• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – mr. J.M. Valente

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 72

    27 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 27 oktober 1995 in de
    vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr.
    J.M. Valente
    Zie ook: Eerste verhoor mr. J.M. Valente (red.)
    Aanvang 11.05 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    Aiking-van Wageningen, De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos,
    alsmede de heer Nava, plv. griffier
    De voorzitter:
    Ik heropen de vergadering van de enqutecommissie
    opsporingsmethoden. Aan de orde is het verhoor van de heer J.M.
    Valente, geboren 15 maart 1948 te Lissabon (Portugal). Mijnheer
    Valente, wilt u opstaan voor het afleggen van de belofte? De door u
    af te leggen belofte luidt: “Ik beloof de gehele waarheid en niets
    dan de waarheid te zeggen”.
    De heer Valente:
    Dat beloof ik.
    De voorzitter:
    Mijnheer Valente, na eerdere verhoren van de heer Van der
    Putten en uzelf kwam de commissie tot de conclusie dat er mogelijk
    tegenstrijdige verklaringen waren afgelegd. Zoals u weet, hebben
    wij ons daarna verder gebogen over de specifieke zogenaamde
    trajecten waar het dan over moest gaan. Wij hebben ook met uw
    toestemming de zogenaamde banden afgeluisterd die de heer Van der
    Putten had opgenomen. Wij willen graag voornamelijk dat punt met u
    doornemen, gezien onze eerdere aankondiging dat wij dat nader
    zouden onderzoeken. Voordat wij daartoe overgaan, zou ik nog even
    terug willen naar het verhoor van vice-president Willems. Dat hebt
    u gevolgd?
    De heer Valente:
    Dat heb ik wel gevolgd, ja, althans ik heb het later op de
    avond op de video bekeken.
    De voorzitter:
    Dan zal u niet ontgaan zijn dat wij de heer Willems hebben
    gevraagd om zijn oordeel te geven over het niet aanwezig zijn in
    het proces-verbaal van de heer Woelders van de werkmethode, dan wel
    de handelwijze om ook informatie bij bankinstellingen op te vragen.
    Daarop zei hij: Dat had er wel in moeten zitten.
    De heer Valente:
    Hij zei ook dat hij het de heer Woelders niet kwalijk nam en
    heeft ook gezegd dat, gelet op de context van de vraag, de heer
    Woelders wellicht niet had kunnen begrijpen dat dit erbij had
    gemoeten, of woorden van dergelijke strekking.
    De voorzitter:
    Had u het moeten begrijpen?
    De heer Valente:
    Had ik het moeten begrijpen? Ik weet het niet, voorzitter. U
    kent mijn standpunt: het zat verwerkt in een ambtsbericht. Mijn
    standpunt is niet het standpunt van iemand die alleen staat, want
    de conclusie van advocaat-generaal Van Dorst ondersteunt mijn
    standpunt. Opmerkelijk is dat de heer Willems zegt het standpunt te
    hanteren dat de politie in een voorfase niet alles mag wat een
    burger niet verboden is. Advocaat-generaal Van Dorst heeft een heel
    ander standpunt; ik wijs u naar overwegingen 36 en 33 in zijn
    conclusie. Ik sta dus niet helemaal alleen.
    De voorzitter:
    U staat nooit alleen, dat geloof ik wel.
    De heer Valente:
    Dit is een verschil van mening op juridisch gebied. Ik heb
    begrepen dat de heer Doedens een revisie zal instellen. Uiteraard
    zal hij moeten wachten tot de Hoge Raad in cassatie een beslissing
    heeft genomen, maar dan wacht ik het gewoon af.
    De voorzitter:
    Dus u was niet verbaasd door het oordeel van de heer Willems
    die hier zei dat het onaanvaardbaar was.
    De heer Valente:
    Ik kreeg de indruk dat de heer Willems – uiteraard heeft hij
    mijn ambtsbericht niet gehad – sprak over ingrijpende, diepgaande
    onderzoeken bij de banken. Daar is geen sprake van. De commissie is
    uiteraard vrij om mijn ambtsbericht – het was een vertrouwelijk
    ambtsbericht, maar het is bij u terechtgekomen – in de publiciteit
    te brengen. Dan kan juridisch Nederland ernaar kijken.
    De voorzitter:
    Dat kunt u zelf ook doen. Wij doen dat pas als wij ons
    rapport…
    De heer Valente:
    Ja, als u uw rapport hebt geschreven. Dat bedoel ik er ook
    mee.
    De voorzitter:
    Dat lijkt ons wel verstandig. De heer Huisman…
    De heer Valente:
    Dat is die man van het douane-informatiecentrum?
    De voorzitter:
    Juist, precies.
    De heer Valente:
    Dank u zeer.
    De voorzitter:
    Die heeft in zijn verhoor hier gezegd dat ook u in het verleden
    vaker toestemming gegeven zou hebben voor een gecontroleerde
    doorlevering van containers of gecontroleerde aflevering. Via de
    heer…
    De heer Valente:
    Dat bestrijd ik niet, voorzitter. Eind jaren tachtig, begin
    jaren negentig was het een gewoonte bij politie en justitie in
    Nederland om vooral de havenofficier… Ik denk dat de heer De
    Groot met dezelfde problemen is geconfronteerd als ik. Dan werd je
    gebeld door een politieman die zei: “Ik heb toestemming van
    officier X en wij willen een container gecontroleerd afleveren.
    Geeft u toestemming om de container langs uw grondgebied te
    vervoeren?” De gewoonte was om dan officier X te bellen en te
    vragen: “Wordt het gecontroleerd afgeleverd?” Antwoord: “Ja, hoor”.
    En dan zei je: “Nu, ok, ik bewaak de container tot die de grenzen
    van mijn arrondissement is gepasseerd”. Daarna is het jullie
    container. Het is anders geworden in de jaren 1994/1995. In sommige
    gevallen ben ik zelfs overgegaan tot het maken van een convenant
    met de desbetreffende officier. Eind jaren tachtig, begin jaren
    negentig was het echter heel gebruikelijk om te handelen zoals ik
    heb aangegeven. Ik weet zeker dat ik voor bijvoorbeeld het
    arrondissement Dordrecht minstens drie containers heb door laten
    gaan die dan voor mevrouw Van Maren-van der Kaaij bestemd waren.
    Dat was geen probleem.
    De voorzitter:
    Het klimaat was toen toch zo dat het normaal was?
    De heer Valente:
    Het was normaal, ja.
    De voorzitter:
    Verder kan er toen toch best mede onder uw verantwoordelijkheid
    zijn doorgelaten?
    De heer Valente:
    Nee, dat is niet waar. Op dat moment was ik alleen
    verantwoordelijk tot de grenzen van mijn arrondissement. Het ligt
    nu anders, want sinds 1993 ben ik landelijk bevoegd. Ik ging
    indertijd af op mededelingen van de collega’s. Als iemand tegen mij
    zei: “Ik heb een gecontroleerde aflevering en een traject”, wie ben
    ik dan om mijn collega te gaan onderzoeken? In die tijd lag het
    heel anders, voorzitter. Vandaag zou het misschien anders
    zijn.
    De voorzitter:
    En er werd later ook niet teruggevraagd wat ermee gebeurd was?
    Dat deed u niet?
    De heer Valente:
    U moet bedenken: het zijn collega’s onder elkaar. Ik ga,
    althans, ik ging niet mijn collega’s toetsen.
    De voorzitter:
    Goed. De heer Koekkoek gaat met u verder over het traject Gooi
    en Vechtstreek.
    De heer Valente:
    Gooi en Vechtstreek. Uitstekend.
    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Valente, wist u ervan dat de heer Van der Putten de
    telefoongesprekken opnam die hij met u voerde?
    De heer Valente:
    Nee, voorzitter.
    De heer Koekkoek:
    Wat is uw oordeel daarover?
    De heer Valente:
    Ik denk dat mijn oordeel over de heer Van der Putten al heel
    duidelijk is, in de stukken die ik heb geschreven.
    De heer Koekkoek:
    Nee, dat vraag ik niet. Ik vraag uw oordeel over het opnemen
    van gesprekken.
    De heer Valente:
    Niet acceptabel, niet aanvaardbaar.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u het niet gewenst, om duidelijkheid te hebben over de
    voortgang van een zaak, dat ook vastligt wat voor gesprekken zijn
    gevoerd?
    De heer Valente:
    Daar zou ik geen bezwaar tegen hebben, maar dan moeten beide
    partijen daarvan op de hoogte zijn. Dat was niet het geval.
    De heer Koekkoek:
    U vindt het niet aanvaardbaar. Vindt u het ook
    onrechtmatig?
    De heer Valente:
    Dat is een mooie vraag. Ik denk dat het niet onrechtmatig is,
    gelet op artikel 139, n van de leden daarvan, van het Wetboek van
    Strafrecht. Ik heb wel even een curiositeit voor u. In de zaak-A
    tegen Frankrijk voor het Europees Hof, een zaak van 1995, waarin
    een soortgelijke operatie is verricht door een informant van de
    politie, waardoor een crimineel wordt afgeluisterd, zegt het Hof
    dat dit een behoorlijke inbreuk is op artikel 8 van het Europees
    Verdrag, dus op de privacy. Ik denk dat ik, als ik er iets van zou
    willen maken, daar misschien met succes een beroep op zou kunnen
    doen.
    De voorzitter:
    Maar voor politie-infiltranten is dit toch aan de orde van de
    dag, namelijk beplakt en bezakt met afluisterapparatuur?
    De heer Valente:
    Ik heb dat horen zeggen.
    De voorzitter:
    Dat weet u toch?
    De heer Valente:
    Ik heb het gehoord.
    De voorzitter:
    De heer Van der Putten deed dus toch niet anders dan hetgeen de
    politie ten aanzien van criminelen doet, namelijk met medeweten van
    n van de deelnemers aan het gesprek?
    De heer Valente:
    Ik ben geen crimineel.
    De voorzitter:
    Dat moet ik aannemen.
    De heer Valente:
    Althans, ik zou zeggen: licht even mijn strafblad. Ik vind dat
    die vergelijking niet opgaat.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil met u enkele zaken bespreken die hebben gespeeld. De
    eerste betreft de invoer van een container met een aantal duizenden
    kilo’s hasj.
    De heer Valente:
    5000 kilo.
    De heer Koekkoek:
    U noemt het aantal, dus ik zal dat verder ook doen. U hebt de
    vorige keer tegen ons gezegd dat u tegen gesloten CID-trajecten
    bent.
    De heer Valente:
    Nog steeds.
    De heer Koekkoek:
    In deze zaak bent u er kennelijk aanvankelijk mee akkoord
    gegaan dat een loods wordt gehuurd, dat zaken goed met een
    informant worden doorgesproken…
    De heer Valente:
    Zeker.
    De heer Koekkoek:
    …en dat een andere onderzoeksingang wordt verzorgd om de zaak
    tactisch te kunnen aanpakken. Was er in dit geval dan geen sprake
    van een gesloten CID-traject?
    De heer Valente:
    Dat is mij gaandeweg gebleken. Dat verklaart ook waarom ik een
    “move” heb gemaakt om ervan af te komen.
    De heer Koekkoek:
    Maar als u…
    De heer Valente:
    Mag ik dit even afmaken?
    De heer Koekkoek:
    Legt u het uit.
    De heer Valente:
    Ik ben op 19 april van dit jaar bezocht door de heer Van der
    Putten. Wij spreken eerst over een vergadering die de heer Van der
    Putten heeft gehad op 25 maart met collega Van der Veen, collega De
    Groot, de chef CID Haarlem, de chef CID Rotterdam enzovoort. Ik
    vraag hem: “Wat is er op die vergadering besproken, waarom weet ik
    er niets van af, waarom gaat mijn chef CID naar een vergadering met
    andere CID-officieren waar ik niets van afweet?” Mij wordt dan
    uitgelegd dat er een probleem is in het Rotterdamse met betrekking
    tot een informant, dat het de bedoeling zou zijn om 19.000 kilo
    hasj te importeren, hetgeen wellicht op de markt terecht zou komen
    en dat hij zich daartegen heeft verzet.
    De heer Koekkoek:
    Ik heb het nu over de 5000 kilo.
    De heer Valente:
    Voorzitter, mag ik even vertellen hoe het gegaan is? U stelt
    een vraag en als u daar een antwoord op wilt hebben, zult u toch
    naar mij moeten luisteren.
    De heer Koekkoek:
    Ik luister heel goed, maar als het mij niet duidelijk
    is…
    De heer Valente:
    Dan mag u mij onderbreken.
    De heer Koekkoek:
    …dan neem ik de vrijheid om te interrumperen.
    De heer Valente:
    Ok, wij verstaan elkaar.
    De heer Koekkoek:
    Laat u zich daar verder niet door weerhouden.
    De heer Valente:
    Intussen waren de problemen in het Rotterdamse met hetgeen
    later bekend werd als de Bever-zaak, in de pers geweest, dus dat er
    verdovende middelen op de markt terecht waren gekomen. Ik heb de
    heer Van der Putten op die dag gevraagd: “Hebben wij iets met dat
    traject te maken, zitten wij erin?” Nee hoor, was het antwoord, dat
    is niet zo. Vervolgens – dat is letterlijk en figuurlijk – kreeg ik
    een “bill of lading” voorgeschoteld, een laaddocument waarmee
    containers ingevoerd worden. Mij werd verteld: “Ik heb een
    informant, dat is een informant die jij wel kent, want die is bij
    jou aangemeld op 10 februari. Die informant heeft een bill of
    lading en gaat voor criminelen een container binnenhalen. Ga je
    daarmee akkoord?” Ik ging daarmee akkoord. Ik kan mij niet meer
    precies herinneren of ik op die dag toestemming heb gegeven om de
    loods en het transport met crimineel geld te bekostigen. Ik meen
    dat het niet zo is, maar ik kom daar zo nog op terug. Ik heb de
    zaak getoetst en zoals het was bedacht, was er in mijn optiek geen
    sprake van infiltratie.
    De voorzitter:
    Maar er was wel sprake van de loods met het criminele
    geld.
    De heer Valente:
    Ik had een voorwaarde: dat alles gepakt zou worden. Ik wilde
    absoluut geen gram op de markt hebben. Als tweede voorwaarde had ik
    dat het volledig onder controle van de politie moest gebeuren.
    Daaraan inherent was dat de politie moest transporteren en dat de
    loods onder beheersing van de politie moest zijn. In mijn optiek
    was de informant ook echt een informant en pleegde hij zelfs geen
    strafbare feiten, want hij gaf een “bill of lading” aan de politie.
    Hij voerde dus wel verdovende middelen in, maar bij het invoeren in
    de zin van artikel 1 Opiumwet moet het gaan om het binnen Nederland
    brengen van verdovende middelen met het doel om te verspreiden, dus
    onder gebruikers.
    De voorzitter:
    Mag ik even…
    De heer Valente:
    En moment. Ook zegt…
    De voorzitter:
    Mag ik u toch even onderbreken?
    De heer Valente:
    Voorzitter, ik ben met een juridisch verhaal bezig. Laat u mij
    dat even afmaken, ik kom zo op de vraag.
    De voorzitter:
    Graag, ja.
    De heer Valente:
    De opzet van de informant was niet gericht op het invoeren in
    de zin van de Opiumwet en ook hij zou dus niet strafbaar zijn.
    De voorzitter:
    Dat is op z’n minst betwistbaar, mijnheer Valente.
    De heer Valente:
    Dat is niet betwistbaar.
    De voorzitter:
    Juristen mogen elkaar toch altijd betwisten?
    De heer Valente:
    Het is een leerstuk dat al uitgekauwd is. Mijnheer Koekkoek kan
    daar, denk ik, meer over vertellen.
    De voorzitter:
    Het is toch op z’n minst betwistbaar dat er geen enkel
    strafbaar feit gepleegd zou worden? Zullen wij het daarop
    houden?
    De heer Valente:
    Ik denk van niet.
    De voorzitter:
    Het andere punt dat nog belangrijker is, is het punt van het
    criminele geld waar de heer Van der Putten vanmorgen ook mee
    gekomen is. U zegt later: ” 50.000 is veel te veel, dat wil ik
    sowieso niet”. Maar het gaat nu even om het principe. Hebt u
    expliciet gezegd: “Nee, dat doen wij niet”?
    De heer Valente:
    Het punt van het principe, dat is een vraag die ik mij later
    heb gesteld. Op dat moment heb ik mij die vraag niet gesteld. Ik
    zeg ook dat ik niet weet of ik op 19 april over de kosten van de
    loods en het transport heb gesproken, maar ik heb er zeker wel op
    de 24ste over gesproken. Ik laat dat nu even buiten bespreking; ik
    kom daar zo op terug. Op dat moment besefte ik dat ik met een
    container en een transport te maken had en ik had behoefte aan
    technische ondersteuning. Er is toen ter plekke besloten dat de
    heer Teeven dit traject zou kunnen trekken en ik heb toen de heer
    Teeven erbij gehaald. Die heeft toen ook naar de “bill of lading”
    gekeken.
    De heer Koekkoek:
    U wilt niet weten van een gesloten CID-traject. Er is sprake
    van het huren van een loods, daar weet u van.
    De heer Valente:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Er is ook sprake van afspraken met een informant. U wist toch
    van het huren van een loods in die 5000 kilo-zaak?
    De heer Valente:
    Ja, dat wist ik wel. Dat is door de politie gedaan. Ik meen dat
    de politie op dat moment niet infiltreerde. De politie houdt geen
    contact met de crimineel. Het enige dat de politie doet, is wat de
    informant eigenlijk had moeten doen. De informant is benaderd door
    de crimineel om het spul binnen te brengen en de politie neemt, ter
    wille van de beheersing van het traject, dat stukje invoer van de
    haven naar een loods en het vervolgtraject over van de
    informant.
    De heer Koekkoek:
    En toen er sprake was van het huren van een loods, ging u ervan
    uit dat de politie die loods huurde. Dat was ook zo, alleen
    gebeurde het met geld van de informant.
    De heer Valente:
    Ik weet niet of ik daar op 19 april over gesproken heb. Op de
    24ste ben ik daarmee akkoord gegaan. Dat staat ook in alle stukken
    die ik geproduceerd heb. Ik moet mij nu even corrigeren: het was de
    25ste, ‘s middags.
    De heer Koekkoek:
    U bent ermee akkoord gegaan dat het geld van de crimineel
    kwam?
    De heer Valente:
    Ja hoor, met geld van de criminele organisatie.
    De heer Koekkoek:
    Bent u dan nog steeds van mening dat er geen sprake was van een
    gesloten CID-traject?
    De heer Valente:
    Nee, want als de zaak voor de rechter zou verschijnen, zou ik
    dat ook opengooien.
    De voorzitter:
    Ondanks de positie van de informant?
    De heer Valente:
    Nee, het was geen infiltrant. De politie had het gedaan, dus
    dan zou de politie een verklaring voor de rechter moeten
    afleggen.
    De voorzitter:
    Dan had de politie het toch ook moeten zeggen, als een slimme
    advocaat zou vragen hoe de politie het dan betaald heeft?
    De heer Valente:
    Ik zou dat geen probleem vinden. Wat mij betreft, was er op dat
    moment geen sprake van een gesloten traject. De zaak evolueerde tot
    de 25ste. Toen ging ik er anders over denken.
    De voorzitter:
    25 april?
    De heer Valente:
    Ja, 25 april.
    De voorzitter:
    Jan Tabak?
    De heer Valente:
    Nee, dat is 26 april.
    De voorzitter:
    Ja, 26 april Jan Tabak.
    De heer Valente:
    Op 25 april, ergens in de middag. Uit mijn hoofd zou ik zeggen
    dat het even voor n uur ‘s middags is geweest. Ik had al met
    collega Teeven gesproken en die had mij, op grond van zijn ervaring
    met het containertraject uit 1993, al gewaarschuwd en gezegd: “Wij
    zitten nagenoeg in het Delta-traject”. Dan treedt een heel andere
    situatie op. Op de 25ste krijg ik ook een volledige uitleg hoe het
    zit en op dat moment heb ik nagenoeg de zekerheid dat ik daarin
    terecht ben gekomen. Dan loop ik bij Hans Vrakking binnen, de
    hoofdofficier, en ik vertel hem dat de smeerpijp of de slurf – dat
    zijn de termen die ik altijd voor het containertraject gebruik –
    bij ons is terecht gekomen.
    De heer Koekkoek:
    Misschien mag ik toch nog op enige details verder ingaan, want
    wij komen vanzelf terug bij de verschillende zaken. Was u op de
    hoogte van de verdiensten van de informant?
    De heer Valente:
    Nee.
    De voorzitter:
    Het punt van de 250 per kilo.
    De heer Valente:
    Ik was niet op de hoogte van de 250 per kilo. Mijn bedoeling
    was om alles te pakken, dus ik kon niet begrijpen, althans tot
    gisteravond niet, dat de informant geld zou hebben verdiend aan dat
    traject. Na lezing van stukken, gisteravond, is bij mij iets heel
    anders opgekomen en dat wil ik u toch niet onthouden. Ik heb hier
    een informantendossier en ik zal even iets uit dat
    informantendossier gaan citeren.
    De voorzitter:
    Vindt u dat verstandig?
    De heer Valente:
    Ik kan het doen op een verstandige manier. Ik vind dat het wel
    belangrijk is om dit te doen.
    De voorzitter:
    Dan moet u dat stuk ook wel aan ons willen geven.
    De heer Valente:
    Dit stuk is al in uw bezit.
    De voorzitter:
    Het informantendossier?
    De heer Valente:
    Ja, de heer Teeven heeft het de vorige keer al aan u
    overgedragen.
    De heer Koekkoek:
    Dit betreft nog steeds de 5000 kilo?
    De heer Valente:
    Ja, ja. U beseft dat ik dit dossier pas half mei heb gekregen,
    19 mei of iets dergelijks. Ik heb daar iets heel frappants in
    gevonden. Je moet het tien keer lezen om te snappen wat erin staat.
    Maar op 2 mei is er een gesprek tussen de heer Van der Putten en de
    informant. Ik lees daar even iets uit voor en ik zal daarbij dingen
    die in de richting van de informant zouden kunnen duiden, er
    natuurlijk uitlaten: “Met hem twee mogelijkheden besproken om de
    partij bij elkaar te houden. Aangegeven dat wij mogelijk voor een
    klant voor de hele partij kunnen zorgen.” Kennelijk was er op dat
    moment niet eens iemand die de partij wilde hebben, dus totaal iets
    anders dan mij voorgespiegeld werd.
    De heer Koekkoek:
    Ook niet voor een deel van de partij?
    De heer Valente:
    Kennelijk niet, dat lees ik hieruit. Verder citeer ik: “Over
    het weekeinde tillen in verband met traject Engeland”. Het traject
    Engeland is mij volstrekt onbekend. Dat is nooit ter sprake
    geweest. Ik vervolg: “Frits heeft informant aangegeven” – nu komt
    het – “dat wij de zaak zo lang mogelijk blijven rekken, voordat wij
    besluiten om binnen te springen. Wij zullen blijven inspelen op de
    belangen van de informant, maar mocht dat niet …, dan moet de
    informant een ondernemingsrisico incalculeren”. Daarna komt de
    plaats van overdracht en die zal ik niet noemen. Voorzitter, hier
    was ik helemaal niet van op de hoogte. Wat ik hieruit kan
    destilleren, in vergelijking met de problemen die ik heb gehad – u
    hebt een telefoongesprek van 27 april, waarin Van der Putten
    probeert mij van alles te laten doen en waarin hij constant zegt
    dat ik…
    De voorzitter:
    Ja, om even terug te komen op dat gesprek van de 27ste
    april…
    De heer Valente:
    U weet dat de partij in twee delen is geleverd. Ik wilde het
    tweede deel steeds naar de vuilverbranding laten overbrengen, maar
    telkens weer werd ik gebombardeerd met problemen van de informant
    en de veiligheid van de informant. Collega Craemer – toen zat ik al
    in het Middelburgse – is gebeld en er is zelfs gezegd: “Als dat
    rechtstreeks naar de vuilverbranding gaat, zoals Jo Valente dat
    wil, zou hij zelf risico lopen”. Er is geen sprake van risico. Men
    houdt vanuit de CID rekening met de belangen van de informant.
    Inderdaad heeft de informant wellicht geld verdiend, uiteraard niet
    geld uit de staatskas of van de belastingbetaler, maar geld van z’n
    maatjes.
    De heer Koekkoek:
    Kunnen het ook andere belangen zijn dan alleen financile?
    De heer Valente:
    Wat is een bedrijfsondernemingsrisico anders? Ik vertaal dat
    alleen als financile belangen.
    De voorzitter:
    U hebt ook niet verder gevraagd hoe de informant wordt betaald:
    tip, tonen, voorkoop, of niet?
    De heer Valente:
    Dat is op dat moment niet ter sprake geweest. Er is een
    ontwikkeling geweest van de 19de naar de 25ste, waarbij ik erachter
    kom dat ik wellicht in het zogenaamde Delta-Bever-traject zit. Op
    dat moment gaat mijn belangstelling niet meer zozeer uit naar dit
    traject, want ik heb daar geen zin meer in. U leest ook dat ik op
    de 28ste zelf heb gezegd dat ik van dat gedonder af wil zijn. Het
    is dus niet meer ter sprake geweest.
    De voorzitter:
    Waarom hebt u op de 27ste april, in het gesprek dat wij in het
    vorige verhoor ook met de heer Van der Putten hebben doorgenomen,
    dan niet gewoon gezegd: “Frits, we kappen ermee”?
    De heer Valente:
    Ik zeg een paar keer…
    De voorzitter:
    Het wordt duidelijk dat u ermee in uw maag zit, dat u het
    eigenlijk niet wilt, maar u zegt niet gewoon: “Frits” – u spreekt
    elkaar toch zo aan, nietwaar, Jo en Frits…
    De heer Valente:
    Ja, Frits en Jo.
    De voorzitter:
    U zegt dus niet: “Frits, we kappen ermee”?
    De heer Valente:
    Nee, dat zeg ik niet.
    De voorzitter:
    Dat was misschien duidelijker geweest.
    De heer Valente:
    Ik denk dat ik overduidelijk ben geweest. Ik heb gezegd: “Op
    dit ogenblik is mijn gedachte om het spul te pakken zonder
    verdachte. Wij moeten het traject op een goede manier beindigen,
    zonder dat er schade voor wie dan ook ontstaat. Maar wij kunnen
    niet tegen de wil van de zaaksofficieren dingen gaan doen” Nou. dat
    is overduidelijk.
    De voorzitter:
    Maar u zegt op dat moment dus niet tegen Van der Putten dat het
    u te veel riekt naar Delta?
    De heer Valente:
    Ik heb hem herhaaldelijk gevraagd of dit het Delta-traject was.
    Ook collega Teeven heeft hem herhaaldelijk gevraagd of wij in het
    Delta-traject zaten. Telkens heeft hij “nee” gezegd. Kijkt u maar
    naar de verslagen van gesprekken die in uw bezit zijn. Wij hebben
    het dus herhaaldelijk gevraagd, maar er is “nee” gezegd. Aan de
    andere kant moet ik niet ontkennen dat ik op dat moment ook
    interesse had om erachter te komen of ik inderdaad in het
    Delta-traject zat.
    De voorzitter:
    Juist. Dus u zegt… Daar bent u misschien niet duidelijk.
    De heer Valente:
    Ik heb gezegd: “Ik wil geen verdachte hebben.” Ik weet dat ik
    in een infiltratietraject zit, of nagenoeg in zo’n traject zit. Dan
    treedt het tweede mechanisme in, namelijk dat ik daar geen zin ik
    heb. Dus geen verdachte pakken en geen zaak. Maar uiteraard wil ik
    weten waar ik zit, ik wil het ook onderzoeken. Ik heb al op de
    25ste groen licht gekregen van mijn hoofdofficier om het te
    onderzoeken”.
    De heer Koekkoek:
    Mag ik nog een verduidelijking vragen?
    De heer Valente:
    Jazeker.
    De heer Koekkoek:
    U citeert uit het informantendossier een gesprek op 2 mei.
    De heer Valente:
    Ik heb nog mr te citeren, hoor.
    De heer Koekkoek:
    Daar krijgt u gelegenheid voor.
    De heer Valente:
    Dank u.
    De heer Koekkoek:
    Daarin is sprake van het “blijven rekken”. Waar sloeg dat
    volgens u op?
    De heer Valente:
    Ik wilde een partij pakken op dat moment, zonder verdachte. Ik
    wil het zo spoedig mogelijk beindigen.
    De heer Koekkoek:
    Ja, u wilt ervan af.
    De heer Valente:
    Men wil het echter blijven rekken. Als het zo is – ik ga nu
    filosoferen – dat de informant, of beter gezegd de infiltrant, want
    dat is een infiltrant, door z’n maatjes is betaald, dan past dat
    rekken helemaal in het beeld. Het spul is bij zijn maatjes en dan
    moet hij tijd hebben om zijn geld te incasseren.
    De heer Koekkoek:
    Dat is een mogelijkheid, maar misschien kunnen wij ook een
    andere mogelijkheid opperen, namelijk dat het rekken nodig was om
    te kijken of men bij de criminele organisatie waar het andere deel
    van de partij kwam, tot aanhouding over kon gaan.
    De heer Valente:
    Maar ik wil geen aanhoudingen verrichten. Dat weet men al op de
    27ste, dus op 2 mei is het overduidelijk dat ik geen aanhoudingen
    wil verrichten. Dat heb ik toch gezegd? Waar is dat rekken dan
    voor?
    De heer Koekkoek:
    Dan kan dat rekken alleen voor een ander doel zijn…
    De heer Valente:
    Wat is “ondernemingsrisico”?
    De heer Koekkoek:
    Dat kan van alles zijn.
    De voorzitter:
    “Ondernemingsrisico” kan toch ook zijn dat de informant moet
    worden afgeschermd? Het hoeft toch niet alleen te slaan op
    geld?
    De heer Valente:
    Nee, dat is geen ondernemingsrisico.
    De voorzitter:
    Ik weet niet hoe u dat in die kringen noemt.
    De heer Valente:
    Nee, voorzitter, dat is geen ondernemingsrisico. Laten wij
    elkaar maar gewoon recht in de ogen kijken.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer raakte u ervan op de hoogte hoe het eigenlijk zat,
    bijvoorbeeld het bedrag dat voor de loods is betaald. U dacht dat
    het ging om een paar honderd gulden.
    De heer Valente:
    Daar kom ik pas achter ergens halverwege mei, bij de 17.000
    kilo.
    De voorzitter:
    Dat zijn dezelfde 17.000 kilo.
    De heer Valente:
    Overigens, dat is ook heel opvallend: het lezen van stukken kan
    heel leerzaam zijn. Ik vind in hetzelfde informantendossier…
    De heer Koekkoek:
    Had u daar niet eerder in gekeken?
    De heer Valente:
    Ja, maar met andere ogen. De informatie die de heer Van der
    Putten heeft geponeerd, heeft mij aan het denken gezet en ik ben
    ook met andere ogen naar zaken gaan kijken. Dat met die 17.000 kilo
    is heel mooi. Op 10 mei registreert hij in zijn informantendossier
    dat hij door de informant over die 17.000 kilo wordt genformeerd.
    Maar als u kijkt in de stukken die u heeft, ziet u dat collega
    Teeven op 8 mei de heer Van der Putten bezoekt en door Van der
    Putten al op 8 mei op de hoogte wordt gebracht van het feit dat er
    17.000 kilo in aantocht is. Hoe weet hij dat dan, als de informant
    het hem nog helemaal niet heeft verteld? Dat is voor mij een
    openstaande vraag die ik ga onderzoeken. Op het moment dat de
    17.000 kilo ter sprake kwam, heb ik gezegd: “Ik ga geen stap verder
    voordat ik de informantendossiers heb”. Met veel rekken en trekken
    heb ik uiteindelijk op, uit mijn hoofd gezegd, 19 mei van de heer
    Bijlsma aangereikt gekregen. Ik heb eerst met de heer Bijlsma een
    stevig gesprek gehad en aan het eind van dat gesprek gaf hij de
    informantendossiers die er aanvankelijk niet waren, toch maar aan
    mij. Na het gesprek ben ik die informantendossiers gaan lezen en
    toen schrok ik mij rot. Ik dacht: ” 50.000, hoe kan dat nou?”
    Daarop volgde een gesprek op 24 mei, waarvan zowel door mij als
    door de heer van der Putten aantekening is gemaakt. Beide
    aantekeningen sporen echt met elkaar. Eerst zei Van der Putten dat
    ik volledig op de hoogte was van het bedrag van 50.000, maar toen
    ik hem stevig aanpakte, kwam hij daarop terug en zei hij: “Nee,
    inderdaad hebben wij niet over bedragen gesproken, maar je wist wel
    dat het betaald was”. Ja, dat wist ik wel. En ik zei toen: “Ik
    dacht dat het om 3000 of 4000 zou gaan”. Op zichzelf is het voor uw
    vraag onbelangrijk of het 3000 was, of 50.000.
    De heer Koekkoek:
    Ik meende dat u dacht dat het om enkele honderden guldens
    ging.
    De heer Valente:
    Nee, enkele duizenden guldens.
    De voorzitter:
    Als u die andere connecties allemaal niet had gelegd, was u er
    dan misschien wel mee doorgegaan? Het was toch niet zozeer de zaak
    zelf die u op een ander idee heeft gebracht? Nee, het was de extra
    informatie die u kreeg over mogelijke betrokkenheid bij andere
    trajecten. Wat Van der Putten hier zegt, blijft overeind staan: Op
    19 april kon hij ervan uitgaan dat u akkoord was gegaan, ook met
    het huren van een loods.
    De heer Valente:
    Omdat ik maar halve informatie kreeg. Ja, ik ga akkoord met van
    alles als ik maar de helft van de informatie krijg.
    De voorzitter:
    En op 27 april zegt u niet: Wij stoppen ermee.
    De heer Valente:
    Nee, want dan…
    De voorzitter:
    En dan denkt u nog enige tijd: als ik toch doorga, krijg ik
    misschien ook nog een paar andere dingen te weten. Het is dus toch
    allemaal minder duidelijk dan bij het eerste verhoor, toen u zei:
    Infiltratie, never, nooit.
    De heer Valente:
    Dat heb ik nooit gezegd, voorzitter. Leest u mijn verklaringen
    er maar op na. Ik heb gezegd: Ik ben tegen gesloten trajecten. Ik
    wil het ook wel even citeren, hoor.
    De voorzitter:
    Geen infiltranten, zo zei u.
    De heer Valente:
    Nee hoor. Ik zoek het op.
    De heer Koekkoek:
    Op welke bladzijde bent u nu?
    De heer Valente:
    Op bladzijde 31, waar het gaat over infiltranten. Ik zeg daar:
    “Maar goed, zou er een situatie zijn waarin dat wel kon, dan deed
    ik het wel”. De heer De Graaf stelt dan een vraag en ik antwoord
    daarop: “Misschien wel”. Dan komt de vraag:” Infiltranten dus
    niet?” en ik antwoord: “Nee, omdat dit niet kan”. Ik voeg eraan toe
    dat, als het wel zou kunnen, als ik een kroongetuigeregeling zou
    hebben enz., ik het wel zou doen.
    De voorzitter:
    U zegt in het eerste verhoor ook: “Maar als u mij in de huidige
    omstandigheden zou vragen of ik die methode zou toepassen, zeg ik:
    nee”.
    De heer Valente:
    Dat is echt de IRT-methode. Ik kom in de IRT-methode terecht en
    dan zeg ik: geen verdachte, enz. Dit is dus een volledige
    bevestiging van hetgeen ik gezegd heb en niet tegenstrijdig. Lees
    het maar goed.
    De voorzitter:
    Nu, wij mogen de conclusies trekken, u…
    De heer Valente:
    Ja, u trekt conclusies, maar ik kijk naar feiten en
    omstandigheden.
    De heer Koekkoek:
    Wij trekken de conclusies later.
    De heer Valente:
    Ja, ik wacht op uw rapport.
    De heer Koekkoek:
    Wat opvalt is, dat u in de telefoongesprekken aan de heer Van
    der Putten meldt: er is geen zaaksofficier te vinden.
    De heer Valente:
    Dat is ook zo.
    De heer Koekkoek:
    Ja, dat geloof ik ook wel, maar hoe komt dat? Is het niet
    vreemd dat er geen zaaksofficier te vinden is, om de zaak tactisch
    te maken?
    De heer Valente:
    Omdat het in geen enkel traject past. Van der Putten probeert
    de zaak te duwen in twee trajecten die lopen, een traject van
    collega Witteveen en een traject van collega Teeven. Die zaak past
    er echter van geen kant in.
    De heer Koekkoek:
    Daar is kennelijk verschil van mening over.
    De heer Valente:
    Het openbaar ministerie heeft de leiding over de opsporing en
    heeft het gezag. U kent mijn standpunt, dat ook heel duidelijk in
    het gesprek naar voren komt: ik ben alleen ondersteunend, de
    zaaksofficieren bepalen het. Dat houd ik overeind; zo is het ook
    gegaan. Ik zeg in dat gesprek duidelijk – daarom ben ik wel blij
    dat het is opgenomen – dat ik CID-officier ben en dus geen zaak ga
    trekken.
    De heer Koekkoek:
    Er moet dus een zaaksofficier zijn, maar die is niet te
    vinden.
    De heer Valente:
    Nee, die hebben daar geen zin in.
    De heer Koekkoek:
    Die is niet te vinden, omdat het niet aansluit bij andere
    zaken.
    De voorzitter:
    En ook omdat u er geen zin in heeft, nietwaar?
    De heer Valente:
    Ik heb daar ook geen zin in, inderdaad.
    De voorzitter:
    Dus dat speelt wel een grote rol.
    De heer Koekkoek:
    Speelt het dan zo’n rol dat wij moeten zeggen: dit is een
    smoes?
    De heer Valente:
    Dat is uw interpretatie. Dat is niet zo.
    De heer Koekkoek:
    Nee, het is een vraag.
    De heer Valente:
    Het is geen smoes. Ik heb geen zaaksofficier.
    De heer Rouvoet:
    U zei eerder dat u erachter kwam hoe het in elkaar zat en u zei
    toen: “Vandaar mijn move om ervan af te komen”. Is dit die “move”,
    dat er geen zaaksofficier is?
    De heer Valente:
    Dat is een onderdeel daarvan. Ik zei dat ik geen verdachte
    wilde hebben en ervan af wilde op een manier die voor iedereen
    acceptabel was. Dat staat er ook in, al is het met andere woorden.
    Mijn zaaksofficieren hadden er natuurlijk ook geen zin in. Er is
    niemand die in zo’n traject terecht wil komen. U moet overigens
    weten dat de heer Teeven, net zoals ik, op dat moment er volledig
    van op de hoogte is dat wij in het Delta-traject zitten. Wij zitten
    dus niet in n zaak met n informant, maar in een hele lijn van
    infiltratie. Als u een andere zaak analyseert die zich in de tijd
    van collega Van der Kerk heeft afgespeeld in Gooi en Vechtstreek,
    ziet u precies hetzelfde beeld: uit een doorlopend traject van
    infiltratie wordt een zaak gelicht en die wordt bij de officier
    gedeponeerd welke vervolgens die zaak afwikkelt, niet wetende wat
    er omheen zit. Als je alleen sec de informatie bekijkt, ging het
    gewoon om een simpele, ordinaire gecontroleerde aflevering, zoals
    er zoveel zijn geweest eind jaren tachtig, begin jaren negentig.
    Overigens is zo’n aflevering niet erg effectief, want je krijgt
    nooit de grote jongens bij zo’n container. Die zijn immers niet
    gek.
    De heer Koekkoek:
    Dus u bedoelt: ongecontroleerde aflevering?
    De heer Valente:
    Nee, gecontroleerde aflevering, want de bedoeling was om alles
    te pakken. Daar zou ik althans voor zorgen en daar heb ik ook voor
    gezorgd, althans daar heeft de zaaksofficier de heer Teeven voor
    gezorgd. Na het afleveren bij de loods heeft Teeven het van mij
    overgenomen.
    De heer Koekkoek:
    In een andere zaak, waarbij het naar ik meen ging om een
    container met 17.000 kilo…
    De heer Valente:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Daar maakt u de opmerking dat de zaak eventueel bij een ander
    arrondissement gedropt zou kunnen worden.
    De heer Valente:
    Nee hoor, dat is niet gezegd. Die opmerking is heel makkelijk
    te verklaren. Je zit met de veiligheid van de informant. Ik snap
    niet dat ze aan het rekken zijn. Dat is mij op dat moment niet
    duidelijk, want ik weet niet van het verhaal dat de informant
    gigantische bedragen betaald krijgt van z’n maatjes. Ik probeer dus
    een oplossing te vinden om iedereen tevreden te stellen. En van die
    oplossingen is om, met toestemming van een collega, de zaak bij een
    ander arrondissement onder te brengen en dan daar alleen de politie
    te tippen op een moment dat er geen verdachten bij zijn, dus de
    politie gewoon alleen hasj te laten afvoeren. Op die manier is de
    informant voldoende afgeschermd ten opzichte van z’n maatjes en ben
    ik van die hasj af. Dat wil ik namelijk op dat moment. Hetzelfde
    speelt bij de tweede tranche. Dan is het veel leuker. Het blijft
    wekenlang in een loods liggen. Ik wil het eerst naar de
    vuilverbranding afvoeren, maar dat gaat niet, dat mag niet, omdat
    de informant gigantische risico’s zou lopen. In de tweede tranche
    had ik het dossier al in mijn bezit, maar ik heb het toen niet met
    het inzicht van vandaag gelezen, anders had ik geweten dat met de
    risico’s van een informant iets heel anders werd bedoeld. In de
    tweede aflevering heb ik een hele poppenkast op poten moeten zetten
    om dat spul door de CID aan de tactische recherche te doen leveren,
    dit alles met het doel de informant af te schermen.
    De heer Koekkoek:
    En hoe is dat afgelopen?
    De voorzitter:
    Het is goed afgelopen.
    De heer Valente:
    Ik kan beter niet vertellen hoe het afgelopen is, maar goed:
    het is goed afgelopen.
    De heer Koekkoek:
    In een andere zaak waarover wij een rapport hebben van de heer
    Van der Putten van 25 april, een zaak die speelt in het midden van
    het land, schrijft u in eerste instantie met de hand “nee”, en
    later…
    De heer Valente:
    Dan “ja” en dan weer “nee”.
    De heer Koekkoek:
    Later schrijft u alsnog na toelichting akkoord te gaan.
    De heer Valente:
    En daarna weer “nee”.
    De heer Koekkoek:
    Is dit niet een wat wisselvallig beleid van de officier van
    justitie?
    De heer Valente:
    Nee, het is een officier van justitie die niet alle inzicht in
    n keer krijgt. Je moet eraan trekken. Uiteindelijk, als hij het
    volledige inzicht heeft… Het gesprek van 1 mei, een heel mooi
    telefoongesprek, heeft betrekking op die zaak. Lees dat maar even.
    Of moet ik even voor u voorlezen?
    De heer Koekkoek:
    Als u daar behoefte aan hebt, maar het is ons bekend.
    De heer Valente:
    Nu goed, dan lees ik het niet voor, maar het staat erin: “Ik
    wil niet dat informanten misdrijven plegen. Ik heb geen vertrouwen
    in dat traject. Ik heb op dit ogenblik een hele harde lijn en dat
    is: mijn informanten plegen geen misdrijven”.
    De heer Koekkoek:
    U zegt: op dit ogenblik.
    De heer Valente:
    Ja, “op dit ogenblik” dat is het moment waarop het zich
    allemaal afspeelt.
    De heer Koekkoek:
    Dat betekent niet: ik dacht er eerder anders over?
    De heer Valente:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Of misschien: vroeger dacht ik er anders over?
    De heer Valente:
    In 1988, 1989 misschien wel, voorzitter.
    De voorzitter:
    Voor de geschiedschrijving, mijnheer Valente: U schrijft een
    paar dagen daarvoor wel op een bepaald rapport dat over dit traject
    gaat, dat u instemt met het periodiek doen uitrijden door een
    informant van partijen, ongeveer n keer per halfjaar.
    De heer Valente:
    Daar heb ik nooit mee ingestemd. Ik heb ingestemd met n
    container en als ik zie dat een tweede container eraan komt…
    De voorzitter:
    Het staat op het rapport hoor, echt waar.
    De heer Koekkoek:
    Het zou een abonnement worden.
    De heer Valente:
    Nee, dat is…
    De voorzitter:
    Het verzoek is om toestemming te verlenen de informant
    periodiek n keer een transport softdrugs…
    De heer Valente:
    Ja, ja.
    De voorzitter:
    Daar doel ik dus op.
    De heer Valente:
    Daar kom ik op terug.
    De voorzitter:
    Dat ontken ik niet, alleen proberen wij zo goed mogelijk in de
    hele rijstebrijberg…
    De heer Valente:
    Voorzitter, ook ik mag aarzelen.
    De voorzitter:
    Absoluut.
    De heer Valente:
    Ik ben ook een mens.
    De voorzitter:
    Het punt is dat u in het eerste verhoor zei: Mijn informanten
    plegen nooit misdrijven. Echter, als een informant een transport
    softdrugs uitrijdt… Ik weet niet hoe bij u de klok hangt en u
    bent zeker een beter jurist dan ik, maar ik kan mij niet
    voorstellen dat dit absoluut geen misdrijf is.
    De heer Valente:
    Nee, maar daar kom ik toch op terug?
    De voorzitter:
    Nu, akkoord.
    De heer Koekkoek:
    Maar u wilde het aanvankelijk wel en u hebt ook gesproken over
    de mogelijkheid om het voor te leggen aan de Centrale
    toetsingscommissie. Dan moet men toch weten waar het over
    gaat?
    De heer Valente:
    Maar daar kom ik ook op terug. Ik zeg immers op een bepaald
    moment: Ik doe het niet meer. Mag ik aarzelen?
    De voorzitter:
    Zeker.
    De heer Koekkoek:
    Als wetenschapper beantwoord ik uw vraag bevestigend.
    De heer De Graaf:
    Ik heb een vraag als kamerlid, voorzitter. U hebt kunnen
    aarzelen; dat begrijp ik. In het vorige verhoor nam u niet zo’n
    aarzelende positie in en hebt u in ieder geval mij de indruk
    gegeven – ik kan de citaten geven op de pagina’s 18, 19 en 20 – dat
    u de man bent die al jarenlang zegt: niet mr dan passieve
    informatie ontvangen en geen actieve sturing.
    De heer Valente:
    Dat is ook zo.
    De heer De Graaf:
    Als u weet dat geld van een criminele organisatie door een
    informant aan de politie wordt gegeven om een loods te huren en als
    u weet, of daarover aarzelt, dat een informant een container
    uitrijdt, dan kunt u toch niet meer aan ons…
    De heer Valente:
    Nee, het is niet een container die hij uitrijdt. Het gaat om
    een andere zaak dan die container. Hij zou als chauffeur een
    transport rijden.
    De heer De Graaf:
    Maar dan kunt u toch in het eerdere verhoor niet meer aan ons
    het beeld geven dat u heel streng in de leer bent en zegt: alleen
    maar passieve informatie en de informanten mogen absoluut niets
    doen?
    De heer Valente:
    Wat u krijgt, is een blik in mijn afwegingen. U krijgt via
    gesprekken en de stukken gewoon inzicht in het feit dat ook ik
    wankel. Uiteindelijk kom ik toch op mijn pootjes terecht. Dat kunt
    u niet ontkennen. Ik doe het niet en u kunt niet hard maken dat ik
    het wel doe.
    De voorzitter:
    Nee, uiteindelijk doet u het niet.
    De heer Valente:
    Dat ik erover denk en erover wankel en soms door de duivel –
    dat woord is misschien wat overdreven, maar het is bijna Adam en
    Eva…
    De voorzitter:
    Adam en Eva? Is het de appel?
    De heer Valente:
    Dat ik soms aan het wankelen word gebracht en er soms bijna
    intrap, staat vast. U hebt een blik in de keuken gekregen en
    uiteindelijk heb ik “nee” gezegd.
    De heer De Graaf:
    U zegt nu dat u er soms bijna intrapt. Wat bedoelt u
    daarmee?
    De heer Valente:
    Nu, er worden worsten voor je neus gehangen en op een gegeven
    moment ga je denken: Zou ik het nu misschien maar doen?
    De heer De Graaf:
    Het lijkt erop dat u daarmee suggereert alsof u voortdurend
    dreigt te worden belazerd.
    De heer Valente:
    O, lees maar. Zal ik nog mr vertellen over hoe ik belazerd ben?
    Ik dreig niet te worden belazerd, ik word gewoon belazerd. Ik wil
    dat u niet onthouden. De telefoongesprekken staan op papier en ik
    noem het gesprek tussen de heer Van der Putten en de heer Lengton
    van de RCID Rijnmond. Daar wordt op een gegeven moment gesproken
    over een informant, waarbij ik in het midden laat wie dat is, en
    dan wordt vervolgens gezegd: “Van der Putten wordt verzocht even
    een 4×4 te sturen over het gebeuren in Aalsmeer. Van der Putten zal
    proberen om zo’n ding in elkaar te vogelen. De informatie die Van
    der Putten heeft, past volgens Lengton in een tactisch onderzoek”.
    Toen ik dit afgelopen woensdag door uw commissie uitgereikt kreeg,
    dacht ik: “Wat is dit, wat is dat gebeuren in Aalsmeer, dat zegt
    mij niets, ik snap er niets van”. Ik ben dus maar verder gaan
    kijken en kwam in hetzelfde informantendossier een gesprek tegen op
    27 april 1995: “Daarnaast gaf de informant door dat er aanstaande
    maandag een container arriveert met ijzerschroot, waarin een partij
    harddrugs zit”. Dat is mij nooit verteld. Er wordt ook de naam van
    een verdachte genoemd; dat laat ik er even buiten, maar…
    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Valente, is het verstandig om dit allemaal voor te
    lezen?
    De heer Valente:
    Dit kan geen kwaad, voorzitter.
    De heer Koekkoek:
    Maar…
    De heer Valente:
    Nee, ik moet dit voorlezen, want het moet duidelijk zijn hoe
    het in elkaar zit.
    De heer Koekkoek:
    Niet wie de informant is.
    De heer Valente:
    U moet goed luisteren. Er is hier getwijfeld aan hetgeen ik
    voor deze commissie heb gezegd en ik wil dat iedereen duidelijk is
    dat ik gewoon belazerd word. De transporteur zou genaamd zijn FMA
    uit Aalsmeer. Dat is wat aan mijnheer Lengton doorgegeven wordt.
    Als u in de rapportage van de heer Teeven en mij kijkt, ziet u dat
    wij het kladblok van de heer De Jongh hebben onderzocht (bladzijde
    46) en daar komt naar voren dat n van de trajecten en n van de
    containers FMA is. Ik zat dus tot mijn haren in dat traject, maar
    zelfs als ik herhaaldelijk vraag of ik in dat traject zit, wordt
    het mij onthouden.
    De voorzitter:
    U zit blijkbaar met een deel van dezelfde adressen waar u niet
    van weet. Die conclusie kunt u trekken. Wij kunnen op dit moment
    niet al uw conclusies trekken. Dan zouden wij nog eens goed naar
    het hele pakket moeten kijken. Ik meen dat wij hiermee het
    voornaamste verschil in uitleg zoals dat is gerezen in de vorige
    verhoren, behandeld hebben.
    De heer Koekkoek:
    Ik heb nog wel behoefte aan een enkele verduidelijking,
    voorzitter, over de zaak in het midden des lands die wij zojuist
    bespraken. U bent van plan om die zaak aan de toetsingscommissie
    voor te leggen. Dan moet u toch ook een concreet beeld hebben van
    hetgeen het traject inhoudt? Op dat moment zegt u daar geen “nee”
    tegen. Want een zaak moet serieus genoeg zijn, wil je die aan de
    toetsingscommissie voorleggen. Welk beeld hebt u van de zaak op het
    moment dat u van plan bent die aan de toetsingscommissie voor te
    leggen?
    De heer Valente:
    Ik heb het beeld dat ik van een gewone informatie overga naar
    een infiltratietraject… U luistert nu naar mij, voorzitter?
    De voorzitter:
    Ja, ik luister, de heer Koekkoek luistert en wij luisteren
    allemaal.
    De heer Valente:
    Ik heb op dat moment het beeld dat ik wellicht zou kunnen
    overgaan van een informatie- naar een infiltratietraject en daar
    wil ik graag de mening van de commissie over hebben. Gaandeweg
    krijg ik meer inzicht in het einddoel van de zaak en kom ik zelf in
    mijn proportionaliteitsafweging tot de conclusie dat ik het niet
    wil. De afweging van het gebruiken van een dergelijk ingrijpend
    middel ten opzichte van de waarde van het doel van de zaak valt
    tegen. U vindt dat in het verslag van een gesprek dat ik op 9 juni
    voer met mensen van Gooi en Vechtstreek. Daar leg ik ook precies
    uit hoe ik tot die beslissing ben gekomen. Ik leg van A tot Z uit
    waarom ik aanvankelijk aarzelde en dacht “dat moet naar de
    commissie” en waarom ik op een gegeven moment rechtsomkeert heb
    gemaakt en “nee” heb gezegd.
    De heer Koekkoek:
    Dat is duidelijk. Het was wat wisselend, maar het ging hier om
    een infiltratietraject?
    De heer Valente:
    Het was een informatietraject, waarbij iemand gewoon meeloopt
    en meeluistert en daar informatie over brengt en vervolgens
    verzocht werd om actiever mee te gaan doen. Op zo’n moment moet je
    beslissen of je al of niet doorgaat. Ik heb uitgelegd dat ik bij
    andere zaken in het verleden vaak op dat moment de zaak heb
    afgebroken en ook hier ging het precies om zo’n traject. Ik
    aarzelde een tijd en dacht: Ik ga de visie van de commissie vragen.
    Tegelijkertijd kreeg ik meer inzicht in het doel van de operatie en
    toen kwam er een tijd van spanning, waarin ik ja, nee en ja
    koos.
    De heer Koekkoek:
    Zou hier sprake geweest zijn van een gedeeltelijk gesloten
    CID-traject?
    De heer Valente:
    U weet dat ik daartegen ben.
    De heer Koekkoek:
    Dat is mijn vraag niet.
    De heer Valente:
    Het zou geen gesloten CID-traject moeten zijn, maar dat is nog
    niet besproken. Het enige dat op dat moment besproken wordt, is of
    de informant strafbare feiten moet of kan gaan plegen en dus in
    mijn optiek infiltrant wordt. Hij gaat immers onder regie van de
    politie strafbare feiten plegen.
    De heer Vos:
    Ik zou een vraag stellen, voorzitter. Ik hoor de heer Valente
    vaak het woord “aarzeling” gebruiken. Is het risico aanwezig
    geweest dat uw aarzelingen tot stuurloosheid bij de betrokken
    politie aanleiding hebben gegeven?
    De heer Valente:
    Ik denk van niet. Kijk maar naar de gesprekken zelf. U krijgt
    nu een kijkje in de keuken en u kunt zelf uw conclusies trekken.
    Maar ik denk van niet.
    De heer Rabbae:
    Mijnheer Valente, u hebt eerder gezegd wat op een bepaald
    moment, “op dit ogenblik”, uw gedachten zijn. Daarna zegt u: “Ik
    ben ook maar een mens die aarzelt en wankelt, maar uiteindelijk kom
    ik op mijn pootjes terecht”. Komt u uiteindelijk op uw pootjes
    terecht door derden, namelijk de zaaksofficieren die eigenlijk toch
    een andere mening hadden dan uw oorspronkelijke akkoordbevinding,
    of door uw eigen worsteling met deze materie?
    De heer Valente:
    Uiteindelijk beslis ik altijd zelf.
    De heer Rabbae:
    Ja, dat weet ik, maar wordt u daarin benvloed door derden?
    De heer Valente:
    Uiteraard, ik praat met andere mensen en laat mij ook door
    andere mensen adviseren. Ik heb niet de wijsheid in pacht.
    De heer Vos:
    Ik heb nog een andere vraag, voorzitter, namelijk of het
    CID-traject zoals de heer Valente dat voorstelt, daadwerkelijk wel
    zo open is. Ik heb u horen zeggen, mijnheer Valente, dat u het open
    maakt door een politiefunctionaris te laten getuigen, maar dan
    blijft het in feite toch ook gesloten, omdat de informant als
    zodanig achter de kiezen wordt gehouden?
    De heer Valente:
    De naam van de informant wordt altijd afgeschermd en dat is ook
    in jurisprudentie toegestaan, zelfs bij het Europese Hof voor de
    rechten van de mens. Bij onder andere de zaak-Ldi kunt u het
    vinden.
    De heer Vos:
    In uw versie van het open traject legt u toch ook een drempel
    voor bepaalde informatie, door een politiefunctionaris te laten
    verhoren? In feite is dat toch ook gesloten?
    De heer Valente:
    Nee, dat is niet gesloten. Als de politie het spul bij de
    douane heeft opgehaald en naar een loods heeft gebracht, wordt dat
    geverbaliseerd.
    De heer Vos:
    Maar er is niet exact na te gaan wat de informant gedaan heeft,
    omdat de informatie naar voren komt via de mond van de
    politie.
    De heer Valente:
    Dat is het probleem met informanten. Dan zouden wij geen
    informanten meer moeten gebruiken.
    De heer Vos:
    Uw traject is derhalve net zo dicht als andere trajecten.
    De heer Valente:
    Nee.
    De heer De Graaf:
    Hierop voortbouwend: U hebt gezegd dat de kwestie van de loods
    en het feit dat die met crimineel geld zou worden gehuurd…
    De heer Valente:
    Dat zou open komen.
    De heer De Graaf:
    Dat zou open komen. Als u daarbij echter de rol van de
    informant niet wilt onthullen, vanwege het gevaar dat de identiteit
    van de informant bekend zou worden, dan kunt u de rechter toch niet
    alles vertellen? Dan is er toch sprake van een deels gesloten
    CID-traject, omdat u dat cruciale stukje, namelijk de
    informant…
    De heer Valente:
    U doelt nu op de identiteit van de informant?
    De heer De Graaf:
    Ik heb het over de omstandigheden die, als u het verhaal op
    tafel zou leggen, altijd terug te voeren zijn op de identiteit van
    de informant.
    De heer Valente:
    Daar zit altijd spanning in. Het is jargon, maar een geheel
    gesloten traject zou zijn dat het spul ergens wordt gevonden en
    mensen worden aangehouden, maar het deel tussen de douane en het
    vinden van het spul niet aan de rechter wordt voorgelegd. Dan is er
    in mijn optiek sprake van een geheel gesloten traject.
    De heer De Graaf:
    Ook u accepteert dat de rol van de informanten, als die meer is
    dan zuiver passief informatie verschaffen – en dat was het in dit
    geval – verborgen blijft voor de rechter, omdat anders de
    identiteit in gevaar komt.
    De heer Valente:
    Ja, dat moet ik accepteren, anders kan ik geen informanten meer
    gebruiken.
    De heer De Graaf:
    Nu, tenzij het puur passieve informatie is.
    De heer Valente:
    Ook als het alleen passieve informatie is, moet je het
    accepteren. Want je kunt nooit antwoord geven op de vraag hoe de
    informant aan de informatie komt. Stelt u zich voor dat dit tot een
    strafzaak zou hebben geleid. De eerste vraag die ik als raadsman
    van een verdachte zou stellen, is dan: Hoe komt de informant aan de
    “bill of lading”? Daar kan dan geen antwoord op worden gegeven,
    omdat anders bekend is wie de informant is. Dat blijft dus
    uiteraard altijd gesloten.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil ten slotte nog met u spreken – het is al een aantal
    keren aan de orde geweest – over het verwijt dat u eigenlijk de
    heer Van der Putten maakt, omdat u niet was ingelicht over het feit
    dat er verband was met het Delta-traject en de Bever-zaak. Wat was
    daar op zichzelf verkeerd aan, stel dat dit verband er zou
    zijn?
    De heer Valente:
    Dan zou ik in een infiltratietraject zitten en dat wilde ik
    weten.
    De heer Koekkoek:
    U bent daar op zichzelf niet tegen?
    De heer Valente:
    Als ik erin zit, wil ik het weten.
    De heer Koekkoek:
    Maar op zichzelf hoeft dat niet verkeerd te zijn?
    De heer Valente:
    Als het binnen mijn voorwaarden zou kunnen, dus als ik het
    allemaal open zou kunnen gooien, enz. Als u straks met het kabinet
    een wet zou kunnen maken over getuigebescherming – het is ideaal
    als je zo’n informant vervolgens ook als kroongetuige kunt
    gebruiken – zal ik vanaf die dag de eerste zijn die volledig
    meedoet met een infiltratietraject. Het is een goed middel.
    De heer Koekkoek:
    U bent wetsgetrouw. Waar het mij nu om gaat is dat de heer
    Vrakking heeft geschetst wat hij van u heeft gehoord en daarbij ook
    sprak over backstores en frontstores. Was daar volgens u in dit
    geval sprake van?
    De heer Valente:
    Er was een frontstore in die zaak, het adres waar het vandaan
    kwam, ergens in een ver land. Ik laat maar even in het midden waar
    het precies vandaan kwam. Dat is n van de opmerkingen die de heer
    Teeven tussen de 19de en de 25ste bij mij deponeert, zo van “Pas
    op, want ik heb dit adres al vaker gezien”.
    De heer Koekkoek:
    Een frontstore is een dekmantel…
    De heer Valente:
    Een frontstore is een dekmantelbedrijf elders. Ik weet in dit
    geval niet of het door de politie of de informant is opgezet, maar
    het is iets dat onder regie en leiding van de politie en het
    openbaar ministerie ergens wordt opgestart, waarmee je een brug
    slaat tussen de criminelen en je eigen traject. In mijn optiek is
    het zo dat er daar contacten zijn en er zijn ook hoeveelheden
    verdovende middelen ingekocht en geleverd. Op een gegeven moment –
    dit is zuiver mijn filosofie…
    De heer Koekkoek:
    Ik heb het liever over de feiten.
    De heer Valente:
    Nu, in dit geval kwam dat adres ook al in eerdere trajecten
    voor. U heeft de rapportage van ons.
    De heer Koekkoek:
    Zeker.
    De heer Valente:
    Bij container nummer 33 komen dezelfde mensen erin voor en ik
    meen dat bij container nummer 56 of 57 hetzelfde adres
    voorkomt.
    De voorzitter:
    U wilt zeggen dat wij in het rapport-Teeven/Valente dat hier al
    eerder in het verhoor naar voren is gekomen, op verschillende
    punten dezelfde adressen tegenkomen?
    De heer Valente:
    Ja, en op dat moment ontstaat bij Teeven/Valente, om het zo
    maar te zeggen, de bepaalde indruk dat het, gezien de structuur en
    de documenten, niet anders dan om een frontstore kan gaan.
    De heer Koekkoek:
    Was dat zo in alle gevallen die wij nu hebben besproken?
    De heer Valente:
    Niet in alle gevallen. Bij de zaak in het midden van het land
    zat het heel anders.
    De heer Koekkoek:
    In hoeverre was sprake van frontstores in Nederland?
    De heer Valente:
    Ik meen dat de heer Teeven en ik er een stuk of 33 boven water
    hebben getild.
    De heer Koekkoek:
    In deze gevallen die wij hebben besproken.
    De heer Valente:
    In dit geval niet, hoor. Daar was er geen frontstore in
    Nederland. Er was wel een frontstore, of althans een adres in
    Oostenrijk of elders. Ik wil niet het land noemen, maar het is
    genoemd in verband met het frauderen bij het invoeren van de
    container. Uiteraard moeten er invoerrechten over worden betaald en
    daar wordt ook mee gefraudeerd, maar dat hebben wij pas
    later…
    De voorzitter:
    De invoerrechten over de deklading van spijkerbroeken?
    De heer Valente:
    Ja, daar wordt mee gefraudeerd.
    De voorzitter:
    Ook daarmee nog.
    De heer Valente:
    Ja, u hebt een journaal van mij van allerlei besprekingen en
    als u de bespreking van 9 juni leest, wordt precies uitgelegd hoe
    ermee gefraudeerd wordt. Dat wil ik nu even in het midden
    laten.
    De heer Koekkoek:
    Ik heb voldoende gehoord, voorzitter.
    De voorzitter:
    Mijnheer Valente, het is tussen u en de heer Van der Putten
    natuurlijk nooit wat geweest. Als u komt, vraagt hij al aan de
    fungerend hoofdofficier of het wel de bedoeling is.
    De heer Valente:
    Ja, het is nooit wat geweest.
    De voorzitter:
    Is dan ander beleid mogelijk, voordat zo’n zaak zo gigantisch
    op de klippen loopt en u in feite al uw energie moet besteden aan
    het rechtzetten van dingen die volgens u fout zijn, terwijl Van der
    Putten dingen tracht recht te zetten die volgens hem fout
    zijn?
    De heer Valente:
    Mijn relatie met de CID Amsterdam of met de CID Zeeland is
    optimaal, ook omdat wij doorzichtig, transparant met elkaar werken,
    niet met dubbele agenda’s.
    De voorzitter:
    In november 1994 krijgt u te maken met de CID Gooi en
    Vechtstreek. Is het dan niet mogelijk dat iemand op een eerder
    moment zegt: “Ja, jongens, zo kunnen wij natuurlijk niet werken”?
    De irritaties waren er al langer en de heer Van der Putten
    verklaarde hier zoven dat hij al aan de fungerend hoofdofficier
    zei: “Ik kan eigenlijk met die man niet goed samenwerken”. Was er
    dan niet eerder een psycholoog of iemand anders die zei: “Heren,
    heren”?
    De heer Valente:
    Die telefoongesprekken zijn heel duidelijk, voorzitter. Waarom
    kan hij niet met mij werken? Kijk naar het gesprek dat hij met
    mijnheer Scherpenisse voert: “Ik heb een officier die zegt dat dat
    altijd moet en ik word zo moe van die mensen”. Het punt is dat ik
    altijd heb gezegd alles te willen weten. In het verleden zijn er al
    veel eerder incidenten geweest in de relatie. Hij wilde ooit een
    tactisch traject met mij bespreken en toen ik hem een aantal vragen
    stelde, heeft hij op een gegeven moment vierkant geweigerd om daar
    antwoord op te geven, waarna ik zei: “Dan is dit gesprek beindigd”.
    Het is geven en nemen, transparant met elkaar omgaan. Het voordeel
    van het afluisteren van mijn gesprekken is, dat het heel duidelijk
    wordt. Toen ik hoorde dat ik was afgeluisterd, dacht ik: “Dat zal
    liggen aan de relatie tussen Van der Putten en mij”. Maar toen ik
    hoorde dat hij hier verklaarde dat hij ook al sinds de jaren
    tachtig andere officieren van justitie afluistert, dacht ik: “Ja,
    dat zit toch in de mens”.
    De voorzitter:
    Ik wil u nog iets vragen over een handtekeningenactie die hij
    zou hebben opgezet. Hij heeft zich over u wel eens uitgelaten in
    niet zo positieve zin, maar van een handtekeningenactie is ons niet
    gebleken.
    De heer Valente:
    Ik heb dat uiteraard gehoord, naar ik meen van de CID
    Amsterdam, maar ik weet van niets.
    De voorzitter:
    Zullen wij het houden op vragen links en rechts of u niet
    vervangen kon worden? Dus geen handtekeningenactie met een boekje
    en een lijst, alsof het Greenpeace was?
    De heer Valente:
    Nee, dat zeker niet.
    De voorzitter:
    Ik meen dat wij hiermee aan het einde zijn gekomen van dit
    verhoor.
    De heer Valente:
    Zijn wij klaar?
    De voorzitter:
    Ik dacht het wel. Mijnheer Van der Putten… Ach, mijnheer Van
    der Putten…! Mijnheer Valente…
    De heer Valente:
    Ik heb u niet beledigd, voorzitter, en dat zou u ook mij niet
    moeten doen.
    De voorzitter:
    Het is absoluut niet mijn intentie om dat te doen, mijnheer
    Valente. Dank u wel. Sluiting 12.15 uur


    Inhoudsopgave en zoeken