• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 4.1 Inleiding

    4 HET GEBRUIK VAN INFORMANTEN

    4.1 Inleiding

    Indien een proces-verbaal begint met de zin Uit bij de criminele
    inlichtingendienst binnengekomen informatie is het volgende
    gebleken, is de niet genoemde bron veelal een informant. Deze heeft
    zijn informatie op basis van vertrouwelijkheid aan een Criminele
    inlichtingendienst (CID) verschaft. Daarmee onderscheidt de
    informant zich van de gewone aangever en de gewone getuige. Het is
    weliswaar theoretisch mogelijk dat de informant op zeker moment als
    bedreigde getuige, of als anonieme getuige wordt gehoord, maar
    gebruikelijk is dat hij op geen enkele wijze in het strafproces wil
    worden gemengd.

    De voorzitter:
    Hoe heet een informant in het milieu?
    De heer Mosterd:
    Verklikker, verraaier, matennaaier. Dat zijn de kreten die
    gebruikt worden.
    De voorzitter:
    Het woord informant is daar niet ingeburgerd?
    De heer Mosterd:
    Nee, dat is duidelijk de wat neutralere benaming die wij met
    elkaar verzonnen hebben.
    Noot Zolang er politie
    bestaat, wordt gewerkt met informanten, of de basses-mouches
    zoals ze ten tijde van het

    Ancien Rgime genoemd werden. Dat doet niet af aan het feit dat de
    verhouding tussen de politie en de informant in de loop der tijd
    drastische veranderingen onderging. Direct na de Tweede
    Wereldoorlog ving een periode aan waarin een grote voorzichtigheid
    aan de dag werd gelegd, maar de zogenaamde open verkenningen via
    caf-recherche gingen ook toen voort. Noot

    Met de instelling van criminele inlichtingendiensten in de jaren
    zeventig kregen de informanten weer meer systematische aandacht. De
    mogelijkheid om voor de bewijsvoering anonieme getuigenverklaringen
    te gebruiken – welke mogelijkheid al voor de oorlog werd
    geaccepteerd – werd toen steeds vaker benut en dat maakte het
    minder vreemd om niet met name genoemde personen inlichtingen te
    laten verstrekken. Dat verklaart ten dele het intensievere gebruik
    van informanten, ook van die informanten die nimmer als anonieme
    getuige optreden.

    In het rapport Opsporing gezocht betroffen enkele
    vraagpunten uitdrukkelijk de informanten. 5A. Kan worden volstaan
    met richtlijnen voor infiltratie en het runnen van informanten? 5B.
    Moeten de richtlijnen voor infiltratie en het runnen van
    informanten herzien worden vanwege het meerduidige karakter van
    deze richtlijnen?

    5C. Hoe gaan politie en justitie in de praktijk om met de
    opsporingsmethoden infiltratie en het runnen van informanten? Zijn
    daar ontwikkelingen in te onderkennen?
    5D. Hoe kan in het algemeen de onafhankelijke positie van politie
    en justitie ten opzichte van informanten worden gewaarborgd?
    5E. In hoeverre worden informanten gebruikt als infiltranten?
    5F. Welke grenzen dienen gesteld te worden aan de reikwijdte van
    infiltratievormen? 5G. Hoe moet de sturing en controle van
    infiltratie-acties plaatsvinden?
    5H. In hoeverre kunnen politie en justitie participeren in het
    plegen van strafbare feiten teneinde informatie te krijgen over te
    plegen of gepleegde strafbare feiten?
    5J. Aan welke procedurele en inhoudelijke criteria dient het geven
    van vergoedingen aan informanten te voldoen?
    5K. In hoeverre moeten politie en justitie in staat worden gesteld
    andere dan financile deals met informanten te sluiten?
    In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens, nadat het werken met
    informanten is gedefinieerd en in zijn verschijningsvormen
    beschreven (3.2) de volgende onderwerpen behandeld: de juridische
    grondslag (3.3), het feitelijk gebruik (3.4) en de feitelijke
    controle (3.5). Het is wellicht zinvol er hier op te wijzen dat in
    dit hoofdstuk niet specifiek wordt ingegaan op de problematiek van
    door informanten, die deel uitmaken van criminele organisaties,
    gepleegde strafbare feiten; evenmin wordt ingegaan op de rol van
    informanten in verband met doorlevering en doorlating (zie
    hoofdstuk 5
    Infiltratie).


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken