• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 5.1 INLEIDING

    5 INFILTRATIE

    5.1 INLEIDING

    Vanaf eind jaren zestig wordt in Nederland met infiltranten
    gewerkt en aangenomen mag worden dat politile undercover-operaties
    nog veel ouder zijn. Noot Aanvankelijk worden met enige
    regelmaat pseudokopen uitgevoerd door de Amerikaanse Drugs
    Enforcement Administration (DEA), en pas geleidelijk gaat ook de
    Nederlandse politie zich daar georganiseerd op toeleggen. Omstreeks
    1978 is door de Amsterdamse hoofd-inspecteur Sietsma naar Canadees
    model begonnen met pseudokoopteams die zich gaandeweg ook met
    verdergaande vormen van infiltratie hebben beziggehouden. Welbewust
    is toen eind jaren zeventig door middel van de Tallon-zaak een
    uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot infiltratie
    uitgelokt. Het experimentele karakter van infiltratie leidde tot
    problemen rond 1980; ook op het optreden in de direct daarop
    aansluitende periode wordt tegenwoordig teruggezien alsof het er
    toen nogal amateuristisch aan toeging.

    De heer Van Riessen:
    Dan praat ik over 1980/1981. Toen gebeurde dat in
    Amsterdam.
    De heer Koekkoek:
    Onder wiens verantwoordelijkheid? Hoe ging dat dan?
    De heer Van Riessen:
    Dat gebeurde onder verantwoordelijkheid van de toenmalige
    chef van de centrale recherche. Om een grote slag te slaan – die is
    ook toen niet geslagen – werden er ponden herone op de markt
    gebracht.
    Noot

    Teneinde de pseudokoop te professionaliseren en omdat er behoefte
    was aan geavanceerdere vormen van infiltratie werd in 1983 zowel
    een Werkgroep pseudokoop als een werkgroep lange termijn
    infiltratie opgericht. De eerste schreef een rapport
    Pseudokoop in 1984, waarmee de basis was gelegd voor de
    ontwikkeling van een nationale pseudokoopcursus. In 1985 wordt de
    Tweede Kamer voor het eerst – als gevolg van een rapportage van het
    openbaar ministerie – in kennis gesteld van infiltratie als
    opsporingstechniek. Noot Het is op zichzelf een
    opmerkelijk feit dat tot het proefschrift van Frielink (1990)
    Noot er niet of nauwelijks in openbare bronnen iets is
    terug te vinden over deze eigenlijk zo oude, maar in de beleving
    nieuwe opsporingstechniek. Dat geldt in feite nog sterker voor
    technieken als gecontroleerde aflevering en doorlating.

    De heer Van der Putten:
    Ik durf rustig te stellen dat ik misschien de architect ben
    van het systeem. (…) Vanaf 1989 tot nu hebben wij partijen
    softdrugs doorgeleverd, die op de vrije markt zijn gekomen,
    teneinde de infrastructuur van de criminele organisatie in beeld te
    brengen.
    Noot

    In dit hoofdstuk gaat het om infiltratie in diverse vormen. In het
    vorige hoofdstuk over informanten is evenwel reeds het moeilijk te
    lokaliseren onderscheid tussen informanten en (burger)infiltranten
    vermeld. De (burger)infiltratie komt in dit hoofdstuk aan de orde,
    maar sommige in het vorige hoofdstuk beschreven aspecten van het
    runnen van informanten, de deals met criminelen (in geld en in
    strafvorderlijke voordelen) en het al dan niet kunnen behouden van
    criminele winsten, zijn ook voor de onderwerpen van dit hoofdstuk
    relevant. Datzelfde geldt voor de werkzaamheden van observatieteams
    in het kader van de gecontroleerde aflevering en doorlating.

    In het rapport Opsporing gezocht worden de volgende
    vraagpunten met betrekking tot het gebruik van infiltranten
    geformuleerd.
    5A. Kan worden volstaan met richtlijnen voor infiltratie en het
    runnen van informanten? 5B. Moeten de richtlijnen voor infiltratie
    en het runnen van informanten herzien worden vanwege het
    meerduidige karakter van deze richtlijnen?

    5C. Hoe gaan politie en justitie in de praktijk om met de
    opsporingsmethoden infiltratie en het runnen van informanten? Zijn
    daar ontwikkelingen in te onderkennen?
    5D. Hoe kan in het algemeen de onafhankelijke positie van politie
    en justitie ten opzichte van informanten worden gewaarborgd?
    5E. In hoeverre worden informanten gebruikt als infiltranten?
    5F. Welke grenzen dienen gesteld te worden aan de reikwijdte van
    infiltratievormen? 5G. Hoe moet de sturing en controle van
    infiltratie-acties plaatsvinden?
    5H. In hoeverre kunnen politie en justitie participeren in het
    plegen van strafbare feiten teneinde informatie te
    krijgen over te plegen of gepleegde strafbare feiten?
    5I. Welke voor- en nadelen zijn te onderkennen aan de inzet van
    politie-infiltranten en burgerinfiltranten? In het navolgende wordt
    achtereenvolgens ingegaan op de definitie en de verschijningsvormen
    van de methode (5.2), de juridische grondslag (5.3), het feitelijk
    gebruik (5.5), alsmede de controle en samenwerking (5.5). Na enkele
    casus (5.6.) volgen de conclusies (5.7).


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken