• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – mr. drs. J.A.M. van Blijswijk

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 49

    11 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    woensdag 11 oktober 1995 in
    de vergaderzaal van de
    Eerste Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt
    mr. drs. J.A.M. van Blijswijk
    Aanvang 12.45 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos, alsmede mevrouw Coenen,
    griffier
    De voorzitter:
    Mijnheer Van Blijswijk, ik verzoek u op te staan in verband met
    het afleggen van de eed. De door u af te leggen eed luidt: Ik zweer
    dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
    De heer Van Blijswijk:
    Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
    De voorzitter:
    Mijnheer Van Blijswijk, uw huidige functie is hoofd van de
    Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en die functie bekleedt u
    sinds 1 november 1993. Bent u een FIOD-man in hart en nieren, een
    rechercheur, een speurder of een manager?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik ben een FIOD-man in hart en nieren geworden, ik ben geen
    rechercheur en ik ben in ieder geval een manager.
    De voorzitter:
    Wij willen met u spreken over de betrokkenheid van de FIOD bij
    de opsporingstrajecten en -methoden die wij hier al besproken
    hebben. Zoals u weet hebben wij de heren Bakker en Teeven, u
    welbekend, gehoord. Er zijn vragen overgebleven over de
    betrokkenheid van de FIOD als organisatie bij het vroeger runnen
    van informanten en bij de mededelingen die verder gedaan worden aan
    de douane en de douanerecherche. Er is natuurlijk een heleboel meer
    te vertellen – dat zal ook zeker in ons rapport gebeuren – over de
    rol van de FIOD in de opsporing. Een algemeen vraagje daarover
    luidt: heb ik het mis als ik zeg dat u niet helemaal gelukkig bent
    met het inschakelen van de FIOD bij de BFO’s, de bureaus financile
    ondersteuning van de politie zonder dat u daarbij als het ware
    medestuurman bent?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk dat het niet juist is te zeggen dat de FIOD is
    ingeschakeld bij de BFO’s. De belastingdienst heeft mensen ter
    beschikking gesteld in het kader van een convenant met Justitie en
    Binnenlandse Zaken om die werkzaam te laten zijn in BFO’s. De enige
    rol van de FIOD daarin is dat die mensen formeel, omdat zij ergens
    een plaats moeten krijgen, onder de FIOD zijn geplaatst. Feitelijk
    zijn het dus controlemedewerkers van de belastingdienst die voor
    een aantal jaren ter beschikking zijn gesteld van de BFO’s. Dat
    convenant is dacht ik in 1992 gesloten en loopt per 1 januari 1996
    af. In 1993 heeft de belastingdienst zich afgevraagd of het aan de
    hand van een convenant uitlenen van mensen wel de meest wenselijke
    manier van werken was. Vervolgens is een interdepartementale
    discussie gestart. Als het goed is, zal die discussie rond deze
    tijd haar voleinding moeten vinden.
    De voorzitter:
    Maar daar is de bureaucratische discussie nog over gaande.
    De heer Van Blijswijk:
    Die is nagenoeg afgerond. De lijn van de belastingdienst was
    aanvankelijk dat wij mensen in het kader van samenwerking ter
    beschikking zouden stellen. De ontwikkelingen gaan nu in die
    richting dat in principe de politie zelf een zekere mate van
    financile deskundigheid gaat aanwerven en dat, als dat in de
    overgangsfase problemen geeft, de belastingdienst bereid is
    gedurende een zekere tijd nog ondersteuning te bieden.
    De voorzitter:
    Dus u gaat zich daar meer uit terugtrekken?
    De heer Van Blijswijk:
    Het betekent dat wat betreft het uitlenen van mensen de
    belastingdienst zich terugtrekt, maar het betekent niet dat de
    belastingdienst zich terugtrekt uit allerlei vormen van
    samenwerking met de politie en bijzondere opsporingsdiensten.
    De voorzitter:
    De heer Rabbae gaat nu in op de specifieke punten die ik net
    aanduidde.
    De heer Rabbae:
    Mijnheer Van Blijswijk, het is inmiddels bekend dat verzoeken
    van CID’s om containers ongecontroleerd door te laten via de FIOD
    liepen. De heer De Jongh, medewerker van de FIOD, speelde een
    cruciale rol bij het regelen van de papieren bij de douane om die
    containers zonder problemen door de douane te krijgen. Bent u op de
    hoogte van zijn activiteiten?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik ben op de hoogte van zijn activiteiten.
    De heer Rabbae:
    U was voordat u hoofd werd van de FIOD directeur algemeen
    fiscale zaken. Ik neem aan dat u in die functie al wist wat deze
    medewerker deed.
    De heer Van Blijswijk:
    Nee, ik wist niet wat deze medewerker exact deed. Toen ik bij
    de FIOD kwam, wist ik het ook niet. Die wetenschap kreeg ik nadat
    wij de afgelopen tijd nadrukkelijker met dit onderwerp bezig zijn
    geweest.
    De heer Rabbae:
    Er was voor u geen mogelijkheid om de informatie die u
    eigenlijk wel nodig had hierover in te winnen?
    De heer Van Blijswijk:
    Uiteraard is het voor mij altijd mogelijk om na te gaan wat een
    individuele medewerker van de FIOD doet.
    De heer Rabbae:
    Ik bedoel de betrokkenheid van een organisatie als de FIOD via
    een medewerker in dit geval.
    De heer Van Blijswijk:
    De betrokkenheid van de FIOD is uiteraard na te gaan via
    medewerkers die binnen de FIOD werken.
    De heer Rabbae:
    Maar goed, die informatie had u toen niet en hebt u nu
    wel.
    De voorzitter:
    Wanneer wist u ervan?
    De heer Van Blijswijk:
    Waarvan?
    De voorzitter:
    Van de rol van de FIOD-medewerkers en dus ook van de FIOD bij
    het doorleveren?
    De heer Van Blijswijk:
    De FIOD heeft nooit een rol gehad bij het doorleveren. Waarvan
    ik op de hoogte ben en mijn voorganger op de hoogte was, is dat de
    FIOD ondersteuning verleent aan politie en justitie bij
    gecontroleerde afleveringen.
    De heer Rabbae:
    Faciliterend?
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Dit betekende in feite dat de heer De Jongh de papieren regelde
    bij de douane, zodat de containers ongecontroleerd door de douane
    gingen. Zo was het toch?
    De heer Van Blijswijk:
    In de situatie die u beschrijft, had de betrokken medewerker
    inderdaad een rol in het kader van zijn werkzaamheden voor de
    CID.
    De voorzitter:
    De heer De Jongh is toch altijd medewerker van de FIOD
    geweest?
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De voorzitter:
    Hij wist hoe het werkte?
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De voorzitter:
    Hij deed het toch niet in zijn vrijetijd bedoel ik?
    De heer Van Blijswijk:
    Hij deed het niet in zijn vrijetijd.
    De voorzitter:
    Dan is toch ook de FIOD erbij betrokken?
    De heer Van Blijswijk:
    De betrokkenheid van de FIOD ontken ik niet. Laat ik daar heel
    helder over zijn. De heer De Jongh was een medewerker die daarbij
    een rol speelde, maar niet meer dan dat.
    De heer Rabbae:
    U weet nu wat hij toen deed.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Is de stelling juist dat hij zich medeplichtig of schuldig
    maakte aan strafbare feiten?
    De heer Van Blijswijk:
    Die stelling is niet juist.
    De heer Rabbae:
    Waarom niet?
    De heer Van Blijswijk:
    Die is althans wat mij betreft niet juist, omdat ik geen enkele
    aanwijzing heb dat er sprake van was.
    De heer Rabbae:
    U vindt dat de handelingen die de heer De Jongh verrichtte niet
    in strijd waren met het strafrecht?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik ben van mening dat dit niet zo is, omdat het niet is
    vastgesteld.
    De heer Rabbae:
    U hebt dat niet vastgesteld?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb het in ieder geval tot op heden niet vastgesteld.
    De heer Rabbae:
    Vindt u wat hij toe deed volledig regulier?
    De heer Van Blijswijk:
    Wat hij deed, deed hij onder verantwoordelijkheid van de CID.
    De activiteiten van de CID vonden plaats onder verantwoordelijkheid
    van het openbaar ministerie. Wat dit betreft, matig ik mij geen
    oordeel aan over het antwoord op de vraag of de werkzaamheden die
    hij in dat verband verrichtte juist of niet juist waren, gezien het
    feit dat de FIOD er altijd van is uitgegaan dat er sprake was van
    meewerken aan gecontroleerde afleveringen.
    De heer De Graaf:
    U zei dat uw medewerker De Jongh onder verantwoordelijkheid van
    de CID werkte.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Hij was niet bij de CID gedetacheerd, hij viel niet onder de
    hirarchische lijn van de CID, maar hij werkte samen met de CID. Dit
    betekent toch dat u als hoofd van de FIOD en dat de chefs onder u
    gewoon verantwoordelijk waren voor hetgeen de heer De Jongh
    deed?
    De heer Van Blijswijk:
    De vraag die gesteld moet worden, is onder welke condities de
    heer De Jongh is gaan werken bij de CID. Die condities zijn heel
    helder. Ik heb er bij mijn voorganger navraag naar gedaan. Medio
    1992 is er een verzoek gekomen van de politie Kennemerland of de
    CID Kennemerland – dat heb ik niet kunnen nagaan – of de heer De
    Jongh ter beschikking kon worden gesteld van de CID om
    werkzaamheden te verrichten.
    De heer De Graaf:
    Werd gezegd: “ter beschikking gesteld”?
    De heer Van Blijswijk:
    De beslissing om dat te doen, is niet schriftelijk vastgelegd.
    Er wordt gesproken over “gedetacheerd”, “ter beschikking gesteld”,
    “uitgeleend”. Feitelijk is de situatie dat hij ter beschikking is
    gesteld van de CID.
    De heer Rabbae:
    Daarvoor heeft hij in Dordrecht gezeten.
    De heer Van Blijswijk:
    Ook toen ging het om een situatie, waarin er sprake was van een
    verzoek of iemand van de FIOD met een douane-achtergrond
    ondersteuning zou kunnen verlenen. Ook in dat opzicht is op een
    gegeven moment iemand uitgeleend.
    De heer Rabbae:
    Dus formeel was het een medewerker van de FIOD.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Maar materieel deed hij andere activiteiten ten behoeve van de
    RCID in Dordrecht en later in Kennemerland.
    De heer Van Blijswijk:
    Juist.
    De heer Rabbae:
    Had u daarover niks te zeggen? U, c.q. uw voorganger was
    eigenlijk niet zijn baas die zei wat hij moest doen?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee. Hij werd niet door zijn chef, de teamleider, verteld wat
    hij bij die CID moest doen. Dezelfde situatie geldt voor
    BFO-medewerkers, medewerkers van de belastingdienst die ter
    beschikking zijn gesteld. Daaraan ligt dan wel van het begin af aan
    een convenant ten grondslag. Die mensen zijn uitgeleend en werken
    dan onder verantwoordelijkheid van de instantie voor wie zij
    werken.
    De voorzitter:
    Dat neemt uw eigen verantwoordelijkheid toch niet helemaal
    weg?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee.
    De voorzitter:
    Om een lang verhaal kort te maken: zeker waar er niks op papier
    staat…
    De heer Van Blijswijk:
    Juist.
    De voorzitter:
    …blijft er toch een gedeelde verantwoordelijkheid?
    De heer Van Blijswijk:
    Er blijft er altijd een verantwoordelijkheid en die wil ik niet
    ontlopen, namelijk of op enig moment de juiste beslissing is
    genomen toen het ging om het uitlenen van iemand.
    De voorzitter:
    Maar u kunt toch de verantwoordelijkheid voor wat iemand doet
    niet helemaal wegschuiven?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik wil die ook niet wegschuiven.
    De voorzitter:
    Daarmee hebben wij dus vastgesteld dat u of uw voorganger
    verantwoordelijk is geweest voor wat er gebeurde, waarbij eventueel
    strafbare feiten zijn gepleegd, al dan niet gedekt door het
    openbaar ministerie.
    De heer Van Blijswijk:
    Hij is ter beschikking gesteld, omdat er behoefte was bij de
    RCID aan deskundigheid op douanegebied. In dat opzicht was bekend
    dat hij zou helpen bij gecontroleerde afleveringen. Gecontroleerde
    afleveringen waren als opsporingsinstrument voor de FIOD een
    volstrekt aanvaarde zaak. In dat opzicht was er dus geen aanleiding
    om op voorhand ervan uit te gaan dat hij daar werkzaamheden zou
    verrichten waarvan de FIOD, als deze zelf een beoordeling zou
    hebben moeten maken, zou zeggen: dat kan niet. Anders was uiteraard
    een discussie op gang gekomen met het openbaar ministerie, want
    uiteindelijk worden de werkzaamheden van de RCID verricht onder
    verantwoordelijkheid van een officier van justitie.
    De heer De Graaf:
    Het feit dat wij er zo lang op ingaan, heeft alles te maken met
    de vraag waaraan als het ware de verantwoordelijkheid moet worden
    toegerekend. U en ik hebben voldoende kennis van het ambtelijk
    leven om te weten dat, als er niks wordt geregeld, als er geen
    detacheringsbesluit valt etc., niet gezegd kan worden: hij werd ter
    beschikking gesteld en werkte voortaan onder verantwoordelijkheid
    van anderen. Zolang dat niet is geregeld, kunt u als zijn hoogste
    baas en kunnen degenen die direct onder u zitten hem aanwijzingen
    geven over wat hij moet doen. Bovendien zou hij moeten
    terugrapporteren aan zijn eigen lijn, want wat hij precies zou gaan
    doen, wist u niet, behalve dan dat hij behulpzaam zou zijn.
    De heer Van Blijswijk:
    Er was bekend op hoofdlijnen dat hij CID-werkzaamheden zou
    verrichten. In de beginfase is niet duidelijk vastgelegd tussen
    FIOD en de politie Kennemerland wat precies die rol en die
    verantwoordelijkheden waren. Je kunt zeggen dat dit niet goed was,
    maar die situatie heeft zich wel voorgedaan.
    De voorzitter:
    Dat gebeurde pas eind 1994.
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is uiteindelijk pas eind 1994 gebeurd. Het traject daarvoor
    is begin 1994 ingezet. Dat heeft een hele tijd geduurd. De nieuwe
    chef van de RCID Kennemerland heeft dat wel heel voortvarend
    aangepakt. Toen is datgene wat standaardprocedure was en in een
    afspraak was vastgelegd, ook daadwerkelijk convenant geworden.
    De heer Rabbae:
    Maar ik wil graag terug naar de periode daarvoor. Keurt u de
    constructie van toen af of zou u het nu ook zo doen? Zou u nog een
    keer iemand voor een andere organisatie laten werken, terwijl er
    niets op papier is geregeld? Of zegt u dat u nooit en te nimmer
    meer in die positie zou willen komen?
    De heer Van Blijswijk:
    Een situatie waarbij de leidinggevenden binnen de FIOD de
    mensen niet goed kunnen aansturen, terwijl zij er wel op kunnen
    worden aangesproken, zou ik niet meer willen zien.
    De heer Rabbae:
    Nu werkt u anders. Ik heb begrepen van u en uw eigen mensen dat
    de FIOD nu niemand meer in een of ander traject of
    samenwerkingsproject inzet, als de FIOD er zelf niets over te
    zeggen heeft.
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is juist, maar dan praten wij veel breder over samenwerking
    van de FIOD met andere opsporingsdiensten. Onze lijn komt erop neer
    dat wij willen samenwerken. Samenwerken betekent dan dat wij
    gezamenlijk met de partner mensen inzetten, en dat wij ook op
    leidinggevend niveau meebeslissen over de inzet van die mensen,
    zodat wij exact weten wat die mensen doen. Dat is onze lijn op dit
    moment.
    De heer Rabbae:
    Dat is duidelijk. Nu kom ik op de informanten. Sinds wanneer
    bestaan er informanten bij de FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik geef er de voorkeur aan om te spreken over tipgevers. Er
    worden veel begrippen voor gebruikt: tipgevers, relaties of
    informanten.
    De voorzitter:
    Uit de centrale meldkamer krijg ik de vraag of u de microfoon
    dichter bij uw mond wilt zetten.
    De heer Van Blijswijk:
    Dat doe ik graag.
    De heer Rabbae:
    U spreekt liever over tipgevers dan over informanten. Wij
    hebben hier de heer Teeven gehad. Hij is u wel bekend, want hij is
    hoofd geweest van een team van de FIOD waar de heer De Jongh ook
    onder ressorteerde. De heer Teeven heeft gezegd dat hij tien
    informanten had, die hij moest overdragen aan Kennemerland. De heer
    De Jongh heeft het in een brief aan u, gedateerd 14 maart 1995,
    gehad over een informant die bij u wel bekend was, de chauffeur.
    Hoe kan ik uw mededeling nu plaatsen tegenover deze mededelingen
    van de mensen die in de praktijk met deze informanten hebben
    gewerkt?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat kan ik wel uitleggen. Binnen de FIOD, maar ook binnen de
    douane is jarenlang gesproken over informanten. Tipgevers, relaties
    of mensen die informatie hadden ten behoeve van de belastingdienst
    in brede zin, werden vaak als informant betiteld. Een informant is
    in mijn ogen iemand die er door een runner actief op uit wordt
    gestuurd. Een tipgever is iemand bij wie mensen met informatie
    komen, terwijl de ontvangende partij verder lijdelijk blijft. Ik
    sluit niet uit dat er in het verleden binnen de belastingdienst,
    dus ook binnen de douane en de FIOD, mensen zijn geweest, van wie
    men nu kan zeggen dat zij kennelijk toch wel gerund zijn. Misschien
    is daar enige activiteit geweest, maar dan ook niet meer dan dat
    aan die mensen eens een keer vragen zijn gesteld en dat er
    regelmatig contact was.
    De heer Rabbae:
    Volgens de mededeling die de heer Teeven hier deed, en de brief
    van de heer De Jongh aan u, was er wel degelijk sprake van het
    runnen van informanten. Runnen van informanten betekent niet
    eenmalig een tipje en dan wegwezen. Dat betekent een structurele
    verhouding met een informant over een bepaalde zaak. U zegt zowel
    hier als tijdens ons bezoek aan de FIOD van een paar maanden
    geleden dat u eigenlijk geen informanten had, maar alleen
    contacten. De heer Bakker van uw dienst zegt dat ook. Tot mijn
    spijt moet ik zeggen dat dit niet strookt met wat de mensen zeggen
    die deze informanten in de praktijk hebben gerund, zoals neergelegd
    in de brief van een van deze runners.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik zei net: er hebben zich situaties voorgedaan, maar dat zijn
    situaties die ik niet ken, waarbij je zou kunnen zeggen dat het een
    vorm van runnen van informanten was. Maar als er echt is gerund,
    dan heeft er overdracht plaatsgevonden aan een CID. Ik denk dat het
    goed is om dat even te schetsen.
    De voorzitter:
    Hoe weet u dat?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik weet dat niet uit eigen wetenschap, maar omdat ik, wetende
    dat ik voor deze commissie zou komen, uiteraard met mensen binnen
    de organisatie heb gesproken om mij op de hoogte te stellen.
    De voorzitter:
    Hoe weten die dat zo zeker?
    De heer Van Blijswijk:
    Hoe bedoelt u?
    De voorzitter:
    Hoe kunt u er zo van overtuigd zijn dat er nooit actief gerund
    is?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik zeg niet dat er nooit actief gerund is. Als het zo is
    overgekomen, is dat een misverstand. Ik weet niet anders dan dat er
    voor ongeveer 1992 bij de douane en bij de FIOD informanten of
    tipgevers waren, maar het onderscheid daartussen was niet zo
    duidelijk. Na de Coral Sea affaire en ontwikkelingen in de
    jurisprudentie is in de loop van 1992 gezegd door de
    belastingdienst dat de namen van alle tipgevers, informanten of
    onder welke naam dan ook kennelijk binnen de organisatie aanwezigen
    aan de FIOD moesten worden gemeld. Dat is ook gebeurd. De FIOD
    heeft daar vervolgens naar gekeken. Hij heeft bezien welke mensen
    die op die overzichten voorkwamen, nog interessant waren voor de
    uitvoering van werkzaamheden. In de loop van 1992 zijn er toen een
    aantal informanten overgedragen aan de CID Kennemerland.
    De heer Rabbae:
    Dat is duidelijk. Na de overdracht in 1992 zijn er dus geen
    informanten meer bij de FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik moet uitgaan van de informatie die mij is gegeven, dat wij
    na de overdracht in 1992 geen informanten meer hebben gehad.
    De heer Rabbae:
    Hoe komt het dan dat de heer De Jongh in zijn brief aan u
    schrijft, dat de chauffeur per 31 januari 1993 ingeschreven staat
    als informant bij de FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb voor die opmerking van De Jongh geen verklaring. Wij
    hebben geen informantenbestand, zoals De Jongh suggereert.
    De heer Rabbae:
    Zou hij liegen?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee, ik denk niet dat de heer De Jongh liegt.
    De heer Rabbae:
    Hoe zit dat dan, als hij niet liegt?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk dat er uiteraard nog steeds tipgevers zijn. De
    teamleider binnen de FIOD zal op een bepaald moment wel informatie
    hebben gekregen van mensen die als informant door het leven gaan,
    maar de betrokkene is niet als informant ingeschreven in die zin
    dat de FIOD hem runde.
    De voorzitter:
    De betrokkene is vroeger toch wel ingeschreven? De heer Teeven
    heeft ook gezegd dat er een lijst is geweest.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik ken die lijsten niet.
    De voorzitter:
    De heer Teeven heeft hier verklaard dat er wel degelijk een
    lijst was.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja, er was een lijst. Ik heb dat uiteraard nagevraagd. Ik heb
    begrepen dat bij die overdracht in 1992 een lijst is gemaakt. Die
    lijst is inderdaad overgegaan naar de opvolger van de heer
    Teeven.
    De voorzitter:
    Niet een lijst gemaakt, er was een lijst.
    De heer Van Blijswijk:
    Er was een lijst. Die lijst is overgegeven aan zijn
    opvolger.
    De voorzitter:
    Nog een vraag over het verleden. Is u ook bekend dat eind jaren
    tachtig, begin jaren negentig een medewerker van de FIOD te zamen
    met een informant van de FIOD een belangrijke rol moet hebben
    gespeeld in een doorleveringstraject, voordat de CID Dordrecht daar
    actief bij betrokken was?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is mij niet bekend.
    De voorzitter:
    Hebt u er met uw voorganger over gesproken of hem dergelijke
    zaken bekend waren?
    De heer Van Blijswijk:
    Daar heb ik met mijn voorganger over gesproken en dat was hem
    niet bekend.
    De voorzitter:
    Was hem wel bekend wat uw medewerker deed, en dat die ook
    informanten runde?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat was hem wel bekend.
    De voorzitter:
    Heeft hij zich er toen van vergewist om welke activiteiten het
    ging?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik niet.
    De voorzitter:
    Hebt u zich nog extra vergewist van de activiteiten voor maart
    1995, toen de zaak voor een deel in de pers kwam?
    De heer Van Blijswijk:
    Voor maart 1995 heb ik mij er niet van vergewist wat precies de
    activiteiten waren van een medewerker die voor de RCID werkte. Dat
    klopt.
    De voorzitter:
    Ook niet van andere informanten/tipgevers?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee.
    De heer Rouvoet:
    U hebt zich dus eigenlijk pas de laatste tijd beziggehouden met
    de vraag wat er nu precies gaande was. Is mijn indruk juist dat u
    zich de laatste tijd, bijvoorbeeld tijdens deze openbare verhoren,
    over de precieze werkzaamheden van uw medewerker tot in detail hebt
    laten informeren, of ligt dat er ver voor? Wanneer bent u gaan
    vragen wat hij precies deed?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik ben in februari, begin maart geconfronteerd met een
    publikatie in een Duits blad, die mij ook is voorgelegd door een
    aantal leidinggevenden. Op dat moment ben ik mij inhoudelijk gaan
    bezighouden met hoe een aantal zaken hadden gelopen. Voor die tijd
    niet, net zomin als ik mij in het algemeen bezighoud met de
    werkzaamheden van de 750 individuele medewerkers van de FIOD. Dat
    is primair een taak van hun leidinggevenden. Als de leidinggevende
    merkt dat iets buiten het normale patroon van werkzaamheden valt,
    gaat hij uiteraard naar een leidinggevende boven hem toe om dat
    soort zaken te bespreken. Dat is in dit geval ook gebeurd.
    De heer Rouvoet:
    Die publikatie was in februari 1995. U bent toen gaan kijken
    naar een aantal trajecten. Hebt u toen gezegd dat u precies wilde
    weten wat uw medewerker die bij de RCID zat, precies deed?
    De heer Van Blijswijk:
    Op dat moment zijn wij gaan praten over wat daar heeft
    gespeeld.
    De voorzitter:
    Voor alle duidelijkheid, het gaat om het zogenaamde
    sigarettentraject.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja. Op dat moment ben ik mij daar met mijn leidinggevenden in
    gaan verdiepen. Wij hebben toen intern gezegd dat wij dit heel
    grondig moesten uitzoeken, zodat pas omstreeks eind maart
    geleidelijk aan zichtbaar werd wat die werkzaamheden precies
    inhielden.
    De heer Rouvoet:
    Hebt u tijdens de openbare verhoren of tijdens de werkzaamheden
    van deze commissie nog dingen gehoord die u niet wist op dit
    onderdeel?
    De heer Van Blijswijk:
    Je kunt zeggen dat sinds maart 1995 mij en een groot aantal
    anderen binnen de FIOD een aantal dingen gewaar zijn geworden,
    waarvan wij eerder niet hebben geweten.
    De heer Rabbae:
    Ik stap over naar de doorlatingen. De heer Huisman heeft ons
    verteld dat hij al in 1993 een signaal had afgegeven in de richting
    van de heer Teeven dat hierop neerkwam: het wordt mij te veel wat
    het doorlaten van containers betreft. De heer Teeven heeft later
    een initiatief genomen naar aanleiding van, zoals hij zei, wat hij
    had gelezen in de pers. Wanneer begon bij u een bel te rinkelen in
    het kader van het doorlaten van containers door de douane?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik vind dit een lastige vraag. Het gecontroleerd afleveren was
    staande praktijk, dat wil zeggen: zowel ondersteuning door de FIOD
    in de richting van politie en justitie als het door de FIOD zelf
    gebruik maken van die methode.
    De voorzitter:
    Wat verstaat u precies onder “gecontroleerd afleveren”?
    De heer Van Blijswijk:
    Daar versta ik onder dat een container waarin goederen zitten,
    wordt gevolgd buiten het haventerrein, dat mensen die zich daarover
    ontfermen, worden aangehouden en dat de goederen in beslag worden
    genomen en zo nodig worden vernietigd.
    De voorzitter:
    In de eerste hand?
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Wanneer wist u dat het niet zo ging?
    De heer Van Blijswijk:
    In maart 1995 is mij en mijn leidinggevenden duidelijk geworden
    dat dit in een aantal gevallen, waarin wij ondersteuning verleenden
    aan politie en justitie, niet is gebeurd en dat dus kennelijk
    sprake was van doorlevering.
    De heer Rabbae:
    Niet eerder?
    De heer Van Blijswijk:
    Niet eerder. Ik heb navraag gedaan bij een aantal anderen en
    ook bij mijn voorganger. Het enige wat mijn voorganger zich kon
    herinneren op dat punt is dat er in het najaar van 1993 het signaal
    kwam dat men in de Amsterdamse situatie, later de IRT-affaire,
    plannen had om te gaan doorleveren. De reactie binnen de FIOD
    daarop was: dat is heel verbazingwekkend en onvoorstelbaar.
    De heer Rabbae:
    Dus die affaire op zichzelf was voor u geen aanleiding om na te
    gaan of het allemaal goed ging?
    De heer Van Blijswijk:
    In die zin wel dat na de IRT-affaire met name in de situaties
    waarin wij ondersteuning verleenden aan politie en openbaar
    ministerie de heer Bakker in het bijzonder – ook op andere plaatsen
    in de FIOD is het gebeurd – veel nadrukkelijker is gaan registreren
    hoe dat verliep. Daarbij zijn wij er altijd van uitgegaan dat
    meegewerkt zou worden aan gecontroleerde afleveringen.
    De heer Rabbae:
    Vanaf dat moment tot maart 1995 was het bij u eigenlijk niet
    aan de orde?
    De heer Van Blijswijk:
    Niet aan de orde.
    De heer Rabbae:
    Ik heb begrepen dat op 10 januari 1995 een gesprek plaatsvond
    op het ministerie van Financin waarbij u ook aanwezig was.
    De heer Van Blijswijk:
    Dat klopt.
    De heer Rabbae:
    Dus eerder dan in maart 1995 moet u een signaal hebben
    gehoord.
    De heer Van Blijswijk:
    Op een gegeven moment eind 1994 is er inderdaad een signaal
    gekomen. Als wordt gewerkt met zaken als gecontroleerde
    afleveringen is een aantal mensen daarvan natuurlijk op de hoogte.
    Op enig moment is in het licht van wat men had ervaren de vraag
    gekomen van de kant van de douane in Amsterdam: is datgene waaraan
    wordt meegewerkt bij gecontroleerde afleveringen van de politie
    iets waar de leiding van FIOD en douane van op de hoogte zijn en
    loopt dat goed? Daarnaast was de vraag aan de orde: in hoeverre
    zijn daarbij veiligheidsrisico’s betrokken voor douanemensen en
    medewerkers van bedrijven die werken op haventerreinen? Dat was de
    aanleiding.
    De heer Rabbae:
    Wij hebben begrepen van de heer Huisman dat hij op een gegeven
    moment aan de bel heeft getrokken en dat op grond daarvan een
    gesprek over de ontstane situatie heeft plaatsgevonden op het
    ministerie van Financin, waarbij ook u betrokken was.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Kunt u aangeven wat toen besproken is?
    De heer Van Blijswijk:
    De aanleiding voor dat gesprek vormde niet de heer Huisman. De
    heer Huisman was wel bij dat gesprek aanwezig. De aanleiding was
    dat vanuit het douanedistrict Amsterdam op een gegeven moment aan
    mijn plaatsvervanger is voorgelegd: er is wat onrust, loopt het
    allemaal goed? Dit heeft geleid tot contact tussen de FIOD en de
    douane en wij hebben…
    De voorzitter:
    Welke onrust was dat?
    De heer Van Blijswijk:
    Gecontroleerde afleveringen kwamen met enige regelmaat voor en
    de vraag was: realiseert de leiding, in dit geval die van de
    douane, zich dat dit soort dingen gebeuren? Verder werd de vraag
    gesteld of aan het meewerken met de douane aan deze afleveringen
    geen grotere risico’s verbonden waren voor het personeel dan aan
    het normale, reguliere werk. Die signalen waren aanleiding voor een
    contact. Dat contact heeft ertoe geleid dat de directeur van de
    douane en ik hebben gezegd: wij moeten dat gewoon eens bespreken en
    de zaken helder op een rij krijgen. Vervolgens hebben wij een
    afspraak gemaakt. Bij het gesprek op het ministerie van Financin
    zijn mensen van de douane Amsterdam, onder wie de directeur Douane,
    en van de FIOD aanwezig geweest. Ik was daarbij ook aanwezig.
    De heer Rabbae:
    Wat is daaruit geresulteerd?
    De heer Van Blijswijk:
    Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen
    enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan
    gecontroleerde aflevering. Wij hebben verder geconstateerd in dat
    gesprek dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat
    wij medewerking zouden blijven verlenen als onder
    verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd
    gevraagd.
    De voorzitter:
    Er waren toch een heleboel signalen die in een andere richting
    wezen?
    De heer Van Blijswijk:
    Mij zijn die signalen niet bekend.
    De voorzitter:
    Die waren toch notoir, algemeen bekend zou je kunnen zeggen?
    Wij hadden de IRT-affaire gehad en er was een heftige discussie
    over de vraag of drugs al dan niet op de markt kwamen. Ik meen dat
    de heer Huisman de heer Bakker heeft genformeerd en ik neem aan dat
    de heer Bakker niet voor niets een nieuwe regeling heeft
    vastgesteld. Is iemand toen op de vraag gekomen hoe het toch kwam
    dat alle meldingen om op die wijze gecontroleerd af te leveren via
    de bedoelde medewerker, de heer De Jongh, gingen? Of is dat niet in
    details besproken?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk niet dat het in details is besproken. Ik vraag mij ook
    af of dat nodig was. Wij kregen die meldingen en, zoals de heer
    Bakker hier ook al heeft gezegd meen ik, in een aantal gevallen is
    nadrukkelijk door hem nagegaan bij de verantwoordelijke officier of
    die meldingen klopten. Er was wat dat betreft geen enkele reden om
    te twijfelen aan die meldingen.
    De heer Vos:
    Het gaat om een jarenlang lopende praktijk, hebt u gezegd. Hebt
    u daarin geen aanleiding gezien, de onrustfactor nader te
    onderzoeken? Als u zegt dat het om een jarenlange praktijk gaat,
    zullen de douanemensen in het veld daarmee toch ook bekend zijn
    geweest? Daarvan uitgaande zou er een toegevoegde factor geweest
    zijn om die onrust te veroorzaken.
    De heer Van Blijswijk:
    Het doel van dat gesprek, waarbij zoals gezegd ook mensen van
    het douanedistrict Amsterdam aanwezig waren, was om daarover te
    discussiren. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat er geen
    aanleiding was om de afspraken te herzien die waren gemaakt met het
    openbaar ministerie en die over de procedure en de
    veiligheidsrisico’s.
    De heer Rabbae:
    Dat gebeurde op 10 januari 1995. In maart bent u, zeg ik maar,
    wakker geworden. Wat is uw conclusie over de afgelopen periode?
    Hebt u op 10 januari als het ware gezegd: geen paniek, wij gaan met
    dezelfde procedure door?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik moet constateren dat velen met mij binnen de FIOD en
    Financin ergens in maart jl. tot de schokkende ontdekking kwamen
    dat, terwijl wij altijd dachten dat er gecontroleerd was afgeleverd
    en spullen in beslag waren genomen, dit in een aantal gevallen niet
    juist bleek te zijn.
    De voorzitter:
    Door wie? De heer Bakker heeft gezegd: ik voel mij belazerd
    door de CID Kennemerland. Voelt u zich geschoffeerd – om dat andere
    woord niet te gebruiken – door de CID Kennemerland of ook door uw
    eigen medewerker?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik wil het woord “geschoffeerd” niet gebruiken. Ik ben
    teleurgesteld door het feit dat een aantal zaken die steeds onder
    verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie hebben
    plaatsgevonden achteraf niet bleken te kloppen. Ik kan wel naar de
    CID wijzen en ik kan mij heel goed voorstellen dat de heer Bakker
    op die manier heeft gereageerd, maar ik denk dat ik moet zeggen: er
    hebben een aantal dingen plaatsgevonden; wij zouden tegen het geven
    van onze medewerking op een andere manier hebben aangekeken als wij
    dat eerder hadden geweten.
    De heer Rabbae:
    Is uw vertrouwen in de partners aan de andere kant
    geschonden?
    De heer Van Blijswijk:
    Het vertrouwen in degenen die verantwoordelijk waren voor deze
    operaties, waarbij wij ervan uitgingen dat het gecontroleerde
    afleveringen waren, is daarmee geschonden.
    De heer De Graaf:
    “Teleurgesteld” is dan heel zachtjes uitgedrukt.
    De voorzitter:
    U drukt zich graag onderkoeld uit.
    De heer Van Blijswijk:
    Wellicht.
    De heer De Graaf:
    Ook dat antwoord geeft dat aan. Ik wil even terug naar de
    verantwoordelijkheid voor uw eigen medewerker. U moet daar toch een
    visie op hebben. U kunt zeggen: dingen gebeuren onder
    verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, de CID etc. Uw
    eigen medewerker speelde een hoofdrol en heeft dit binnen uw lijn
    niet teruggerapporteerd. U kunt zeggen dat u zich wat teleurgesteld
    voelt in het openbaar ministerie, maar u kunt ook zeggen: het is
    bij ons niet goed gegaan, want wij hadden hem nooit zo’n vrijheid
    moeten geven zonder te weten wat er gebeurde.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik vind dat wij bij de betrokken medewerker niet kunnen spreken
    over een hoofdrol.
    De heer De Graaf:
    Hoe weet u dat eigenlijk?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb geen enkele aanwijzing dat hij op een andere manier
    heeft gehandeld dan gewoon als medewerker op dat moment van een
    RCID, die een aantal opdrachten uitvoerde.
    De heer De Graaf:
    De heer Langendoen heeft hier in zijn verhoor aangegeven dat
    hij een kasboekje heeft, en dat alleen de heer Van Vondel, de heer
    De Jongh en hijzelf op de hoogte waren van dat kasboekje, waarin
    verantwoording zou zijn afgelegd over de besteding van criminele
    gelden. Dat betekent dat de heer De Jongh op de hoogte was van dat
    soort processen, want anders kan hij dat kasboekje niet kennen, en
    er dus ook bij betrokken was. Maar nu zegt u: hij deed alleen
    datgene wat wij altijd deden, namelijk zorgen voor inklaring. Hoe
    verhoudt dit zich tot elkaar?
    De heer Van Blijswijk:
    U gaat ervan uit dat als de heer Langendoen zegt dat de heer De
    Jongh dat ook wist, dat daarmee ook vaststaat dat de heer De Jongh
    het weet. Hij zei: ik dacht het.
    De heer De Graaf:
    Ik vraag mij af wat u precies weet van wat de heer De Jongh
    heeft gedaan. U zegt: wat hij heeft gedaan, was regulier, want dat
    deden wij altijd, maar dat weet u dus eigenlijk niet precies.
    De heer Van Blijswijk:
    U vraagt mij naar het kasboekje. Ik heb uiteraard het verhoor
    van de heer Langendoen gevolgd. Toen hij over het kasboekje sprak,
    net als toen hij in een tussenzin zei dat de FIOD-medewerker niet
    bij hen was gedetacheerd, ben ik direct naar de betrokken
    medewerker toe gegaan, omdat ik uit zijn mond wenste te horen wat
    zijn reactie daarop was. Ik kan u zeggen dat zijn reactie was: ik
    neem aan dat er een administratie werd bijgehouden, want in het
    kader van zo’n gecontroleerde aflevering – ook in de ogen van de
    betrokken medewerker – moest ik betalingen verrichten; van die
    betalingen werd een kwitantie gemaakt, die ik weer inleverde bij
    het hoofd der CID. Dat betekent dat je ervan uit mag gaan dat er
    iets van een administratie wordt bijgehouden, maar dat is
    alles.
    De heer Vos:
    Hebt u zich er bij die gelegenheid ook van vergewist of de heer
    De Jongh wist of al dan niet werd doorgeleverd het milieu in?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat heb ik uiteraard al eerder aan de heer De Jongh gevraagd en
    de heer Bakker heeft dat ook aan de heer De Jongh gevraagd. Ik heb
    altijd het antwoord gekregen dat hij dat niet wist. Hij is er
    altijd van uitgegaan dat het in eerste, tweede of derde hand in
    beslag werd genomen.
    De heer Vos:
    Geloofde u dat?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik weet niet of ik de heer De Jongh moet geloven, maar ik zeg
    niet dat de heer De Jongh onwaarheid spreekt, want ik heb geen
    feiten op grond waarvan ik zou kunnen stellen dat hij onwaarheid
    spreekt. Tot op dat moment wens ik daar verder geen oordeel aan te
    verbinden.
    De heer Koekkoek:
    U hebt de heer De Jongh hier gisteren of eergisteren nog over
    gesproken?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is juist.
    De voorzitter:
    Na het verhoor spreek ik graag met u verder, omdat ons is
    gemeld dat het vanwege medische redenen absoluut onmogelijk is om
    hem te spreken. Voor u is dat blijkbaar wel mogelijk. Het is
    vervelend dat zijn naam constant over tafel gaat, maar dat begrijp
    ik ook wel.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik kan de heer De Jongh bezoeken, als zijn baas in de personele
    sfeer. Ik vind zelfs dat het mijn plicht is om hem, als dat zo
    voorkomt, te bezoeken. Hij is ziek gemeld. Het is volstrekt
    duidelijk dat de heer De Jongh niet altijd ziek zal blijven. De
    vraag is in hoeverre hij gedurende zijn ziek zijn in staat is om
    een gesprek te hebben met uw commissie of met de rijksrecherche,
    want die heeft uiteraard ook interesse om met hem te spreken. Dat
    is niet mijn afweging, maar het is een medische beslissing of dat
    wel of niet kan. Ik vind wel dat ik met hem kan spreken.
    De voorzitter:
    U hoeft er verder niet op in te gaan. Het is alleen moeilijk,
    als u een verklaring aflegt over een bezoek dat u aan hem hebt
    gebracht. Dat zult u begrijpen.
    De heer Koekkoek:
    De perspublikatie over de sigarettensmokkel was voor u
    aanleiding om daar in te duiken. Kwam u er naar aanleiding daarvan
    ook achter dat er doorgeleverd was met drugs?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee. De publikatie over de sigaretten was aanleiding om eerst
    intern na te gaan wat er heeft gespeeld. Dat leidde tot de
    conclusie dat hier kennelijk sprake was van een CID-operatie. Dat
    heeft geleid tot besprekingen met de politie Kennemerland. Op enig
    moment is het rijksrecherche-onderzoek naar die sigarettenkwestie
    gaan lopen. Toen dat onderzoek breder werd, kwam vervolgens het
    hele verhaal over verdovende middelen boven tafel.
    De heer Koekkoek:
    Dus toch naar aanleiding van. Het is toch een sneeuwbaleffect,
    waardoor het licht opgaat.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja, een sneeuwbaleffect in die zin dat wij gingen kijken naar
    die sigaretten en uitkwamen bij de CID. Toen het
    rijksrecherche-onderzoek ging lopen, bleken er verbanden te zijn,
    die uiteraard werden gelegd door de rijksrecherche.
    De voorzitter:
    Door die sigaretten kwam u niet alleen uit bij de CID, maar ook
    bij een chauffeur die al jaren uw eigen informant en tipgever was
    geweest. Klaarblijkelijk heeft hij ook vele containers sigaretten
    kunnen doorvoeren. Er was niet alleen een band buiten u om via de
    CID, maar er lag binnendoor ook een band.
    De heer Van Blijswijk:
    Nee, er lag binnendoor geen band.
    De voorzitter:
    Jawel, want u krijgt te maken met een chauffeur die betrokken
    is bij doorvoeren van sigaretten. Deze heeft daarbij gebruik
    gemaakt van de diensten van een runner van de CID, de heer Van
    Vondel, en van uw medewerker. Daarvoor heeft hij achteraf eventueel
    goedkeuring gekregen. Hij blijkt ook betrokken bij het transport
    van verdovende middelen, dat hier al vele malen is beschreven.
    De heer Van Blijswijk:
    Ja.
    De voorzitter:
    Daar zit toch een personele unie in van iemand met wie u al
    veel langer te maken hebt gehad?
    De heer Van Blijswijk:
    Daar zit een personele unie in, maar u legt een verband met wat
    die chauffeur verder nog heeft gedaan op het terrein van
    sigaretten. U suggereert dat er een band is met de FIOD, maar dat
    ontken ik ten stelligste. Die band is er niet.
    De heer Rabbae:
    Is het sigarettentraject een volledige CID-affaire geweest? Was
    het niet een FIOD-traject, waarbij de CID faciliterend is
    opgetreden? Was het niet in eerste instantie een zaak van de FIOD
    om achter sigarettensmokkel te komen?
    De heer Van Blijswijk:
    Het is op zichzelf een taak van de belastingdienst, douane en
    uiteindelijk de FIOD, als het in de opsporingssfeer komt, om bezig
    te zijn met onregelmatigheden of smokkel met sigaretten. In dat
    opzicht is er dus niets vreemds. In dit specifieke geval hebben wij
    ons uiteraard eerst afgevraagd of dit sigarettenverhaal binnen onze
    eigen organisatie kon spelen, maar wij zijn tot de conclusie
    gekomen dat wij daar geen rol in hadden. Wij zijn toen uitgekomen
    bij de CID Kennemerland.
    De heer Rabbae:
    Mag ik even mijn versie aan u voorleggen?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat mag u altijd.
    De heer Rabbae:
    Mijn versie luidt als volgt. Op een gegeven moment komt de heer
    De Jongh bij de heer Teeven. Hij zegt dat hij een informant heeft
    bij een sigarettentraject en vraagt of de heer Teeven daarin
    genteresseerd is of niet. De heer Teeven verwijst naar de heer
    Boom, u wel bekend. Vanaf dat moment wordt de zaak gekoppeld aan de
    FIOD, waarbij gebruik wordt gemaakt van de CID-status van
    Kennemerland, maar dat is meer een faciliterend aspect. Wilt u deze
    versie ontkennen?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik wil deze versie niet ontkennen, in die zin dat mij, het
    toenmalige hoofd van de douanerecherche en een teamleider die bezig
    was met sigarettenonderzoeken in het algemeen, bekend is dat de
    heer De Jongh op een gegeven moment bij hen is gekomen en heeft
    gezegd dat hij iemand had die informatie had over sigaretten.
    De heer Rabbae:
    Dat is dus juist?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is juist, maar de naam Boom is in dit deel van het verhaal
    naar mijn gevoel niet juist.
    De heer Rabbae:
    Wij leggen even vast dat dit juist is. Is het ook juist dat de
    heer De Jongh voor dit traject niet achteraf, maar vooraf
    toestemming heeft gekregen van de FIOD in de persoon van de heer
    Tjalkens, op 19 augustus 1993?
    De heer Van Blijswijk:
    De heer Tjalkens verklaart dat hij geen toestemming heeft
    gegeven…
    De heer Rabbae:
    En de heer De Jongh verklaart dat hij wel toestemming heeft
    gekregen.
    De heer Van Blijswijk:
    De heer De Jongh verklaart dat hij wel toestemming heeft
    gekregen. Daarom denk ik dat in het lopende
    rijksrecherche-onderzoek op enig moment boven tafel moet komen waar
    de waarheid ligt.
    De heer Rabbae:
    Zolang dat onderzoek nog niet is afgerond, is dat voor u geen
    reden om te kiezen voor de versie dat het een volledig traject was
    van de CID, waar de FIOD heel ver van af stond.
    De heer Van Blijswijk:
    Zolang dat onderzoek niet is afgelopen, kan ik niet vaststellen
    of door een van beiden of beiden de waarheid is gesproken of
    niet.
    De voorzitter:
    Kunt u categorisch ontkennen dat enige FIOD-medewerker heeft
    geweten dat er bij vele eerdere ladingen sigaretten
    onregelmatigheden aan het licht konden komen?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik kan dat niet categorisch ontkennen, omdat ik dat niet
    weet.
    De heer Rabbae:
    Is u bekend hoeveel sigarettentransporten in het kader van dit
    traject hebben plaatsgevonden? Als u een exact getal riskant vindt,
    kunt u gewoon zeggen of het meer of minder dan 70 is.
    De heer Van Blijswijk:
    Over welk traject hebt u het?
    De heer Rabbae:
    Het sigarettentraject.
    De heer Van Blijswijk:
    Uit verklaringen is gebleken dat het bij het sigarettentraject
    waar ik van op de hoogte ben en waar de rijksrecherche onderzoek
    naar doet, gaat om wellicht drie zendingen met sigaretten. Ik heb
    geen enkele aanwijzing dat wat er later is gebleken op het terrein
    van sigarettensmokkel, waar die chauffeur ook bij betrokken is
    geweest, iets te maken heeft met de FIOD of met de RCID
    Kennemerland.
    De heer Rabbae:
    Wat zou dan de verklaring zijn voor deze ritten? Onder welke
    vlag hebben zij plaatsgevonden?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik niet.
    De voorzitter:
    U zegt dat u moet afwachten wat de rijksrecherche zegt. Wij
    blijven wel zitten met tegenstrijdige verklaringen. Wij blijven ook
    zitten met het punt dat de betrokken chauffeur uw tipgever was. Dan
    komt het algemene probleem in hoeverre u dat kunt controleren. Over
    die vraag hebben wij het nu. Wij hoeven het niet tot op de laatste
    datum en komma vast te stellen, dat is ons werk niet, maar het werk
    van de rijksrecherche. Het gaat erom dat er sprake kan zijn van een
    dubbelrol, die een belangrijke omvang kan hebben.
    De heer Van Blijswijk:
    Nogmaals, ik heb geen wetenschap van eerdere jaren en daar heb
    ik ook geen duidelijk zicht op gekregen. Ik heb geen aanleiding om
    aan te nemen dat de betrokken chauffeur de laatste jaren, ook in de
    periode waarin de sigarettentransporten speelden, als tipgever voor
    de FIOD opereerde.
    De heer Rabbae:
    Als het aantal transporten waarbij de FIOD betrokken was,
    beperkt is tot drie, zoals u zegt, mogen wij er dan van uitgaan dat
    er voor deze transporten toestemming moet zijn van de officier van
    justitie?
    De heer Van Blijswijk:
    U gaat ervan uit dat de FIOD bij drie transporten betrokken zou
    zijn, en dat ontken ik.
    De heer Rabbae:
    Dat ontkent u?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat ontken ik. Er is op dit moment wat mij betreft geen
    aanwijzing dat de FIOD verantwoordelijkheid heeft bij die drie
    transporten.
    De heer Rabbae:
    U ontkent datgene wat de heer De Jongh, uw eigen medewerker, in
    zijn brief van 14 maart aan u meedeelt?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee, ik ontken niet wat de heer De Jongh mededeelt. Ik stel
    gewoon vast dat ik op dit moment geen aanwijzingen heb om een
    betrokkenheid van de FIOD met u vast te stellen. Dat is het enige
    wat ik zeg.
    De heer Rabbae:
    Dan moet u kiezen. Of de mededeling van de heer De Jongh in
    zijn brief aan u is juist. Die mededeling houdt in dat er drie
    transporten zijn geweest waar de FIOD bij betrokken was. Of zij is
    niet juist en dat betekent gewoon dat u dat ontkent.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik kies niet, mijnheer Rabbae, want ik heb onvoldoende
    informatie om een keuze te maken. Dit betekent dat ik geen keuze
    maak. Dat is heel simpel. Ik laat zoiets graag over aan anderen. Er
    is een rijksrechercheonderzoek gaande en daaruit zal naar ik hoop
    op enig moment blijken hoe het zich precies heeft afgespeeld. Ik
    wens niet te kiezen voor medewerker A of medewerker B. Ik heb op
    dit moment geen aanwijzingen dat een van hen onwaarheid heeft
    gesproken.
    De heer Koekkoek:
    U vindt de verklaring van de heer De Jongh geen aanwijzing dat
    er sprake zou kunnen zijn van medewerking van de FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik kan beide verklaringen niet op een evenwichtige manier
    wegen. Als de heer De Jongh zegt dat hij toestemming heeft
    gekregen, kan ik slechts vaststellen op grond van het onderzoek dat
    wij zelf hebben gedaan dat daartegenover verklaringen staan waaruit
    zou blijken dat geen toestemming is verleend. Ik stel vast dat, als
    toestemming voor zo’n traject is verleend binnen de CID, dit door
    een officier van justitie zou moeten zijn gedaan. Wij denken dat
    wij het daar uiteindelijk moeten zoeken.
    De voorzitter:
    Mag ik dit onderwerp afsluiten met de constatering dat u in
    ieder geval niet hebt tegengesproken de rol die de betrokken
    chauffeur vroeger heeft gespeeld voor de FIOD en de rol die uw
    medewerker heeft gehad in een heleboel trajecten, terwijl u in
    feite weinig extra op tafel kunt leggen van hoe het dan allemaal
    wel is gegaan?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is juist.
    De voorzitter:
    Daarvoor is dit verhoor deels bedoeld. Hebt u zich ooit de
    vraag gesteld of u misschien gerund werd door een dergelijke
    chauffeur en enigszins in het ootje werd genomen?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee, ik heb mij die vraag niet gesteld. Ik voel mij ook niet
    gerund door wie dan ook.
    De voorzitter:
    Wanneer is de staatssecretaris genformeerd?
    De heer Van Blijswijk:
    Waarover?
    De voorzitter:
    Niet zozeer over het sigarettentraject – ik neem aan dat hij
    daarover in de krant heeft gelezen en toen vragen heeft gesteld –
    maar over de bijeenkomst van 10 januari 1995 en de vraag van de
    betrokkenheid van de FIOD bij het af-, c.q. doorleveren.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik weet niet of de staatssecretaris is genformeerd en, zo ja,
    wanneer.
    De voorzitter:
    Is besproken op de tiende januari of hij het eventueel op moest
    nemen met justitie?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is niet besproken. In die bespreking – u kunt het verslag
    daarvan krijgen als u daar behoefte aan hebt – zijn een aantal
    dingen doorgenomen en zijn conclusies getrokken. Er is afgesproken
    dat die conclusies zouden worden voorgelegd aan de
    directeur-generaal der belastingen en dat is gebeurd. Of de
    directeur-generaal op dat moment ook de staatssecretaris…
    De voorzitter:
    Weet u of de staatssecretaris op een later tijdstip is
    ingelicht?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik kan niet zeggen dat ik dat met zekerheid weet, maar ik kan
    mij niet voorstellen dat het niet is gebeurd.
    De voorzitter:
    Wanneer moet dat dan gebeurd zijn en aan wie moeten wij dat
    vragen?
    De heer Van Blijswijk:
    De staatssecretaris pleegt over het algemeen door de
    directeur-generaal van de belastingdienst te worden genformeerd
    over dit soort dingen.
    De voorzitter:
    Maar u hebt niet specifieke gezegd naar boven: dit ware nog op
    te nemen met Justitie, c.q. verder in het OM?
    De heer Van Blijswijk:
    Niet dat ik mij kan herinneren; niet ik persoonlijk.
    De heer Rabbae:
    Weet u of de staatssecretaris op de hoogte is van het fiscaal
    aanslaan van criminele organisaties tot tientallen miljoenen
    guldens?
    De voorzitter:
    Laten wij het zo zeggen, er zijn personen in Nederland, althans
    met de Nederlandse nationaliteit, die ineens een heel grote aanslag
    in de bus krijgen, waar criminele inlichtingen een zekere rol bij
    spelen. Onze vraag was eigenlijk hoe de sleutel ligt van wat je
    opgelegd krijgt, omdat het een deel is van het ontmantelen. Het kan
    ook een fiscale aanslag zijn.
    De heer Van Blijswijk:
    Het kan alleen een fiscale aanslag zijn, als Financin er wat
    mee te maken heeft.
    De voorzitter:
    Het kan toch ook een fiscale aanslag zijn als middel om tot
    ontmanteling te komen, zoals in de stukken staat?
    De heer Van Blijswijk:
    Een fiscale aanslag is een instrument om te heffen over datgene
    wat is verdiend. Ik denk dat dit de taak is van de belastingdienst.
    Als er informatie is dat een persoon een bepaald inkomen of
    vermogen heeft verworven en daarover geen dan wel te weinig
    belasting heeft betaald, dan zal de verantwoordelijke eenheid van
    de belastingdienst op enig moment een aanslag opleggen.
    De voorzitter:
    Moet een officier de criminele informatie aanreiken,
    bijvoorbeeld uit onderzoeken, voordat u die aanslagen gaat
    opleggen? Of kan dat ook gewoon tussen de recherche of de CID en de
    FIOD worden geregeld?
    De heer Van Blijswijk:
    Als in een strafrechtelijk onderzoek informatie wordt
    verzameld, moet die informatie met toestemming van de officier van
    justitie ter beschikking worden gesteld. Als het erom gaat dat de
    belastingdienst in zuiver fiscale zin bezig is met
    opsporingshandelingen, dan is die informatie in het kader van de
    belastingheffing verkregen.
    De heer Rabbae:
    Mogen wij aannemen dat de staatssecretaris, want hij gaat
    daarover, op de hoogte is van een aantal gevallen van fiscale
    aanslagen voor gigantische bedragen?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik niet. Het is niet mijn verantwoordelijkheid om die
    aanslagen op te leggen. Ik ben daar verder ook niet bij
    betrokken.
    De heer Rabbae:
    Wij hebben net de heer Lith verhoord, die bij u bekend is. Hij
    heeft ons verklaard dat de organisatie-Bruinsma miljarden heeft
    verdiend. Op mijn vraag hoe hij dat wist, zei hij dat de FIOD dat
    eigenlijk zou moeten weten. Weet u dat?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik weet het niet.
    De heer Rabbae:
    Hoe moeten wij de verklaring van de heer Lith plaatsen?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik ook niet.
    De voorzitter:
    Heeft de FIOD een speciale rol bij het opleggen van aanslagen
    aan personen uit het criminele milieu, wanneer zij ook in
    CID-matige onderzoeken voor kunnen komen?
    De heer Van Blijswijk:
    Voor zover ik mij kan voorstellen, heeft de FIOD daar geen
    speciale rol in. De FIOD doet strafrechtelijk onderzoek in de
    fiscale sfeer of loopt in het kader van strafrechtelijk onderzoek
    aan tegen zaken die fiscaal relevant kunnen zijn. Op dat moment
    wordt datgene wat bevonden is, altijd overgedragen aan de bevoegde
    inspecteur van de belastingdienst. Het is de belastinginspecteur
    die aanslagen oplegt, de FIOD legt geen aanslagen op. De FIOD is
    erop gericht om bij belastingdelicten het strafrechtelijk bewijs
    bij te brengen. Als daarbij informatie naar voren komt die van
    belang kan zijn voor de heffing van de belasting, dan is het de
    inspecteur die op een gegeven moment die aanslag oplegt.
    De heer De Graaf:
    Dat zijn de formele bevoegdheden, maar ik heb begrepen dat een
    inspecteur nooit een aanslag van bijvoorbeeld 20 mln. bij een
    crimineel in de bus kan doen zonder dat daar FIOD-informatie aan
    ten grondslag ligt.
    De heer Van Blijswijk:
    Uiteraard. Daar zal soms heel nadrukkelijk FIOD-informatie aan
    ten grondslag liggen.
    De heer De Graaf:
    Wordt informatie die met strafvorderlijke en strafrechtelijke
    doeleinden is verzameld, dan niet voor een ander doel
    aangewend?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk dat er in dit geval geen sprake van is. In het kader
    van een strafrechtelijk onderzoek wordt met toestemming van de
    officier van justitie die informatie aangewend door de
    inspecteur.
    De voorzitter:
    Kan het ook zonder toestemming van de officier van
    justitie?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk dat dit in de situatie waarover wij het nu hebben niet
    kan. Vervolgens is het een zaak voor de inspecteur om te heffen.
    Als een belastingplichtige meent dat de inspecteur niet op correcte
    wijze aan zijn informatie is gekomen, zal dat ongetwijfeld voor de
    belastingrechter worden uitgevochten.
    De voorzitter:
    Bent u er zeker van dat u nu geen informanten meer heeft?
    De heer Van Blijswijk:
    Of ik er zeker van ben dat de FIOD geen informanten meer
    heeft?
    De voorzitter:
    Geen informanten meer runt?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik denk niet dat de FIOD informanten runt. Wij hebben wel
    tipgevers. Maar het runnen van informanten: nee. Ik mag nooit
    zeggen dat ik er absoluut zeker van ben, maar het is niet het
    beleid van de FIOD om informanten te runnen.
    De heer Koekkoek:
    Komt het nog voor dat, wanneer iemand op Schiphol aankomt met
    in zijn tas 3 mln. en geen verklaring kan geven voor de herkomst
    van dat geld, hem dan een belastingaanslag wordt opgelegd?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik niet.
    De heer Koekkoek:
    Als dat gebeurt, kan dat dan mede zijn gebaseerd op
    inlichtingen van de FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik weet niet of dat mede gebaseerd kan zijn op inlichtingen van
    de FIOD. De inspecteur moet een aanslag opleggen. Daarvoor moet hij
    een grond hebben. Hij moet dus over informatie beschikken. Het
    enkele feit dat iemand met 3 mln. binnenkomt, kan nooit een reden
    zijn voor de inspecteur der belastingen om te zeggen: dat zal wel
    inkomen zijn en daarover zal ik wel even belasting heffen.
    De heer Koekkoek:
    Het is u niet bekend dat dit gebeurt?
    De heer Van Blijswijk:
    Mij is niet bekend dat dit gebeurt.
    De voorzitter:
    Is het u bekend dat het gebeurde?
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb wel eens een verhaal gehoord dat zoiets gebeurde, maar
    ik heb niet meer informatie dan u.
    De voorzitter:
    Ik dacht altijd dat u meer informatie had dan wij.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb geen fiscale informatie over belastingplichtigen in het
    algemeen.
    De heer Koekkoek:
    Kwam het regelmatig voor?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat weet ik niet.
    De heer Rouvoet:
    De heer Teeven heeft er tegenover ons zijn verbazing over
    uitgesproken dat hij indertijd niet is uitgenodigd door de
    commissie-Wierenga om van de kant van de FIOD een verhaal te
    houden. Is het u bekend dat die verbazing breder leefde binnen de
    FIOD?
    De heer Van Blijswijk:
    Dat is mij niet bekend.
    De heer Rouvoet:
    Is daar nooit over gesproken?
    De heer Van Blijswijk:
    Nee.
    De heer Rouvoet:
    Heeft de heer Teeven niet tegen u gezegd: wat gek dat wij
    helemaal niet gehoord worden?
    De heer Van Blijswijk:
    De heer Teeven is weggegaan per 1 januari 1994. De
    commissie-Wierenga begon pas nadat de heer Teeven bij de FIOD weg
    was.
    De heer Rouvoet:
    Daarom vroeg ik of u bekend was dat in die tijd erover
    gesproken is dat de FIOD helemaal buiten beeld bleef.
    De heer Van Blijswijk:
    Ik heb mij niet in die periode afgevraagd of de FIOD erbij
    betrokken moest zijn. Ik heb geconstateerd dat de FIOD er niet bij
    betrokken is en ik heb er geen consequenties aan verbonden. Ik denk
    dat in het traject waarom het de commissie-Wierenga ging geen
    specifieke rol voor de FIOD was weggelegd. Ik heb mij er dus niet
    over verbaasd dat wij er niet bij betrokken werden.
    De voorzitter:
    Mijnheer Van Blijswijk, dank u wel. Sluiting 14.02 uur


    Inhoudsopgave en zoeken