• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage I – 1.3 Het plenaire debat

    1.3 Het plenaire debat

    Nadat de vaste commissie voor Justitie met het uitbrengen van
    een lijst van vragen en antwoorden Noot het
    voorbereidend onderzoek van het rapport van de Werkgroep
    vooronderzoek opsporingsmethoden had voltooid, vond op 16 november
    1994 het plenaire debat plaats. Noot Het rapport werd
    van achter de regeringstafel verdedigd door de voorzitter van de
    werkgroep. De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken
    waren ook aanwezig ter beantwoording van aan hen gerichte
    vragen.

    Tijdens het debat kwamen de volgende onderwerpen aan de orde: de
    noodzaak van een parlementair onderzoek, de vraag of een eventueel
    onderzoek in de vorm van een enqute moest plaatsvinden, de aard,
    omvang en doelstelling van de enqute en de tijdsduur daarvan.
    Tijdens het debat tekende zich een meerderheid voor het voorstel
    van de werkgroep af. De fracties van de PvdA, D66, GroenLinks en SP
    waren voorstander. Ook de fracties van de RPF en het GPV hadden een
    voorkeur voor het instellen van een enqute, met dien verstande dat
    de steun van de GPV-fractie zou afhangen van de reactie van de
    werkgroep op het door deze fractie ingediende wijzigingsvoorstel.
    Noot Het wijzigingsvoorstel-Schutte had betrekking op de
    doelstelling van de enqute en beoogde vast te stellen dat het
    onderzoek zich diende te beperken tot het verzamelen van informatie
    met het oog op normering van opsporingsmethoden en niet tevens
    moest gaan over inhoudelijke normering, omdat dat laatste tot de
    primaire verantwoordelijkheid van de regering behoort. De werkgroep
    kon zich in dit wijzigingsvoorstel vinden en nam dit over.

    De CDA-fractie twijfelde aan de noodzaak van een parlementaire
    enqute. Zij meende dat over alle vragen van de motie-Dijkstal c.s.
    in ieder geval zodanige informatie was verkregen, dat op grond
    daarvan de regering en de Kamer als medewetgever al tot wetgeving
    konden overgaan. Daarom diende het lid Soutendijk-van Appeldoorn
    een motie in, waarin de regering werd verzocht een wetsvoorstel ter
    nadere normering van opsporingsmethoden voor te bereiden.
    Noot Tevens diende zij twee wijzigingsvoorstellen in,
    voor het geval haar motie niet op voldoende steun van de Kamer kon
    rekenen. Deze wijzigingsvoorstellen beoogden de omschrijving van
    het onderwerp van de enqute te beperken; te weten het schrappen van
    het onderzoek naar de aard, ernst en omvang van de zware,
    georganiseerde criminaliteit, en van het onderzoek naar de
    feitelijke toepassing van opsporingsmethoden. Noot Beide
    wijzigingsvoorstellen werden nog voor de stemmingen een week later
    ingetrokken.

    De AOV-fractie stelde de vraag of het onderzoek in de vorm van
    een enqute zou moeten geschieden. Ook de SGP-fractie had haar
    twijfels over het instellen van een parlementaire enqute. Een groot
    bezwaar vond zij het feit dat het primaire doel van de voorgestelde
    enqute het normeren van de opsporingsmethoden zou zijn, terwijl een
    enqute vooral gericht moet zijn op waarheidsvinding. De fractie
    Hendriks was voorstander van een gewoon parlementair onderzoek. De
    CD-fractie was tegen het instellen een parlementair onderzoek. De
    VVD-fractie was geen voorstander van een parlementaire enqute.
    Volgens haar zou dit middel te zwaar zijn voor deze zaak om in
    stelling te brengen, te meer daar er al voldoende gegevens bekend
    waren. Een ander punt betrof het veelal vertrouwelijke karakter van
    de informatie die ingewonnen zou worden. Dit zou nopen tot het
    veelvuldig gebruik maken van de mogelijkheid af te zien van de
    openbaarheid die juist regel is in een parlementaire enqute. De
    mogelijkheid dat vertrouwelijk ter inzage van leden van de Kamer
    gelegde verslagen in de openbaarheid zouden komen, baarde de
    VVD-fractie zorgen.

    Tijdens het debat werd door zowel de minister van Justitie als
    de minister van Binnenlandse Zaken voorop gesteld dat het aan de
    Kamer was een antwoord te geven op de vraag of een parlementaire
    enqute moest worden ingesteld.

    De minister van Justitie deelde de mening van de werkgroep dat
    er nader onderzoek zou moeten worden verricht. Zij zei het niet
    onlogisch te vinden wanneer de Kamer zelf het vervolgonderzoek in
    handen zou nemen. Zelf zou zij de voorkeur geven aan een
    parlementaire enqute, omdat de Wet op de Parlementaire Enqute de
    rechten en plichten van zowel de enqutecommissie als de getuigen en
    deskundigen duidelijk regelt.
    De minister van Binnenlandse Zaken vond het, mede gezien zijn
    betrokkenheid bij de totstandkoming van de motie die zijn naam
    droeg, niet gepast een oordeel te geven over alles wat aan de orde
    was geweest tijdens het debat. Wel benadrukte hij, evenals zijn
    ambtgenote van Justitie, dat politie en justitie gewoon hun werk
    zouden moeten kunnen blijven doen.

    Op 22 november 1995 vonden de stemmingen plaats. Allereerst werd
    over de motie-Soutendijk-van Appeldoorn (CDA) gestemd. Deze werd
    verworpen. Vervolgens werd het gewijzigd voorstel tot het instellen
    van een enqute door de Kamer aangenomen. De wijziging behelsde een
    toe te voegen volzin en had betrekking op de door de commissie te
    beantwoorden vragen. De zin luidde: De te beantwoorden vragen
    strekken zich niet uit tot de inhoudelijke normering van de
    opsporingsmethoden. De leden van de fracties van de PvdA, het CDA,
    D66, GroenLinks, het AOV, de RPF, het GPV en de SP en het lid Van
    der Stoel (VVD) stemden voor. De overige leden stemden tegen.


    vorige        
    inhoudsopgave en zoeken