• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • 9.5.1 De minister van Justitie

    9.5.1 De minister van Justitie Noot

    De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
    concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
    met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
    ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
    het ministerie.

    Communicatie tussen het OM en het ministerie vindt plaats in
    de vele commissies en werkgroepen die zich met vraagstukken inzake
    de bestrijding van georganiseerde criminaliteit bezig houden.
    Departementsambtenaren fungeren doorgaans als secretaris. Te wijzen
    valt voorts op de praktijk van detachering van ambtenaren van het
    openbaar ministerie bij het
    ministerie van Justitie
    (permanent ongeveer vier). In de huidige praktijk vervult de
    minister niet of nauwelijks een rol in concrete strafzaken
    betreffende georganiseerde criminaliteit. Dat is slechts anders als
    het om politiek gevoelige aangelegenheden gaat. Enkele voorbeelden
    van politiek gevoelige zaken worden in hoofdstuk 12 genoemd. In
    sommige gevallen wordt de minister door het departement ingelicht.
    Het gaat daarbij echter doorgaans niet om het gebruik van
    specifieke opsporingsmethoden.

    De heer Rouvoet:
    Wilt u iets concreter zijn? Zijn er gevallen geweest waarvan
    u hebt gezegd: dit moet de minister weten?
    De heer Wooldrik:
    Dat gebeurt niet zo vaak. Het gebeurt natuurlijk in de
    algemene kaders. Moet er getuigenbescherming komen? Er zijn
    concrete onderzoeken geweest waarbij dat gevraagd is. Er zijn
    verzoeken om
    tipgeld. Dat zijn typisch incidentele zaken
    waarin een routine is opgebouwd. Verder zijn er een paar concrete
    zaken die aan de minister zijn voorgelegd. Er is een bijzondere
    infiltratie-actie geweest op verzoek van Canada.

    Noot

    Vanuit het veld van het openbaar ministerie ligt het niet dadelijk
    voor de hand de minister in te schakelen.

    De heer De Graaf:
    Toen het rapport-Wierenga eind maart 1994 uitkwam, ontstond
    nogal wat rumoer. Er kwam een kamerdebat. De toenmalige minister
    van Justitie heeft toen gezegd, naar ik meen: in die zaak wel
    softdrugs, maar geen harddrugs. Heeft u zich toen niet afgevraagd
    of de minister dat wel wist, of de PG, en of de politiek het zou
    moeten weten?
    De heer Van der Voort:
    Mijn lijn is richting hoofdofficier en PG. (..)
    De heer De Graaf:
    Dat hebben wij goed begrepen, maar het gaat ons om de vraag,
    gelet op het feit dat over de IRT-aangelegenheid zo’n toestand
    ontstaat, of u niet met uw hoofdofficier hebt besproken: moet de
    minister niet weten dat in de Kamer over softdrugs wordt gesproken,
    terwijl hier ondertussen harddrugs worden

    doorgeleverd?

    De heer Van der Voort:
    Niet ondertussen worden doorgeleverd.
    De heer De Graaf:
    Zijn doorgeleverd, in dezelfde periode als toen de opheffing
    van het
    IRT aan de orde was.
    De heer Van der Voort:
    En waarvoor naar de hoofdofficier dekking was gegeven door
    de toenmalige verantwoordelijke PG.
    De heer De Graaf:
    U heeft zich dus niet afgevraagd of de minister het moest
    weten.
    De heer Van der Voort:
    Dat heb ik mij niet afgevraagd.
    De heer Rabbae:
    Was de toenmalige minister daar bij de besluitvorming over
    dit traject van op de hoogte?
    De heer Van der Voort:
    Neen, dat was hij niet. Noot

    9.5.2 Centrale toetsingscommissie

    De heer Rouvoet:
    Waar het om gaat is, dat bij een kernteam ook zaken
    van organisatie en structuur aan de orde zijn. Wij hebben nergens
    kunnen terugvinden dat naar aanleiding van de IRT-affaire een club
    mensen rond de tafel is gaan zitten om te spreken over de vraag wat
    men hieruit zou moeten leren voor de inrichting, zodat de
    andere
    kernteams die in ontwikkeling waren, goed zouden gaan
    functioneren. Het blijft enigszins steken in voortgangsgesprekken
    en het nog eens opschrijven. Wat is er nu daadwerkelijk in dat
    opzicht gedaan om een nieuwe IRT-affaire te voorkomen?
    De heer Wooldrik:
    Het belangrijkste is al in december 1993 gebeurd in de
    vergadering van procureurs-generaal naar aanleiding van de
    IRT-affaire die zich toen begon te ontwikkelen. Toen is gezegd: het
    kan niet zo zijn dat op een laag niveau in de OM- en
    politie-organisatie wordt beslist over ingrijpende
    opsporingsmethoden, zoals doorlevering of hoe het maar heten mag.
    De eerste conclusie, zowel bij het departement als binnen het
    openbaar ministerie, was: het kan niet zo zijn dat op het lage
    niveau van de individuele officier van justitie en de individuele
    teamchef een heel infiltratietraject wordt bepaald, hoe
    conscintieus en gewetensvol zij dat met z’n tween ook doen, terwijl
    de bazen dat eigenlijk niet wisten. De bazen dachten het misschien
    te weten en de officier van justitie en de teamchef dachten dat de
    bazen het wisten, zoals dat na te lezen valt in de
    Wierenga-rapportage, maar de conclusie was: dit kan niet zo zijn en
    daar moet onmiddellijk als noodverband een normering voor komen.
    Aan de werkgroep-De Wit is toen ook een spoedadvies gevraagd, door
    de infiltratierapportage waar ze aan bezig was, te versnellen. En
    van de praktische aanbevelingen daaruit is natuurlijk geweest: de
    Centrale toetsingscommissie binnen het openbaar ministerie op een
    zodanig hoog niveau dat dit soort bedrijfsongevallen niet meer kon
    voorkomen.
    Noot

    In de vergadering van procureurs-generaal van 9 maart 1994 werd
    geconcludeerd dat het zinvol was een onderzoek in te stellen naar
    landelijke ondersteuning bij inzet en toepassing van zware
    opsporingsmethoden. Er werd een werkgroep ingesteld onder
    voorzitterschap van de advocaat-generaal Jansen uit Den Bosch die
    als opdracht kreeg met voorstellen te komen.

    In diezelfde vergadering was een interimrapportage van de
    commissie-De Wit aan de orde over
    infiltratie. In een brief
    van De Wit aan de vergadering van procureurs-generaal werd gesteld
    dat binnen het OM een grote diversiteit bestond aan standpunten
    inzake het al dan niet ontwikkelen van bepaalde vormen van

    infiltratie. Het ging daarbij met name om de vraag of
    criminele
    informanten strafbare feiten mochten plegen en, zo
    ja, binnen welke grenzen, gelet op de beginselen van
    proportionaliteit en subsidiariteit. De conclusie luidde dat het
    niet goed mogelijk is om binnen korte tijd tot een zodanig verfijnd
    systeem van regelgeving te komen dat een enigszins uniform beleid
    tot stand zou komen. De voorkeur op de korte termijn ging uit naar
    een procedurele oplossing.

    In de aanbevelingen van de commissie-Wierenga wordt
    gesteld dat het OM een gedragslijn dient te ontwikkelen die
    waarborgt dat CID-operaties op hun toelaatbaarheid kunnen worden
    getoetst en dat de besluitvorming daarover eenduidig plaatsvindt en
    dat genomen besluiten bindend zijn. Op 31 mei 1994 werd in het

    CBO gesproken over een toetsingscommissie. Door de toetsing van
    die commissie zou bij de rechter het vertrouwen moeten worden
    gewekt dat de juiste keuzen waren gemaakt. Overigens werd verwacht
    dat de taak van de commissie beperkt zou zijn, omdat 95% van het
    werk bestaat uit bulkwerk en de toetsingscommissie zich slechts op
    5% behoefde te richten.

    Op 7 december 1994 vergaderden de procureurs-generaal over
    voorstellen van de werkgroep. Deze voorstellen betroffen de
    samenstelling van de commissie, het instellingsbesluit en een
    reglement voor de commissie. In die voorstellen wordt consequent
    voor de commissie de term Centrale toetsingscommissie (af te korten
    als CTC) gebruikt. Conform de voorstellen werd besloten dat de CTC
    per 1 januari 1995 haar werkzaamheden zou aanvangen, onder
    voorzitterschap van (inmiddels) hoofdofficier van justitie Jansen.
    De commissie is samengesteld uit leden van het openbaar ministerie.
    Daarnaast zijn de landelijke officieren van justitie en een
    viertal politiefunctionarissen adviserend lid.

    De voorzitter:
    Ook politie-ambtenaren zijn lid van die commissie.
    De heer Jansen:
    Ze zijn adviserend lid.
    De voorzitter:
    Hebben ze in de praktijk niet in feite hetzelfde te zeggen?
    Is er al eens gestemd?
    De heer Jansen:
    Er is nog nooit gestemd. Het grote belang van de adviserende
    leden, de politiemensen, is dat ze op grond van de praktijk
    adviezen kunnen geven die van belang zijn voor de werkbaarheid van
    bepaalde trajecten. Die adviezen zijn ook van belang waar het gaat
    om risico’s die aan trajecten zijn verbonden, risico’s die wellicht
    ook door degenen die de commissie advies vragen, onvoldoende zijn
    doordacht of ingezien. Daaraan hechten wij veel waarde. Ook uit de
    praktijk van de commissie blijkt dat dit een zeer belangrijke
    bijdrage is.
    Noot

    In het reglement van de CTC wordt de verantwoordelijkheid voor het
    functioneren van de CTC bij de voorzitter gelegd. Hij
    vertegenwoordigt de commissie.
    Voorts schrijft het reglement voor dat de CTC bestaat uit twee
    kamers. Een kamer beslist namens de commissie. Voor spoedeisende
    gevallen bevat artikel 11 van het reglement een regeling: als op
    een termijn dat de commissie niet bijeen kan komen, een beslissing
    wordt gevraagd, is de voorzitter gemachtigd een beslissing te nemen
    mits bij de besluitvorming tenminste twee leden zijn betrokken.
    Omtrent dergelijke besluiten wordt de commissie zo spoedig mogelijk
    in kennis gesteld. Het reglement voorziet in tal van procedurele
    regels. Hier wordt volstaan met het noemen van artikel 21. In deze
    bepaling is voorgeschreven dat per kwartaal een verslag van ter
    goedkeuring voorgelegde en van gemelde acties wordt opgesteld en
    ter beschikking wordt gesteld aan de vergadering van
    procureurs-generaal.

    Volgens artikel 2 van het Instellingsbesluit heeft de CTC een
    viertal taken. Allereerst heeft de CTC tot taak het, al dan niet
    onder voorwaarden, verlenen van toestemming aan
    opsporingsmethodieken met een grensverleggend karakter of met een
    groot afbreukrisico ten aanzien van personen en zaken. Onder
    dergelijke grensverleggende acties worden in ieder geval begrepen
    alle (inter)nationale (projectmatige) infiltratiezaken met
    uitzondering van eenmalige of kortlopende acties zoals pseudokoop
    en de
    gecontroleerde aflevering gericht op inbeslagneming;
    alle vormen van – al dan niet langdurige – infiltratieoperaties
    waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie van criminele
    infiltranten die onder regie en gezag van het openbaar ministerie
    en politie strafbare feiten (blijven) plegen; alle zogenoemde
    frontstore-operaties, alle infiltratieoperaties, waarbij gebruik
    wordt gemaakt van niet-criminele burgerinformanten. Voorts moeten
    ook alle operaties voortvloeiende uit (eventueel) in de toekomst
    tot stand komende wetgeving op het terrein van
    direct
    afluisteren alsmede deals met criminelen ter toetsing
    worden voorgelegd.
    Niet alleen nieuwe strafzaken vallen onder
    het regime van de CTC, maar ook zaken die voor 1 januari 1995 zijn
    gestart en daarna nog doorlopen en al afgeronde zaken die aan het
    ministerie van Justitie in het kader van de doorlichting gemeld
    zijn. De toetsing achteraf van gehanteerde opsporingsmethoden is
    negen maal voorgekomen. In dat geval wordt gesteld wat het oordeel
    geweest zou zijn ware het een toetsing vooraf. Een aantal malen
    betreft dit zaken die nog aan de rechter moesten worden voorgelegd.
    En keer heeft dit geleid tot het dringend advies de zaak niet voor
    de rechter te brengen gezien het grote afbreukrisico voor de
    burgerinfiltrant. De voorzitter van de CTC:

    De heer Jansen:
    Ik heb zoven al gezegd dat ik het toetsen achteraf
    problematisch vind. Het ligt ook duidelijk anders dan het toetsen
    vooraf. Enkele trajecten waarin wij achteraf hebben getoetst, waren
    trajecten waarin in de OM-lijn, hoofdofficier en PG, was ingestemd
    met het te lopen traject. Het belang van de toetsing achteraf door
    ons zou kunnen zijn dat wij in een bepaald traject zulke grote
    risico’s zien – dat heeft zich niet voorgedaan – of vinden dat men
    zo volstrekt ernaast heeft gezeten dat wij de mensen die nog met de
    zaak bezig zijn ontraden om dat voort te zetten. Dat is ook in een
    geval gebeurd.
    De voorzitter:
    In een geval is dat gebeurd. In welk geval is dat
    gebeurd?
    De heer Jansen:
    Dat was een geval waarin het probleem zat – het is al even
    aan de orde geweest – van de vrijwaring van de infiltrant. Men had
    gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel
    aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in
    die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de
    problemen en stuurde toen aan op het maken van een
    vormfout.
    De voorzitter:
    Een welbewuste vormfout?
    De heer Jansen:
    Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar
    vinden.
    De voorzitter:
    Heeft men toen naar u geluisterd?
    De heer Jansen:
    Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei:
    wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het
    beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden.
    De voorzitter:
    Toen heeft de portefeuillehouder wie gelijk
    gegeven?
    De heer Jansen:
    De portefeuillehouder heeft gezegd: ik vind het
    buitenproportioneel om de hele zaak af te blazen nu je zover bent,
    maar leg je probleem aan de rechter voor; laat de rechter uitmaken
    wat hij ervan vindt en wat hij eventueel…
    De voorzitter:
    Uiteindelijk is die weg van de vormfout dus niet
    gekozen?
    De heer Jansen:
    Dat klopt. Noot Een aantal keren worden zaken
    ingetrokken die eerst ter toetsing zijn voorgelegd. In een
    voorkomend geval bleek de politiechef het achteraf niet eens te
    zijn met de voorwaarden die de hoofdofficier aan de operatie
    stelde, en herriep de toetsing. Voor het geval dat de hoofdofficier
    zich niet kan vinden in het oordeel en de voorwaarden van de CTC is
    voorzien in een beroepsprocedure (art. 26 Reglement van de
    CTC).
    De heer Jansen:
    De afspraak is – dat is ook in het instellingsbesluit
    vastgelegd – dat, als de hoofdofficier het niet eens is met het
    advies van de toetsingscommissie, er een soort beroepsmogelijkheid
    is bij de PG-portefeuillehouder zware criminaliteit. Dat beroep is
    nmaal ingesteld. Als het beroep er niet komt, dan neem ik aan dat
    de betreffende hoofdofficier het met onze visie eens is en uit de
    voeten kan met de voorwaarden die wij stellen.

    Als tweede taak noemt het Instellingsbesluit het beslissen over
    verlenging als de termijn van goedkeuring voor de inzet van
    opsporingsmethoden is verstreken. In de praktijk wordt meestal
    toestemming gegeven voor een termijn van drie maanden, met het
    verzoek om na deze periode de CTC een tussenreportage ter hand te
    stellen. Nadere goedkeuring kan noodzakelijk zijn bij wijzigingen
    inzake de veiligheidsaspecten van personen en de ernst en
    frequentie van te plegen strafbare feiten en dergelijke.

    Als derde taak krijgt de CTC het ontwikkelen van richtlijnen op
    het terrein van de niet uitdrukkelijk wettelijk geregelde
    opsporingsmethoden.

    De heer Vos:
    U zegt dat het OM op de hoogte komt van de criteria die u
    hanteert, maar het zijn toch individuele officieren die via hun
    hoofdofficier de aanvraag indienen? Het blijft toch binnen het
    circuit CTC en officier die de aanvraag indient? Hoe verspreiden
    zich dan de criteria die u hanteert?
    De heer Jansen:
    U zegt de individuele officier. Een belangrijk punt is dat
    het altijd moet lopen via de hoofdofficier. Dat zijn er 20 in het
    land, dus dat is een veel beperktere kring, waarin men bovendien
    met enige regelmaat elkaar treft en waarin er alle mogelijkheid is
    tot het uitwisselen en uitdragen van standpunten van zo’n Centrale
    toetsingscommissie.
    De heer Vos:
    Voor u geldt dan de gedachte: hoort, zegt het voort? Als men
    uw oordeel heeft, dan mag het een bredere verspreiding
    krijgen?
    De heer Jansen:
    Ja. Daar komt bij dat wij ieder kwartaal een kwartaalrapport
    maken, waarin wij verslag doen van onze werkzaamheden en ook van
    ons voortschrijdend inzicht, als ik het zo mag noemen. Dat rapport
    gaat naar de vergadering van procureurs-generaal en uiteraard vindt
    het ook verder zijn weg binnen het OM.
    Noot

    Het Instellingsbesluit wijst daarbij op de mogelijkheid dat die
    richtlijnen ertoe leiden dat de besluitvorming in de toekomst weer
    op het niveau van de arrondissementen kan plaatsvinden. Op het
    moment houdt de CTC zich bezig met oordeelsvorming over de
    doorlating van harddrugs en de actualisering van richtlijnen. De
    CTC dient zich ten vierde een beeld te vormen van de gebruikte en
    te gebruiken opsporingsmethoden. In totaal zijn 72 zaken aangemeld,
    die bijna alle verdovende middelen betreffen. Een enkele keer wordt
    de inzet van de opsporingsmethode ontraden.

    In 1995 is de meest voorgelegde methode de (voorgenomen) inzet
    van burgerinfiltratie, namelijk in 30 gevallen. Dat zijn zowel
    Nederlandse als buitenlandse burgerinfiltranten. Meestal gaat de
    inzet gepaard met het plegen van strafbare feiten zoals het doen
    van vooraankopen en transport van verdovende middelen.
    Noot De duur van de inzet varieert van een dag tot
    anderhalf jaar. Er zijn vier niet-criminele burgerinfiltranten
    aangemeld. De voorwaarden die aan de inzet van burgerinfiltranten
    worden gesteld, zijn onder meer: – er mag niet worden afgeweken
    van de aard en de duur van de inzet zonder de CTC hiervan op de
    hoogte te stellen;

    (o.a. aanhouding) bij schending ervan;
    – afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de infiltrant
    moet gewezen worden op de consequenties

    • criminele verdiensten moeten worden afgedragen in
      ruil voor een beloning van justitie;
    • aandacht moet worden besteed aan het beperken van de
      afbreukrisico’s.

      – de Nederlandse infiltrant mag doorgaans geen activiteiten in
      het buitenland verrichten. Bij buitenlandse infiltranten moeten
      goede schriftelijke afspraken worden gemaakt met de buitenlandse
      autoriteiten en gewaakt moet worden dat absoluut geen sprake is van
      uitlokking;

    middelen worden gemeld, inclusief het deel dat eventueel
    uiteindelijk het milieu is ingegaan.
    – bij gecontroleerde
    aflevering of doorlating moet de uiteindelijke omvang van een
    transport verdovende Naast burgerinfiltranten wordt ook de inzet
    van politie-infiltranten ter toetsing gemeld, te weten in negentien
    zaken. Nederlandse infiltranten behoren tot een Politieel
    infiltratie-team (PIT). In vijf zaken zijn buitenlandse
    politie-infiltranten gemeld, al dan niet in combinatie met
    Nederlandse infiltranten. Incidenteel is sprake van een combinatie
    met een frontstore of direct afluisteren. De duur van inzet
    varieert van zes weken tot anderhalf jaar. De voorwaarden aan de
    inzet van politie-infiltranten wijken niet veel af van die voor
    burgerinfiltratie. Een tweetal afwijkende voorwaarden zijn:

    – goede psycho-sociale begeleiding van de
    politie-infiltrant;
    handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken
    met buitenlandse autoriteiten onder meer over – in geval van een
    buitenlandse infiltrant in Nederland of een Nederlandse
    politieinfiltrant in het buitenland: vrijwaring als sprake is van
    het plegen van strafbare feiten, en het sturen van een rogatoire
    commissie. In vijf zaken zijn deals met criminelen gemeld, zowel
    met afgestraften als met verdachten. De deal betrof vaak belastende
    verklaringen in ruil voor strafvermindering, een milder strafregime
    of al dan niet uitlevering. De CTC spreekt nadrukkelijk haar
    voorkeur uit voor deals met afgestraften in plaats van verdachten,
    en dat slechts in ruil voor harde verklaringen om zware zaken op te
    lossen. Er blijkt grote behoefte te bestaan aan een
    getuigenbeschermingsprogramma.

    Inkijkoperaties die verlopen conform de handleiding
    kijkoperaties hoeven niet te worden gemeld ter toetsing, maar
    slechts ter registratie. Vier inkijkoperaties zijn gemeld. In twee
    gevallen luidt het advies van de CTC negatief omdat niet wordt
    voldaan aan de in de handleiding gestelde eisen. Ook voor wat
    betreft gecontroleerde aflevering, peilbakens, voorkoop, foto- en
    video-observatie en een combinatie hiervan, volstaat melding ter
    registratie aan de CTC. In de praktijk worden gecontroleerde
    aflevering en voorkoop vermeld bij de toetsing van de inzet van een
    burger- dan wel politie-infiltrant. De CTC beraadt zich nog over de
    verdere verwerking van de gegevens die ter registratie zijn
    aangeboden.

    Verder wordt nog apart een aantal inzetten gemeld. Dit betreft
    onder meer fenomeenonderzoek naar het effectenwezen, advies aan het
    College van procureurs-generaal over informatie-overdracht naar een
    andere regio, het opzetten van een frontstore ten bate van de
    afscherming van een CID, direct afluisteren in een caf en
    doorlating van gestolen auto’s.

    De minister van Justitie behoudt de mogelijkheid om na verleende
    goedkeuring door de CTC de inzet van een bepaalde opsporingsmethode
    te beletten. Gelet op het gegeven dat de minister van Justitie de
    gewoonte heeft terughoudend van de aanwijzingsbevoegdheid van
    artikel 5 RO gebruik te maken, is zulk optreden wel opvallend. Tot
    op heden heeft de minister n keer een onderzoek stopgezet in
    weerwil van het fiat door de CTC. Volgens de voorzitter komt dit
    het gezag van de CTC niet ten goede.

    De voorzitter:
    U heeft toen toch in feite bijna op het punt heeft gestaan
    om te zeggen: dan leggen wij er het bijltje maar bij neer?
    De heer Jansen:
    Dat was inderdaad even de stemming binnen de
    toetsingscommissie.
    Noot Vanzelfsprekend is ook de
    rechter niet gebonden aan het oordeel van de CTC. Ondanks
    goedkeuring van de CTC kan de rechter tot het oordeel komen dat een
    infiltratie onrechtmatig is geweest.
    De heer Rabbae:
    U zegt niet dat het goed is dat het OM haar huiswerk goed
    doet, maar dat de uiteindelijke toetsing toch plaatsvindt door de
    rechter ter zitting.
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Het is goed, maar niet voldoende. Ik geef het voorbeeld van
    een kind dat rekensommetjes maakt. Als die door iemand worden
    nagekeken en er drie fouten uit worden gehaald, zitten er misschien
    nog twee in. In die trant kun je het zien. Als de
    toetsingscommissie er een paar fouten uit haalt, blijven er voor de
    rechtbank minder fouten over om te onderzoeken.
    De heer Vos:
    Als ik het samenvat komt het erop neer, dat u als rechter
    gewoon zelf de controle wilt blijven uitoefenen op wat in feite in
    het voortraject gebeurt,
    rechter-commissaris of een centrale
    controle-instantie van het OM of niet. U zit als rechter op het
    eindstation en wilt zelf een beoordeling blijven geven.
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Ja zeker! Ik denk dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid
    toch voor de zittingsrechter is.
    Noot

    Dat is begrijpelijk, omdat de goedkeuring van de CTC in het
    algemeen slechts een voorafgaande beoordeling inhoudt en bij een
    toetsing achteraf met meer factoren rekening kan en moet worden
    gehouden. De rechter zal bij zijn beoordeling van de zorgvuldigheid
    van de inzet van het middel infiltratie wel mee laten wegen of de
    CTC de inzet van de methode heeft getoetst. Zo niet, dan behoeft de
    rechter nog niet onmiddellijk tot ongeoorloofdheid van de operatie
    te beslissen, maar de kans daarop lijkt wel aanzienlijk. De
    tussenkomst van de CTC zal in het proces-verbaal moeten worden
    vermeld. Overigens wordt een groot deel van de opsporingsmethoden
    die ter toetsing bij de CTC zijn geweest, niet voorgelegd aan de
    rechter. Dit betreft voornamelijk de inzet van burgerinfiltranten.
    In een aantal keren wordt pas achteraf de beslissing genomen of de
    inzet van een opsporingsmethode ter toetsing aan de rechter zal
    worden aangeboden. Dit hangt af van het succes van de inzet en of
    het een toegevoegde waarde heeft voor de bewijsvoering. De inzet
    van politie-infiltranten wordt doorgaans wel, op voorwaarde van
    succes, ter terechtzitting verantwoord. De acceptatie van toetsing
    door de CTC verloopt niet vlekkeloos. Het OM heeft herhaaldelijk
    oproepen gedaan om mee te werken aan de toezending van gegevens.
    Het is de vraag of, en zo ja, in hoeverre zulks inmiddels is
    verbeterd. De indruk bestaat dat de CTC niet alle zaken die gemeld
    hadden moeten worden, heeft ontvangen. De CTC zelf merkt op dat de
    verschillende arrondissementen heel verschillend met de CTC omgaan.
    De ene officier van justitie noemt de CTC nuttig collegiaal
    overleg, maar vindt dat de CTC geen toetsing verricht. De ander
    zegt de grootst mogelijke twijfels over de CTC te hebben en niet te
    verwachten dat de rechter zich zal laten leiden door het oordeel
    van de CTC.

    De heer Vrakking:
    De CTC kan natuurlijk nooit de verantwoordelijkheid die ik
    als hoofdofficier heb, vervangen. Ik moet aan mijn rechtbank uit
    kunnen leggen waarom wij iets gedaan hebben. Die rechtbank heeft
    ook een eigen verantwoordelijkheid. De CTC kan daarvoor nooit in de
    plaats komen. Een
    rechter-commissaris kan dat tenslotte ook
    niet.
    Noot

    De advocatuur is niet onder de indruk van de extra waarborg die de
    CTC zou kunnen bieden.

    De heer Rouvoet:
    Mijnheer Hiddema, maakt het voor de mate van uw fiducie in
    opsporingsmethoden nog uit of bijvoorbeeld de Centrale
    toetsingscommissie zich erover gebogen heeft?
    De heer Hiddema:
    Nee. Ik zal dat uitleggen. U kunt regelen wat u wilt in het
    traject – ik zal dat woord ook maar eens gebruiken –
    CID,
    chef-CID,
    CID-officier, hoofdofficier, zaaksofficier,
    procureur-generaal en toetsingscommissies, doch dat heeft alleen
    maar tot gevolg dat die groep van mensen hecht aan elkaar wordt
    geketend; men moet elkaar informeren. Dit betekent dat de deur van
    de CID-keuken, waar de informatie echt vandaan moet komen, extra
    gesloten wordt, omdat men weet: als wij het doorgeven en ter
    toetsing aanreiken aan een goede, bevriende officier gaat deze
    ermee aan de haal met alle mensen met wie hij moet overleggen. Die
    soesa wil men liever niet. Men houdt het binnen die keuken, omdat
    daar toch niemand komt kijken. Hoe strakker men dus het geheime
    gedeelte van de opsporing aan banden probeert te leggen buiten de
    CID-keuken om hoe harder het potje daar gaat pruttelen.

    Noot

    9.5.3 De rol van de rechter

    De centrale positie van het OM in het strafprocesrecht en
    daarmee ook in het opsporingsonderzoek is niet vanzelfsprekend.
    In het verre verleden was onder vigeur van het Wetboek van
    Strafvordering van 1838 de
    rechter-commissaris de centrale
    figuur in het vooronderzoek. Deze situatie komen we nog steeds in
    andere Europese staten tegen. Zelfs het geldende Wetboek van
    Strafvordering lijkt van de centrale positie van de

    rechter-commissaris uit te gaan. Dit hangt samen met het
    uitgangspunt van de wetgever dat getuigenbewijs op de
    terechtzitting zou worden geleverd en dat de

    rechter-commissaris wat dat betreft in feite de gang van zaken
    op de zitting voorbereidt. Dit uitgangspunt is evenwel nooit tot
    uitwerking gekomen, daar de rechtspraak (met name HR 20 december
    1926, NJ 1927, 85) het mogelijk maakte dat getuigenverklaringen in
    het vooronderzoek door de opsporingsambtenaren worden verzameld en
    neergelegd in een proces-verbaal door de rechter als bewijsmiddel
    worden gebruikt.

    Met de acceptatie van een vergaande mate van schriftelijke
    bewijsvoering zijn de activiteiten van de opsporingsambtenaren en
    de officier van justitie van doorslaggevend belang geworden voor
    het strafrechtelijk onderzoek. Politie en OM hebben daardoor de
    feitelijke mogelijkheid om, met voorbijgaan aan de
    rechter-commissaris, te selecteren welke verklaringen de rechter
    ter zitting onder ogen komen. Dit heeft onder
    meer tot gevolg gehad dat de rechter-commissaris in de loop der
    jaren steeds minder een leidende, en steeds meer een toetsende
    en/of een tot het gebruik van dwangmiddelen machtigende autoriteit
    is geworden. De rechter-commissaris heeft in de huidige
    verhoudingen weinig gezag ten opzichte van het OM en de politie.
    Tussen het OM en de rechter-commissaris vindt geen overleg plaats
    over opsporingsmethoden. Het wordt wel denkbaar geacht dat bij
    toepassing van opsporingsmethoden afspraken worden gemaakt over de
    informatieverschaffing door het OM aan de rechter. De rechter wil
    steeds meer weten over de inzet van niet uitdrukkelijk wettelijk
    geregelde opsporingsmethoden. Bij het OM bestaat de indruk dat een
    aantal rechters-commissarissen ontvankelijk is voor het afschermen
    van bepaalde vertrouwelijke informatie naar de verdediging.


    vorige
    volgende


    Inhoudsopgave en zoeken