-actieve
    fase gebruik heeft gemaakt van de zogenaamde printerlijsten. Op
    machtiging van de officier heeft zij de nummers aangevraagd waarmee
    iemand gebeld heeft. Is dat zo?
    De heer Maan:
    Ik heb in de aanvang van de zaak, naar ik meen medio maart
    1991, een printermachtiging afgegeven.
    De voorzitter:
    Hoe lang heeft die geduurd?
    De heer Maan:
    Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik dacht dat het een
    eenmalige machtiging was, met een looptijd van vier weken.
    De voorzitter:
    Volgens mij zei men ons bij de tactische recherche dat die
    langer gelopen heeft.
    De heer Maan:
    Het kan zijn dat ik een verlengingsmachtiging afgegeven heb,
    maar dat zou ik moeten nagaan. Op dit moment weet ik het niet.
    De voorzitter:
    Zijn na die maand die gegevens vernietigd dan wel is er een GVO
    geopend?
    De heer Maan:
    Er is een gerechtelijk vooronderzoek geopend, maar dat was na
    een langere periode dan een maand.
    De voorzitter:
    De wet zegt toch: of na een maand vernietigen of een
    gerechtelijk vooronderzoek?
    De heer Maan:
    De wet zegt dat als je gebruikt wilt maken van de gegevens die
    uit een printerlijst naar voren zijn gekomen een gerechtelijk
    vooronderzoek moet worden gevorderd binnen een maand na ontvangst,
    na kennisneming van de desbetreffende gegevens.
    De voorzitter:
    Dus u zegt: ik mag er een tijd over doen voordat ik er kennis
    van neem en zo kan ik het oprekken?
    De heer Maan:
    Het is geen kwestie van oprekken. Het gaat niet om de datum
    waarop de beschikking door mij is gegeven. Het gaat om de datum
    waarop ik kennis neem van de desbetreffende gegevens, die voor mij
    relevant zijn om te gebruiken. Naar aanleiding daarvan beslis ik om
    een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen.
    De heer Rabbae:
    Als u om een of andere reden onbereikbaar bent en niet in staat
    bent om kennis te nemen van de gegevens, dan gaat het toch
    door?
    De heer Maan:
    Dan gaat het door, maar het kennis nemen van gebeurt niet naar
    aanleiding van een telefoontje. Ik ontvang van de politie een
    proces-verbaal of een rapport, waarin gerelateerd is wat de
    resultaten van de printer zijn.
    De heer Rabbae:
    Dat bedoel ik. Er is nog een moeilijke, zwaardere procedure en
    dus is het gemakkelijker, door te gaan, omdat u niet bereikbaar zou
    kunnen zijn.
    De voorzitter:
    Voor de duidelijkheid, waar staat dat de maand pas begint als u
    kennis neemt van de gegevens?
    De heer Maan:
    Uit mijn geheugen puttend, zeg ik dat dit artikel 125h, lid 4,
    Wetboek van strafvordering is.
    De voorzitter:
    Daar staat toch: dat hij heeft verkregen?
    De heer Maan:
    Na het verkrijgen van de inlichtingen!
    De voorzitter:
    Nee, er staat: dat hij heeft verkregen. Er staat niet: na het
    verkrijgen.
    De heer Maan:
    Maar het betekent dat ik pas een gerechtelijk vooronderzoek kan
    vorderen op het moment dat ik de inlichtingen heb verkregen.
    De voorzitter:
    De bedoeling van de wetgever is toch, dat het een maand kan
    lopen. Het is misschien pietluttig, maar het kan toch niet anders
    zijn dan dat je dan of de gegevens moet vernietigen of ermee verder
    moet gaan? Dat is toch de ratio ervan?
    De heer Maan:
    De ratio ervan is naar mijn mening, dat het gerechtelijk
    vooronderzoek gevorderd moet worden binnen een maand na het
    verkrijgen van de gegevens. Zo is naar mijn mening ook de
    jurisprudentie tot nu toe.
    De voorzitter:
    En hebt u dat wel gedaan?
    De heer Maan:
    Naar mijn mening is dat wel het geval geweest.
    De voorzitter:
    Weet u dat zeker of niet?
    De heer Maan:
    Ik weet de data niet exact uit mijn hoofd.
    De voorzitter:
    Maar u hebt al eens eerder gezegd, dat u zich expliciet op de
    jurisprudentie hebt beroepen, waarbij dan nog weer rek zit in die
    tijdsduur van een maand. Zo heb ik u toch goed begrepen?
    De heer Maan:
    Het gaat om de ingangsdatum van die maand.
    De voorzitter:
    Weet u nog of u precies binnen dan wel na die maand het
    gerechtelijk vooronderzoek hebt gevorderd of niet? De tactische
    rechercheurs zeiden ons dat het veel langer geweest was.
    De heer Maan:
    Ik weet op dit moment niet precies uit mijn hoofd op welke
    datum het gerechtelijk vooronderzoek gevorderd is.
    De voorzitter:
    Het belangrijkste punt, dat wij gisteren en vandaag al vaker
    besproken hebben, is dat van de inkijkoperaties. Wat is uw visie op
    die zaak? Op 19 februari 1994 verschijnt in het dagblad De
    Telegraaf een mededeling over mogelijke video-opnames in een loods.
    Wij hebben al gehoord hoe de conversatie tussen de CID-officier,
    mevrouw Van der Molen, en de heer Van Steeg, die hier vanochtend
    was, is verlopen. Wat heeft u gedaan toen u van dat feit
    hoorde?
    De heer Maan:
    Ik heb toen contact gehad met mevrouw Van der Molen, die met
    enige regelmaat op de zitting aanwezig was. Ik heb er met haar over
    gesproken dat dit uiteraard een bericht was waar een reactie op zou
    moeten komen. Het was niet mogelijk om het te negeren. Ik heb
    daarna contact gehad met de teamleider, de heer Verheul, omtrent
    het laten maken van een proces-verbaal waarin door de politie
    gereageerd werd op het artikel, namelijk op de vraag of in die
    loods een inkijkoperatie had plaatsgevonden of niet.
    De voorzitter:
    Dat proces-verbaal kwam heel snel.
    De heer Maan:
    Ja, met name doordat er de volgende dag een zittingsdag was. Ik
    was van mening dat het verbaal direct ingediend moest worden.
    De voorzitter:
    Klopte dat proces-verbaal?
    De heer Maan:
    Achteraf bleek dat het niet klopte.
    De voorzitter:
    Letterlijk klopte het toch wel?
    De heer Maan:
    Als je het verbaal letterlijk neemt, klopt het.
    De voorzitter:
    Nu heeft u dat proces-verbaal, waarin dus geen sprake was van
    de inkijkoperaties die in feite hadden plaatsgevonden, maar slechts
    een reactie werd gegeven op de mededeling in de krant,
    maatschappelijke meineed genoemd. Is dat niet wat sterk
    gezegd?
    De heer Maan:
    Het is een heel zware kwalificatie, die u moet plaatsen in mijn
    reacties, op het moment dat ik aan het eind van de zaak tot de
    ontdekking kwam dat er wel inkijkoperaties hadden plaatsgevonden.
    Ik wil graag toelichten wat ik ermee bedoel. Ik bedoel niet dat de
    opstellers van het proces-verbaal in juridische zin een meineed
    gepleegd zouden hebben, want dat is niet het geval. Waar het mij om
    gaat is, dat als op enig moment tijdens een proces blijkt, althans
    er aanwijzingen zijn en gesuggereerd wordt dat iets zich heeft
    voorgedaan, ik de politie vraag bij proces-verbaal te relateren wat
    er precies gebeurd is, of er een inkijkoperatie heeft
    plaatsgevonden of niet. Mij wordt door de politie een
    proces-verbaal aangeleverd waarin staat, dat een inkijkoperatie
    zoals omschreven in De Telegraaf niet heeft plaatsgevonden. Later
    blijkt dat er wel een inkijkoperatie heeft plaatsgevonden, maar dat
    die niet gericht was op het plaatsen van videocamera’s, maar op het
    daadwerkelijk binnen kijken. Er zijn mensen binnen het korps die op
    het moment dat mij de vraag gesteld werd wisten, dat er wel
    inkijkoperaties hadden plaatsgevonden. In mijn visie gaat op die
    wijze de politie als organisatie over de schreef. Vandaar, dat ik
    er die kwalificatie aan verbonden heb. Die richt zich meer tegen de
    politie als organisatie en niet tegen de personen die het verbaal
    hebben geschreven. Ik heb overigens begrepen dat zij ook
    daadwerkelijk niet wisten dat er een inkijkoperatie had
    plaatsgevonden.
    De voorzitter:
    Wie wisten het daadwerkelijk niet? De twee…
    De heer Maan:
    De twee opstellers van het proces-verbaal waar ik om gevraagd
    had.
    De voorzitter:
    Maar de mensen die het wel wisten, waaronder de heer Van Steeg,
    hebben vanochtend gezegd dat zij het helemaal niet hoefden te
    vertellen, omdat de politie zelfstandig de bevoegdheid had om dat
    te doen. Daar had het openbaar ministerie op dat moment eigenlijk
    niet mee te maken.
    De heer Maan:
    Ik denk dat je van mening kunt verschillen of het een
    bevoegdheid van de politie is buiten het openbaar ministerie om. Ik
    vind van niet. Los daarvan gaat het mij er om, dat als op enig
    moment in een proces gevraagd wordt of iets zich heeft voorgedaan
    en dat wordt ontkend, terwijl iemand weet dat het wel zo is, dat
    een andere situatie is dan wanneer men zich afvraagt of er overlegd
    moet worden of dat men het zelf mag. Het gaat er niet zozeer om dat
    de politie heeft ingekeken, want daarvoor is wel een bevoegdheid
    aanwezig. Voor mij is de situatie bepalend dat er door de politie
    als organisatie iets ontkend wordt, terwijl het wel is
    gebeurd.
    De voorzitter:
    Hebt u, in de maand die het geduurd heeft tussen zo ongeveer
    het verschijnen van het artikel in De Telegraaf en het eerste
    proces-verbaal naar aanleiding van het artikel en het moment dat
    mevrouw Van der Molen op de hoogte wordt gesteld, er nooit iets van
    gehoord?
    De heer Maan:
    Waarvan gehoord?
    De voorzitter:
    Van mogelijke inkijkoperaties?
    De heer Maan:
    Nee!
    De voorzitter:
    Nooit van gehoord! Hoe bent u er dan uiteindelijk achter
    gekomen?
    De heer Maan:
    Op de middag voor de uitspraak vroeg mijn CID-officier of ik
    langs wilde komen of zij kwam bij mij op de kamer; ik weet het niet
    meer. In ieder geval heeft zij mij toen verteld, dat haar door de
    politie was medegedeeld dat er wel inkijkoperaties hadden
    plaatsgevonden.
    De voorzitter:
    Hebt u toen niet gezegd: dan maken wij daar nu stante pede
    proces-verbaal van en daarmee ga ik nog naar de rechtbank?
    De heer Maan:
    Ik heb dat inderdaad niet gezegd. Ik had dat moeten doen. Dat
    meen ik oprecht. Op dat moment was ik kwaad, om het kort aan te
    duiden, over hetgeen ik hoorde. Ik heb de rest van de dag eigenlijk
    besteed aan overleg met de CID-officier en de hoofdofficier, om te
    achterhalen wat er nu precies gebeurd was, welke inkijkoperatie had
    plaatsgevonden onder wat voor omstandigheden. Ik ben verder bezig
    geweest om ten behoeve van de hoofdofficier, die er uiteraard
    inmiddels in gemengd was, een rapportage te maken omtrent mijn
    ervaringen van wat er gebeurd was. Het is toen niet in mij
    opgekomen op dat moment, op het allerlaatste moment, de rechtbank
    nog te informeren. Dat had ik moeten doen.
    De voorzitter:
    Heeft de hoofdofficier dat toen ook niet overwogen?
    De heer Maan:
    Het was op die dag tamelijk hectisch, door wat wij te horen
    kregen. Dat onderwerp is op dat moment niet ter sprake
    geweest.
    De voorzitter:
    Of dacht u: het kan toch allemaal nog goed aflopen?
    De heer Maan:
    Dat speelde op dat moment absoluut niet in mijn gedachten.
    De voorzitter:
    Dat is toch een logische vraag van mijn kant, omdat het
    uiteindelijk bij de rechtbank behalve dan met de ordner 6, ook goed
    afliep? De hoofdverdachte werd althans voor de hoofdfeiten
    veroordeeld.
    De heer Maan:
    Toen het bekend werd is uiteraard wel gezegd, dat er meteen
    proces-verbaal opgemaakt moest gaan worden van hetgeen bekend was
    gemaakt. Dat was naar mijn mening een proces-verbaal dat gemaakt
    werd voor het gerechtshof, waar de zaak onherroepelijk terecht zou
    komen. Zowel de verdachten als ik zijn in hoger beroep gegaan.
    De voorzitter:
    Waarom ging u in hoger beroep?
    De heer Maan:
    En van de overwegingen voor mij om in hoger beroep te gaan, was
    dat ik vond dat er bij het gerechtshof duidelijkheid moest komen
    over de situatie van de videocamera’s en omtrent de
    inkijkoperaties.
    De voorzitter:
    U wilde daarover duidelijkheid, de andere kant op, dat uw
    standpunt het juiste was?
    De heer Maan:
    Dat ook, ja.
    De heer Rouvoet:
    Kunt u zich voorstellen dat het wat lastig is om dit in te
    voelen? U zegt: ik had het wel moeten doen. Maar het was een heel
    hectische dag. U was boos, u was overdonderd. Maar u had een dag de
    tijd. De hele dag moet toch bij u het gevoel zijn geweest: morgen
    doet de rechtbank uitspraak. Dat betekent toch dat u met uw
    gedachten bij die uitspraak was. Is het geen moment bij u opgekomen
    om dat toch te melden, ongeacht waar u verder mee bezig was, om het
    toch te melden, ongeacht de vraag of u het daarmee kon repareren?
    Is dat helemaal niet bij u opgekomen?
    De heer Maan:
    Zoals ik zei, het is iets wat ik had moeten doen. Het is op dat
    moment niet bij mij opgekomen. De besprekingen die wij op dat
    moment hadden, richtten zich met name op de vraag hoe het had
    kunnen gebeuren. De contacten die ik op dat moment met het team
    had, waren zodanig dat het mij verbijsterde dat dit gebeurd was,
    ondanks de verzoeken die er waren ten aanzien van aanvullende
    processen-verbaal. Ik ben bezig geweest, zoals ik zei, met het
    rapporteren hoe dat gegaan is in de richting van de hoofdofficier.
    Uiteraard heb ik in mijn hoofd gehad “morgen is die uitspraak”,
    maar ik heb op dat moment niet in mijn hoofd gehad dat ik dat heel
    snel aan de president, aan de advocaten moest melden. En dat is
    iets wat ik wel had moeten doen. Daar ben ik de fout in
    gegaan.
    De voorzitter:
    U heeft daarna de ongebruikelijke stap genomen om ook de
    president van de rechtbank nog een brief te schrijven na het
    vonnis.
    De heer Maan:
    Ja.
    De voorzitter:
    Wat behelsde die brief?
    De heer Maan:
    Ik was van mening, gelet op hetgeen uiteindelijk op de zitting
    was gebeurd, namelijk dat ik daar een proces-verbaal had overgelegd
    waarin gezegd werd dat geen inkijkoperatie had plaatsgevonden… Ik
    heb mij op de zitting ook achter dat proces-verbaal gesteld en
    gezegd: dit is een verbaal van het team. Er heeft dus geen
    inkijkoperatie plaatsgevonden. Als dan ineens boven tafel komt dat
    er wel is ingekeken, kan ik mij zeer goed voorstellen dat de
    rechtbank ook zijn vraagtekens krijgt in de richting van mij en
    mijn opstelling op de zitting. Ik heb daarom besloten de voorzitter
    van de strafkamer, de president van de kamer, een brief te sturen
    waarin ik hem heb uitgelegd hoe het gegaan is en waarin ik hem in
    feite heb gevraagd, mijn integriteit niet in twijfel te
    trekken.
    De heer Vos:
    Mijnheer Maan, u heeft hiermee de zaak wel erg naar uzelf toe
    getrokken. Had het ook niet in de lijn gelegen als u tegen mevrouw
    Van der Molen had gezegd dat zij het probleem veroorzaakte, dat zij
    u niet had genformeerd, waardoor u voor schut ging en dat zij het
    zelf maar moest oplossen?
    De heer Maan:
    Ik ben degene die op de zitting staat. Ik ben degene die daar
    een zaak presenteert. Als er iets gebeurt waardoor ik het gevoel
    krijg dat anderen aan mijn integriteit gaan twijfelen, vind ik dat
    ik daarop moet reageren.
    De heer Koekkoek:
    Heeft u achteraf begrip voor de gang van zaken, gelet op de
    werkwijze van de CID in die tijd?
    De heer Maan:
    Ik heb begrepen dat de werkwijze van de CID in die tijd was om
    dit zonder overleg met het openbaar ministerie te doen. Dat is iets
    wat ik, in die tijdgeest gezien, kan begrijpen. Ik heb er geen
    begrip voor, als ik als officier van justitie op een zitting sta en
    vraag of iets gebeurd is, dat dit door de organisatie politie
    ontkend wordt, terwijl het wel zo is.
    De heer Koekkoek:
    Maar heeft u inderdaad gevraagd of er een inkijkoperatie heeft
    plaatsgevonden of heeft u gevraagd: is het bericht in De Telegraaf
    juist?
    De heer Maan:
    Ik vind dat een woordenspel, waar het op dat moment niet om
    gaat. Er wordt in De Telegraaf gepubliceerd dat er is ingekeken.
    Daarin staat een bepaald doel. Als ik aan het team vraag wat daar
    is gebeurd, dan bedoel ik daarmee uiteraard: vertel mij, waar gaat
    het om? Klopt dit artikel of niet? Als het dan op die letter wordt
    uitgelegd, zou je kunnen zeggen dan moet je maar doorvragen. Maar
    dat vind ik, eerlijk gezegd, een heel makkelijke reactie.
    De heer Koekkoek:
    U krijgt als bericht dat er geen inbraak heeft plaatsgevonden,
    dat er geen camera’s en microfoons zijn geplaatst, als bedoeld in
    het bericht in De Telegraaf? Er is bij u geen lampje gaan branden
    dat er misschien toch meer aan de hand is?
    De heer Maan:
    Nee. Ik moet zeggen dat de relatie die ik had met de leiders
    van het onderzoeksteam een heel goede was. Alles wat er in het
    kader van het onderzoek heeft plaatsgevonden, is met mij overlegd.
    Alles is besproken. Het was een heel open verhouding. Ik had dus
    geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er iets niet
    klopte. Als ik dan vraag om te reageren op dat artikel, als ik dan
    een proces-verbaal terugkrijg waarin inderdaad letterlijk op dat
    artikel gereageerd wordt, heb ik niet de veronderstelling dat zij
    daarmee iets anders achterhouden.
    De heer Koekkoek:
    Is uw vertrouwen in de recherche toen geschokt?
    De heer Maan:
    Ik heb een periode gehad waarin met name in de aanvang dat
    vertrouwen geschokt was. Ik heb daarna uiteraard met een aantal
    mensen, ook van politie, de zaak uitgesproken. Daarin is het een en
    ander ook duidelijker geworden en ben ik meer in de richting gegaan
    dat naar mijn mening de politie als organisatie hier niet goed
    geopereerd heeft dan dat personen niet goed geopereerd zouden
    hebben.
    De heer Koekkoek:
    Is uw vertrouwen inmiddels hersteld?
    De heer Maan:
    Zeker.
    De voorzitter:
    De uitspraak van de rechtbank is op 29 maart. Dan duurt het nog
    tot 31 oktober, 2 en 3 november dat die processen-verbaal eindelijk
    komen. Waarom duurde dat dan nog zo lang?
    De heer Maan:
    Dat weet ik eerlijk gezegd niet. Nadat deze situatie ontstaan
    was, is er overleg geweest met de hoofdofficier en met de
    CID-officier. Uiteraard zijn er diverse besprekingen geweest met de
    korpsleiding. Uiteindelijk heeft het onderzoek naar hetgeen er
    gebeurd is mede onder leiding van de CID-officier en de
    hoofdofficier plaatsgevonden. Wat exact de reden is geweest dat ten
    behoeve van het hoger beroep pas op die late datum dat
    proces-verbaal vervaardigd is, weet ik niet. Ik heb begrepen dat
    men veel tijd nodig heeft gehad om exact te achterhalen…
    De voorzitter:
    Wie moest er nu voor zorgen… Als nu die uitspraak is geweest
    en u bent de zaaksofficier, wie moet er nu voor zorgen dat die
    processen-verbaal er komen, binnen het OM?
    De heer Maan:
    Binnen het OM?
    De voorzitter:
    Ja. Er zal toch iemand moeten zijn. Als u gezegd heeft
    “processen-verbaal”. Nadat die ene dramatische middag over is, zal
    ik maar zeggen, dat dit niet gebeurt, dan zegt u toch…
    Processen-verbaal, ook voor het hoger beroep. Wie is er dan voor
    verantwoordelijk dat zij er ook komen?
    De heer Maan:
    Uiteindelijk is, denk ik, de zaaksofficier daarvoor
    verantwoordelijk. In de praktijk was het, gelet op hetgeen er was
    gebeurd, een zodanige samenspraak tussen de hoofdofficier, de
    CID-officier en ondergetekende, dat je je kunt afvragen of het iets
    is wat ik alleen had moeten bewaken.
    De voorzitter:
    Ja, of had de AG bij het hof daar ook nog een
    verantwoordelijkheid in?
    De heer Maan:
    Die heeft daar uiteraard ook een verantwoordelijkheid in.
    De voorzitter:
    Ik moet corrigeren. Het eerste proces-verbaal is er op 16
    september, maar in elk geval altijd nog een tijd na de 29ste maart.
    Wat is nu de conclusie die u hieruit trekt? Was het symptomatisch
    voor bepaalde ontwikkelingen of was het een unieke ontsporing?
    De heer Maan:
    Ik denk dat het een gevolg is geweest van de opvattingen die
    heersten ten tijde van het uitvoeren van deze inkijkoperatie.
    Daarmee bedoel ik dat op dat moment kennelijk het idee was dat het
    uitvoeren van dit soort operaties niet overlegd hoefde te worden
    met het openbaar ministerie en dat het van heel groot belang was om
    het feit dat dit soort operaties plaatsvonden, zo lang mogelijk
    buiten de openbaarheid te houden. Ik denk dat vanuit die twee
    factoren deze situatie ontstaan is.
    De voorzitter:
    Heeft u nog andere opsporingsmethoden toegestaan, die ook niet
    in het proces-verbaal terecht zijn gekomen?
    De heer Maan:
    Nee.
    De voorzitter:
    Dat weet u zeker?
    De heer Maan:
    Uiteindelijk zijn bij mijn weten alle opsporingsmethoden daar
    in het proces-verbaal verwoord.
    De voorzitter:
    Betekent dit nu ook dat er wat u betreft in de toekomst nog een
    gesloten traject kan zijn, dat uiteindelijk niet bij de rechter
    terechtkomt of niet?
    De heer Maan:
    Ik kan mij voorstellen, onder bepaalde omstandigheden – maar
    dan ben ik heel theoretisch bezig en kijk naar allerlei methodieken
    die er zijn – dat op enig moment het van belang kan zijn om
    bepaalde methodieken toch niet in een proces-verbaal te
    verantwoorden.
    De voorzitter:
    Welke methodiek bijvoorbeeld?
    De heer Maan:
    Ik kan mij voorstellen dat op enig moment gebruik is gemaakt
    van bijvoorbeeld een infiltrant, wiens leven zodanig in gevaar komt
    dat als het gebruik van die methodiek openbaar wordt gemaakt, dat
    gevaar zich gaat verwezenlijken.
    De voorzitter:
    En hoe zou u dat dan verwerken?
    De heer Maan:
    Ik denk dat in het methodieken-proces-verbaal wel aangegeven
    kan worden dat van deze methodiek gebruik is gemaakt, maar dat voor
    het overige daaromtrent geen openheid gegeven wordt.
    De voorzitter:
    Dan zou u alleen in het methodieken-proces-verbaal… Dat is
    een nieuwe term. Dat heeft toch nog niet algemeen ingang
    gevonden?
    De heer Maan:
    Ik weet niet of dat algemeen ingang heeft gevonden. Het is een
    proces-verbaal dat voorafgaat aan het inhoudelijke proces-verbaal,
    waarin geschreven wordt van welke opsporingsmethodieken in een
    bepaald onderzoek gebruik is gemaakt.
    De voorzitter:
    Daar zou je dan zeggen dat gebruik is gemaakt van
    infiltratie?
    De heer Maan:
    Bijvoorbeeld.
    De voorzitter:
    En dan verder niet specifiek erop ingaan. Het dus verder in de
    CID-informatie verpakken? Zo ziet u het dan?
    De heer Maan:
    Ja.
    De heer Rouvoet:
    Ik wil nog even terug naar het financile traject. Er is
    geprobeerd om geld, financile middelen, in Zwitserland en
    Liechtenstein te achterhalen. Dat is niet gelukt. U zei het heel
    diplomatiek. U zei: het heeft niet geleid tot het traceren of in
    beslag nemen van financin, van geld. Wat was daarvan de oorzaak?
    Kon u daar niet bij of heeft u het nooit gevonden?
    De heer Maan:
    Er zijn in feite, naar mijn herinnering strekt, niet
    daadwerkelijk grote bedragen geconstateerd in het buitenland.
    De heer Rouvoet:
    Het was niet zo dat u er niet bij kon?
    De heer Maan:
    Dat zou in het tweede geval gespeeld hebben, want het
    buitenland waar wij het over hebben, betreft meestal landen die een
    zodanig bankgeheim hebben dat het heel moeilijk is om daar
    daadwerkelijk geld in beslag te nemen.
    De voorzitter:
    Het speelde toch bijvoorbeeld in Liechtenstein en Zwitserland,
    waar wij toch een keurige meneer zien optreden die zegt dat hij
    helaas geen mededelingen kan doen, maar verder absoluut niet met u
    wil meewerken?
    De heer Maan:
    Dat klopt.
    De heer Rabbae:
    Tussen de publikatie in De Telegraaf en het moment dat de
    CID-officier ervan af wist, is een maand verstreken. Op dezelfde
    dag is de politie, de CID, bij de heer Wiarda geweest. Bent u zelf
    dan wel hoofdofficier Berger toegestapt naar Wiarda om te vragen
    hoe dat kan?
    De heer Maan:
    Er zijn besprekingen geweest tussen de hoofdofficier en de
    korpschef over wat er gebeurd is.
    De heer Rabbae:
    Wat was zijn uitleg aan de hoofdofficier?
    De heer Maan:
    Daar is ter sprake geweest hoe het heeft kunnen gebeuren.
    Daarin is ook aan de orde geweest wat al eerder is gezegd over de
    tijdgeest waarin dit heeft plaatsgevonden.
    De heer Rabbae:
    Hoe heeft Wiarda die tijdgeest toen uitgelegd?
    De heer Maan:
    Ik heb geen exact verslag meer van wat op die bijeenkomst is
    gezegd. Ik zal moeten putten uit mijn geheugen. Wat ik begrepen
    heb, is dat hij met name in de latere fase, toen bleek dat er nog
    meer inkijkoperaties waren geweest, hogelijk verbaasd was dat dit
    niet eerder op die manier gemeld was.
    De voorzitter:
    Er is toch nog een vrij gerriteerde briefwisseling tussen de
    hoofdofficier, de heer Berger, en de heer Wiarda ter zake?
    De heer Maan:
    Ik weet dat er een briefwisseling is geweest.
    De voorzitter:
    Die zich ongeveer over dezelfde tijdspanne uitstrekt als het
    moment van de uitspraak van de rechtbank en het moment dat de
    processen-verbaal bij het hof komen.
    De heer Maan:
    Ik weet dat er een briefwisseling is geweest. Ik heb de inhoud
    van die briefwisselingen niet voor de geest.
    De heer De Graaf:
    U had het zojuist bij wijze van voorbeeld over infiltratie. Die
    term zou je dan kunnen laten vallen in het methodieken-PV. Daarmee
    zou dan de informatie wel op zijn. Dan kun je toch in het probleem
    komen dat de rechtbank zegt, bijvoorbeeld bij infiltratie, dat als
    zij niet kan toetsen wat er is gebeurd, zij ook niet kan toetsen of
    aan het zogenaamde Tallon-criterium is voldaan, het wel of niet
    uitlokken van de zijde van politie en justitie. Wij hebben daarvan
    ook een zaak gezien, de Ramola-zaak in Rotterdam, waarin het OM
    uiteindelijk niet ontvankelijk is verklaard, omdat er niet meer
    informatie op tafel kwam. Hoe zou u dat dilemma nu oplossen?
    De heer Maan:
    Wat is oplossen?
    De heer De Graaf:
    Zodanig dat de rechtbank het gevoel heeft dat zij voldoende
    controle en toetsing kan plegen op de rechtmatigheid van de
    handelingen.
    De heer Maan:
    Nogmaals, in het voorbeeld dat ik zojuist noemde, gaat het met
    name om een situatie waarin het leven van een infiltrant
    daadwerkelijk in gevaar is. Heel kort samengevat, gaat voor mij het
    leven van een mens boven elke zaak.
    De heer De Graaf:
    Dat begrijp ik, maar als het leven van een infiltrant in gevaar
    zou kunnen komen, zou je als officier van justitie moeten zeggen,
    dat je een zaak berhaupt niet ter zitting brengt, omdat je de
    rechter geen inzicht kunt geven wat er gebeurd is. Het heeft dan
    weinig zin om berhaupt tot vervolging en dus tot het
    infiltratietraject over te gaan.
    De heer Maan:
    Het hangt ervan af wat de rol van de infiltrant in die zaak is
    geweest. Als er wel degelijk sprake is geweest van infiltratie,
    maar de rol van de infiltrant zodanig gering is geweest voor het
    resultaat van de zaak op zichzelf, moet je niet direct die
    conclusie trekken.
    De heer De Graaf:
    Dat begrijp ik, maar dat weet de rechter natuurlijk niet. Dat
    is het dilemma. U schetst twee tegenpolen, namelijk het belang van
    de infiltrant of de informant aan de ene kant en het belang van de
    controle op de rechtmatigheid aan de andere kant. U kunt zeggen dat
    de rol van de infiltrant gering was, maar dat diens leven bedreigd
    wordt, zodat u niets kunt zeggen. Dat is op zichzelf legitiem. Daar
    tegenover staat de rechter, die niet weet wat zich heeft afgespeeld
    en uw oordeel dus ook niet kan overnemen. Hoe is dat dilemma op te
    lossen?
    De heer Maan:
    Als het gevaar zodanig groot is, kun je het dilemma mijns
    inziens niet anders oplossen dan door vast te stellen, dat de zaak
    dan sneuvelt. Ik denk dat je moet proberen door middel van
    processen-verbaal van de CID en door middel van eigen toelichting
    ter zitting de rechtbank zoveel informatie te geven, dat duidelijk
    is wat de rol van de infiltrant is geweest, zonder dat het geven
    van die informatie tot onthulling van de identiteit kan leiden. Er
    is een moeilijk grensgebied. Het is heel lastig om dat exact af te
    bakenen.
    De heer De Graaf:
    Zou het geen probleem zijn als u de mogelijkheid had, op de een
    of andere manier in beslotenheid bij de rechtbank, tevoren bij de
    rechter-commissaris of in een raadkamerprocedure, alles op tafel te
    leggen, als u maar zou weten dat het niet in de openbaarheid zou
    komen?
    De heer Maan:
    Dan zou het voor mij zeker geen probleem zijn.
    De voorzitter:
    Maar in ons systeem heb je die zekerheid nooit.
    De heer Maan:
    Nee!
    De heer Vos:
    Deelt u de mening van de heer Van Steeg, dat de inkijkoperatie
    zo ongeveer een afgelopen zaak is?
    De heer Maan:
    Ik weet niet of het een afgelopen zaak is. Het hangt ervan af
    onder welke omstandigheden en ten aanzien van welke organisatie of
    welke verdachte je een dergelijke tactiek wilt gebruiken. Er wordt
    heel vaak gezegd, dat het afluisteren van telefoons niet meer
    bruikbaar is omdat criminelen daar toch geen gebruik meer van
    maken. De praktijk wijst tot nu toe steeds anders uit. Ik denk dat
    een inkijkoperatie nog wel gebruikt kan worden, maar dat de
    risico’s voor de mensen die haar moeten uitvoeren ongetwijfeld veel
    groter zullen zijn. Dat moet je meewegen.
    De voorzitter:
    Mijnheer Maan, is Amsterdam roomser dan de paus wat betreft het
    gebruik van opsporingsmethodieken?
    De heer Maan:
    Ik weet niet of Amsterdam roomser is dan de paus. Ik denk dat
    Amsterdam recht in de leer is.
    De voorzitter:
    Rechter dan Utrecht?
    De heer Maan:
    Als u het afzet tegen de tijdgeest van vroeger, zou u die
    conclusie haast kunnen trekken. Maar ik denk dat je het met name in
    die tijdgeest moet zien.
    De voorzitter:
    Dat is een keurig diplomatiek antwoord, maar als u uw laatste
    dag in Utrecht met uw eerste in Amsterdam vergelijkt, wie was er
    dan roomser dan de paus?
    De heer Maan:
    Ik ben niet katholiek, dus misschien is dat voor mij wat
    moeilijker te omschrijven, maar ik begrijp de vraag. De situatie
    die ik nu in Amsterdam meemaak is in zoverre duidelijker dan de
    situatie die ik in Utrecht heb meegemaakt, dat er in Amsterdam een
    heel strikte en heldere lijn is voor het gebruiken van methodieken.
    De afspraak in Amsterdam is volstrekt duidelijk: er vindt geen
    infiltratie plaats. Het is een heel heldere lijn die daar is
    besproken.
    De voorzitter:
    Vindt u het niet vreemd dat een infiltratie door een ander
    kernteam in Amsterdam wel kan, maar niet als het onder
    verantwoordelijkheid van de Amsterdamse hoofdofficier gebeurt? De
    richtlijn wil natuurlijk niet zeggen dat het in Amsterdam niet zou
    voorkomen.
    De heer Maan:
    Ik denk dat het van belang is, dat er landelijk eenduidigheid
    komt over de toelaatbaarheid van dit soort middelen, de voorwaarden
    daarvoor en de toetsing die dient plaats te vinden. Dan is er een
    eenduidig beleid. Op dit moment zijn er gewoon verschillen tussen
    het ene arrondissement en het andere arrondissement.
    De voorzitter:
    Welke methoden moeten volgens u wettelijk geregeld worden?
    De heer Maan:
    Je moet je afvragen of je het moet zoeken in het regelen van
    methoden. Ik denk dat je het eerder moet zoeken in het creren van
    een toetsingskader, waarbinnen dingen door met name de rechterlijke
    macht getoetst kunnen worden. Ik denk aan een situatie waarin een
    besloten raadkamer of een rechter-commissaris geroepen wordt om
    methodieken te toetsen. Het lijkt mij haast onmogelijk om wettelijk
    vast te leggen welke methoden de politie mag gebruiken en welke
    niet. Als het de bedoeling is om dat limitatief te maken en andere
    methoden niet toe te staan, zou je politie en justitie te zeer
    beknellen.
    De voorzitter:
    Zou het niet logisch zijn dat als strafvordering bij de wet
    geregeld is, zoals artikel 1 van het Wetboek van strafvordering
    zegt, ook opsporing bij de wet geregeld is?
    De heer Maan:
    Misschien is dat logisch, maar ik denk dat de ontwikkelingen
    zodanig zijn, dat je dan politie en justitie verhindert om mee te
    gaan met ontwikkelingen die bijvoorbeeld criminelen doormaken. Er
    zijn natuurlijk heel veel methoden die niet wettelijk geregeld
    zijn. Het horen van getuigen door de politie is niet in de wet
    geregeld. Het uitvoeren van een technisch onderzoek en het
    vaststellen van sporen op de plaats van een delict zijn niet in de
    wet geregeld. Het is algemeen geaccepteerd dat dit gebeurt. Het is
    een toelaatbare methode.
    De heer De Graaf:
    Maar dat maakt toch geen inbreuk op allerlei rechten? Het gaat
    toch om de methoden die een inbreuk kunnen maken op grondrechten in
    de ruime zin van het woord? Daarvoor wordt toch vastgesteld dat er
    een wettelijke grondslag dient te bestaan?
    De heer Maan:
    Het is maar hoe je het ziet. Ik denk dat het verzamelen van
    sporen en het inwinnen van getuigenverklaringen die bewijs op
    leveren ook ten nadele van iemand werkt. Ik probeerde zojuist te
    schetsen, dat een procedure waarbij een besloten raadkamer of een
    rechter-commissaris oordeelt over de vraag of een bepaalde methode
    toelaatbaar is in een bepaalde zaak tegen een bepaalde verdachte
    voldoende waarborgen biedt, omdat je op dat moment een rechterlijke
    voorziening hebt.
    De heer De Graaf:
    Dan is er dus eigenlijk rechters recht, dat niet naar buiten
    kan komen omdat er een besloten zitting is en waarover geen
    verantwoording wordt afgelegd in een openbaar vonnis, behalve dat
    het rechtmatig was. Wat er is gebeurd, kan niet worden verteld. De
    bevoegdheden van politie en justitie zijn dan in uw visie niet
    gebaseerd op een wettelijke grondslag. Er is alleen een algemene
    grondslag, dat de politie bevoegd is om te doen wat redelijkerwijs
    nodig is voor de bestrijding van de criminaliteit.
    De heer Maan:
    Inderdaad! Op dit moment worden, zoals ik al zei, ook al
    methoden gebruikt door de politie die niet een expliciete
    wettelijke grondslag hebben, maar die algemeen geaccepteerd
    zijn.
    De voorzitter:
    Als u die rechterlijke toets in de beslotenheid hebt, neem ik
    aan dat die gemeld wordt aan de zittingsrechter.
    De heer Maan:
    Je kunt je afvragen hoe je dat vorm moet gaan geven. Je zou dan
    aan een heel wetsontwerp moeten denken. Ik denk niet dat ik degene
    ben die daarmee zou moeten komen.
    De voorzitter:
    Betekent het ook niet altijd, dat de zittingsrechter kan
    beslissen dat eventueel toch delen ervan in de openbaarheid moeten
    komen? Stel dat de verdediging aannemelijk weet te maken dat iets
    misschien niet rechtmatig is.
    De heer Maan:
    Het is in feite een theorie over wat zou kunnen gebeuren als
    een bepaalde praktijk zou bestaan. Ik kan mij dat voorstellen.
    De voorzitter:
    Houdt ons Europese systeem van fair trial niet in, dat in feite
    een bepaald gedeelte per definitie niet bij de zittingsrechter kan
    worden weggehouden? Wij kunnen toch niet een gedeelte geheime
    rechtspraak hebben waarover een rechter in openbare rechtspraak
    nooit meer zou mogen oordelen?
    De heer Maan:
    Ik denk dat het een toetsing in beslotenheid is die op de
    zitting ongetwijfeld aan de orde zal kunnen komen.
    De voorzitter:
    Als de zittingsrechter dan toch wil weten hoe het traject is
    verlopen of wie de infiltrant is, kan de uiteindelijke consequentie
    zijn dat het openbaar ministerie zegt, dat het voor haar niet meer
    hoeft en dat het de zaak terugtrekt.
    De heer Maan:
    Ja!
    De voorzitter:
    Zo zit het systeem zoals u het ziet in elkaar?
    De heer Maan:
    Ja!
    De heer Vos:
    Bent u zelf niet magistratelijk genoeg om de toets uit te
    voeren? Iedereen in het OM zegt: wij zijn magistratelijk. Dat
    betekent dat men een toets kan uitvoeren. Men is een juridische
    zeef en wat al niet meer. Waarom hebt u toch een rechter
    nodig?
    De heer Maan:
    Ik denk dat de functie van een officier van justitie is om
    zaken te toetsen op hun juridische haalbaarheid en hun juridische
    waarde, voordat hij ze bij een rechtbank presenteert. Ik denk dat
    dit wel degelijk een onderdeel is van je taak. Maar dat wil niet
    zeggen dat een officier van justitie dus maar de taak van de
    rechter moet overnemen. Gelukkig, zo zou ik haast zeggen, gebeurt
    het in Nederland ook dat rechters een heel andere mening hebben dan
    leden van het openbaar ministerie.
    De voorzitter:
    Nu zei de heer Van Steeg vanmorgen ook dat hij daarvoor een
    rechter-commissaris zou willen, maar een andere dan je vandaag de
    dag hebt. Vindt u dat ook?
    De heer Maan:
    Ik denk in structuren en ik denk niet aan personen. Ik zou niet
    weten waarom er een andere rechter-commissaris zou moeten komen. Ik
    denk dat de invulling van zijn taak anders zou kunnen zijn.
    De heer Rouvoet:
    Ik wil proberen het punt van de wettelijke grondslag nog iets
    scherper te krijgen. Bent u van mening dat artikel 2 van de
    Politiewet voldoende wettelijke basis biedt voor diep in de
    grondrechten ingrijpende politiemethoden als infiltratie, eventueel
    direct afluisteren, inkijken in woningen; ik noem maar wat?
    De heer Maan:
    Van de laatste twee onderwerpen denk ik, dat zij te ver gaan om
    ze zonder wettelijke basis mogelijk te maken. Hebt u het over
    infiltratie, dan hebt u het over een opsporingsmethode van de
    politie die in de jurisprudentie al geaccepteerd is en door de Hoge
    Raad ook gesanctioneerd is. Het is dus een methode die op basis van
    de huidige wetgeving toelaatbaar is.
    De voorzitter:
    Van de huidige jurisprudentie, niet van de huidige
    wetgeving!
    De heer Maan:
    Volgens de Hoge Raad staat de huidige wetgeving de toepassing
    van deze methode toe.
    De heer Rouvoet:
    En dat is uw grens, maar niet de mate waarin wordt ingegrepen
    in bijvoorbeeld de privacy? Voor u ligt de grens bij de acceptatie
    door de Hoge Raad.
    De heer Maan:
    Ja!
    De heer Koekkoek:
    U hebt gezegd dat het Amsterdamse parket recht in de leer is,
    ook al weten wij bijvoorbeeld uit het arrest Z. dat in Amsterdam
    ook wel bepaalde praktijken zijn toegepast. Is die rechte leer naar
    uw gevoel een belemmering voor de opsporing?
    De heer Maan:
    Dat is heel moeilijk te zeggen, want dan zou je moeten
    beoordelen of een bepaalde opsporing anders gelopen zou zijn als
    een bepaalde methode gehanteerd zou zijn.
    De heer Koekkoek:
    Zo bedoel ik het niet. Stuit u in de praktijk op een behoefte
    aan bepaalde middelen die u niet kunt gebruiken en niet kunt
    toelaten aan de politie, omdat dat in strijd is met het beleid van
    het Amsterdamse parket?
    De heer Maan:
    Ik ben daar in mijn praktijk nog niet op gestuit. Ik ben sinds
    maart werkzaam op het parket in Amsterdam. Ik heb uiteraard een
    aantal zaken in mijn portefeuille, maar ik heb nog niet een zaak in
    mijn portefeuille waarin ik de behoefte had, te overleggen over de
    vraag of dit een methode was die nodig was in die zaak.
    De heer Rabbae:
    De heer Van Steeg zei vanmorgen, dat hij naar aanleiding van
    het arrest in de zaak Z. had gehoopt dat een gang naar de Hoge Raad
    ook iets positiefs had kunnen opleveren. Is dat ook uw mening?
    De heer Maan:
    Nee, ik denk het niet. Kijk ik naar het arrest van het hof in
    Amsterdam…
    De voorzitter:
    Wij hebben het over de zaak R., waar wij het de hele middag
    over hebben gehad.
    De heer Maan:
    Kijk ik naar het arrest van het hof in Amsterdam in de zaak R.,
    dan lees ik het zo dat daarin niet de niet-ontvankelijkheid is
    uitgesproken omdat inkijkoperaties hebben plaatsgevonden, maar
    omdat door de politie voor de rechter verzwegen is dat die
    operaties hebben plaatsgevonden. De sanctie die het hof daaraan
    heeft verbonden is niet-ontvankelijkheid. Naar mijn mening is er
    dus geen sprake van een juridische vraag, maar van een feitelijke
    vraag en die wordt door de Hoge Raad niet getoetst. Ik denk dat het
    juist is dat er geen cassatie is aangetekend.
    De voorzitter:
    Mijnheer Maan, wij zijn precies op tijd klaar. Ik dank u wel.
    Sluiting 16.00 uur


    Inhoudsopgave en zoeken