• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage I – 2.1 Benoeming en constitutie van de commissie

    HOOFDSTUK 2 DE COMMISSIE EN HAAR STAF

    2.1 Benoeming en constitutie van de commissie

    Op 6 december 1994 deed de voorzitter van de Kamer mededeling
    aan de Kamer van de samenstelling van de commissie, de
    Enqutecommissie Opsporingsmethoden genaamd. De voorzitter benoemde
    tot lid:

    • M. van Traa (PvdA);
    • Th.C. de Graaf (D66);
    • A.K. Koekkoek (CDA);
    • O.P.G. Vos (VVD);
    • M. Rabbae (GroenLinks);
    • A. Rouvoet (RPF);
    • E.G. Aiking-Van Wageningen (AOV). Noot

    Tot plaatsvervangend lid werden benoemd de leden:

    • G.J.W. van Oven (PvdA);
    • W.G.J.M. van de Camp (CDA);
    • A.E.C. van der Stoel (VVD);
    • B.O. Dittrich (D66). Noot

    N.J.P. Coenen werd door de griffier van de Kamer als griffier
    aangewezen. De commissie koos M. van Traa tot voorzitter en Th.C.
    de Graaf tot ondervoorzitter. Het instellingsbesluit en de
    samenstelling van de commissie werden, conform artikel 2 van de Wet
    op de Parlementaire Enqute juncto artikel 143, tweede lid,
    Reglement van Orde van de Tweede Kamer, in de Staatscourant van 8
    december 1994, nr. 237, gepubliceerd. Noot Op 7 december
    1994 vond de constituerende vergadering van de enqutecommissie
    plaats. Aansluitend hield de commissie haar eerste
    procedurevergadering, die overigens niet vlekkeloos verliep. Door
    een niet opgehelderd misverstand werd deze eerste vergadering door
    de draadomroep van de Kamer/de NOB-studio uitgezonden. Dit incident
    benadrukte de noodzaak van een veiligheidsplan. In de daarop
    volgende weken werd daaraan hard gewerkt in overleg met de
    beveiligingsdienst van de Kamer en de Binnenlandse
    Veiligheidsdienst.

    De commissie maakte de afspraak dat de leden naar buiten toe
    terughoudend zouden zijn bij de behandeling van zaken die verband
    houden met het werk van de commissie.
    In deze vergadering werd ook de positie van de plaatsvervangende
    leden aan de orde gesteld. Door de leden en de plaatsvervangende
    leden van de commissie werd besloten dat de plaatsvervangende leden
    zouden afzien van deelname aan de activiteiten van de commissie,
    geen stukken zouden ontvangen en dat slechts bij langdurige
    afwezigheid van een der leden een plaatsvervangend lid de plaats
    van dat lid zou innemen. Gelet op het feit dat alleen de leden van
    de vier grote fracties een plaatsvervanger in de commissie hebben,
    besloot de commissie dat indien een lid van de kleinere fracties
    vervangen moest worden, het aan deze fractie zou worden overgelaten
    welk plaatsvervangend lid daarvoor in aanmerking diende te komen.
    Tijdens de langdurige afwezigheid van het lid Aiking-van Wageningen
    heeft de commissie geen gebruik gemaakt van deze afspraak, gelet op
    het vergevorderde stadium van het onderzoek.

    In de eerste weken van het onderzoek vergden de volgende zaken
    de meeste aandacht van de commissie:

    • de samenstelling en werving van de staf;
    • de opzet van het onderzoek;
    • de werving van externe onderzoekers;
    • het veiligheidsplan;
    • de begroting.

    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken