• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 10.8 Conclusies

    10.8 Conclusies

    1. Met betrekking tot inkomende verzoeken om internationale
    rechtshulp bestaat een wettelijke regeling. Ten aanzien van
    uitgaande verzoeken bestaat daarentegen geen wettelijke regeling
    (afgezien van artikel 539a Sv); ook organisatorische waarborgen bij
    uitgaande verzoeken om informatie en observatie naar het buitenland
    zijn geringer dan bij het inkomende verkeer.

    2. De formele verantwoordelijkheid van de minister van Justitie
    voor elke daad van kleine rechtshulp heeft een smalle feitelijke
    basis. Vooral sinds Schengen is de greep van het ministerie op de
    rechtshulp en assistentie aan/van de Schengenpartners zeer gering.
    Het feit dat de landelijke officier van justitie (overigens
    uitsluitend in verband met bijzondere opsporingsmethoden) geacht
    wordt een belangrijke rol te spelen, doet daar niet aan af. Het is
    de vraag of deze officier van justitie feitelijk goed zicht heeft
    op de internationale rechtshulp en assistentie – wellicht afgezien
    van de inkomende verzoeken om observatie in Nederland. 3. De
    formeel gekanaliseerde internationale gegevensuitwisseling is traag
    en bevordert het gebruik van informele contacten.

    4. Verstrekking van CID-informatie aan het buitenland lijkt
    moeilijk binnen de perken te houden. 5. De wijze waarop informatie
    in het buitenland is gegenereerd wordt nauwelijks getoetst. 6. Het
    is niet duidelijk in hoeverre gegevensuitwisseling tussen politie
    en niet-politile diensten of niet-politile diensten onderling
    interfereert met de formele regelgeving.

    7. Veel buitenlandse verzoeken tot observatie in Nederland
    krijgen feitelijk geen gevolg, daar de aangekondigde
    grensoverschrijding van het te volgen object feitelijk niet
    plaatsvindt. 8. Inkomende grensoverschrijdende gecontroleerde
    afleveringen dienen gemeld te worden aan de landelijke officier van
    justitie (artikel 73 jo 40 SUO). Deze wordt niet altijd
    ingelicht. Er bestaat onduidelijkheid over de gevallen waarin het
    buitenland niet de landelijk officier, maar een lokale officier van
    justitie heeft geadieerd; het is bovendien de vraag of deze
    meldingen plaatsvinden. Het lijkt weinig voor te komen dat het
    buitenland verzoekt om in Nederland een zending door te laten.
    9. Het optreden van buitenlandse informanten in Nederland verdient
    nadere aandacht. Soms komt dan een buitenlandse begeleider mee; het
    gevaar lijkt niet gering dat juist het runnen van dergelijke mensen
    misloopt omdat niemand ze goed kent.

    10. Formeel is het toezicht op de Nederlandse liaison-officers
    in den vreemde goed geregeld; op afstand is dit toezicht echter
    moeilijk uit te oefenen.
    11. Het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland
    is weliswaar moeilijk te controleren, maar er zijn weinig
    aanwijzingen – wel geruchten – dat deze ambtenaren zich niet aan de
    in Nederland geldende regels zouden houden.


    vorige        
    inhoudsopgave en zoeken