• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Verhoren – mr. J. Wortel

    Openbaar verhoor enqutecommissie

    Opsporingsmethoden
    Verhoor 74

    27 oktober 1995
    Stenografisch verslag van het openbare verhoor van de
    parlementaire
    enqutecommissie opsporingsmethoden op
    vrijdag 27 oktober 1995 in de
    vergaderzaal van de Eerste
    Kamer der Staten-Generaal te Den Haag
    Verhoord wordt mr. J.
    Wortel
    Aanvang 14.10 uur

    Voorzitter:
    Van Traa Aanwezig zijn voorts de leden van de commissie:
    Aiking-van Wageningen, De Graaf, Koekkoek, Rabbae, Rouvoet en Vos,
    alsmede mevrouw Coenen, griffier
    De voorzitter:
    Aan de orde is het verhoor van de heer J. Wortel, geboren op 1
    oktober 1954. Mijnheer Wortel, wilt u opstaan voor het afleggen van
    de belofte? De door u af te leggen belofte luidt: Ik beloof de
    gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.
    De heer Wortel:
    Dat beloof ik.
    De voorzitter:
    Mijnheer Wortel, u bent officier van justitie in Amsterdam. U
    bent dat sinds 1990. Het grootste gedeelte van uw tijd heeft u
    besteed aan de bestrijding van de zware criminaliteit.
    De heer Wortel:
    Dat is juist.
    De voorzitter:
    U heeft in eerdere gesprekken die u met ons had de enqute
    altijd een bij uitstek ongeschikt middel genoemd om het onderhavige
    probleem te behandelen. Toch heeft u te kennen gegeven gehoord te
    willen worden. Hoezo?
    De heer Wortel:
    De eerste opmerking waarop u doelt, komt voort uit mijn vrees –
    en ik meen dat is gebleken dat die terecht was – dat deze
    onderzoeksvorm, dus het doen van openbare verhoren, zou leiden tot
    een aaneenschakeling van krampachtig om zich heen fladderende
    figuren. Met de beste bedoelingen is gepoogd om bepaalde dingen net
    niet te zeggen, maar zoveel mogelijk ook weer wel en voor het
    publiek ontstaat daardoor een bepaald beeld. Men denkt dat iets
    zoveel mogelijk toegedekt wordt en dat daarover heel veel meer valt
    te zeggen. Dat onbedoelde effect verwachtte ik. Mijn verzoek om ook
    een uitnodiging te krijgen voor een verhoor komt voort uit het
    volgende. Een dag of veertien geleden merkte ik dat door een
    misverstand tussen mijn hoofdofficier en mijzelf een onjuist beeld
    is ontstaan over datgene wat er is gebeurd met een bepaalde
    vrachtauto die in het Delta-onderzoek een rol heeft gespeeld.
    De voorzitter:
    In de XTC-zaak?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De voorzitter:
    Daarover komen wij te spreken. U sprak over krampachtige
    figuren.
    De heer Wortel:
    Zo ziet het er uit.
    De voorzitter:
    Laten wij proberen dit verhoor niet krampachtig te doen zijn.
    Graag wil ik nu de zaken die ons interesseren met u doornemen. Hoe
    werd u zaaksofficier in het Delta-onderzoek van het IRT?
    De heer Wortel:
    Ik denk dat die onverdiende eer mij te beurt is gevallen, omdat
    collega Van der Veen mij kort daarvoor had meegemaakt in verband
    met een ander onderzoek van het IRT. Aan mijn hoofdofficier is
    uiteindelijk de vraag voorgelegd om een zaaksofficier uit het
    arrondissement Amsterdam aan te wijzen. Het onderzoek zou daar
    namelijk moeten plaatsvinden. Toen is gesuggereerd dat ik die
    zaaksofficier zou kunnen zijn.
    De voorzitter:
    Dat is door de hoofdofficier gesuggereerd?
    De heer Wortel:
    Nee. Ik heb begrepen dat hem het voorstel is gedaan en dat hij
    heeft gezegd: dat is prima.
    De voorzitter:
    Heeft u daar toen nog met de heer Vrakking over gesproken?
    De heer Wortel:
    De heer Vrakking heeft mij verteld dat hij was benaderd door
    collega Van der Veen. Hij vroeg of ik dit voorzienbaar langdurige
    en grootschalige onderzoek op mij wilde nemen.
    De voorzitter:
    Heeft u toen nog over de inhoud met de hoofdofficier
    gesproken?
    De heer Wortel:
    Op dat moment had ik er geen idee van waarom het uiteindelijk
    zou gaan.
    De voorzitter:
    Als u gevraagd wordt zaaksofficier voor een grote zaak te zijn,
    heeft u dan vaak geen idee wat het zal worden?
    De heer Wortel:
    Op zo’n moment kun je niet meer vaststellen dan dat je wordt
    verzocht om betrokken te raken bij een onderzoek dat lang zal
    duren, waarin een veelvoud aan personen als verdachten een rol gaat
    spelen en waarbij het gaat om coke. Het kan ook gaan om wapens,
    maar daarmee heb ik nog nooit te maken gehad. Met die informatie
    gaan wij als het ware derwaarts.
    De voorzitter:
    Hoeveel wilt u, voordat u zich akkoord verklaart, van de zaak
    weten?
    De heer Wortel:
    Alles.
    De voorzitter:
    Alles. Wat wist u?
    De heer Wortel:
    Ik ben op twee dagen, uit mijn hoofd: op 17 en 19 maart 1993,
    door collega Van der Veen en commissaris Lith bij het IRT
    ontvangen. Bij die gelegenheid is mij het volgende geschetst. Het
    IRT was reeds bezig geweest met Bruinsma. Dat was mij natuurlijk
    bekend. Op dat moment was het dus bezig met de erven Bruinsma, de
    boedel Bruinsma. Er was een grote hoeveelheid vertrouwelijke
    inlichtingen die afkomstig was uit het hele land. Die inlichtingen
    hielden kort gezegd in, dat bepaalde personen uit de subjectengroep
    stelselmatig en langdurig betrokken waren bij de handel in diverse
    soorten verdovende middelen. Voordat ik werd benaderd, hadden
    mensen die toen nog tot een groep van de rijkspolitie in Friesland
    behoorden, een vondst gedaan, bestaande uit softdrugs, weed, XTC,
    explosieven en, naar ik meen, wapens. Die vondst werd in verband
    gebracht met een subjectengroep van het Delta-onderzoek.
    De voorzitter:
    Dat die vondst werd gedaan, was toch ook een gevolg van een
    IRT-onderzoek?
    De heer Wortel:
    Dat is mij vervolgens verteld.
    De voorzitter:
    Dat is u ten verteld?
    De heer Wortel:
    Ja. Om het beeld volledig te schetsen, ga ik nog even verder
    met mijn uiteenzetting. Vanwege dat onderzoek kon het IRT
    beschikken over een aantal vertrouwelijke contacten, laten we maar
    gewoon zeggen: informanten, die in een positie verkeerden van
    waaruit zij waardevolle informatie konden verschaffen voor het
    onderzoek van het IRT. Mij is toen medegedeeld dat in n geval
    sprake was van wat men nu naar mijn stellige overtuiging nog het
    beste zou kunnen aanduiden met een meewerkende informant. Volgens
    het meest modieuze taalgebruik heet zo’n persoon een infiltrant.
    Maar de bedoelde persoon is in dit verband eerder omschreven als
    iemand…
    De voorzitter:
    Waarom is het andere taalgebruik modieus?
    De heer Wortel:
    Ik vind dat de begrippen “infiltratie en infiltrant”
    langzamerhand zover zijn “opgerekt”, dat ze inhoudsloos zijn
    geworden. De discussie zou zeer veel helderder kunnen zijn, als wij
    zouden blijven vasthouden aan het klassieke begrippenkader:
    tipgever, informant, meewerkende informant en infiltrant.
    De voorzitter:
    Waarin heeft dat klassieke begrippenkader zijn neerslag
    gekregen?
    De heer Wortel:
    Dat is nergens, ook niet in een richtlijn, een ministerile
    missive of iets dergelijks, zo gedefinieerd. Enige tijd geleden
    golden deze begrippen nog.
    De voorzitter:
    Maar de term “meewerkende informant” is voor mij nieuw. Wat
    deed die meewerkende informant? Wat hoorde u toen?
    De heer Wortel:
    Het was iemand die met een perfect legale beroepsuitoefening
    als achtergrond een bepaalde waarde had voor een crimineel netwerk
    en die wij konden beschouwen als iemand die, zoals dat hier is
    gezegd, een rol speelde in de lijn die loopt van produktie tot het
    ter beschikking stellen in de detailhandel.
    De voorzitter:
    Wist u toen waar die man zat? Ik bedoel: wat was zijn positie
    in de keten? Wist u wat hij deed?
    De heer Wortel:
    Dat is mij destijds verteld.
    De voorzitter:
    Ik denk aan wat wij nu allemaal weten over dit specifieke
    traject. Wat is u destijds nog meer verteld? En was hetgeen u
    hoorde voldoende?
    De heer Wortel:
    Dat was op zichzelf niet voldoende. Er is mij overigens daarna
    wel meer verteld. Voorts bleek mij dat gekozen was voor – weer iets
    modieus – een methodiek en die methodiek hield in dat als de
    informant kwam met het bericht: ik ben weer benaderd en weet dat er
    weer een partij moet komen, de politie daarvan in kennis werd
    gesteld en in overleg met de leiding van het IRT werd bezien of het
    voor het onderzoek van waarde zou zijn als men de bewuste
    hoeveelheid verdovende middelen liet komen en die onder observatie
    hield. Men kon die partij dan eventueel registreren en zien wat er
    verder mee gebeurde. Ik heb toen heel goed begrepen, dat het in
    verband met de veiligheid van de bron in ieder geval niet mogelijk
    zou zijn om rechtstreeks in de omgeving daarvan in te grijpen en
    dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het zeer wel
    denkbaar zou zijn, dat zulke partijen of delen daarvan niet in de
    tweede of derde hand in beslag genomen konden worden en dat die dus
    ongemoeid gelaten zouden moeten worden.
    De voorzitter:
    Heeft u toen gevraagd wat u later aan die informatie zou
    hebben, dus of die in de zaak te gebruiken was?
    De heer Wortel:
    Het is goed voor ogen te houden dat wat voor mijn zaak te
    gebruiken was, dus wat het bewijs zou gaan vormen, de
    observatierapporten van het IRT in verband met mijn tactische
    onderzoek waren.
    De voorzitter:
    Dat was datgene wat er als het ware aangeplakt kon worden, dus
    een observatie.
    De heer Wortel:
    Het was observatie en het afluisteren van telefoonlijnen.
    Daarmee moest het bewijs verkregen worden.
    De voorzitter:
    Kende u de specifieke rol van de CID-Kennemerland?
    De heer Wortel:
    Nee. Ik weet dat het informatieve contact gerund werd door wat
    toen nog de RCID-Haarlem heette. Van wat verder in de loop van de
    jaren 1994 en 1995 als geruchten of mededelingen met zekerheid
    bekend is geworden, was ik niet op de hoogte.
    De voorzitter:
    Had u dat moeten weten?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De voorzitter:
    Had u eventueel anders geoordeeld over de verschillende
    partijen waarbij sprake was van een fiat van uw kant?
    De heer Wortel:
    Dat is moeilijk te reconstrueren.
    De voorzitter:
    Ik doel op de periode vanaf april 1993.
    De heer Wortel:
    Ik ben op 17 maart voor het eerst bij het IRT geweest.
    De voorzitter:
    In de verslaglegging van hoofdinspecteur Woelders komt uw naam
    voor. Die stukken zijn door de commissie-Wierenga gebruikt en voor
    een deel nu ook door ons.
    De heer Wortel:
    Ik weet op welke lijst u nu doelt.
    De voorzitter:
    Klopt het als ik zeg: vanaf 22 april?
    De heer Wortel:
    Ja, dat klopt.
    De voorzitter:
    Als u geweten had wat de precieze betrokkenheid en de positie
    van de informant was en als u ook geweten had wat de acties van de
    politie in Haarlem waren, had u de gang van zaken dan ook goed
    gevonden?
    De heer Wortel:
    Ik zei al dat ik het heel moeilijk vind dit te reconstrueren.
    Ik was later buitengewoon verontwaardigd. Mijn verontwaardiging
    ontstond met het verschijnen van het boekje van Middelburg en Van
    Es. Die beschrijven ergens dat een politieman een busje had
    geregeld. Dat was het eerste signaal van de wegomlegging.
    De voorzitter:
    Waarvan?
    De heer Wortel:
    De wegomlegging.
    De voorzitter:
    De wegomleiding. Van wie?
    De heer Wortel:
    Ik doel op datgene wat collega Van der Veen hier de by pass
    heeft genoemd: het tijdelijk uit de lijn halen. De eerste keer dat
    ik daarover iets vernam, was toen ik de desbetreffende passage in
    dat boekje las. Natuurlijk is gedurende de handelingen van deze
    enqutecommissie nog heel veel meer naar voren gekomen. Toen ik van
    die wegomlegging hoorde, was ik buitengewoon verontwaardigd. Ik had
    mijn ernstige twijfels en vroeg mij af of de bewuste toevoegingen,
    wat daar ook verder precies van zij, met zich zouden brengen dat
    het gehele optreden zo niet onrechtmatig dan wel onwenselijk
    genoemd zou moeten worden. Op dit ogenblik meen ik dat die
    wegomleiding, althans als je besluit om op deze manier met een
    meewerkende informant in zee te gaan, een waardevol instrument kan
    zijn en dat het gebruik maken van de omleiding ook kan betekenen
    het bewandelen van de juiste weg voor het uitoefenen van controle
    op wat er gebeurt. Ik zeg dit met de nodige voorbehouden want het
    staat nog niet vast wat er precies gebeurde, althans niet voor
    mij.
    De voorzitter:
    Welke condities zouden hierbij moeten gelden?
    De heer Wortel:
    Die vraag kan ik misschien het beste beantwoorden door te
    zeggen wat mij op dit ogenblik nog altijd stoort en wat ik
    ergerlijk blijf vinden. Dat zijn de geluiden over een vorm van
    bevoordeling van vriendjes of familieleden bij het wegzetten van
    coverladingen. Zoiets doet het gezag van de overheid natuurlijk
    buitengewoon veel kwaad. Hoezeer het op zichzelf ook een detail is,
    schept dit een sfeer van illegaal gedrag. Verder denk ik aan de
    omstandigheid dat – en dit lijkt mij door de meeste betrokkenen
    niet weersproken te worden – de kosten die door de criminelen zijn
    gemaakt, uiteindelijk ook door hen werden gedragen. Zij hebben het
    geld gefourneerd. Zo moet het niet. Ik vind dat als je besluit een
    dergelijk traject te volgen, de kosten die de politie en dus de
    overheid maakt, operationele kosten zijn. De overheid zal daarvoor
    dan ook dekking moet vinden. Zoals alles nu gebeurd lijkt te zijn,
    lijkt mij de gang van zaken niet wenselijk.
    De voorzitter:
    Wist de heer Van der Veen hier op dat moment van?
    De heer Wortel:
    Geen idee.
    De voorzitter:
    Lith. Wist de heer…
    De heer Wortel:
    Ik begrijp uit de verklaringen tegenover deze commissie dat hij
    zelf niet volledig op de hoogte is geweest van de precieze details
    van de financiering.
    De heer Koekkoek:
    Wat wist u van de informant? U hebt gezegd: het was een legale
    ondernemer. De criminele organisatie bestelde bij hem drugs.
    De heer Wortel:
    Dat heb ik niet gezegd.
    De heer Koekkoek:
    Wat hebt u dan wel gezegd? Liet hij weten dat er een partij
    aankwam?
    De heer Wortel:
    Hij kon met zijn legale beroepsbeoefening voor criminelen
    waardevolle diensten leveren in wat ik halsstarrig blijf aanduiden
    als de lijn, het traject van het produktieland tot het ter
    beschikking stellen in de detailhandel.
    De heer Koekkoek:
    Hoe kwam de criminele organisatie bij hem terecht?
    De heer Wortel:
    Geen idee.
    De heer Koekkoek:
    Of ging hij naar de criminele organisatie toe?
    De heer Wortel:
    Waarom zou hij dat doen?
    De heer Koekkoek:
    Ik vraag u of dat zo was.
    De heer Wortel:
    Dat weet ik niet.
    De heer Koekkoek:
    Maar u wist niet meer van de informant dan wat u zojuist
    vertelde.
    De heer Wortel:
    Wat ik zoven in nog tamelijk bedekte termen heb verteld,
    ja.
    De voorzitter:
    U sprak in bedekte termen en over zekere rollen in het traject,
    akkoord, maar wij hebben hier ook voortdurend over het politiedeel
    gesproken. Ik denk nu aan de loodsen die gehuurd waren. Vond u het
    van belang te weten hoe dat zat?
    De heer Wortel:
    Nogmaals, het inbouwen van een tijdelijke wegomlegging teneinde
    controle te houden en te weten wat en hoeveel er precies
    binnenkomt, kan een zinvolle bijdrage leveren aan noodzakelijke
    sturing als je ervoor kiest op die manier met een informatief
    contact in zee te gaan.
    De heer De Graaf:
    Mijnheer Wortel, als zaaksofficier zou u als de
    Delta-organisatie zou zijn aangehouden op de rechtszitting het
    beleid van politie en justitie hebben moeten verdedigen.
    De heer Wortel:
    Ja, uiteraard.
    De heer De Graaf:
    Dan zou de vraag gesteld zijn of er al dan niet sprake was
    geweest van uitlokking. Dat had u dan moeten weten. Is dan de
    veronderstelling juist dat u als zaaksofficier alles van die
    informant had moeten weten?
    De heer Wortel:
    Dan zou ik nog altijd de rechtbank met droge ogen voorhouden
    dat het, gelet op het feitelijk verloop van de gebeurtenissen,
    uitgesloten was dat de handelingen van de terechtstaande verdachten
    op enigerlei wijze waren uitgelokt.
    De heer De Graaf:
    Dat zou u dus met droge ogen beweren, maar u moet dan wel weten
    of dat zo is.
    De heer Wortel:
    Daarom zei ik zojuist: ik had dat allemaal, ook van die
    wegomlegging, willen weten.
    De heer De Graaf:
    Mij gaat het erom: wat heeft u precies gevraagd toen u
    zaaksofficier werd? U zegt dat u het een en ander had moeten weten.
    Maar wat heeft u nu precies gevraagd en aan wie heeft u vragen
    gesteld om zeker te weten dat er geen sprake was van
    uitlokking?
    De heer Wortel:
    Ik heb vragen gesteld aan Lith en aan Van der Veen. Daarbij was
    het bepaald niet een moeizaam trekken. Met hen heb ik twee
    openhartige gesprekken gevoerd. Daarbij zijn aan de orde geweest:
    de positie van de meewerkende informant en diens verhouding tot
    criminele opdrachtgevers. Ik denk hierbij ook aan de positie van de
    informant in strafrechtelijke zin. Er kan sprake zijn van
    onschuldige hand- en spandiensten, van medeplichtig tot,
    medeplichtig bij en van een medepleger. Ik heb mij vergewist van de
    positie van de informant met het oog op deze aspecten.
    De voorzitter:
    Maar hij pleegde wel strafbare feiten, ook toen?
    De heer Wortel:
    Zonder enige twijfel. Hierbij is ook aan de orde geweest:
    proportionaliteit en subsidiariteit. Dat zijn langzamerhand ook
    afgesleten woorden.
    De voorzitter:
    Heeft u zich zelf en de andere heren de vraag gesteld waarom
    ineens u gevraagd werd om toestemming te geven voor het vervoeren
    van partijen, terwijl dat eerder IRT-officieren deden? Eerder deden
    dat dus officieren die de totale verantwoordelijkheid voor het team
    hadden. Waarom werd u daar nu voor gevraagd?
    De heer Wortel:
    U beschikt over de lijst waaruit u kunt opmaken dat ik tot
    ongeveer 1 juli tot drie keer toe ben benaderd met het verzoek voor
    de levering van partijen toestemming te geven.
    De voorzitter:
    Ik zie: zes keer.
    De heer Wortel:
    Ik kan er drie op de lijst terugvinden.
    De voorzitter:
    Ik zes.
    De heer Wortel:
    Het ging daarbij om afleveringen, waarbij het vermoeden bestond
    dat die rechtstreeks terecht zouden komen bij mijn verdachtengroep.
    Deze zaken zouden dus mijn tactisch onderzoek betreffen.
    De voorzitter:
    Waar zitten wij nu mee, mijnheer Wortel? We hebben een
    administratie van het IRT waarin uw naam twee keer voorkomt in
    verband met een grote hoeveelheid. Om het precieze aantal kilo’s
    gaat het ons niet; de totale hoeveelheid was ongeveer 10.000 kilo.
    In een andere administratie, die van inspecteur Woelders, komt u
    zes keer voor en daarbij gaat het om een totale hoeveelheid van
    20.000 kilo.
    De heer Wortel:
    Het was maximaal 18.000 kilo. Op zichzelf is die zes keer
    juist, maar dat aantal blijkt uit een lijst die de periode
    bestrijkt van mijn aantreden tot het opheffen van het IRT. Zojuist
    zei ik al: tot 1 juli ben ik drie keer benaderd.
    De voorzitter:
    Het gaat om de periodes juni 1993 tot augustus 1993…
    De heer Wortel:
    Bij mijn beste weten ben ik tot juli van dat jaar benaderd met
    de vraag: kunnen wij dit onder observatie laten gaan met in
    gedachte de mogelijkheid dat de partij uiteindelijk niet in beslag
    genomen zal kunnen worden?
    De voorzitter:
    En in augustus dan?
    De heer Wortel:
    In juli en augustus nam ik als tweede plaatsvervangend
    IRT-officier waar voor de collega’s Van Capelle en Belingh.
    De voorzitter:
    Toen heeft u toch ook toestemming gegeven?
    De heer Wortel:
    Zeker.
    De voorzitter:
    Kunt het verschil verklaren?
    De heer Wortel:
    Welk verschil bedoelt u?
    De voorzitter:
    Als ik de hoeveelheden van de ene administratie bij elkaar
    optel kom ik uit op 21.990 kilo.
    De heer Wortel:
    Ik kwam tot 18 ton maximaal. Laat ik het zo zeggen: de
    hoeveelheid lag tussen de 12 en 18 ton. De onzekerheidsmarge kent
    hierbij twee factoren. Voor zover ik alles kan reconstrueren is een
    aantal keren minder gekomen dan aangekondigd was en waarvoor ik
    toestemming had gegeven. Ik weet niet zeker – en ik heb ook niet
    bijzonder veel moeite gedaan om dat voor deze verklaring te
    achterhalen – wat er uiteindelijk met succes naar buitenlandse
    opsporingsinstellingen is weggespeeld.
    De voorzitter:
    U spreekt over het wegtippen van een bepaalde partij in
    Denemarken. In Denemarken gaf men weer Riga informatie. Waarom
    informeerde men zelf Riga niet?
    De heer Wortel:
    Wij, dat wil zeggen: commissaris Lith en ik, konden niet goed
    overzien in hoeverre wij in vertrouwen zaken konden doen met de
    autoriteiten in Letland. Dat wisten wij niet. Dat konden we ook
    niet inschatten.
    De voorzitter:
    En waarom zou Denemarken dat wel kunnen?
    De heer Wortel:
    Met de Deense autoriteiten bestaat de beste verhouding. Wij
    waren er zeker van, dat als wij de Denen zouden laten weten dat er
    een partij aankwam, dat een deel ervan op hun grondgebied moest
    worden afgeleverd en dat de rest naar Letland zou moeten, zij die
    informatie aan Riga zouden kunnen doorspelen.
    De voorzitter:
    Wij stellen aan getuigen altijd de vraag: heeft u ook nagegaan
    of dat gebeurd is?
    De heer Wortel:
    Zoals ik zoven al zei: dat heb ik niet gedaan.
    De voorzitter:
    Men vroeg zichzelf destijds niet af of dat nodig was?
    De heer Wortel:
    Ik kan in dit verband alleen maar voor mij zelf spreken en ik
    heb dat nauwelijks gedaan.
    De voorzitter:
    In verband met een eerder traject – daarbij ging het om
    grondstoffen voor XTC – heb ik aan Van Capelle een vraag gesteld.
    Is ooit bij u het idee opgekomen dat deze zaken met elkaar te maken
    zouden kunnen hebben?
    De heer Wortel:
    Naderhand.
    De voorzitter:
    Dat het een ruil zou kunnen zijn?
    De heer Wortel:
    Nadien is die gedachte bij mij opgekomen.
    De voorzitter:
    En heeft u de indruk gekregen dat deze gedachte waar zou kunnen
    zijn?
    De heer Wortel:
    Dat weet ik niet.
    De voorzitter:
    Daar is verder niets van te zeggen?
    De heer Wortel:
    Het is heel goed denkbaar. Meer kan ik er niet van zeggen.
    De heer De Graaf:
    Ik wil nog iets vragen over het door u geven van instemming in
    de maanden juli en augustus. Er waren toen twee IRT-officieren op
    vakantie en daarom moest u optreden. Betrof het hier niet
    doorleveringen die terug te voeren waren op de zaak waarvoor u
    zaaksofficier was?
    De heer Wortel:
    Nee, ik dacht niet dat daar steekhoudende aanwijzingen voor
    waren.
    De heer De Graaf:
    U was toch zaaksofficier voor het Delta-onderzoek?
    De heer Wortel:
    Ik heb een historische blunder gemaakt door bij mijn aantreden
    in de tweede helft van maart voor het deel van het Delta-project
    waarvoor onder mijn leiding tactische onderzoeken werden gedaan,
    niet geheel andere codenamen te kiezen. Het project Delta behelsde
    in essentie alle kennis die het IRT in de voorafgaande periode had
    vergaard.
    De voorzitter:
    Bij alle eventuele onderzoeken.
    De heer Wortel:
    Ja, het spreekt vanzelf dat de Bruinsma-groepering, en in het
    algemeen de Hollandse netwerken, als hoofdgroepering figureerde.
    Daarop richtte zich het Delta-project. De onderzoeksopzet hield in
    meest algemene zin in dat telkens als dat mogelijk leek te zijn,
    een deel van de subjectengroep werd gedentificeerd in verband met
    strafbare feiten en daarop deelonderzoek werd gericht. Het is
    gebleven bij die ene afsplitsing en die had ik veel beter Gladiool,
    Madelief of iets dergelijks kunnen noemen, maar dat zijn de
    XTC-boys. Dat was mijn tactische onderzoek.
    De heer De Graaf:
    Dat leidt tot de vraag of er nog andere zaaksofficieren waren
    die andere “pootjes” hadden in het Delta-onderzoek.
    De heer Wortel:
    Nee.
    De heer De Graaf:
    Maar is het dan niet vreemd, dat u maar een “pootje” deed en
    dat doorleveringen plaatsvonden die een deel van het Delta-project
    betroffen waarover u als zaaksofficier niet ging en waarover ook
    geen enkele andere zaaksofficier ging?
    De heer Wortel:
    Dat is niet vreemd. Hooguit heb ik het niet duidelijk
    uitgelegd. Het duidt erop dat ten aanzien van andere delen van het
    project – andere personen, verdenking van andersoortige strafbare
    feiten, andere netwerken, andere cellen – onvoldoende informatie
    was vergaard om een tactisch onderzoek te beginnen.
    De voorzitter:
    In juli, augustus is de heer Lith vertrokken.
    De heer Wortel:
    Per 1 juli.
    De voorzitter:
    Wie vroeg u in die maanden om toestemming?
    De heer Wortel:
    De heer Augusteijn.
    De voorzitter:
    Dus toen zijn zaken gedaan tussen u en de heer Augusteijn?
    Zoals ook de heer Van Capelle dat gedaan heeft.
    De heer Wortel:
    Vanaf 1 juli had het IRT eigenlijk geen teamleiding meer. Tot 1
    juli was de structuur helder en heel werkbaar. Er was een
    CID-afdeling en er was een tactische afdeling. Boven alles stond de
    teamleider, die overal zicht op had. Hij liet zich informeren door
    de chef CID en de chefs-tactiek ofwel de projectcordinatoren. Hij
    had het volledige overzicht en kon het geheel dus sturen aan de
    hand van uitgangspunten en doelstellingen. Toen Lith wegging, kon
    niet op adequate wijze worden voorzien in zijn vervanging. De
    intensieve betrokkenheid die Lith als teamleider had gehad, werd
    niet zo voortgezet. Toen is zich de buitengewoon onwenselijke
    situatie gaan aftekenen dat in feite Augusteijn, die chef CID was,
    minstens ten dele het werk ging doen wat eigenlijk een teamleider
    behoorde te doen. Dat kon hij niet goed, want hij had natuurlijk
    geen volledig overzicht over wat er in het tactische team gebeurde.
    Dat stond ook niet in zijn taakomschrijving.
    De voorzitter:
    Bij de commissie-Wierenga heeft u gezegd dat door Amsterdam
    bewust geen leiding aan het team werd gegeven, dat het team
    doeltreffende leiding werd onthouden. Wilde men zo de zaak in de
    soep laten draaien?
    De heer Wortel:
    Toen ik die verklaring aflegde, was ik buitengewoon kwaad.
    De voorzitter:
    Bent u nu nog steeds kwaad?
    De heer Wortel:
    Nee, het ligt niet in mijn karakter om heel erg lang kwaad te
    blijven. Toen ik de verklaring aflegde, was net naar boven gekomen
    dat er een memorandum zou bestaan van de hand van Van Riessen,
    gedateerd januari of februari 1993, waarin zou staan dat het
    wenselijk ware het IRT op termijn op te heffen. Toen dat naar voren
    kwam, dacht ik: kijk eens even hier, nou hebben ze toch als de
    eerste de beste huisjesmelker de boel bewust laten verkrotten om op
    een gegeven moment te kunnen roepen: zie je wel, het is
    onbewoonbaar! Dat was toen…
    De voorzitter:
    …uw perceptie.
    De heer Wortel:
    Ja. Ik zocht overigens naar een ander woord.
    De voorzitter:
    De heer Augusteijn was in feite de beslisser van het team.
    De heer Wortel:
    Zo goed als hij dat kon. Praktisch was de situatie dat er wel
    een teamleider was, maar dat hij niet altijd aan te spreken was. Om
    daarin zo goed mogelijk te voorzien, waren projectcordinatoren
    aangewezen. Met twee daarvan heb ik zaken gedaan.
    De voorzitter:
    Toen Augusteijn dat aan u als zaaksofficier vroeg, hebt u toen
    overwogen om te bellen met de hoofdofficier?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    En met de leider van het team, zelfs als hij er niet was, de
    heer Van Kastel?
    De heer Wortel:
    Ik heb een aantal pogingen ondernomen om met Van Kastel een
    gesprek aan te gaan, maar dat was niet genspireerd of ingegeven
    door een telefoontje van Augusteijn in de zin van “er komt nu heel
    veel aan; daar moeten wij iets mee”.
    De voorzitter:
    Hebt u er ooit met de heer Langendoen over gesproken?
    De heer Wortel:
    Nee. Ik had met hem geen rechtstreeks contact.
    De voorzitter:
    U hebt nooit contact gehad?
    De heer Wortel:
    Ik heb hem een keer gezien toen collega Teeven nog teamleider
    van de FIOD was. Ik kwam hem toen om de een of andere reden in het
    gebouw van de FIOD in Haarlem tegen. Ik wist wie het was, maar ik
    deed geen zaken met hem.
    De voorzitter:
    Had het niet voor de hand gelegen om er iemand over te
    raadplegen? Of stond het u niet bij als iets waar wij twee jaar
    later nog eens in een enqutecommissie over zouden spreken?
    De heer Wortel:
    Dat was al helemaal een ongedroomd vooruitzicht. Laat mij een
    antwoord geven dat in twee delen uiteenvalt. Tot eind 1993 was de
    realiteit waarbinnen alle driehonderdzoveel officieren van justitie
    in Nederland hun werk deden de volgende. Je maakt afwegingen en
    neemt beslissingen. Het staat in de wet dat je dat moet doen. Er is
    een aantal dingen dat je niet mag doen. Inzet AT? Toestemming
    hoofdofficier. Inzet scherpschutters of een bijzondere
    bijstandseenheid? Toestemming van de minister via de PG. Deals met
    criminelen? Schriftelijke voordracht en toestemming van de PG.
    Tip-, toon- en voorkooparrangementen? Dat wordt op het ministerie
    beslist. Dat waren de dingen waarvan naar mijn stellige indruk alle
    officieren van justitie in het land wisten dat zij het niet alleen
    konden doen. Overigens was er geen herkenbare, vastgestelde
    structuur voor overleg over opsporingsmethoden. Dat werd zo niet
    ervaren. Dat is het ene.
    De voorzitter:
    Hoe zit het met de richtlijn infiltratie, met daarin de
    gecontroleerde aflevering, met als bijvoegsel de opdracht om dat
    schriftelijk vast te leggen, etc.?
    De heer Wortel:
    Toen Amsterdam nog beschikte over pseudo-koopteams heb ik daar
    een aantal keren gebruik van gemaakt. Ik heb dat keurig
    schriftelijk vastgelegd. Dat was een kwestie tussen de
    tactisch-teamleider, de recherchechef en mij zelf. Dat ging buiten
    de hoofdofficier om. Ik kom op de tweede factor van belang. Ik heb
    – dat zal iedere officier van justitie doen die in zo’n situatie
    verzeild raakt – een afweging gemaakt van de proportionaliteit en
    subsidiariteit. Ik zeg het, maar de uitdrukking gaat mij wel
    tegenstaan. Ik heb mij laten leiden door de volgende overwegingen.
    Softdrugs worden in de Opiumwet aangemerkt als een stof met een
    niet onaanvaardbaar risico voor de gezondheid. Persoonlijk is het
    mij om het even. In het algemeen zou ik mij hoeden om dat in het
    openbaar te zeggen, maar in deze context moet ik het wel doen.
    Iedereen die zich in Nederland suf wenst te blowen aan weed of hasj
    heeft mijn zegen. Mijn strikt persoonlijke oordeel over het gebruik
    van weed en hasj is dat dat geen andere bedreiging inhoudt dan
    alcohol of nicotine. Misbruik zal niet goed zijn en van
    niet-misbruik is de schadelijkheid nooit aangetoond. Dat is n kant
    van de zaak. De andere kant van de zaak is dat ik als officier van
    justitie waarneem dat de handel in softdrugs een vorm van
    criminaliteit is gaan genereren waarin je zeer regelmatig stuit op
    bedreiging met geweld, op het daadwerkelijk gebruik van geweld, tot
    en met afrekeningen en liquidaties. Het heeft een herkenbaar
    corrumperend effect op de samenleving. Wat de handel in softdrugs
    betreft zie ik dus grote bezwaren en is mij er veel aan gelegen, de
    mensen op de achtergrond zoveel mogelijk aan te pakken. In die
    afweging lag het voor mij voor de hand om eventueel bepaalde
    hoeveelheden softdrugs te laten verdwijnen als dat een bijdrage
    levert aan het onderzoek tegen de sturende figuren.
    De voorzitter:
    Heeft u wel eens aan Augusteijn of aan anderen gevraagd hoe
    lang het zou doorgaan?
    De heer Wortel:
    Dat is een paar keer aan de orde geweest, maar de noodzaak om
    iets te zeggen in de trant van “nog twee keer en dan is het
    afgelopen” is er nooit geweest.
    De voorzitter:
    De heer Van Vondel heeft hier gezegd: wij hadden er nog vier
    jaar mee moeten doorgaan.
    De heer Wortel:
    Dat is natuurlijk voor zijn rekening.
    De voorzitter:
    Er is nooit een maximumtijd of een maximumhoeveelheid
    afgesproken?
    De heer Wortel:
    Nee, er is nooit gezegd: 40.000 kilo of een half jaar of wat
    dat ook.
    De heer Koekkoek:
    Had u daar ook geen gedachten over?
    De heer Wortel:
    Ja, maar dat is wat ik zoven probeerde te zeggen toen ik sprak
    van het ontbreken van de noodzaak om een limiet te stellen. Die
    noodzaak tekende zich niet voldoende stellig af. Voordat ik bij het
    onderzoek betrokken raakte, is er een signaal geweest over een
    harddrugstransactie.
    De voorzitter:
    Voor u erbij betrokken raakte?
    De heer Wortel:
    Dat signaal is gaan spelen…
    De voorzitter:
    U doelt op de toestemming van de procureur-generaal in een
    andere zaak.
    De heer Wortel:
    Daarover is een afweging gemaakt voordat ik kwam, maar het
    speelde toen. Het was rijkelijk vaag. Als het concreter zou worden,
    zou het effectief hebben betekend dat het onderzoek in de richting
    van een groot aantal verdachten afgesloten zou worden. Uiteindelijk
    hebben wij begrepen dat het niks ging worden. Ik was inmiddels
    zover dat ik in het tactische onderzoek voortdurend kostbaar bewijs
    aan het vergaren was tegen de verdachten, gewoon tactisch bewijs:
    tapgesprekken en observaties. Hier en daar zijn nog wat prachtige
    partijen weggespeeld aan andere teams. Er was mij dus heel wat aan
    gelegen om mijn tactisch onderzoek op dat moment niet af te breken,
    want het liep zeer goed.
    De heer Koekkoek:
    U dacht: het duurt niet zo lang meer.
    De heer Wortel:
    Precies.
    De heer Koekkoek:
    Waarom trok u tot tweemaal toe een vies gezicht bij de termen
    proportionaliteit en subsidiariteit?
    De heer Wortel:
    Het zijn begrippen die hun inhoud verliezen als je ze te vaak
    gebruikt. Wellicht kunnen wij beter gewoon weer gaan spreken over
    evenredigheid van middelen.
    De voorzitter:
    U vindt dat wij de begrippen moeten vergeten?
    De heer Wortel:
    Nee hoor.
    De voorzitter:
    Het zijn toch begrippen die in de steunpilaren van ons moderne
    strafrecht zitten?
    De heer Wortel:
    Ja zeker. Het is de harde kern van de ongeschreven
    rechtsbeginselen die voor ons gelden. Absoluut.
    De heer Koekkoek:
    U hebt bezwaren tegen clichs?
    De heer Wortel:
    Precies.
    De voorzitter:
    Zonder gekheid, het dienen toch geen clichs te zijn?
    De heer Wortel:
    Ik ben buitengewoon serieus. U hebt volkomen gelijk. Het is de
    harde kern van de ongeschreven rechtsbeginselen die voor mij
    gelden.
    De heer De Graaf:
    Ik keer terug naar uw persoonlijke opvatting over softdrugs in
    relatie tot datgene wat u als opsporingsmethode hebt toegestaan. Ik
    vind het een beetje raar. Of u nu wel of niet persoonlijk meent dat
    iedereen erop los kan blowen, dat is toch niet relevant voor de
    toestemming van een officier van justitie of een op zichzelf
    strafbaar verhandelbaar goed op de markt kan worden gebracht?
    De heer Wortel:
    Dat is buitengewoon relevant. Door niet in te grijpen en door
    het strafbare feit dus te laten begaan, ben je beter in staat om
    het andere strafbare feit, van een grotere ernst, van een
    belangrijker verdachte, te voorkomen.
    De heer De Graaf:
    Het verhandelen van softdrugs is in Nederland strafbaar. En
    wordt niet met twee maanden hechtenis of een boete bestraft.
    De heer Wortel:
    Twee jaar.
    De heer De Graaf:
    U zou ook de persoonlijke opvatting kunnen hebben – die mensen
    bestaan ook in Nederland – dat harddrugs vrij moeten worden
    gegeven. Dat zou toch ook niet kunnen leiden tot het dan maar
    doorlaten van harddrugs?
    De heer Wortel:
    Nee, wij kunnen als orgaan natuurlijk niet beslissen dat wij de
    wet in enig opzicht niet meer handhaven. Dat doen wij ook
    niet.
    De heer De Graaf:
    U kunt dat wel via een gedoogbeleid.
    De heer Wortel:
    Daar raken wij aan het grensgebied van bestuurlijk en
    strafvorderlijk optreden. Daar doelde ik niet op. Bij de weging van
    in te zetten middelen gaat wat ik onder woorden bracht wel degelijk
    een rol spelen. Het is de vraag of je je in verband met de
    schadelijkheid van waar het allemaal om gaat voelt gedwongen om
    ieder strafbaar feit waarvan je een concrete aanwijzing krijgt,
    terstond te beindigen. Of zie je ruimte om bepaalde strafbare
    feiten te laten begaan als dat een bijdrage levert aan het
    aanpakken van de figuren op de achtergrond?
    De heer De Graaf:
    Ik begrijp uw afweging wel, maar mij gaat het om iets anders:
    moet uw persoonlijk oordeel hierin relevant zijn of moet het gaan
    om het oordeel van uw organisatie? In dat laatste geval zou u uw
    persoonlijk oordeel hebben kunnen toetsen aan bijvoorbeeld dat van
    de hoofdofficier.
    De heer Wortel:
    Het is niet bij mij opgekomen, het oordeel van mijn
    hoofdofficier daarover in te winnen.
    De voorzitter:
    Gaat de discussie in de verhoren niet veel meer om de vraag wat
    de betrokkenheid van de overheid is bij criminele situaties? Er
    dreigt een vermenging op te treden van de criminaliteit waar de
    overheid aan meewerkt en de criminaliteit die de overheid
    bestrijdt.
    De heer Wortel:
    De kern van de methode is dat wij bewust niet ingrijpen. Het is
    niet zo dat de drugs door de overheid worden besteld of
    afgeleverd.
    De voorzitter:
    Dat u bewust niet ingrijpt, is n ding, maar het wordt wat
    anders als de overheid andere mensen daarmee veel geld laat
    verdienen en als die mensen kunnen zeggen: dag met het handje en
    dank je wel! Is dat niet eerder het punt?
    De heer Wortel:
    In de discussie die nu is ontstaan, is dat de kern van de
    zaak.
    De voorzitter:
    U zei toch dat het voor u onder omstandigheden kan betekenen
    dat het onrechtmatig is?
    De heer Wortel:
    Dat klopt. Toen had ik het oog op bepaalde uitwerkingen van wat
    er lijkt te zijn gebeurd. Ik denk aan financiering van bepaalde
    zaken en aan wat er met de dekladingen is gebeurd. Dat soort zaken
    maakt het hele optreden kwestieus en kwetsbaar. Wij worden dan te
    afhankelijk van wat er aan gene zijde gebeurt.
    De voorzitter:
    Ik keer met u terug naar de beroemde achtste november 1993
    wanneer de hoofdofficier ervan weet en iedereen naar Den Haag gaat.
    Wanneer heeft u vernomen van die onrust?
    De heer Wortel:
    Na de zitting die ik op die dag had.
    De voorzitter:
    Hebt u toen overwogen om zelf bemiddelend, sturend, rustgevend
    op te treden?
    De heer Wortel:
    In die positie verkeerde ik niet meer. Daar was echt geen
    ruimte meer voor.
    De voorzitter:
    Daar kon u niet meer tussen komen?
    De heer Wortel:
    Vanaf dat moment hebben de zaken een momentum gekregen waarbij
    mijn soortelijk gewicht op nul geschat kan worden. Ik was er geen
    factor in.
    De voorzitter:
    Hebt u het nog geprobeerd?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    Vanwaar die gelatenheid als je wel zaaksofficier bent in zo’n
    situatie en een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid genomen
    hebt? Of heb ik dan een verkeerd beeld van hoe een parket
    werkt?
    De heer Wortel:
    Ik heb uw vraag verkeerd begrepen en data door elkaar gehaald.
    Op 8 november was er een bespreking waar ik niet bij betrokken was.
    Ik was in de war met het moment waarop het persbericht over de
    opheffing vrijkwam.
    De voorzitter:
    Ik doel op de periode van 8 november tot 7 december.
    De heer Wortel:
    Op dat moment ben ik mij niet bewust geweest van hetgeen de
    verschillende partijen toen bewoog tot de afweging die is gemaakt.
    Dat heeft zich buiten mij om voltrokken.
    De voorzitter:
    Heeft u geweten wat er speelde tussen 8 november, toen het de
    leiding van de politie bekend werd wat er aan de hand was,
    en…
    De heer Wortel:
    Toen openbaar gemaakt zou worden dat het IRT zou worden
    opgeheven, ben ik op de hoogte geraakt van de twijfels die bij de
    hoofdofficier en de korpsleiding gerezen waren.
    De voorzitter:
    In de tussentijd, terwijl in het team enorme ruzie was
    uitgebroken…
    De heer Wortel:
    Er was geen ruzie in het team.
    De voorzitter:
    Vanaf 1 november was er toch ruzie met Van Kastel?
    De heer Wortel:
    Dat was een vervelend gegeven, maar bij mijn beste weten zijn
    er tot het einde toe door mijn hoofdofficier, collega Van Capelle
    en mij zelf pogingen gedaan om een meer intensieve aanwezigheid van
    de teamleider te verkrijgen. Dat was een probleem waarover wij
    regelmatig signalen hebben afgegeven. Binnen het team werden
    onderzoeken gedaan. Daar deed ik zaken met projectcordinatoren en
    met Augusteijn. Wat er boven mijn hoofd aan ernstige twijfel
    groeide…
    De voorzitter:
    U hebt niets gehoord van al die klappende deuren? Er waren
    mensen verwoestend boos en kwaad.
    De heer Wortel:
    Uiteindelijk sprak ik collega Van Capelle, die mij vertelde dat
    er op dat moment een bijeenkomst was op de kamer van de
    hoofdofficier waar de procureur-generaal bij zat. Het ging om het
    voortbestaan van het IRT of liever over de vraag of het onderzoek
    van het IRT moest worden voortgezet. Collega Van Capelle moest daar
    ook acte de prsence geven. Hij zat als het ware op zijn beurt te
    wachten. Ik heb toen begrepen dat er ernstige twijfels waren
    gerezen.
    De voorzitter:
    Als zaaksofficier hebt u daar verder nooit mee te maken
    gehad?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De heer Koekkoek:
    Hoe belangrijk vindt u het in de methode dat de informant zijn
    verdiensten mag behouden?
    De heer Wortel:
    Ik denk dat u het probleem vanuit een verkeerde invalshoek
    benadert. Uitdagend gezegd: als wordt besloten op die manier met
    een meewerkende informant in zee te gaan, is de consequentie dat
    hij zijn verdiensten volledig behoudt.
    De heer Koekkoek:
    Als je met een criminele informant in zee gaat, dan hoort dat
    erbij?
    De heer Wortel:
    Ja, onvermijdelijk.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u dan de methode nog aanvaardbaar?
    De heer Wortel:
    Ik kom daarmee aan de andere kant van de zaak. Ik meen dat u
    dit gegeven van de verkeerde kant benadert. Een meewerkende
    informant mag naar mijn inzicht alleen gezocht worden in de kringen
    van hand- en spandienstenverleners.
    De voorzitter:
    Zoals?
    De heer Wortel:
    Degenen die voor een criminele groepering noodzakelijke of
    aantrekkelijke diensten kunnen verlenen.
    De heer Koekkoek:
    Niet in de organisatie zelf?
    De heer Wortel:
    In de periferie, de hand- en spandienstenverleners. Daar kun je
    naar mijn overtuiging een meewerkende informant vinden aan wie je
    kunt toestaan zijn betrokkenheid voort te zetten onder een aantal
    voorwaarden, waaronder het behoud van de verdiensten. Hoewel de
    verdiensten fors kunnen zijn, zullen zij aan een bepaalde
    bovengrens gebonden zijn.
    De heer Koekkoek:
    U vindt dat daar uitdrukkelijk afspraken over moeten worden
    gemaakt en dat dat niet stilzwijgend moet gebeuren?
    De heer Wortel:
    Nee, er moet niets stilzwijgend gebeuren.
    De voorzitter:
    Hebt u wel eens met informanten langdurig contact gehad?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    Hebt u nooit met een informant gesproken?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    Hebt u er een voorstelling van hoe crimineel zo iemand
    eigenlijk is of kan zijn?
    De heer Wortel:
    Ik hoor daar natuurlijk wel signalen over.
    De voorzitter:
    Wilt u dat dan niet weten, niet voelen om die afweging te
    kunnen maken?
    De heer Wortel:
    Dat hoor ik ook. Als zo’n gelegenheid zich voordoet, dan zijn
    er twee zaken van belang. Ik noem de betrokkenheid van de informant
    bij de strafbare feiten. Ik wil niet opgezadeld raken met een
    informant die zelf uiteindelijk een belangrijke hoofddader blijkt
    te zijn. Ik vind het allemaal prachtig binnen bepaalde voorwaarden,
    maar de deal “jij geeft ons de informatie en wij zullen je niet
    justitieel aanpakken voor jouw bijdrage aan de criminele
    feestvreugde” kun je naar mijn overtuiging alleen maar maken met
    het laagste echelon. Daar moet je beperking in zitten. Een andere
    deur waardoor hetzelfde probleem wordt benaderd, is de traditionele
    vraag aan de chef CID hoe betrouwbaar de informant is.
    De heer Rabbae:
    De heer Wierenga schrijft dat de betrouwbaarheid van de
    informant getoetst werd door de officieren van justitie.
    De heer Wortel:
    Toen ik voor het eerst bij het IRT kwam, op die twee dagen in
    maart, heb ik de vraag naar de betrouwbaarheid gesteld. Mij is
    medegedeeld dat op grond van de ervaring de persoon betrouwbaar
    leek.
    De heer Rabbae:
    U hebt de informant niet zelf getoetst. U ging af op de
    informatie van de CID.
    De heer Wortel:
    Uiteindelijk wel en in rechtstreekse zin op de mededelingen van
    collega Van der Veen en commissaris Lith.
    De heer Rouvoet:
    U zei dat het werk alleen gedaan kan worden in de sfeer van
    hand- en spandiensten. Neemt u daarbij voor lief dat u niet verder
    komt dan een enkele kilo of de laagste echelons? Of denkt u dat het
    ook dan mogelijk is om een organisatie fundamenteel aan te
    pakken?
    De heer Wortel:
    Mijn bedenking op dit punt is dat ik niet goed zie hoe wij
    kunnen instemmen met een criminele infiltrant of meewerkende
    informant die op de keper beschouwd een van de hoofdverdachten in
    het spel is. Dan gaat een situatie ontstaan die ik niet kan
    overzien en waarbij ik vooralsnog onoplosbare vragen heb over de
    betrouwbaarheid.
    De heer Rouvoet:
    Ik vraag naar de consequentie van dat standpunt. Betekent dat
    dat u niet verder kunt komen dan de laagste echelons, omdat u niet
    wilt laten groeien, omdat er geen strafbare feiten mogen worden
    gepleegd?
    De heer Wortel:
    Ik denk niet dat dat altijd de consequentie behoeft te zijn.
    Ook mensen uit de periferie kunnen zicht krijgen op essentile
    onderdelen van de strafbare feiten die uiteindelijk gepleegd
    worden. Ik ben op dit moment niet geprepareerd om tegen een figuur,
    een hoofdverdachte, een belangrijke verdachte, te zeggen: ik zal
    jou niet vervolgen in ruil voor informatie.
    De heer Vos:
    Ik heb moeite met het begrip “een informant die hand- en
    spandiensten verricht”. Dat heeft voor mij een hoog
    abstractiegehalte. Waar moet ik hierbij aan denken? Zou een
    cargadoorsbedrijfje zo’n rol kunnen vervullen?
    De heer Wortel:
    Ik prijs mij zelf gelukkig dat de rechtbank in Amsterdam tot nu
    toe genoegen heeft genomen met onze standaard-tenlastelegging van
    een criminele organisatie, waarvan de laatste riedel altijd is:
    althans hand- en spandiensten heeft verricht. Dat wordt voldoende
    feitelijk geacht.
    De voorzitter:
    Wij zijn de rechtbank van Amsterdam niet.
    De heer Wortel:
    Het antwoord op de vraag van de heer Vos doet mij in herhaling
    vallen. Er is een crimineel netwerk dat bezig is met het plegen van
    strafbare feiten. Wij hebben het dan eigenlijk altijd over
    verdovende middelen. Je zou je misschien nog iets kunnen
    voorstellen bij wapenhandel. Een crimineel netwerk heeft het legale
    bedrijfsleven nodig. Dat is gewoon nodig voor vervoer en transport.
    Bij de distributie zijn er talloze momenten waarop ook criminelen
    gebruik moeten maken van legale bedrijven. Daar zul je de verleners
    van hand- en spandiensten vinden, althans de figuren die zelf wel
    enig beeld hebben van wat ze wordt gevraagd. Zij weten: het zit
    niet goed, het is op de een of andere manier niet koosjer.
    De heer Vos:
    Kunnen wij vaststellen dat u hiervan alleen maar een zeer
    algemeen beeld heeft en dat u eigenlijk nauwelijks weet met welke
    informanten u wilt samenwerken? U spreekt over contacten bij
    bedrijven onderling. Dat zegt mij nog steeds heel weinig.
    De heer Wortel:
    Het lijkt mij dat u deze constatering niet op grond van mijn
    zojuist gegeven antwoord kunt doen.
    De heer De Graaf:
    U zei eerder, mijnheer Wortel, dat het onvermijdelijk was, de
    meewerkende informant zijn criminele winst te laten behouden.
    Daarna zei u dat het een soort ruil was: wij de informatie en jij
    je handel. Waarom is dit onvermijdelijk? We hebben tijdens deze
    enqute in ieder geval n voorbeeld gekregen van een geval waarbij
    bleek dat dit helemaal niet onvermijdelijk was.
    De heer Wortel:
    Ik beperk mij in mijn opmerkingen tot mijn eigen ervaringen. De
    informant zijn criminele winst laten behouden is alleen al nodig
    vanwege het feit dat je nooit zeker weet of iemand getrouw alle
    penningen afstaat. Dat weet je niet. Je weet niet wat er als het
    ware achterlangs aan geldzaken wordt gedaan. Verder, en dat is meer
    iets principieels, geldt de vraag: wat hebben wij te bieden? Stel
    dat iemand zegt: hier is informatie, ik ben zelf bij de zaak
    betrokken, je moet mij niet lastig vallen, ik wil niet aan de
    justitile zaken vastzitten en mij moet je dus met rust laten; ik
    geef je dan informatie. Dat zeg je: ja, dat is goed, maar hoeveel
    verdien je er zelf eigenlijk mee? Nou zegt hij dan: eens kijken,
    hangt er een beetje van af, een tonnetje of anderhalf. Dan zeg jij
    weer: nee, inleveren en vervolgens zal ik aan het ministerie een
    gemotiveerd verzoek doen, maar ik kan niet toezeggen dat je 250 per
    kilo krijgt. Daarmee zou hij uitkomen op een totaalbedrag van
    45.000 65.000. Die verhoudingen kloppen dan toch niet meer. Dan
    zegt zo iemand toch: leuk u ontmoet te hebben, maar…
    De heer De Graaf:
    U zegt dat u dit zelf nooit geprobeerd heeft en u weet dus ook
    niet of het ministerie van Justitie met u wil spreken over de
    hoogte van het bedrag.
    De heer Wortel:
    Dat is juist. Ik heb nog nooit het ministerie in die context
    benaderd. Maar wat denkt u dat ik daarmee op zou schieten? Ik zou
    dan het ministerie moeten gaan verzoeken om een beloning te geven.
    Die beloning zou dan gedaan worden met ‘s lands middelen en moeten
    zijn in de orde van grootte van het bedrag dat de informant gaat
    inleveren. Anders heeft die beloning geen zin.
    De heer De Graaf:
    Dat maakt voor u moreel noch juridisch iets uit? U zegt: het is
    vestzak broekzak. Eerst moet men namelijk alles inleveren en daarna
    wordt het weer teruggegeven.
    De heer Wortel:
    Als ik u goed begrijp, suggereert u dat ik zou moeten proberen
    het ministerie ertoe te brengen een beloning te geven die
    overeenkomt met datgene wat de informant zou moeten inleveren.
    De heer De Graaf:
    Dat heb ik toch niet gezegd.
    De heer Wortel:
    Zo begreep ik u.
    De heer De Graaf:
    Het kan toch voorkomen dat door de informant miljoenen worden
    verdiend, dat hij zoveel geld uit handen van een criminele
    organisatie krijgt. Het is dan toch mogelijk dat die miljoenen
    worden afgestaan en dat de informant enkele tonnen terugkrijgt? Het
    is gebleken dat dit niet onmogelijk is.
    De heer Wortel:
    Ik kan mij dat vooralsnog niet voorstellen.
    De heer De Graaf:
    Vindt u die ruilhandel waarover u sprak dan wel aanvaardbaar? U
    verwoordde die met: wij de informatie en jij mag je handel
    voortzetten. Dan neemt justitie de blinddoek toch letterlijk.
    De heer Wortel:
    Dat past haar ook wel. Dat is inderdaad de prijs die de
    informatie heeft. U spreekt nu over miljoenen. Ik vind dat in ander
    opzicht een grens gesteld moet worden en die betreft de relatieve
    positie van een mogelijke informant in de criminele
    organisatie.
    De heer De Graaf:
    Wist u dan wat de relatieve positie van de IRT-informanten
    was?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Verrichtten zij in uw ogen alleen maar hand- en
    spandiensten?
    De heer Wortel:
    Absoluut.
    De voorzitter:
    Dat weet u toch niet.
    De heer Wortel:
    Ik heb in een expos van collega Van der Veen en commissaris
    Lith te horen gekregen wat er gaande was.
    De voorzitter:
    Maar die wisten dat ook niet.
    De heer Wortel:
    En ik vond het een logisch…
    De voorzitter:
    Ja, logisch was het wel.
    De heer Wortel:
    …consistent en aannemelijk verhaal.
    De voorzitter:
    Zeker, maar was alles ook zo.
    De heer Wortel:
    Ik kan pas zeggen dat de dingen ook waren zoals geschetst, als
    ik ze zelf heb waargenomen.
    De voorzitter:
    Dat kon u dus nooit.
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    De normale gang van zaken is dat men werkt met een
    vertrouwensbeginsel. Dat moet ook. Men moet op elkaars woorden aan
    kunnen, anders werkt uw organisatie ook niet.
    De heer Wortel:
    Natuurlijk.
    De voorzitter:
    Alleen, het blijkt dat op bepaalde punten de zaak anders was,
    maar misschien hebben wij dit onderwerp nu genoegzaam
    besproken.
    De heer Wortel:
    Ik durf geen uitspraken te doen over wat zich precies heeft
    voorgedaan. U bent bezig met uw onderzoek. De rijksrecherche doet
    met een heel groot team een onderzoek. Ik wacht de resultaten
    daarvan af.
    De voorzitter:
    Ik wil u vervolgens nog iets vragen over de XTC-zaak. Twee
    dingen zijn voor ons van belang. a. Wat heeft de overheid geweten
    van transporten naar Engeland? b. Is er eventueel door de politie
    naar Engeland getipt?
    De heer Wortel:
    De overheid heeft niets geweten, maar wel een zeker vermoeden
    gehad. Bij mijn beste weten is er niet getipt.
    De voorzitter:
    U was in dezen zaaksofficier.
    De heer Wortel:
    Jazeker. Omdat er al heel veel over is gezegd, is het wellicht
    het beste dat ik u zoveel mogelijk chronologisch en met zo weinig
    mogelijk woorden vertel wat er, volgens mijn herinnering, is
    voorgevallen. Op zeker moment is een vertrouwelijk signaal
    ontvangen, dat inhield dat er sprake zou zijn van het vervoeren van
    synthetische drugs, XTC, binnen de kring van onze subjectengroep.
    Men wenste de beschikking te hebben over een smokkelvoertuig.
    Daaromtrent hebben wij verder niets waar kunnen nemen, maar het
    bericht was er.
    De voorzitter:
    Die informatie lag er.
    De heer Wortel:
    Die informatie is gevolgd door andere mededelingen, maar altijd
    is de vraag blijven leven: komt de partij wel of komt zij niet. We
    zagen niets. De aard van de informatie was belangwekkend genoeg om
    die niet zonder meer terzijde te leggen en om te proberen te
    achterhalen wat er gaande was.
    De voorzitter:
    Wanneer speelde dit?
    De heer Wortel:
    Ik heb u zoven gezegd, dat de aanvang van dit verhaal begint
    bij de vertrouwelijke informatie. Als ik ook nog met enige precisie
    ga vertellen wanneer die informatie is ontvangen, ga ik
    mededelingen doen die ook nu nog bedreigend kunnen zijn voor
    personen.
    De voorzitter:
    Het was in ieder geval voor januari 1993?
    De heer Wortel:
    In ieder geval voordat ik bij dat onderzoek betrokken
    raakte.
    De voorzitter:
    En dat was?
    De heer Wortel:
    Op 17 maart 1993.
    De voorzitter:
    Ik vraag dat, omdat op 12 januari of daaromtrent het peilbaken
    aangebracht is.
    De heer Wortel:
    Ik vervolg mijn betoog en vertel in chronologische volgorde wat
    er is gebeurd. Er viel niets vast te stellen. Alles bleef bij
    onbevestigde berichten. Toen heeft collega Van der Veen gezegd: we
    moeten toch kunnen zien wat er nu werkelijk gebeurt. Hij heeft toen
    toestemming gegeven om een peilbaken te plakken. Vanaf dat moment
    kon met behulp van dat technische hulpmiddel vastgesteld worden,
    dat het ding bewoog, maar verder: niks. Helemaal niks. Tot 27 april
    1993. Toen is voor het eerst de observatie gedaan dat enkelen van
    mijn verdachten zich begaven naar een plaats waar de vrachtauto
    uiteindelijk wegreed. Toen is voor het eerst waargenomen dat er een
    verband was tussen verdachten en de vrachtauto.
    De voorzitter:
    Wellicht waargenomen.
    De heer Wortel:
    Door observanten waargenomen. Toen is waargenomen dat de bij
    ons als verdachten aangemerkte personen ergens naar toe gingen.
    Observanten zijn in de buurt gebleven en op een gegeven moment zien
    ze dat ding wegrijden. Dat was het eerste moment waarop kon worden
    vastgesteld dat er verband was tussen verdachten en het
    vervoermiddel. De auto is na een chauffeurswisseling uiteindelijk
    bij Belgi de grens over gegaan. Verder niks, zij het dan dat wij
    door middel van het peilbaken konden vaststellen dat de auto naar
    Engeland ging, vervolgens nog naar een ander Europees land en
    daarna terugkwam in Nederland. Een week later…
    De voorzitter:
    Ik wil iets vragen.
    De heer Wortel:
    Een ogenblikje.
    De voorzitter:
    Nee, ik wil wat vragen.
    De heer Wortel:
    Gaat uw gang.
    De voorzitter:
    Als u het niet erg vindt. Waarom plak je een peilbaken onder
    een auto als er eigenlijk helemaal niets aan de hand is en je niets
    kunt zien?
    De heer Wortel:
    Als je informatie krijgt dat X, Y en Z met iets bezig zijn dat
    te maken heeft met harddrugs en dat er stevig wordt genvesteerd om
    iets te doen wat valt onder de wettelijke omschrijving van
    opzettelijk vervoeren, verkopen, afleveren, enz. van verdovende
    middelen, dan moet je je de vraag stellen of je dat naast je neer
    wilt leggen als zijnde onvoldoende specifiek om een redelijke
    verdenking op te baseren of dat je wilt proberen om dat uit te
    zoeken.
    De voorzitter:
    Of dat je het zelf middels andere methoden in een bepaalde baan
    stuurt.
    De heer Wortel:
    Zoals?
    De voorzitter:
    Ik kan mij niet voorstellen dat je elke auto maar gaat plakken,
    zeker niet als je bij de DTOO ook nog zegt dat het een politie-auto
    is.
    De heer Wortel:
    Daar kom ik dadelijk nog even op.
    De voorzitter:
    Er is dus meer aan de hand, maar ik kan mij vergissen.
    De heer Wortel:
    Het is misschien beter als u mij toch het verhaal laat
    vertellen zoals het zich aan mij heeft voltrokken.
    De voorzitter:
    Goed.
    De heer Wortel:
    Een goede week later was het hetzelfde verhaal: verdachten
    gevolgd, verdachte locatie, auto rijdt weg, chauffeurswisseling in
    de buurt van Amsterdam, ding gaat de grens over en wordt
    losgelaten. Op 7 mei kreeg ik bericht dat een politiekorps in de
    buurt van Londen was opgetreden en daarbij die auto had
    aangetroffen. Ik heb gevraagd hoe dat precies gegaan was. Het bleek
    dat een lokaal korps in Westham zelf bezig was met een onderzoek
    tegen een lokale dealergroepering. Men had een bepaalde locatie in
    observatie en zag een Nederlandse vrachtauto naar binnen gaan.
    Vervolgens is gedaan wat politiemensen overal doen: een ritueel
    kwartiertje wachten en dan naar binnen gaan. De auto werd
    aangetroffen met een opengemaakte verborgen ruimte en met een
    Nederlandse chauffeur en twee Engelse verdachten. Er werden
    anderhalf miljoen pillen XTC aangetroffen en 154 kg van een andere
    synthetische drug, namelijk MDA. De vondst werd gedaan door een
    lokaal korps dat met een onderzoek bezig was. Toen men op een
    verdachte locatie dat ding naar binnen zag gaan, greep men in. Dat
    was wat mij betreft het verhaal, zij het dat ik nog niet vermeld
    heb dat commissaris Lith en ik ons hebben afgevraagd hoe dit zou
    moeten in de verhouding met de Britten. Wij hadden enig idee dat er
    iets gebeurde dat niet in de haak was. Lith heeft in een orinterend
    gesprek met een van de liaison-officieren in Den Haag…
    De voorzitter:
    Dat heeft de heer Lith hier verteld.
    De heer Wortel:
    Hij kreeg de reactie: daar kunnen wij niet mee uit de
    voeten.
    De voorzitter:
    Wanneer was dat gesprek?
    De heer Wortel:
    Dat weet ik niet. De liaison-officier zei dat hij er niet mee
    uit de voeten kon. Of je vertelt me alles, maar dan moeten wij ook
    wat, of je vertelt me niets. Wij hebben toen besloten, niets te
    vertellen. Een goede week voordat de heer Vrakking door de
    commissie gehoord zou worden, ben ik zelf gehoord door de
    rijksrecherche. In dat verhoor hebben de rijksrechercheurs mij als
    geruchten die zij nog moesten onderzoeken een aantal zaken
    voorgehouden die mij ertoe hebben gebracht, een ambtsbericht voor
    de hoofdofficier te schrijven met het oog op diens optreden voor
    deze commissie. Denk erom, dit is mijn verhaal, maar ik ben gehoord
    door de rijksrecherche en zij heeft mij vragenderwijs dingen
    voorgelegd die…
    De voorzitter:
    Wat voor dingen legde de rijksrecherche u voor?
    De heer Wortel:
    Het zijn dingen die deze commissie bekend zijn. Dat heb ik
    althans afgeleid uit het verhoor van de heer Lith. In hoofdzaak
    gaat het om de wijze waarop het peilbaken is aangebracht. Ik heb
    mijn hoofdofficier daarvoor willen waarschuwen.
    De voorzitter:
    Voor wat?
    De heer Wortel:
    Voor die vooralsnog onbevestigde aanwijzingen waarover de
    rijksrechercheurs meenden te beschikken.
    De voorzitter:
    Maar uw hoofdofficier heeft hier meerdere keren verklaard dat
    het ging om anderhalf miljoen pillen.
    De heer Wortel:
    Daar is een misverstand gerezen. Van de laatste rit weten wij
    wat er in zat. Overigens heb ik daar zelf een fout gemaakt. In het
    bericht aan de hoofdofficier heb ik geschreven dat het ging om
    anderhalf miljoen pillen en een kilo coke. Dat was een fout in mijn
    herinnering. Het ging niet om coke, maar om 154 kg MDA. Over
    eerdere ritten van de auto kunnen wij niet zeggen of er iets mee
    vervoerd is en, zo ja, wat. Wij weten dat eenvoudigweg niet.
    De voorzitter:
    Wij zullen dat verder moeten uitzoeken. Het is om twee redenen
    van belang. Enerzijds voor de vraag of de Kamer goed werd
    genformeerd naar aanleiding van haar vragen. Anderzijds voor de
    vraag of sprake was van een soort doorlaattraject. Dat willen wij
    graag weten. Is hier nu ook sprake geweest van een welbewust laten
    gaan van zaken om eventueel achter betere gegevens te komen? Zoals
    u het voorstelt, zou je niet zeggen: daar plakken wij dan ook maar
    een peilbaken onder en verder doen wij er niets mee.
    De heer Wortel:
    Wij hebben er wel wat mee gedaan.
    De voorzitter:
    De informatie van het peilbaken wijst uit dat de auto vele
    malen overal geweest is. Als de heer Van der Veen op het ministerie
    komt om de antwoorden, die u met hem in concept hebt geconcipieerd,
    nader toe te lichten, geeft hij nog andere informatie die u
    geworden is vanuit ander onderzoek of informanten of wat dan ook.
    Dan kon toch een duidelijker conclusie getrokken worden dan u nu
    trekt?
    De heer Wortel:
    Ik denk dat de situatie niet ingewikkelder is dan ik u daarnet,
    misschien met veel omhaal van woorden, heb gezegd. Tot 27 april
    1993 is er ambtelijk niets waargenomen van die vrachtwagen. Het
    blijft bij berichten die je niet anders kunt omschrijven als
    “gehoord maar niet bevestigd”.
    De voorzitter:
    U hebt die berichten dus wel gehoord. Dus u wist er wel iets
    meer van. De heer Van der Veen heeft uitgelegd dat het juist de
    bedoeling was om het als het ware een CID-matig peilbakentraject te
    maken waar niemand iets van moest weten.
    De heer Wortel:
    Ik heb van hem begrepen dat het de bedoeling was om te
    achterhalen wat er nu eigenlijk helemaal gebeurde met het ding. Er
    werd wel over gesproken, maar wij konden niks zien.
    De voorzitter:
    U wist niet uit anderen hoofde wat er gebeurde?
    De heer Wortel:
    Welk ander hoofd?
    De voorzitter:
    Uit andere informatie, via informanten, via telefoontaps.
    De heer Wortel:
    Nee, ik weet van geen andere bronnen. In de telefoongesprekken
    die in mijn onderzoek zijn afgeluisterd is daarover niets te
    vinden.
    De voorzitter:
    Zou u op dit moment nog hetzelfde advies geven aan de PG en de
    ministers om de antwoorden aan de Kamer te formuleren?
    De heer Wortel:
    Ja, ik heb mij uitgeput in een prachtig concept-antwoord of
    eigenlijk ambtsbericht.
    De voorzitter:
    U heeft een concept-antwoord voor de PG geschreven en daaruit
    blijkt intelligentie en wolligheid.
    De heer Wortel:
    Die gaan vaak samen, maar dat is niet altijd aan te
    bevelen.
    De voorzitter:
    Geen oordeel, zegt mijn vice-voorzitter. Daar heeft hij gelijk
    in. In feite werd de vraag zeer algemeen beantwoord. Zou u dit nu
    nog doen?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Voorzitter, ik wil met mijn vragen terug naar 27 april. Als ik
    het goed begrijp, is toen met de observatie een link gelegd tussen
    uw verdachten en de vrachtwagen.
    De heer Wortel:
    Dat is juist.
    De heer De Graaf:
    Dat was tactische observatie.
    De heer Wortel:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Toen is de auto gaan rijden en de observanten zijn gestopt bij
    de Belgische grens. Dat is ons ook eerder verteld door de heer
    Lith.
    De heer Wortel:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    U had toen toch meer dan alleen maar buitengewoon vage of
    minder vage CID-informatie. Had u reden kunnen hebben om al dan
    niet voor de Belgische grens die vrachtwagen aan te houden en te
    kijken wat erin zat? Dan was er sprake geweest van een
    “heterdaad”.
    De heer Wortel:
    Vooropgesteld dat degenen die naar die vrachtwagen zouden
    moeten kijken, ook in staat zouden zijn om dat onderzoek met succes
    te voltooien.
    De heer De Graaf:
    Dat begrijp ik niet.
    De voorzitter:
    Het was de vraag of zij de spullen wel konden vinden.
    De heer Wortel:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Daartoe zou men een poging kunnen doen.
    De heer Wortel:
    Dat zou mij genoopt hebben om veel inzicht te verschaffen in
    datgene wat we eerder vertrouwelijk vernomen hadden en dat zou om
    redenen van bronafscherming niet mogelijk geweest zijn.
    De voorzitter:
    Dat is dan toch ook het antwoord op onze eerdere vraag.
    De heer Wortel:
    Welke eerdere vraag?
    De voorzitter:
    De vraag: wist u wat ermee gebeurde; wist u wat er in de
    vrachtwagen zat?
    De heer De Graaf:
    Er was informatie van meewerkende informanten.
    De heer Wortel:
    Dat laatste heb ik niet gezegd.
    De voorzitter:
    Er was informatie en u zegt op 27 april: we gaan niet aanhouden
    omdat ik nu meer informatie heb en die kan ik niet bloot geven; dus
    laten wij de zaak lopen.
    De heer De Graaf:
    U had toch tactische observatie laten doen.
    De heer Wortel:
    Dan hadden we dus de politie in de buurt van bijvoorbeeld Breda
    moeten waarschuwen en die moeten vragen in de wagen te kijken. Maar
    dan hadden ze niets gevonden.
    De heer De Graaf:
    Nee?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De heer De Graaf:
    Stel dat u gezegd had: we hebben het ernstige vermoeden dat in
    die vrachtwagen chemische drugs verstopt zitten en die zullen niet
    zomaar zichtbaar zijn als je de deur van die vrachtwagen opendoet;
    je moet even goed zoeken, want misschien zit het wel in
    tussenwanden of onder de auto. Dat zou dan toch niet abnormaal
    zijn.
    De heer Wortel:
    Mijn inschatting was, dat degene die in dit geval met succes
    een onderzoek zou instellen, daarmee ook te kennen gaf te
    beschikken over informatie die alleen maar in heel beperkte kring
    bekend kon zijn.
    De heer De Graaf:
    Maar dat zou dan toch betekenen, dat u tot in lengte van jaren
    niet in staat zou zijn om die mensen aan te pakken. Steeds zou toch
    de informant moeten worden afgeschermd.
    De heer Wortel:
    Dat is op zichzelf niet juist, want wij waren nogal druk doende
    met het onderzoeken van de personen die bezig waren het spul te
    fabriceren en om dat in ieder geval te bewerken en te verschepen.
    Dat onderzoek ging vrij hard.
    De voorzitter:
    Heeft u nog overwogen om, voordat weer een man met die auto
    naar Engeland zou gaan, die auto te laten stoppen en die man aan te
    houden?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De voorzitter:
    Die man heeft nu 25 jaar gekregen, niet alleen hiervoor, maar
    hij is niet verkapt uitgeleverd?
    De heer Wortel:
    Nee. Hij heeft zijn eigen lot in zijn handen genomen en daarvan
    moet hij de gevolgen dragen.
    De voorzitter:
    Daar bent u zeker van?
    De heer Wortel:
    Heel zeker. Ik meen ook dat hij in Engeland verklaringen heeft
    afgelegd waaruit blijkt dat hij wist waaraan hij begon.
    De voorzitter:
    Hij wist waaraan hij begon?
    De heer Wortel:
    Hij wist dat hem werd gevraagd om te smokkelen.
    De voorzitter:
    En u wist voordien niet waar hij aan begonnen was? U zei: hj
    wist waar hij aan begonnen was, maar wist ook waar hij aan begonnen
    was?
    De heer Wortel:
    Weten deed ik dat pas op het moment dat ik van de Engelse
    autoriteiten het bericht kreeg dat de politie in de buurt van
    Londen de auto had aangetroffen en daar verdovende middelen had
    uitgehaald.
    De voorzitter:
    Maar waren voor u de feiten en omstandigheden niet duidelijker
    dan dat alleen maar van een vaag vermoeden kon worden
    gesproken?
    De heer Wortel:
    Dat ben ik met u eens, er was meer dan een vaag vermoeden.
    De voorzitter:
    Een scherp vermoeden?
    De heer Wortel:
    Voldoende vermoeden om verder gericht onderzoek te doen.
    De voorzitter:
    En was dat vermoeden niet als medeweten te karakteriseren? Ik
    vraag dat, omdat door de Kamer de vraag werd gesteld of deze zaken
    met medeweten van de overheid waren doorgegaan.
    De heer Wortel:
    Nee. Strafrechtjuristen zijn gewend om te gaan met vormen van
    bewustzijn, varirend van een bewustzijn van een geringe kans tot
    aan een zekerheidsbewustzijn. Wij hadden het bewustzijn van: een
    kans. Wij hadden geen zekerheid. Wij wisten ook niet met enige vorm
    van waarschijnlijkheid waarom het precies ging, om welke
    hoeveelheid en om welke stoffen. Dat wisten we niet.
    De voorzitter:
    U wist toch wel waarom het waarschijnlijk ging? Er was toch, in
    gewoon Nederlands, enige waarschijnlijkheid?
    De heer Wortel:
    Ik denk dat dat al te sterk uitgedrukt is.
    De heer Koekkoek:
    Moest u niet rekening houden met een niet te verwaarlozen
    kans?
    De heer Wortel:
    Jazeker.
    De heer Koekkoek:
    Dat is iets meer dat niets. Ik wil u vervolgens nog een vraag
    stellen over wat er gebeurde op 7 mei 1993. Toen werden de spullen
    bij het uit de wagen halen gepakt. Werd die loods vanwege het feit
    dat er een lokale dealer bij betrokken was, 24 uur
    geobserveerd?
    De heer Wortel:
    Ik heb begrepen dat de Britten die loods onder observatie
    hadden. Ik weet niet wat precies de modaliteiten waren en of ze
    achter de verdachten hadden gereden. Ik weet ook niet of zij weer
    achter de verdachten aan gereden zouden zijn als zij de loods
    hadden verlaten. Evenmin weet ik of zij de loods 24 uur onder
    observatie hadden.
    De heer Koekkoek:
    Vond u het niet erg opvallend, dat uitgerekend daar die wagen
    werd gepakt?
    De heer Wortel:
    Dat kan opvallend lijken, maar het is op zichzelf ook weer niet
    al te onwaarschijnlijk. Als het vermoeden rijst dat met verdovende
    middelen wordt rondgesleurd, is het niet onwaarschijnlijk dat men
    uitkomt bij een dealernetwerk. De politie ter plekke hield zich
    daarmee bezig. Dan is zoiets toch niet heel onwaarschijnlijk?
    De heer Koekkoek:
    Dat vermoeden had de Britse politie?
    De heer Wortel:
    Kennelijk. Er liep daar een onderzoek.
    De heer Rouvoet:
    Mijnheer Wortel. Ik wil nog een vraagje stellen over het
    eventueel tippen van de Engelse politie. U zegt: naar mijn beste
    weten is er niet getipt. Ik meen mij goed te herinneren, dat de
    heer Vrakking hier heeft verklaard, dat u tegen hem gezegd heeft:
    er moet wel iemand de Engelsen getipt hebben. Staat u nog bij dat u
    dat tegen de heer Vrakking heeft gezegd?
    De heer Wortel:
    Er is een misverstand ontstaan. Ik heb gezegd: de
    rijksrechercheurs houden mij dingen voor die ik als schrikbarend
    wil omschrijven, maar het gaat daarbij uitdrukkelijk om
    aanwijzingen die zij tegenkomen, maar waarvoor ze nog bevestigingen
    moeten vinden. Ik weet tot op de dag van vandaag niets anders dan
    wat ik u zoven verteld heb.
    De heer Rouvoet:
    U hebt nooit het vermoeden uitgesproken: er zal wel getipt
    moeten zijn?
    De heer Wortel:
    Nee.
    De heer Rouvoet:
    Dan is er een misverstand.
    De heer Wortel:
    Ja, er is een misverstand.
    De voorzitter:
    U spreekt over schrikbarende dingen. Wat was er
    schrikbarend?
    De heer Wortel:
    Dat er heel veel meer aan de hand is geweest dan commissaris
    Lith en ik ooit geweten hebben en dat op een nogal kwestieuze
    manier rechtshulpverkeer heeft bestaan buiten ons om.
    De voorzitter:
    Dat “op een nogal kwestieuze manier rechtshulpverkeer heeft
    bestaan”.
    De heer Wortel:
    Ja, dus dat de Britten wel getipt zijn, maar niet van onze,
    maar van een andere kant.
    De voorzitter:
    Van een andere kant?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De voorzitter:
    Van welke kant?
    De heer Wortel:
    In ieder geval vanuit Nederland, maar dat voltrekt zich verder
    aan mijn waarneming. Ik wacht de bevindingen van de rijksrecherche
    af. Wat zij mij heeft voorgehouden, geeft echter te denken.
    De voorzitter:
    Toch wegtippen?
    De heer Wortel:
    Die suggestie is gedaan.
    De voorzitter:
    Door de politie?
    De heer Wortel:
    Ik weet het niet. Ik wacht rustig de bevindingen van de
    rijksrecherche af.
    De heer De Graaf:
    Maar welke suggestie is u aangereikt? Van een andere kant
    getipt, wil dat zeggen: getipt door een ander politiekorps?
    De heer Wortel:
    We kunnen natuurlijk lang en schimmig langs elkaar heen blijven
    spreken, maar u weet net zo goed als ik waarover het gaat. Er zou
    een aantekening zijn gevonden in de administratie van DTOO in
    Driebergen, met daarin, in mijn woorden, de mededeling: zender
    geplakt op of aan een door de politie binnengebracht voertuig.
    De heer De Graaf:
    Maar dat zegt toch niets over tippen naar Engeland, of wel? Ik
    leg die link nu niet.
    De heer Wortel:
    Het zou betekenen dat het voertuig in kwestie enige tijd ter
    beschikking van de politie heeft gestaan.
    De heer De Graaf:
    Maar dat kan toch op een nacht door het IRT voor een uurtje
    naar Driebergen zijn gebracht, of niet?
    De heer Wortel:
    Ik kan mij daar niets bij voorstellen. Het zou in ieder geval
    met zich brengen dat het voertuig heimelijk is opengemaakt.
    De voorzitter:
    U zegt dat de heer Van der Veen toestemming heeft gegeven. Als
    wij bij DTOO in de boeken kijken, vinden wij terug het aanbrengen
    van een peilzender op een politievoertuig.
    De heer Wortel:
    Van de rijksrechercheurs begreep ik iets anders.
    De voorzitter:
    Wij hebben het gewoon bij DTOO gevraagd. Daarop hebben wij de
    volgende informatie gekregen. Aanvrager: IRT. Het wordt aangeleverd
    door rechercheurs van het IRT. De officier is niet bekend. Dat
    hoeft ook niet, omdat het om een politieding ging.
    De heer Wortel:
    Daar heeft u het.
    De voorzitter:
    Zo slim waren wij niet om dt er achter te denken.
    De heer Koekkoek:
    U zegt dat er aanwijzingen zijn dat het ging om een
    politie-infiltratietraject of een infiltratietraject waarbij de
    politie betrokken was onder regie van het IRT of een andere
    CID?
    De heer Wortel:
    Ik hou op met denken en wacht rustig af wat de rijksrecherche
    ervan maakt. Ik constateer dat mij als vaag vermoeden, als gerucht,
    als nog te onderzoeken aanwijzing wordt voorgehouden het gegeven
    dat er een zender is geplakt onder een voertuig van de
    politie.
    De voorzitter:
    Ik wil dit onderwerp met u afsluiten.
    De heer Wortel:
    Gaarne.
    De voorzitter:
    Wij hebben vastgesteld dat het om meer ging dan een vaag
    vermoeden. In het tweede antwoord van de minister aan de Kamer
    wordt nog steeds gesproken van een vaag vermoeden, maar daar hebt u
    niet meer aan meegewerkt. In eerdere gesprekken hebt u de vraag
    naar de normering in feite in tween gehakt. Voor sommige
    opsporingsmethoden hebt u niet de wenselijkheid uitgesproken van
    verdere vastlegging. Kunt u in het kort zeggen waarom niet? Bij
    welke methode is het wel gewenst?
    De heer Wortel:
    Ik zal zo kort mogelijk zijn. Een wettelijke regeling kan niet
    gemist worden als door het toepassen van een bevoegdheid
    rechtstreeks een inbreuk wordt gemaakt op een erkende
    verschijningsvorm van een grondrecht. Voor betreding, voor
    kijkacties moet een wettelijke grondslag zijn. Twijfel heb ik zelf
    nog altijd ten aanzien van observatie, bij het stelselmatig en
    gericht waarnemen wat bepaalde personen in het openbaar doen. Ik
    ben er nog altijd niet van overtuigd dat daarmee een inbreuk wordt
    gemaakt op het privacyrecht zoals verdrag en grondrecht dat in
    Nederland garanderen. Je kunt hierover twisten. Datgene wat zich
    naar mijn stellige overtuiging niet in een wettelijke regeling laat
    vangen, is het allerlastigste onderdeel van de hele materie: het
    omgaan met informanten en infiltratie. Ik zou bijna zeggen: ik daag
    u uit, maar die uitdaging hebt u niet meer nodig. Het lijkt mij zo
    moeilijk om daar een toepasbaar en uitvoerbaar wettelijk kader bij
    te bedenken, dat ik meen dat je wetgeving op dit punt beter
    achterwege kunt laten. Het is beter om het aan de strafrechter over
    te laten om de materie aan te grijpen aan de hand van ongeschreven
    rechtsbeginselen.
    De voorzitter:
    U bent nu zaaksofficier voor het nieuwe kernteam Randstad Noord
    en Midden. Hebt u daarbij last van de verschillen in inzicht over
    opsporingsmethodieken die bestaan tussen Amsterdam en Haarlem? U
    valt onder de hoofdofficier Amsterdam, terwijl het kernteam valt
    onder de driehoek Haarlem.
    De heer Wortel:
    Om voor de hand liggende redenen bespreek ik alles wat mogelijk
    tot discussie aanleiding kan geven met mijn hoofdofficier. Tot
    dusverre is het niet voorgekomen dat tussen ons een verschil van
    mening bleek te bestaan over wat kan en wat moet gebeuren.
    De voorzitter:
    Moet ik daaruit opmaken dat er wat u betreft geen
    onoverkomelijke of storende verschillen van inzicht bestaan tussen
    de parketten Haarlem en Amsterdam?
    De heer Wortel:
    Parketstandpunten kennen wij niet zozeer. Ik zou het willen
    houden bij datgene waar ik zelf iets over kan verklaren. Ik leg de
    zaken voor aan mijn hoofdofficier en dan blijken wij het altijd
    eens.
    De voorzitter:
    Ook over datgene wat u bij de CTC hebt voorgelegd? Was de heer
    Vrakking het daar ook mee eens?
    De heer Wortel:
    Ja.
    De voorzitter:
    Als u in vergelijkbare trajecten zou zitten als twee jaar
    geleden, dan zou u ze nu wel doorspreken?
    De heer Wortel:
    Absoluut.
    De heer De Graaf:
    U bent ook plaatsvervangend CID-officier voor het korps
    Amsterdam.
    De heer Wortel:
    Voor het arrondissement Amsterdam.
    De heer De Graaf:
    Hanteert u in datgene wat inzake het runnen van informanten
    wordt toegestaan exact dezelfde lijn als uw collega Valente? Bent u
    ook streng in de leer?
    De heer Wortel:
    Laat ik vooropstellen dat ik plaatsvervangend CID-officier ben.
    Zodra het gaat om zaken van enige importantie door tijdsduur of
    anderszins werk ik niet buiten de eerst aangewezen CID-officier om.
    Overigens denk ik dat hier een discussie kan gaan ontstaan die
    eigenlijk berust op semantiek. U hebt hier dingen horen zeggen over
    het sturen van informanten, het aansturen van informanten. Daar
    dreigt een zeer semantische en niet zo veel om het lijf hebbende
    discussie over te ontstaan.
    De voorzitter:
    Deze discussie komt wel uit uw parket.
    De heer Wortel:
    Aan het begrip “aansturen” kun je een verschillende inhoud
    geven. Iemand meldt zich bij de politie met de volgende mededeling:
    Ik heb nieuws voor jullie: X, Y en Z zijn bezig een overval te
    beramen. Hoe weet je dat dan? Nou ja, dat hebben ze me verteld.
    Waarom hebben ze je dat verteld? Ik was toevallig in de buurt. Ik
    zal u op de hoogte houden van wanneer het gaat gebeuren, enz.
    Hierop zal de volgende mededeling volgen: bedankt voor het bericht;
    wij zullen het als vertrouwelijk aanmerken; maar achteraf mag niet
    blijken dat jij hier zelf iets strafbaars in doet. Dat is een heel
    normale mededeling. Op de keper beschouwd is dat in wezen al een
    vorm van aansturing van informanten. Alleen al de mededeling:
    luister, dit moet het hele verhaal zijn, het mag niet achteraf
    blijken dat er een vorm van betrokkenheid is. Taalkundig zou je dat
    al aansturing kunnen noemen.
    De heer De Graaf:
    Laten wij meer naar de praktijk kijken. Politiemensen uit
    Amsterdam hebben hier heel concreet gezegd dat zij een informant
    niet vragen om ergens heen te gaan, om informatie te verzamelen,
    want dat gaat op infiltratie lijken en hun OM’ers willen dat niet.
    Volgt u die lijn ook? Komt het u herkenbaar voor?
    De heer Wortel:
    Het is natuurlijk altijd goed om de wereld en vooral jezelf
    steeds opnieuw tegemoet te treden met heldere en duidelijke
    uitgangspunten. Mijn persoonlijke overtuiging is, dat de
    opsporingwerkelijkheid zo divers en complex is en dat die zich in
    zoveel verschillende verschijningsvormen aan je voordoet, dat het
    niet verstandig is om te zeggen: nooit, we zullen nooit toestaan
    dat een informant zelf op enigerlei strafbare wijze betrokken is
    bij de feiten waarover hij informeert. Dat komt mij persoonlijk
    niet verstandig voor.
    De heer De Graaf:
    Het gaat mij erom dat informatie verzamelen en je oor te
    luisteren leggen nog niet een strafbaar feit is. Ik doelde met name
    op dit soort betrekkelijke platvloerse aangelegenheden, waarbij nog
    helemaal geen sprake is van strafbare feiten. Hebt u zoiets in de
    afgelopen jaren in de praktijk wel meegemaakt?
    De voorzitter:
    Dus boodschappenlijstjes, waarop staat: vraag dit en dat.
    De heer De Graaf:
    En dat wordt gezegd: ga daar heen en informeer; leg je oor te
    luisteren.
    De heer Wortel:
    Om een buitengewoon, juist van vanwege zijn praktische
    verwevenheid, ingewikkeld leerstuk samen te vatten: ik deel de
    overtuiging dat potentile informanten geen dingen opgedragen moeten
    worden die zij zelf niet bedenken. Als te sturen valt, en heel vaak
    is dat mogelijk, dan is dat afremmend en grenzen stellend.
    De heer De Graaf:
    Dus u hebt dat de afgelopen jaren zelf niet meegemaakt. U hebt
    zelf ook niet gezegd: laat hem dat onderzoeken. En u heeft ook niet
    gehoord dat dit gezegd werd.
    De heer Wortel:
    Ik kan uit mijn eigen praktijk geen voorbeeld noemen van een
    geval waarin met mijn medeweten tegen een informant is gezegd: ga
    daar eens heen of doe dat.
    De voorzitter:
    Is zoiets ook nooit aan de Haarlemse informant gevraagd?
    De heer Wortel:
    Welke Haarlemse informant?
    De voorzitter:
    Een van de Haarlemse informanten. U kunt toch niet met droge
    ogen zeggen dat dat geval u niet bekend is.
    De heer Wortel:
    Het ziet er nu naar uit – en ik meen dat dit ook niet
    weersproken wordt – dat aanwijzingen zijn gegeven. Er is gezegd:
    zorg voor een zekere tijdvertraging, want we gaan dat even uit de
    lijn halen en onderzoeken. Dus daar moeten wel aanwijzingen zijn
    gegeven. Dat kan niet anders.
    De heer De Graaf:
    Heeft u in de XTC-zaak nagegaan welke rol de informant
    speelde?
    De heer Wortel:
    Welke informant?
    De heer De Graaf:
    “Een” informant, die een informatiepositie had.
    De heer Wortel:
    Telkens als mij wordt voorgehouden: wij weten iets want er is
    een informant, vraag ik: wat is zijn positie? Kan hij zoiets weten?
    Hoe staat hij tegenover de feiten waarover hij zelf iets zegt.
    De heer De Graaf:
    En dat mag bij u alleen maar passief zijn?
    De heer Wortel:
    Welke vorm van activiteit zou ik moeten ontwikkelen, anders
    dan: maak een afspraak want ik wil die man zien? En dat is niet
    realistisch.
    De heer De Graaf:
    Het ging mij om de positie van de informant. Mag hij alleen
    maar passief informatie aanleveren?
    De heer Wortel:
    Ik meen dat ik vrij duidelijk heb gezegd, dat ik de situatie
    waarin de informant zelf als meeloper, als hand- en
    spandienstenverlener, bij strafbare feiten betrokken is, niet bij
    voorbaat onbespreekbaar wil achten.
    De heer De Graaf:
    U bedoelt dat hij geen opdrachten mag krijgen van de CID?
    De heer Wortel:
    Iemand aanwijzingen geven opdat hij dingen zou gaan doen die
    hij zelf niet zou hebben bedacht. Het is altijd enigszins
    gevaarlijk om te verwijzen naar zaken die nog niet definitief zijn
    afgedaan, maar hier raken wij juist de kern van de Rotterdamse zaak
    die bekend is geworden onder de naam Ramola. Daarbij ging het om
    het actief aansturen van een informant, het opdracht geven of het
    verzoek doen om iets te gaan doen dat de overheid had bedacht: dat
    bergt grote gevaren in zich.
    De voorzitter:
    Mijnheer Wortel, ik dank u.
    De heer Wortel:
    Tot uw dienst. Sluiting 15.57 uur


    Inhoudsopgave en zoeken