• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage I – 4.1 Interne onderzoeken

    HOOFDSTUK 4 HET ONDERZOEK

    Bij het inrichten van haar onderzoek koos de commissie voor twee
    – parallel lopende – onderzoekstrajecten: de interne en externe
    onderzoeken. De interne onderzoeken werden door de commissie en
    haar staf uitgevoerd; de externe onderzoeken werd uitbesteed aan
    wetenschappers.

    4.1 Interne onderzoeken

    4.1.1 Opzet

    Ten aanzien van de interne onderzoeken werd voor een tweesporige
    benadering gekozen. Enerzijds werden organisaties en organen
    onderzocht die betrokken zijn bij de opsporing
    (organisatie-onderzoeken). Anderzijds is onderzoek verricht naar de
    gehanteerde opsporingsmethoden en enkele thema’s die daaraan zijn
    gerelateerd (methoden- en thema-onderzoeken). De commissie meende
    dat met deze benadering op een verantwoorde wijze inzicht zou
    kunnen worden verkregen in de praktijk van de opsporing. Hierdoor
    kon een complementair beeld van de organisatie en
    opsporingsmethoden ontstaan.

    Organisaties

    Naar de navolgende organisaties/organen is onderzoek gedaan:
    A. Criminele inlichtingendiensten
    B. Tactische recherche
    C. Ondersteunende eenheden: – Dienst technisch operationele
    ondersteuning – Secties technische ondersteuning – Observatieteams
    – Arrestatieteams – Politile infiltratieteams – Bureaus financile
    ondersteuning

    D. Kernteams (inclusief het landelijk rechercheteam)
    E. Inlichtingendiensten (Binnenlandse veiligheidsdienst, regionale
    inlichtingendiensten) F. Bijzondere opsporingsdiensten (Fiscale
    inlichtingen- en opsporingsdienst, Douanerecherche, Economische
    controledienst, Algemene inspectiedienst)

    G. Openbaar ministerie
    H. Rechters-commissarissen
    I. Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken
    J. Korpsbeheerders
    De commissie koos in eerste instantie voor een geografische
    verdeling van de verschillende onderzoeksobjecten. Daartoe werden
    de volgende selectiecriteria gehanteerd: de personele omvang van de
    politieregio’s en arrondissementen, ingedeeld in de categorien
    groot, middel en klein; een verdeling van de verschillende
    onderzoeken over Nederland; alle kernteams zouden worden
    onderzocht; de relevante landelijke eenheden zouden worden
    onderzocht. Uiteindelijk is informatie verzameld over alle
    criminele inlichtingendiensten, tactische recherche-eenheden,
    kernteams, ondersteunende eenheden en parketten.

    Thema’s en methoden

    Daarnaast deden de commissie en haar staf onderzoek naar de
    volgende thema’s en methoden: K. Aard, ernst en omvang van de
    zware, georganiseerde criminaliteit
    L. Wettelijke en jurisprudentile kaders opsporingsmethoden
    M. Bestuurlijke rechtshandhaving
    N. Privacyregelingen opsporingsgegevens
    O. Corruptiegevoeligheid methoden en organisatie
    P. Opleiding recherche
    Q. Internationale aspecten opsporingsmethoden en
    informatie-uitwisseling
    R. Rechtsvergelijkend perspectief opsporingsmethoden
    S. Rol commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
    T. Financieel rechercheren
    U. Methoden:

    • Observatie
    • Infiltratie
    • Informanten
    • Informatie (opslag, uitwisseling en verstrekking gegevens)
      V. Casus strafzaken georganiseerde criminaliteit

    Ten behoeve van de uitvoering van elk van de deelonderzoeken werden
    onderzoeksgroepen gevormd, bestaande uit stafleden en een
    commissielid. Het betreffende commissielid gaf in samenspraak met
    de projectleider leiding aan het onderzoek, met dien verstande dat
    de dagelijke uitvoering aan de projectleider en de andere stafleden
    was toevertrouwd. Het commissielid was intensief betrokken bij alle
    facetten van het onderzoek, zonder zelf daadwerkelijk onderzoeker
    te worden.

    Belangrijkste leidraad voor alle onderzoeken en andere
    activiteiten van de commissie en haar staf was het draaiboek,
    opgesteld door de griffier en de inhoudelijk secretaris. Daarin
    werd de planning van de activiteiten van de commissie en haar staf
    weergegeven. Met het draaiboek werd niet alleen beoogd alle
    betrokkenen op de hoogte te brengen en te houden van alle
    onderzoeksactiviteiten, maar bovenal een structuur aan te bieden,
    waarbinnen de inhoud en het proces van de enqute tot stand konden
    komen. Het was dan ook niet de bedoeling de inhoud en het proces
    van het onderzoek volledig vast te leggen. Het draaiboek werd,
    naarmate het onderzoek vorderde, verschillende keren aangepast.

    4.1.2 Onderzoeksvragen

    Bij de verschillende stafonderzoeken was het van belang dat
    dezelfde inhoudelijke, methodische en procedurele uitgangspunten
    werden gehanteerd. De verschillende onderzoeksvoorstellen gingen
    deels over dezelfde thematiek. Daartoe was het noodzakelijk dat
    iedereen dezelfde uitgangspunten hanteerde. In een
    onderzoeksprotocol werden deze uitgangspunten weergegeven. Tijdens
    het onderzoek werden verschillende termen en begrippen gehanteerd.
    Vanaf het begin werd gewerkt met een uniforme lijst van definities.
    In de bijlagen 5 en 6 worden de definities gegeven.

    De vragen in een aantal deelonderzoeken waren vergelijkbaar. Er
    is een checklist ontwikkeld van thema’s waaraan in de
    deelonderzoeken aandacht zou worden besteed. Hieronder zijn de
    centrale vragen van de deelonderzoeken weergegeven.

    A. Inzet en gebruik methoden

    1. Welke regels zijn er voor de inzet en het gebruik van
    opsporingsmethoden door de betrokken organisatie? 2. Welke
    opsporingsmethoden worden in de praktijk gehanteerd? Met welke
    frequentie worden opsporingsmethoden ingezet?

    3. Wie dient volgens de regels te beslissen over de inzet van
    deze methoden? Wie beslist in de praktijk over de inzet van deze
    methoden?
    4. In hoeverre vindt overleg plaats over de inzet van methoden? Met
    wie vindt dat overleg plaats? Wat is de inhoud van dat overleg?
    5. Wanneer mogen volgens de regels de opsporingsmethoden worden
    ingezet? Wanneer worden opsporingsmethoden in de praktijk ingezet?
    Welke inhoudelijke en procedurele voorwaarden worden daarbij
    gehanteerd?

    6. Hoe worden de opsporingsmethoden in de praktijk
    gehanteerd?
    7. Welke controle bestaat er volgens de regels op de inzet en het
    gebruik van methoden? Welke controle vindt in de praktijk plaats op
    het gebruik van methoden doet zich voor?
    8. Waarom worden deze methoden gehanteerd? Welke redenen worden
    gegeven voor de inzet van opsporingsmethoden? Welk oordeel hebben
    de leden van de organisatie over de effectiviteit van de
    opsporingsmethoden?

    B. Gebruik van informatie

    1. Welke regels bestaan er bij betrokken organisatie over de
    verwerking, opslag, inzage, uitwisseling en vernietiging van
    gegevens en informatie?
    2. Hoe worden gegevens en informatie in de praktijk verwerkt en
    opgeslagen? 3. Wie heeft op welke wijze inzage in de gegevens en
    informatie?
    4. Met wie worden gegevens en informatie uitgewisseld? Welke
    procedure wordt daarvoor gehanteerd? Welke informatie wordt
    uitgewisseld en welke niet?
    5. Hoe wordt feitelijk besloten over de vernietiging van gegevens
    en informatie?

    C. Interne en externe organisatie

    1. Hoe ziet het organisatieschema (organogram) van betrokken
    organisatie er uit? 2. Welke doelstellingen met betrekking tot
    opsporing streeft de organisatie na? Welke prioriteitstelling wordt
    daarbij gehanteerd?

    3. Hoe zijn de taken wat betreft opsporing verdeeld binnen de
    organisatie? 4. Welke budgetten zijn beschikbaar voor het gebruik
    van opsporingsmethoden? Hoe wordt in de praktijk omgegaan met deze
    budgetten?

    5. Hoeveel personen zijn werkzaam bij de betreffende organisatie
    wat betreft de opsporing? Hoe is de verdeling van de
    functionarissen over de verschillende organisatie-onderdelen? Wat
    is het opleidingsniveau, de rang en het salarisniveau van de
    functionarissen? Zijn er minimum- en maximumtermijnen van
    aanstelling binnen de organisatie?

    6. Hoe zijn de onderlinge verhoudingen binnen en tussen de
    verschillende organisatie-onderdelen? Hoe is de verhouding tussen
    leiding en uitvoering?
    7. Wat is het imago van de organisatie volgens de leden van de
    organisatie? 8. Welke externe organisaties hebben volgens de regels
    en in de praktijk invloed op het functioneren van de betrokken
    organisatie wat betreft de opsporing?

    9. Welke overlegvormen bestaan tussen de betrokken organisatie
    en organisaties in haar omgeving? Wat is de frequentie en inhoud
    van dit overleg? Wie nemen deel aan dit overleg?

    4.1.3 Onderzoeksmethoden

    Tijdens de onderzoeken werden verschillende methoden gehanteerd.
    De commissie en haar staf hebben zeer veel documenten bestudeerd en
    verwerkt. In de bijlage bij dit deel zijn lijsten opgenomen van
    boeken, artikelen, rapporten, officile publikaties en opgevraagde
    documenten.

    Veel informatie is verzameld door middel van interviews. In
    totaal hebben de commissie en haar staf ruim 300 interviews
    gehouden. In de bijlage bij dit deel is een lijst opgenomen van
    personen waarmee leden van de commissie en haar staf gesprekken
    hebben gevoerd. Voor de controleerbaarheid was het noodzakelijk dat
    de voorbereiding en verwerking van de interviews op een
    gestandaardiseerde manier plaatsvonden.A. Elk interview werd
    voorbereid door de leden van de onderzoeksgroep aan de hand van een
    vragenlijst. Deze vragenlijst bevatte niet alleen concrete vragen,
    maar ook en vooral de thema’s waarover met betrokkene zou worden
    gesproken. Naast vragen en thema’s die in elk interview aan de orde
    kwamen, dienden per interview specifieke vraagpunten en thema’s te
    worden opgesteld. De vragen- en themalijst werd besproken in de
    onderzoeksgroep, waarbij het commissielid aanwezig was.

    B. Doorgaans werden de interviews gehouden door twee stafleden
    of een staflid en een commissielid. C. Elk interview werd opgenomen
    op een cassettebandje.
    D. Van elk interview werd een verslag gemaakt.


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken