• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 8.1 Inleiding

    8 INFORMATIEHUISHOUDING

    8.1 Inleiding

    8.1.1 Omschrijving informatiehuishouding

    Het kenmerk van elke opsporingsmethode is het verzamelen van
    informatie. Informatiehuishouding heeft betrekking op de opslag,
    het beheer en de verstrekking van politiegegevens, ongeacht de
    wijze van vergaring. Politiegegevens zijn bovenal tot een persoon
    herleidbare gegevens.

    Uiteraard kunnen ten behoeve van de opsporing ook registers van
    voorwerpen worden aangelegd. Deze registraties bevatten wel altijd
    gegevens, die tot individuele personen herleidbaar zijn. Aangezien
    opsporing en vervolging uiteindelijk altijd gericht is op een
    concrete (rechts)persoon zullen ook de (registers met in eerste
    instantie) niet-persoonlijke gegevens, toch gerelateerd kunnen
    worden aan een bepaalde persoon. In dit hoofdstuk wordt in de
    eerste plaats – kort – aandacht geschonken aan het strafdossier.
    Daarna worden de registers behandeld. In de eerste plaats die
    beheerst worden door de Wet politieregisters (WPoIR), vervolgens de
    door de politie onderhouden registers, waarop de Wet
    persoonsregistraties (WPR) van toepassing is. Tot slot de voor de
    opsporing en vervolging van belang zijnde registers van de
    bijzondere opsporingsdiensten. Bij deze onderscheiden
    verschijningsvormen wordt achtereenvolgens onderzocht de aanleg van
    het register en de opslag van gegevens, het beheer van het register
    en de gegevensverstrekking. Vanzelfsprekend wordt het onderzoek
    beperkt tot die registers, die blijkens de bevindingen van de
    commissie van belang zijn voor de bestrijding van georganiseerde
    criminaliteit. De registers van de criminele inlichtingendienst
    (CID-register) zullen de meeste aandacht krijgen. Afzonderlijke
    aandacht zal worden besteed aan de verstrekkingen van gegevens uit
    opsporingsregisters ten behoeve van bestuurlijke maatregelen om
    criminaliteit en verwevenheid tussen legale en criminele
    activiteiten tegen te gaan (bestuurlijke rechtshandhaving).
    Gegevensverstrekking in het kader van internationale samenwerking
    tussen staten wordt behandeld in hoofdstuk 10.

    8.1.2 Het strafdossier

    De voornaamste gegevensverzameling in de strafvorderlijke fase
    is het strafdossier, de stukken van het geding. Dit bevat
    processen-verbaal van politie, waarin eigen bevindingen gerelateerd
    worden en de verbalen inhoudende de verhoren van personen.
    Daarnaast bevinden zich in het dossier verslagen van deskundigen,
    uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en andere
    openbare registers, alsmede de formele stukken van het eigenlijke
    geding. Bij de laatste categorie moet gedacht worden aan de
    dagvaarding, aan de zitting voorafgaande vorderingen van het
    openbaar ministerie en verzoeken van de verdediging, alsmede de
    rechterlijke beslissingen daarop en voorts de verslagen van
    handelingen van de rechter(-commissaris). Het strafdossier is niet
    zo zeer een opsporingsmethode of -middel als wel het resultaat van
    de inspanningen van de opsporingsinstanties en het openbaar
    ministerie om tot veroordeling van een bepaalde persoon te geraken.
    De functies van het strafdossier en de zich daarin bevindende
    processen-verbaal zijn de rechter in staat te stellen het onderzoek
    op de terechtzitting nader te structureren, een bijdrage te leveren
    aan de beantwoording van de vraagpunten van de artikelen 348 en 350
    Wetboek van Strafvordering (de kwesties waarover in het geding een
    beslissing moet worden genomen, en voor zover het betreft de
    processen-verbaal met name de bewijsvraag), alsmede controle uit te
    oefenen op rechtmatigheid van de opsporings- en
    vervolgingshandelingen.

    Krachtens artikel 152 Sv is elke opsporingsambtenaar verplicht
    ten spoedigste proces-verbaal op te maken van het door hem
    opgespoorde strafbare feit en van hetgeen door hem tot opsporing is
    verricht of bevonden. De processen-verbaal worden opgemaakt op
    ambtseed (artikel 153, eerste lid Sv). Voorts behoren de opgemaakte
    processen-verbaal onverwijld te worden gezonden aan de hulpofficier
    van justitie, die deze eveneens onverwijld doet toekomen aan de
    officier van justitie (artikel 156, eerste lid Sv). Voor de
    bijzondere opsporingsambtenaren geldt hetzelfde met uitzondering
    van de opsporingsambtenaren bij ‘s Rijks belastingen. Zij sturen de
    processen-verbaal naar het (ressortelijk) bestuur van ‘s Rijks
    belastingen (artikel
    80, tweede lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)).
    Behoudens het geval dat dwangmiddelen zijn toegepast, doet het
    bestuur van ‘s-Rijks belastingen de processen-verbaal slechts
    toekomen aan de officier van justitie, indien het vervolging
    wenselijk acht.

    In de praktijk worden niet alle processen-verbaal aan het
    openbaar ministerie gezonden, en voor zover zij wel worden
    ingezonden gebeurt dat niet altijd onverwijld. De inzending
    geschiedt pas als het onderzoek is afgerond, of in een fase
    verkeert dat een beslissing van het openbaar ministerie nodig is.
    Dit laatste is doorgaans het geval bij toepassing van
    dwangmiddelen, staande houden en aanhouding alsmede het ophouden
    voor verhoor niet meegerekend. Bovendien zal alleen dan
    proces-verbaal worden opgemaakt indien de bevindingen relevant zijn
    voor de zaak. Relevant zijn ook de voor de verdachte ontlastende
    bevindingen. Noot

    Het hof te Amsterdam in zijn arrest van 9 juni 1994 (NJ 1994,
    710) geeft dezelfde uitleg aan de relevantie: naast de
    bewijsvoering, dient ook ontlastend materiaal te worden vastgelegd,
    en indien zulks wordt nagelaten kan dit leiden tot
    niet-ontvankelijkheid indien de verdachte door dat verzuim in zijn
    verdediging is geschaad. In zijn arrest van 4 februari 1993
    Noot heeft het hof Amsterdam de in de zaak verrichte
    pseudo-koop activiteiten en undercover-operaties niet relevant
    geacht. Noot In dat arrest overwoog het hof dat het
    standpunt dat opsporingsambtenaren gehouden zijn tot het opmaken
    van proces-verbaal van iedere opsporingshandeling, zonder meer op
    straffe van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij
    achterwege laten daarvan, in zijn algemeenheid geen steun vindt in
    het recht. Het hof merkt daarbij op dat het niet opmaken van
    processen-verbaal of het achterwege laten van inzending aan het
    openbaar ministerie zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van
    het openbaar ministerie in zijn vervolging, indien zulks zou
    geschieden met de uitsluitende bedoeling opsporingsactiviteiten aan
    controle te onttrekken. In de zaak Henk R. deed die situatie zich
    voor, aldus hetzelfde gerechtshof, en werd het openbaar ministerie
    niet-ontvankelijk verklaard (Hof Amsterdam 1 december 1994, NJ
    1995, 159).

    Naar aanleiding van de zaak Giessen Nieuwkerk heeft de
    toenmalige minister van Justitie in 1929 bij circulaire van 20
    december 1926 de aanwijzing gegeven dat alle opgemaakte
    processen-verbaal in een zaak in het strafdossier moeten worden
    opgenomen. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de
    samenstelling van het strafdossier. Het staat de rechter niet vrij
    om stukken uit het dossier te verwijderen, bijvoorbeeld op verzoek
    van de verdediging omdat het daarin vervatte bewijsmateriaal
    onrechtmatig zou zijn verkregen. De rechter kan natuurlijk wel
    verlangen dat aanvullend materiaal aan het dossier wordt
    toegevoegd. De verdediging kan aan de rechter materiaal ter voeging
    bij de stukken overhandigen.

    De rechter hoeft in het vonnis geen verantwoording af te leggen
    voor het al dan niet gebruiken van bepaalde stukken. Dit is slechts
    anders indien in strijd met een daartoe strekkend verweer, bepaald
    bewijsmateriaal toch gebruikt wordt.

    In de opsporingspraktijk maakt de politie van meer vormen van
    verslaglegging gebruik. Als het gaat om stukken ten behoeve van de
    vervolging, wordt in ieder geval de vorm van het proces-verbaal
    gekozen. Heeft de verslaglegging een ander doel, dan kan in
    bepaalde gevallen worden volstaan met een journaal of een rapport.
    Het journaal wordt vooral gebruikt om de elkaar opvolgende
    handelingen vast te leggen; een rapport voor de vastlegging en
    overdracht van inlichtingen. Deze andere vormen van verslaglegging
    voldoen in zoverre aan de vereisten van een proces-verbaal dat zij
    doorgaans wel op ambtseed zullen worden opgemaakt. Ten aanzien van
    het vereiste dat in het proces-verbaal zoveel mogelijk
    uitdrukkelijk de redenen van wetenschap worden opgenomen, schieten
    de andere vormen van verslaglegging weleens te kort. In de
    proactieve fase bestaat geen wettelijke plicht tot het opmaken van
    proces-verbaal. Immers, er is nog geen strafbaar feit gepleegd dat
    opgespoord en vervolgd zal gaan worden. Proactieve opsporing is
    echter wel strafrechtelijk onderzoek, zij het dat het (nog) geen
    plaats in het Wetboek van Strafvordering heeft gevonden. Daarvoor
    dienen derhalve oplossingen te worden gevonden die passen in het
    bestaande wettelijk stelsel en in ieder geval daarmee niet in
    strijd zijn, aldus – alweer – het Amsterdamse gerechtshof (10
    januari 1995, NJ 1995, 254). In deze laatste uitspraak stelt het
    hof wel vast dat de rechter in staat moet worden gesteld de
    toepassing van bevoegdheden, waarbij inbreuk wordt gemaakt op
    rechten en vrijheden van – al dan niet verdachte – burgers, te
    toetsen. Dit geldt voor proactief optreden niet anders. In casu
    achtte het hof dat voldoende deugdelijk aantekening is gehouden
    door vastlegging in dagrapporten en journaals, op grond waarvan
    nader gerapporteerd kon worden en het hof voldoende inzicht meende
    te hebben om genoemde toets uit te voeren. Het hof acht het te
    billijken dat eerst na aandringen van de verdediging de
    verbaliseringsplicht in volle omvang is nageleefd, omdat ten tijde
    van het onderzoek de toepasselijke rechtsregels voor de proactieve
    fase in grootschalige strafrechtelijke onderzoeken niet in alle
    opzichten duidelijk zijn. De Hoge Raad overweegt in het arrest
    inzake Charles Z. van 19 december 1995 dat, hoewel een wettelijke
    voorziening ten aanzien van de verslaglegging van handelingen in de
    proactieve fase ontbreekt,
    verslaglegging in enigerlei vorm nochtans niet achterwege mag
    blijven. Ingeval een (tactisch) opsporingsonderzoek volgt zal bij
    het opmaken van de processen-verbaal op de voet van artikel 152 Sv
    immers zonodig moeten kunnen worden teruggegrepen op hetgeen
    voorafgaand aan het opsporingsonderzoek is verricht en bevonden.
    Voorts geldt ook hier dat, indien de rechter in het eindonderzoek
    nadere opheldering verzoekt omtrent bepaalde feiten en
    omstandigheden, doeltreffend moet kunnen worden gereageerd.
    Uitgangspunt voor de te volgen verslaglegging is dat de rechter in
    het eindonderzoek, overeenkomstig de aan een eerlijk proces te
    stellen eisen, in staat zal moeten zijn de rechtmatigheid van het
    onderzoek te toetsen en zich een oordeel te vormen over de
    betrouwbaarheid van de resultaten van dat onderzoek. In eerste
    instantie ligt toetsing van de in deze te volgen gedragslijn
    krachtens artikel 13 Politiewet bij de officier van justitie. Naast
    de verzameling van processen-verbaal van de opsporingsambtenaren
    ontstaat na de vordering gerechtelijk vooronderzoek ook een dossier
    dat door de rechter-commissaris wordt opgebouwd. De
    processen-verbaal van de onderzoekshandelingen en de beslissingen
    van de rechter-commissaris worden integraal aan het zaaksdossier
    toegevoegd. De rechter-commissaris heeft – net als tijdens de
    opsporingsfase de officier van justitie – de bevoegdheid om
    bepaalde stukken tijdelijk aan de verdediging te onthouden. Van die
    onthouding dient aan de verdachte kennis te worden gegeven. Deze
    kan daartegen een bezwaarschrift indienen. Na sluiting van het
    gerechtelijk vooronderzoek gelden de beperkingen op de inzage niet
    meer (zie de artikelen 30-34 Sv). In de zaken, waarin een
    gerechtelijk vooronderzoek loopt ligt de zeggenschap over de
    verstrekking van informatie uit de stukken niet bij het openbaar
    ministerie, maar bij de rechter-commissaris. In grote zaken, waarin
    meer gerechtelijke vooronderzoeken lopen, is het de bevoegdheid van
    de rechter-commissaris om stukken over en weer in de dossiers te
    voegen. Zeker als ook gerechtelijke vooronderzoeken tegen onbekende
    verdachten zijn ingesteld – en in deze NN-GVO’s lopen vaak taps –
    is de positie van de rechter-commissaris cruciaal voor de interne
    openbaarheid, aangezien de verdediging veelal geen weet heeft van
    die onderzoeken.

    8.1.3 Persoonsgegevens en privacybescherming

    In de betekenisartikelen van de onderscheiden privacywetten en
    -reglementen wordt het begrip persoonsgegeven gedefinieerd
    als een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke
    persoon (artikel 1 Wet persoonsregistraties (WPR)). De definitie in
    het Europees dataverdrag luidt: Personal data means any information
    relating to an identified or identifiable individual.
    Noot De vertaling luidt: iedere informatie betreffende
    een gedentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.
    Noot Dit is een ruime omschrijving. Sommige gegevens
    zijn naar hun aard persoonsgegevens. Maar ook andere gegevens zijn
    als zodanig aan te merken, het gaat daarbij om gegevens die
    bepalend kunnen zijn voor hoe iemand in het maatschappelijk verkeer
    wordt beoordeeld of behandeld. Elk gegeven dat over een bepaalde
    persoon informatie kan verschaffen, geldt derhalve als
    persoonsgegeven. Elk bestand van gegevens, waarin zulke gegevens
    zijn opgenomen valt, voor zover het om de persoonsgegevens gaat,
    onder de werking van de privacywetten.

    Het klassieke – al in de wetgeschiedenis gebruikte – voorbeeld
    hiervan is de op naam van de kentekenhouder geregistreerde gegevens
    omtrent voertuigen in het kentekenregister. Het gaat niet alleen om
    de aard van het gegeven, maar ook om de samenhang waarin het
    gegeven voorkomt. De combinatie van gegevens kunnen tot personen
    herleidbare informatie leiden. Voor de toepasselijkheid van de
    privacywetgeving is niet van belang of daadwerkelijk de herleiding
    tot een bepaalde persoon plaats vindt. Het gaat immers om de
    herleidbaarheid. Of van het laatste sprake is hangt af van de
    mogelijkheden waarover de houder of beheerder in de zin van
    expertise, technische faciliteiten en dergelijke beschikt, alsmede
    de beschikbaarheid van aanvullende informatie. Daarbij moet bedacht
    worden dat spontane herkenning, vergelijking van gegevens of
    koppeling aan gegevens eveneens zouden kunnen leiden tot
    herleiding. De zorgvuldige omgang met persoonsgegevens vergt dat de
    registratiehouder of -beheerder zich ervan rekenschap geeft, dat de
    herleidbaarheid in geval van verstrekking van een gegeven zich ook
    kan voordoen bij de ontvanger. Of sprake is van een
    persoonsregistratie hangt af van de samenhang tussen de gegevens in
    een verzameling en de systematische toegankelijkheid daarvan.
    Noot

    Een bijzondere categorie gegevens zijn de zogenaamde
    gevoelige gegevens. Dit zijn de gegevens waaruit ras,
    politieke overtuiging, godsdienst of andere levensbeschouwing
    blijkt, alsmede die welke betrekking hebben op seksualiteit of
    intiem levensgedrag en persoonsgegevens van medische,
    psychologische, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke aard (artt. 6
    Europees Dataverdrag, 7 WPR en 5 WPolR). Noot Deze
    gegevens kunnen naar hun aard iemands persoonlijke levenssfeer
    diepgaand raken. Ook hier geldt dat onder omstandigheden ook die
    gegevens als gevoelig moeten worden aangemerkt, die zelf niet de
    informatie bevatten, maar waaruit dergelijke informatie
    rechtstreeks kan worden afgeleid wanneer zij worden vastgelegd.
    Ingevolge artikel 6 Europees Dataverdrag mogen deze gegevens
    slechts geautomatiseerd verwerkt worden, indien het nationale recht
    passende waarborgen ter zake biedt. Wat onder passende waarborgen
    dient te worden verstaan vermeld het verdrag niet. De Wet
    persoonsregistraties verlangt wel nadere regelgeving voor de
    opneming van dergelijke gegevens in een bestand. Deze is gegeven in
    het Besluit gevoelige gegevens (Stb. 1993, 158). Daarin is per type
    gevoelige gegevens vastgesteld in wat voor soort registratie deze
    mogen worden vastgelegd, onder de voorwaarde dat opneming hetzij
    noodzakelijk dan wel onvermijdelijk is voor het doel van de
    registratie, hetzij met toestemming van de betrokkene
    geschiedt.
    In de Wet politieregisters is vastgelegd dat niemand
    geregistreerd mag worden vanwege zo’n gegeven, maar eenmaal
    geregistreerd, kan opneming van zo een gevoelig gegeven
    plaatsvinden, indien dat onvermijdelijk is voor het doel van het
    register (artikel 5 WPolR.).

    Voorts kent de Wet politieregisters nog het begrip
    antecedenten. Antecendenten zijn ook gevoelige gegevens en
    betekenen kortweg, dat tegen een bepaalde persoon een
    proces-verbaal is opgemaakt. Daarnaast wordt de verzending daarvan
    naar het openbaar ministerie aangegeven, alsmede het daaraan
    toegekende parketnummer en de beslissing van het openbaar
    ministerie of de rechter over de aangelegenheid waarop het
    proces-verbaal betrekking heeft (artikel 1 onder e WPolR.
    jo 2 Besluit Politieregisters (BPolR)). Teneinde de
    verstrekking van antecedenten aan de verdachte geregistreerde in
    verband met lopend onderzoek achterwege te kunnen laten, wilde de
    minister van Justitie een onderscheid maken tussen
    processen-verbaal ter zake van ambtshandelingen, waarbij uit de
    aard van die ambtshandeling vloortvloeit dat deze geheim gehouden
    moet worden. Op advies van de Registratiekamer is in plaats van dat
    onderscheid in de definitie het element dat de verdachte over het
    strafbare feit moet zijn gehoord, opgenomen. Noot
    Rechtspersonen genieten niet de bescherming van de
    privacywetgeving. Iets anders is dat registratie van rechtspersonen
    tevens gegevens herleidbaar tot natuurlijke personen –
    functionarissen van die rechtspersonen – kan bevatten. In zoverre
    is een registratie van rechtspersonen onder omstandigheden ook een
    persoonsregistratie.

    De opneming in een register van gegevens die tot een natuurlijke
    individuele persoon zijn te herleiden vormt doorgaans een inbreuk
    op het recht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van
    de betrokken geregistreerde (artt. 8, tweede lid EVRM en 10
    Grondwet). In aanvulling op het EVRM formuleert het Europees
    Dataverdrag beginselen ter bescherming van de persoonlijke
    levenssfeer voor zover het betreft geautomatiseerde
    gegevensbestanden.

    De belangrijkste daarvan zijn dat de gegevens:
    a. op eerlijk en rechtmatige wijze dienen te worden verkregen en
    verwerkt; b. worden opgeslagen voor bepaalde legitieme doelen en
    niet worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die
    doeleinden;

    c. toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn,
    uitgaande van de doelen waarvoor ze worden opgeslagen;
    d. nauwkeurig zijn en zo nodig, worden bijgewerkt en
    e. worden bewaard in zodanige vorm dat de betrokkene hierdoor niet
    langer te identificeren is dan strikt noodzakelijk is voor het doel
    waarvoor de gegevens zijn opgeslagen.
    Voorts dienen de gegevens afdoende beveiligd te zijn tegen
    toevallige of ongeoorloofde vernietiging, toevallig verlies en
    ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding. De betrokkene
    moet kunnen kennisnemen van het bestaan van de registratie en
    zonder al te bezwarende voorwaarden uitsluitsel kunnen krijgen of
    over hem gegevens in de registratie zijn opgenomen. Hij dient in
    staat gesteld te worden – behoudens enkele toegelaten
    uitzonderingen – kennis te nemen van de gegevens en in het
    voorkomende geval die gegevens te doen verbeteren of uitwissen. Een
    ieder dient een rechtsmiddel ter beschikking te staan als aan een
    verzoek tot het verkrijgen van uitsluitsel, kennisneming of
    verbetering geen gevolg wordt gegeven. Tot slot dient het nationale
    recht te voorzien in sancties en rechtsmiddelen ter zake van
    schending van bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan deze
    grondbeginselen van gegevensbescherming. De in politieregisters
    opgenomen personen en organisaties hoeven niet per se veroordeelden
    of verdachten te zijn. Noot In tactische onderzoeken
    kunnen tijdelijke registers worden aangelegd (artikel 8
    WPolR.), waarin alle in het onderzoek op enigerlei wijze naar voren
    komende personen kunnen worden opgenomen. Ook een CID-subject is
    niet per definitie verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid
    Wetboek van strafvordering. Een CID-subject kan immers ook zijn een
    persoon of organisatie ten aanzien van wie redelijkerwijs kan
    worden vermoed
    dat hij of zij als verdachte betrokken zal
    worden
    bij enig misdrijf met het oog waarop een CID-register is
    aangelegd (artikel 1 sub c CID-regeling 1995). Dit geldt in nog
    sterkere mate voor de grijze-veld-subjecten
    en de in de CID-bestanden opgenomen contacten van
    CID-subjecten.

    8.1.4 Verschijningsvormen van voor opsporing van belang zijnde
    registers

    Politieregisters

    De Wet politieregisters is van toepassing op alle registers die
    worden aangelegd in het kader van de in artikel 2 Politiewet 1993
    omschreven politietaak. Noot Deze taakomschrijving omvat
    de daadwerkelijk handhaving van de rechtsorde en hulpverlening. De
    rechtshandhaving valt te onderscheiden in de strafrechtelijke
    handhaving van de rechtsorde en handhaving van de openbare orde. De
    bestrijding van de georganiseerde criminaliteit is onderdeel van de
    strafrechtelijke rechtshandhaving.

    In het opsporingsonderzoek wordt een onderscheid gemaakt in open
    trajecten – tactisch onderzoek – en gesloten trajecten –
    CID-matig-onderzoek. De gesloten trajecten, die zich zowel in de
    voorfase als in een open (tactisch) traject kunnen voordoen, zijn
    niet bedoeld om geopenbaard te worden aan verdediging en rechter.
    Dit heeft gevolgen voor de wijze van verslaglegging van de daarbij
    gehanteerde opsporingsmiddelen en de opslag en verstrekking van de
    aldus verkregen gegevens.

    De CID-regeling en daarbij horende privacy-reglementen voorzien
    in het bestaan van vier politieregisters bij elke Regionale
    criminele inlichtingendienst en vijf registers bij de Nationale
    criminele inlichtingendienst van de Divisie CRI van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD). Het betreft in de eerste plaats
    het CID-register, hierin zijn de CID-subjecten opgenomen.
    Voor rechtspersonen is een afzonderlijk register, het
    CID-subjecten-rechtspersonenregister, ingesteld. Daarnaast
    bestaan regionale en landelijk
    grijze-veld-subjectenregisters voor natuurlijke en voor
    rechtspersonen. De Nationale criminele inlichtingendienst (NCID)
    heeft daarnaast een verwijzingsindex voor geregistreerde
    CID-subjecten in alle vier de categorien, de
    CID-subjecten-index. In het vorige hoofdstuk is het
    Meldpunt ongebruikelijke transacties al besproken. De wet
    bepaalt dat het door het meldpunt te houden register een register
    is in de zin van de Wet politieregisters (artikel 4, eerste lid
    MOT).

    In tactisch onderzoek zullen de werkzaamheden veelal worden
    gerelateerd bij proces-verbaal. In het bedrijfsprocessensysteem
    voor de recherche zit een module voor processen-verbaal. Deze
    module geldt als een politieregister. De recherche kan overigens
    ook voor elk onderzoek n of meer tijdelijke registers aanleggen
    (artt. 13 WPolR. en 8 BPolR.). Het voor een (tactisch) onderzoek
    aanleggen van een tijdelijk register is slechts een door de wet
    geboden mogelijkheid en zeker geen verplichting. Noot
    Voor een gewoon rechercheonderzoek wordt doorgaans geen tijdelijk
    register geopend. Aangiften worden aangemaakt in een module van het
    bedrijfsprocessensysteem en worden automatisch genummerd. Een
    vervolg proces-verbaal wordt niet in het bedrijfsprocessensysteem
    gemaakt maar in een normaal tekstverwerkingsprogramma. Van de
    afgesloten processen-verbaal worden HKS-registratieformulieren
    gemaakt en aldus in het Herkenningsdienstssysteem (HKS) verwerkt.
    In Amsterdam worden de hard kopie van de processen-verbaal tien
    jaar bewaard en daarna vernietigd. Vanaf 1987 worden de Amsterdamse
    verbalen op microfilm gezet. Wat daarvan de bewaartermijn is, is
    niet helemaal duidelijk. De Archiefwet is op deze stukken van
    toepassing.

    Voorts onderhoudt de politie enkele registers met tactische
    gegevens afzonderlijk van het bestand of het dossier van het
    onderzoek, waarin ze zijn vergaard. Dit betreft onder meer het
    Opsporingssysteem (OPS), het Herkenningsdienstsysteem en
    Centrale verwijzingsindex
    (HKS/CVI) en het Nationaal
    Schengen informatiesysteem
    (NSIS). Daarnaast bestaan landelijke
    bestanden met vingerafdrukken (HAVANK), foto’s en DNA-profielen. In
    de regio’s zijn registers aangelegd ter zake van fraudebestrijding,
    beperking besturen motorrijtuigen, inbraakbestrijding,
    internationale rechtshulp politie, jeugd- en zedenzaken,
    milieudelicten, overvallenbestrijding, opkopers en
    helingbestrijding, permanent autoteam, schietwapenincidenten
    register, vandalismebestrijding, en verdovende middelen.

    Volledigheidshalve zal de Wet op de justitile documentatie en
    het daarin geregelde Algemeen documentatieregister worden genoemd.
    Voor de opsporing heeft dit een marginaal belang, al is het wel de
    enige volledige bron van iemands justitile antecedenten. Het is
    niet in het onderzoek van de commissie betrokken. Eveneens blijven
    buiten beschouwing het bij dezelfde wet geregelde strafregister en
    de regeling inzake de verklaring omtrent het gedrag.

    Registers van politie vallend onder de Wet
    persoonsregistraties

    Naast de taken uit de Politiewet 1993 heeft de politie bij
    bijzondere wetten andere taken toebedeeld gekregen.
    Hoewel de taken door de reguliere politie worden uitgevoerd, zijn
    zij niet direct te herleiden tot de politietaak, zoals omschreven
    in artikel 2 Politiewet 1993. Als meest sprekende voorbeelden
    gelden de Vreemdelingenwet (Vw), de Wet wapens en munities (WMM),
    de Wegenverkeerswet (WVW) en de Wet administratiefrechtelijke
    handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Ook op de gebieden van de
    horeca en het milieu heeft de politie meer taken dan de
    strafrechtelijke handhaving van omvangrijke regelgeving. Voor de
    uitvoering van die taken zijn registers aangelegd. Sommige daarvan
    kunnen een rol spelen bij de bestrijding van de georganiseerde
    criminaliteit. Daarbij valt te denken aan het Vreemdelingen
    administratiesysteem (VAS), en het register van vergunninghouders
    voor vuurwapens. Deze registers vallen niet onder het regime van de
    Wet politieregisters, maar onder de Wet persoonsregistraties danwel
    worden zij beheerst door een eigen bij of krachtens de wet
    vastgestelde regeling (artikel 2, tweede lid WPR). De Werkgroep
    gegevensbestanden geeft een overzicht van de instanties die voor de
    opsporing van belang zijnde registraties houden. Noot
    Andere persoonsregisters vallend onder de WPR

    De Wet persoonsregistraties heeft betrekking op alle
    persoonsregistraties die worden gevoerd door het bedrijfsleven en
    op de persoonsregistraties die worden gevoerd op het gebied van de
    overheid, het onderwijs, de gezondheidszorg en de maatschappelijke
    dienstverlening (ook wel te onderscheiden in de publieke en
    semi-publieke sector). Noot

    Als voorbeeld van registraties, gevoerd door het bedrijfsleven
    kunnen worden genoemd: registraties van verzekeringsmaatschappijen,
    banken, het Bureau Kredietregistratie Tiel, de PTT,
    expertisebureaus,
    garagebedrijven/autoverhuurbedrijven/auto-importeurs, de NV
    Databank Woerden, beveiligingsdiensten van particuliere
    instellingen/bedrijven, woningbouwcorporaties en reis- en
    luchtvaartmaatschappijen. De registraties op het gebied van de
    overheid zijn te verdelen in drie categorien, te weten:
    registraties van de bijzondere opsporings- (en controle)diensten
    (AID, ECD, FIOD, Douanerecherche, Milieubijstandsteam e.d.),
    registraties van geprivatiseerde opsporingsdiensten
    (bedrijfsverenigingen, BUMA/STEMRA, spoorwegpolitie, stichting
    havenbeveiligingsdienst, luchthavenpolitie e.d.) en registraties
    bij de reguliere politie (zie hiervoor, onder 1.4.2).

    Veel persoonsregistraties kunnen voor de opsporing van belang
    zijn. Voor zover het betreft particuliere registraties zijn deze
    behandeld in hoofdstuk 6 overige
    informatie-inwinning. De registers van de bijzondere
    opsporingsdiensten zijn geen registers in de zin van de Wet
    politieregisters. Het zijn registers in de zin van artikel 17 Wet
    persoonsregisteraties. Bijzondere opsporingsdiensten werken
    ingevolge artikel 11 Politiewet 1993 met de politie samen. De
    verstrekking van informatie vanuit de bijzondere opsporingsdiensten
    aan de politie geschiedt op grond van artikel 18, derde lid Wet
    persoonsregistraties. De verstrekking van gegevens door de politie
    aan buitengewone opsporingsambtenaren in dienst van een
    publiekrechtelijk lichaam is geregeld in artikel 14 Wet
    politieregisters. Enkele registers zijn niet ten behoeve van de
    opsporing aangelegd, maar voor het toezicht op de naleving van de
    regelgeving. Het register levert echter wel een bijdrage aan de
    opsporing van strafbare feiten betreffende de regelgeving waarvoor
    het register is aangelegd, maar kan eveneens inzicht verschaffen in
    andere strafbare feiten. De Inlichtingendienst van de belastingen
    is primair gericht op de richtige heffingen, draagt bij aan de
    opsporing van belastingdelicten, maar kan eveneens inzicht geven in
    witwassen, herkomst van gelden en uitgaven betreffende bijvoorbeeld
    drugdelicten. Hetzelfde kan gezegd worden voor vergelijkbare dienst
    bij de douane, het Douane informatie centrum (DIC).

    Register van de Binnenlandse veiligheidsdienst

    De Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) heeft tot taak het
    verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen welke door
    de doelen die zij nastreven, danwel door hun activiteiten
    aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar
    vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde,
    danwel voor de veiligheid of andere gewichtige belangen van de
    staat (artikel 8, tweede lid onder a Wet op de inlichtingen- en
    veiligheidsdiensten (WIV)). De minister van Binnenlandse Zaken
    stelt in overeenstemming met de minister van Justitie regels vast
    omtrent het beheer van de verzameling van persoonsgegevens die door
    de BVD wordt gehouden (artikel 16, derde lid WIV). Op basis hiervan
    is de Privacyregeling BVD tot stand gekomen. Noot Deze regeling
    onderscheidt drie typen registraties (artikel 2). Naast de
    registraties bij de BVD (BVD-registraties) is ze ook van toepassing
    op de gegevensverzameling door ambtenaren als bedoeld in artikel 18
    WIV. Dit zijn de registraties ten behoeve van de BVD gehouden bij
    de politile inlichtingendienst (PID) (tegenwoordig: RID) en de
    registraties ten behoeve van de BVD gehouden bij de
    grensbewakingsambtenaren. Deze twee decentrale registraties worden
    PID-registraties en grensbewakingsregistraties genoemd.


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken