• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche

    7.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche

    7.7.1 Doorlaten van containers

    De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor
    de uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de
    politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook
    al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het
    Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee
    mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de
    geselecteerde containers werd op verzoek van de politie
    doorgelaten.

    De heer Rabbae :
    Wat is de normale procedure?
    De heer Huisman:
    Als een zending door moet gaan, moet er normaal aangifte bij
    de douane worden gedaan.
    De heer Rabbae:
    Door wie?
    De heer Huisman:
    Meestal door een agent, een expediteur of een cargadoor.
    Zodra er aangifte gedaan wordt, bestaat er altijd nog het risico
    dat een douanier op een post de aangifte wil controleren. Bij
    doorlevering werd er ook voor gezorgd dat er geen controle
    plaatsvond.
    De heer Rabbae:
    En wie gaf de opdracht om niet te controleren?
    De heer Huisman:
    Die opdracht kwam van de FIOD. Wij stelden dan
    uiteraard wel de vraag of er contact over was geweest met een
    officier van justitie. Dat is in alle gevallen bevestigd en vanaf
    begin 1994 hebben wij van de teamleider van de
    FIOD ook
    steeds een getekende verklaring gekregen met de naam van de
    betreffende officier.
    De heer Rabbae:
    Maar u krijgt ook de verklaring van de officier zelf te
    zien?
    De heer Huisman:
    Nee, wij krijgen alleen de verklaring van de teamleider van
    de
    FIOD, waarbij de naam van de behandelende officier wordt
    vermeld, dus geen verklaring van de officier zelf.
    De voorzitter:
    En geeft u dan het seintje aan de douane dat men een
    container ongemoeid moet laten?
    De heer Huisman:
    Dat is wat wisselend geweest; in een aantal gevallen ging
    het via onze dienst, in andere gevallen via surveillanceposten,
    maar dan wisten wij er wel van.
    De heer Rabbae:
    Maar waarom ging het via uw dienst? U heeft geen directe
    gezagsrelatie tot de
    FIOD.
    De heer Huisman:
    Ik heb wel contacten binnen de douanewereld.
    De heer Rabbae:
    Informele contacten.
    De heer Huisman:
    Nee, ook heel formele.
    De heer Rabbae:
    Maar de formele lijn loopt dus…
    De heer Huisman:
    Er loopt geen gezagslijn direct van de FIOD naar de
    douane.
    De heer Rabbae:
    Dus u krijgt een signaal van de FIOD dat u een
    bepaalde lading ongemoeid moet laten, maar het gaat niet via de
    directeur van de
    FIOD naar uw directeur en via u naar de
    uitvoerende mensen?
    De heer Huisman:
    Nee, maar zoiets heeft ook een bepaalde historie. Het begint
    met een rechtstreeks contact tussen de
    FIOD en mij of mijn
    mensen. Dan wordt er gevraagd of de zaak afgedekt is door de
    justitie en dan is

    het antwoord positief. Op een bepaald moment denk je: dit worden
    er toch wel wat veel. Daar praat je dan over met je eigen
    dienstleiding en dat heeft ertoe geleid dat wij in het begin van
    dit jaar een bespreking op het ministerie hebben gehad om te
    bekijken of dit nu de lijn was: als een officier van justitie het
    in het belang van een onderzoek vindt dat een container zijn
    normale weg vervolgt, werken wij daar dan aan mee? Het beleid dat
    in de praktijk ontwikkeld was, is toen herbevestigd en het is dus
    staand beleid.
    Noot De verzoeken van CID-en tot
    doorlating van containers werden door de FIOD sinds 1993 in een
    formulier vastgelegd. De beslissing daarover werd genomen door een
    teamleider van de FIOD. Het formulier werd vervolgens doorgestuurd
    naar de regionale douane waar de feitelijke controle moest
    plaatsvinden. De container werd vervolgens zonder controle
    overgedragen aan de chauffeur, veelal een informant.Op verzoek van
    de RCID kunnen wij de inhoud van een bepaalde container voordat
    deze wordt afgehaald, onderzoeken op verdovende middelen. Soms is
    het verzoek van de RCID zo opgesteld dat er door de douane niet in
    de container wordt gekeken. Noot

    De CID, die een verzoek deed voor het doorlaten van een
    container, diende volgens de afspraken naar de FIOD terug te
    koppelen wat er vervolgens met de container was gebeurd en of de
    drugs in beslag waren genomen. De commissie constateert dat deze
    terugkoppeling in veel gevallen niet heeft plaatsgevonden.

    7.7.2 CID-activiteiten FIOD

    De FIOD, en meer specifiek de douanerecherche, heeft in de
    afgelopen jaren verschillende informanten gerund, waaronder
    chauffeur M. Volgens toenmalig teamleider Teeven werden door de
    FIOD tien informanten gerund, zonder dat de FIOD beschikte over de
    CID-status. Noot

    FIOD-medewerker De Jongh werkte ten behoeve van verschillende
    CID-en om de methode van het doorlaten van containers te kunnen
    verwezenlijken.

    De heer Teeven:
    Ik heb uiteraard doorgevraagd wat de taak van De Jongh zou
    zijn in Dordrecht en in Haarlem. Zijn taak zou zijn, ervoor te
    zorgen dat de containers die binnenkwamen de haven konden verlaten.
    Daarbij moest de douanerecherche, mijn medewerker, ervoor zorgen
    dat die containers niet werden gecontroleerd door de douane. Voor
    die taak moest ik toestemming geven. Ik moest zeggen: kijk niet
    naar die container. Daarnaast heeft hij, in combinatie met
    politiepersoneel, bepaalde
    informanten gerund die ofwel van
    oudsher van de douanerecherche ofwel van de politie waren.
    (…) De heer De Graaf:
    Waarom runde mijnheer De Jongh dan eigenlijk de
    informant? Hij was toch geen CID’er?
    De heer Teeven:
    De Jongh had een bepaalde know-how op een bepaald vlak
    terwijl het CID-personeel dat niet had. Bij het runnen van
    bepaalde
    informanten was het gewenst dat die kennis
    beschikbaar was.
    Noot

    De verantwoordelijkheid voor de handelingen van De Jongh blijkt
    onduidelijk:

    De heer De Graaf:
    U bent toch verantwoordelijk voor datgene wat uw medewerker
    in zo’n traject doet?
    De heer Teeven:
    Terecht vraagt u daarover door. Uiteraard ben ik
    verantwoordelijk voor wat hij doet. Maar als hij in een ander
    politieteam opereert, dan is het niet vreemd dat de formeel
    verantwoordelijke chef niet van alle ins en outs op de hoogte is,
    zeker in die jaren niet als het om CID-trajecten ging.

    Noot

    In Kennemerland heeft de samenwerking tussen de FIOD en de CID
    plaatsgevonden zonder dat afspraken over informatie-uitwisseling
    zijn vastgelegd. De FIOD en de korpsleiding Haarlem betwisten
    elkaars verantwoordelijkheid voor de specifieke activiteiten van De
    Jongh die ertoe leidden dat de containers ongemoeid werden gelaten.
    Volgens de korpsleiding Haarlem was de FIOD verantwoordelijk,
    volgens de FIOD was de CID Kennemerland verantwoordelijk. FIOD
    teamleider Bakker ging tot maart 1995 ervan uit dat alle bewust
    niet gecontroleerde containers op een later moment in beslag
    genomen zouden worden.

    De voorzitter:
    Toen u de opheffing van het IRT zag, hebt u toen
    nooit het idee gekregen dat daartussen containers hadden kunnen
    zitten die via deze methode binnen waren gekomen?
    De heer Bakker:
    Natuurlijk, ik heb ook de IRT-zaak gevolgd. Ik heb het
    rapport-Wierenga diverse keren gelezen. Ik heb de publikaties van
    meneer Middelburg gevolgd. Mijn les uit de
    IRT was om gewoon
    precies te weten te komen wat er gebeurt. Ik mag graag precies
    weten, wat er gebeurt in mijn omgeving. Daarom heb ik de procedure
    zoals die was, vastgelegd op papier. Ik wilde gewoon precies weten,
    wat er gebeurde. Ik moet u zeggen dat, toen ik er in maart 1995
    kennis van kreeg dat ik eigenlijk gewoon belazerd was in het jaar
    daarvoor – excuses voor het woord – was ik daar goed ziek van. Ik
    heb mij ook afgevraagd, hoe dat kwam. Waar het eigenlijk op
    neerkomt, is het volgende. Ik sta achter de duinen, meneer Van
    Traa, en wat er gebeurt, gebeurt op de vloedlijn, en ik kan niet
    zien wat er op die vloedlijn gebeurt. Er is sprake van

    politieonderzoeken. Wil ik goed weten wat daar gebeurt, dan moet
    ik de aanvangsprocessen-verbaal kennen, ik moet de
    zaaksprocessen-verbaal kennen, ik moet de OT-rapportages kennen, ik
    moet de inbeslagnemingen kennen, en dat past gewoon niet in de
    wijze, waarop die informatie tot mij zou kunnen komen. Er is sprake
    van embargo-onderzoeken, van onderzoeken waarin ik gewoon geen
    inzicht heb. Ik kon dat inzicht niet hebben in die onderzoeken.

    De voorzitter:
    Maar de heer…
    De heer Bakker:
    Het enige wat ik kon doen, was de waarnemingen in de haven
    goed te registreren. Het alternatief is om, als je dat zicht niet
    hebt, die man terug te trekken en dus geen intermediair tussen de
    politie en de douane te zetten. Wat er dan gebeurt, is dat
    douane-ambtenaren in containers onderzoekingen gaan doen die passen
    in opsporingsonderzoeken. Douane en politie gaan dan containers in,
    en er komt een stammenstrijd in het havengebied. Op deze wijze,
    door de intermediair-rol te vervullen tussen de politie en de
    douane, wilde ik dat voorkomen. Door een goede administratie en
    vastlegging wilde ik zicht krijgen op wat er daadwerkelijk
    gebeurde. (…)
    De heer De Graaf:
    Een tijdje geleden zei u tijdens dit verhoor dat u zich
    belazerd voelde. U werd er ook goed ziek van. Door wie bent u
    eigenlijk belazerd, althans voelde u zich belazerd?
    De heer Bakker:
    Ik voelde mij belazerd door de dienst die de informatie
    aangeleverd heeft dat in alle gevallen in beslag werd
    genomen.
    De heer De Graaf:
    En dat was de RCID?
    De heer Bakker:
    Ja. De RCID-Kennemerland. Noot In december
    1994 hebben de nieuwe CID-chef Woest en FIOD teamleider Bakker in
    een convenant vastgelegd hoe de samenwerking vorm zal krijgen.
    Afgesproken is dat alle CID-activiteiten en -registraties
    plaatsvinden bij de CID Kennemerland en onder de
    verantwoordelijkheid van de CID-chef Kennemerland. Noot
    DIC-chef Huisman kreeg in de loop van 1994 het vermoeden dat
    containers met drugs in het milieu verdwenen. Vanuit de douane in
    Amsterdam kwamen ook signalen dat er eventueel iets mis zou kunnen
    zijn met de gecontroleerde afleveringen. De leiding van de douane
    in Amsterdam en de directeur van de FIOD, Van Blijswijk, hadden
    over deze vermoedens een bespreking op het ministerie van Financin
    op 10 januari 1995.
    De heer Van Blijswijk:
    Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen
    enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan

    gecontroleerde aflevering. We hebben verder geconstateerd dat de
    methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat wij
    medewerking zouden blijven verlenenals onder verantwoordelijkheid
    en op verzoek van het OM onze bijstand werd gevraagd.

    Noot

    In maart 1995 komt Van Blijswijk tot een andere conclusie.

    De heer Van Blijswijk:
    Ik moet constateren dat velen met mij binnen de FIOD
    en Financien ergens in maart jongstleden tot de schokkende
    ontdekking kwamen, terwijl wij altijd dachten dat er gecontroleerd
    was afgeleverd en spullen in beslag waren genomen, dit in een
    aantal gevallen niet juist bleek te zijn.
    Noot

    7.7.3 Sigarettensmokkel

    Bij de doorlating van criminele goederen ging het niet alleen om
    drugs. Ook met sigaretten werden vergelijkbare doorlatingstrajecten
    met hulp van een criminele burgerinfiltrant door politie en
    justitie verwezenlijkt.

    Zoals al eerder aan de orde is gekomen had de medewerker van de
    FIOD, De Jongh, vanaf 1988 contact met chauffeur M. Volgens De
    Jongh is hij vanaf 31 januari 1993 ingeschreven als informant bij
    de FIOD. Noot Volgens teamleider Bakker is deze
    informant overgedragen aan de RCID Kennemerland in 1992. De RCID
    ontkent dit. Volgens CID-chef Langendoen is chauffeur M. slechts
    gebruikt als chauffeur voor transporten verdovende middelen en niet
    als informant. Chauffeur M. zou zijn gerund door FIOD-medewerker De
    Jongh en RCID Kennemerland medewerker Van Vondel. De afspraak zou
    zijn dat de informatie via de RCID Haarlem als CID informatie naar
    de FIOD zou gaan. Chauffeur M. heeft een intensieve rol gespeeld
    tijdens de hierboven beschreven transporten.

    Chauffeur M. is daarnaast betrokken geweest bij het vervoeren
    van niet gebanderolleerde sigaretten. Chauffeur M. nam steeds
    contact op met De Jongh als een sigarettentransport werd
    voorbereid. De Jongh gaf dan de opdracht aan M. de transporten in
    de gaten te blijven houden. Samen met een Duitse douane-ambtenaar
    wilde De Jongh in de gaten blijven houden hoe de
    sigarettentransporten feitelijk verliepen. In totaal zou chauffeur
    M. in de periode eind 1992 tot en met januari 1994 bij 85
    transporten met sigaretten betrokken zijn. Deze transporten gingen
    volgens de bescheiden over de buitengrenzen van de Europese Unie,
    terwijl zij in feite binnen de Europese Unie werden afgezet. Op die
    manier werd per zending anderhalf miljoen aan
    accijnzen ontdoken. In totaal is 150 miljoen aan accijnzen
    ontdoken. Op 24 januari 1994 verongelukte een transportwagen van
    chauffeur M. in Duitsland. De lading bestond uit niet
    gebanderolleerde sigaretten. Chauffeur M. verklaarde toen dat de
    Duitse en Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van de
    transporten.

    De heer Koekkoek:
    Ik wil nog een vraag stellen over de
    sigarettensmokkel. Is mijn indruk juist dat de informant
    betrokken was bij die smokkel en dat hij heeft geprobeerd, die
    smokkel voort te zetten onder de dekmantel van de

    RCID?
    De heer Teeven:
    Achteraf kon ik constateren – ik heb het van Bakker
    begrepen; het is dus niet uit eigen wetenschap – dat dat inderdaad
    het geval was. Uw zienswijze is dus juist.
    Noot

    In augustus 1993 heeft zowel binnen de FIOD als de politieregio
    Kennemerland overleg plaatsgehad over proeftransporten sigaretten
    die inzicht moesten verschaffen in de sigarettenfraude. De FIOD had
    hiervoor belangstelling, de tactische recherche van Haarlem niet.
    Volgens FIOD-medewerker De Jongh kreeg hij toestemming van het
    hoofd van de douanerecherche Tjalkes voor enkele proeftransporten,
    die vervolgens ook werden uitgevoerd. Noot Het is niet
    gebleken dat hierover enig overleg met het OM heeft plaatsgevonden
    of dat daarvoor toestemming is gegeven.

    Het heeft er alle schijn van dat chauffeur M. illegale
    sigarettentransporten heeft uitgevoerd en dat hij die nadien heeft
    trachten te legitimeren door te stellen dat hij voor de CID werkte.
    De eventuele afspraken met chauffeur M. zijn niet vastgelegd. Het
    is onduidelijk wat chauffeur M. mocht doen met de criminele
    opbrengsten. Het blijft onduidelijk onder wiens of wier
    verantwoordelijkheid de proeftransporten hebben plaatsgevonden. De
    verklaringen van Langendoen, Van Vondel en De Jongh spreken elkaar
    hier tegen. Aangezien M. in Duitsland verblijft en geen prijs
    stelde op contact met de commissie heeft geen gesprek met hem
    kunnen plaatsvinden. Wel is duidelijk dat hij vele jaren een
    belangrijke schakel is geweest binnen de illegale transporten en
    daarvan zonder twijfel heeft geprofiteerd.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken