• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 8.2 Aanleg registers en opslag gegevens

    8.2 Aanleg registers en opslag gegevens

    8.2.1 Juridische grondslag

    Wet politieregisters

    Een politieregister mag slechts aangelegd worden voor een
    bepaald doel en alleen voor zover dit noodzakelijk is voor de goede
    uitvoering van de politietaak. Daarnaast mag een register slechts
    die gegevens bevatten die rechtmatig zijn verkregen en noodzakelijk
    zijn voor het doel (artikel 4 WPolR). Opneming van gevoelige
    gegevens, zoals gegevens betreffende godsdienst of
    levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit, intiem
    levensgedrag, medische en psychologische kenmerken, is in beginsel
    niet toegestaan (artikel 5, eerste en tweede lid WPolR).
    Registratie van personen wegens die gegevens is, zoals
    gezegd, nooit toelaatbaar. Is echter de betreffende persoon reeds
    op grond van een niet-gevoelig kenmerk – bijvoorbeeld het
    aangemerkt zijn als verdachte – geregistreerd dan is het opnemen
    van gevoelige gegevens toegestaan, mits het reglement uitdrukkelijk
    de mogelijkheid opent en opneming van het gegeven voor het doel van
    het register onvermijdelijk is (artikel 5 WPolR. j0
    artikel 3 BPolR.). Daarenboven geldt dat gegevens omtrent ras
    alleen mogen worden opgenomen, indien het onvermijdelijk is met het
    oog op identificatie van de geregistreerde of voor de juiste
    beoordeling van een strafbaar feit en het rasgegeven het
    slachtoffer of de motieven van de dader van dat feit betreft danwel
    indien het onvermijdelijk is met het oog op de verlening van hulp
    door de politie (artikel 3, tweede lid BPolR.).

    Voor elk register wordt een reglement vastgesteld na overleg met
    het gezag dat verantwoordelijk is de uitvoering van de politietaak
    ten dienste waarvan het register is aangelegd. Het register treedt
    niet inwerking, alvorens een exemplaar van het reglement wordt
    gedeponeerd bij de Registratiekamer en openbaar wordt gemaakt. Voor
    de effectuering van wijziging of intrekking van het reglement
    gelden dezelfde voorwaarden (artikel 9 WPolR.).

    Voor een tijdelijk registers gelden deze voorwaarden voor
    inwerkingtreding niet. Een tijdelijk register kan worden aangelegd
    voor de uitvoering van de politietaak in een bepaald geval (artikel
    13 WPolR). Daarbij valt te denken aan een concreet
    opsporingsonderzoek of een deel daarvan, zoals een buurtonderzoek,
    financieel of fenomeenonderzoek. Voor inwerkingtreding is voldoende
    dat het doel met inbegrip van een nauwkeurige omschrijving van het
    bepaalde geval wordt vastgelegd evenals de datum waarop met de
    aanleg begonnen wordt. Binnen een week moet het bestaan van het
    register ter kennis worden gebracht van het gezag en de
    Registratiekamer. De overige voorwaarden gelden niet voor een
    termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag dat met de aanleg
    van het register is begonnen. Die termijn kan door het bevoegd
    gezag telkens voor ten hoogste zes maanden worden verlengd als het
    doel waarvoor het register is aangelegd ernstig in gevaar wordt
    gebracht door bekendmaking en ter inzagelegging van het reglement.
    Van elke beslissing tot verlenging van de termijn wordt melding
    gedaan aan de Registratiekamer. Wel dient in geval van verlenging
    de beheerder binnen de eerste termijn van zes maanden een regeling
    te treffen ten aanzien van de zaken, die in het reglement behoren
    te worden vastgelegd (artikel 8, derde lid BPolR.). Met dit laatste
    is in materile zin aan de reglementsplicht voldaan. In hoeveel
    gevallen gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid tot verlenging
    is niet bekend. In 1992 en 1993 zijn in totaal 667 tijdelijke
    registers bij de Registratiekamer gemeld. In 1994 waren dat 438.
    Van deze aangemelde tijdelijke registers had ruim n vijfde
    betrekking op onderzoek naar verdovende middelen. Noot
    In het jaarverslag over de periode 1992-1993 spreekt de
    Registratiekamer het vermoeden uit dat, ondanks de stijging in het
    aantal meldingen van tijdelijke registers, nog lang niet alle
    tijdelijke registers worden gemeld. Noot

    In het reglement moet de werking van het register zijn
    beschreven en de verstrekkingen, waaronder begrepen de
    rechtstreekse toegang, zijn geregeld. Wordt het register door meer
    korpsen gevoerd dan wordt de beheerder aangewezen. Voorts bevat het
    reglement een duidelijke regeling van de volgende onderwerpen:

    • doel van het register;
    • categorin van personen over wie gegevens worden
      opgenomen;
    • de soorten van de over de te registreren personen op te nemen
      gegevens;
    • de gevallen waarin opgenomen gegevens worden
      verwijderd;
    • de vernietiging van verwijderde gegevens;
    • de eventuele verbanden tussen het register en andere
      gegevensverzamelingen;
    • de wijze waarop geregistreerden kennisneming en verbetering van
      de over hen opgenomen gegevens kunnen verkrijgen;

    register;
    – de bevoegdheid tot het invoeren en wijzigen van gegevens in,
    alsmede het verwijderen van gegevens uit het
    bevoegdheden;
    – aanwijzing van een gemandateerde beheerder met een omschrijving
    van de daaruit voortvloeiende Voor registraties, die bij veel
    korpsen voorkomen is het vaststellen van zogenaamde
    modelregistraties zinvol. – aanwijzing van degene(n) die belast
    zijn met de dagelijkse leiding.
    De Registratiekamer heeft blijkens haar jaarverslag 1994 voor 33
    modelreglementen voor politieregisters een verklaring afgegeven dat
    het model naar haar oordeel in overeenstemming is met het bepaalde
    bij of krachtens de Wet politieregisters. Na afgifte van de
    verklaring door de Registratiekamer wordt het model in de
    Staatscourant gepubliceerd. De beheerder kan aan de
    Registratiekamer meedelen overeenkomstig welk model het reglement
    is vastgesteld. In dat geval hoeft hij niet over de afzonderlijke
    bepalingen in het reglement – bijvoorbeeld het mogelijk maken van
    koppelingen – vooraf de Registratiekamer te horen en evenmin een
    exemplaar van het reglement aan de Registratiekamer te zenden. De
    Registratiekamer heeft zich intensief bemoeid met de vaststelling
    van de modelreglementen.

    Voor de volgende opsporingsregisters zijn
    modelprivacyreglementen in de Staatscourant geplaatst:
    CID-register, het frauderegister, beperking besturen
    motorrijtuigen, graffitiebestrijding, grijze-veld-register,
    herkenningsdienstsysteem, inbraakbestrijding, internationale
    rechtshulp politie, jeugd- en zedenzaken, milieudelicten,
    overvallenbestrijding, opkopers en helingbestrijding, permanent
    autoteam, processen-verbaal en rapporten, schietwapenincidenten
    register, vandalismebestrijding, en verdovende middelen. Totaal is
    voor 34 reglementen de verklaring van modelreglement afgegeven.
    Blijkens het jaarverslag van de Registratiekamer over 1994 zijn 445
    politieregisters bij haar aangemeld. Noot

    Ingevolge artikel 4, eerste lid Wet Melding Ongebruikelijke
    Transacties is het door het meldpunt te houden register een
    register in de zin van de Wet politieregisters.

    CID-regeling 1995

    Een bijzondere soort politieregister is het CID-register. De
    CID-en hebben tot taak het bevorderen van de opsporing en het
    voorkomen van misdrijven die gezien hun ernst of frequentie, danwel
    het georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd een ernstige
    inbreuk op de rechtsorde maken (artikel 2, eerste lid CID-regeling
    1995). Voorts verzamelt de CID informatie met het oog op de
    opsporing van natuurlijke en rechtspersonen, die zich aan
    bovengenoemde misdrijven schuldig maken of hebben gemaakt, danwel
    over hen van wie redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij als
    verdachten bij dergelijke misdrijven betrokken zullen worden. Ook
    het inwinnen van gegevens omtrent de financile situatie van
    bovengenoemde personen behoort tot de taak van de CID (artikel 2,
    eerste lid CID-regeling 1995). Het doel waarvoor CID-registers
    worden aangelegd is in deze taakomschrijving gelegen.

    Een CID-subject is een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die
    als verdachte betrokken is, of naar redelijkerwijs kan worden
    vermoed als verdachte betrokken zal worden bij enig misdrijf met
    het oog waarop een CID-register is aangelegd (artikel 1 sub c
    CID-regeling 1995). Deze definitie is meer omvattend dan de
    definitie gegeven in artikel 1 onder c BPolR, nu hierin tevens de
    rechtspersoon is betrokken. Overigens noemde de CID-regeling 1986
    wel al uitdrukkelijk de rechtspersoon in de definitie van
    CID-subject (artikel 1 onder c CID-regeling 1986). Blijkens de
    artikelsgewijze toelichting van de Nota van toelichting bij het
    Besluit politieregisters is, behoudens een vereenvoudiging ten
    aanzien van het begrip verdachte, de definitie uit de CID-regeling
    1986 overgenomen.

    De heer Rouvoet:
    Het CID-regime kan toch niet verschillend zijn voor 25 of 26
    regio’s? Wij hebben ons er toen over verbaasd – nu komt dat weer
    even boven – dat er uiteindelijk niet tot eenduidige criteria te
    komen valt. Je kunt je daar nog een zekere locatie-invulling bij
    voorstellen.
    De heer Patijn:
    Het criterium van het CID-subject is zacht. Wij
    hebben hard gewerkt om het dicht te timmeren. Het netto resultaat
    is dit. Aan de andere kant was er altijd een informatiebehoefte. De
    politie had het al opgeschreven. Je moest dus criteria hebben. Die
    hebben wij niet harder gekregen dan wat er nu ligt. Vervolgens is
    er geen procedure aan toegevoegd voor wie er beslist over de
    toepassing van een criterium. Die ontbreekt. Het gebeurt onder het
    gezag van het openbaar ministerie. Ik denk dat het openbaar
    ministerie daarop zal moeten worden aangesproken. In overleg met
    mensen van het openbaar ministerie bestond begrip voor de
    mogelijkheid, dat het openbaar ministerie per nieuw

    CID-subject, in het midden latend wat je met de 60.000 die er
    uit het verleden nu zijn doet, zelf per individueel geval de
    beslissing neemt of iemand als zodanig moet worden aangemerkt,
    gegeven de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien. Dat zou dus een
    procedurele waarborg zijn die er in het verleden niet was. Ik denk
    niet dat je alle 60.000 bestaande

    CID-subjecten kunt nalopen. Ik denk wel dat het goed is, dat een
    officier met de bevoegdheid om inzage in de CID-registers te nemen,
    eens een steekproef kan doen, waarbij hij vaststelt wat te dol is,
    wie eruit moet of erin mag. Als hij op die manier voor de
    bestaande
    CID-subjecten zijn verantwoording neemt, moet hij
    daarvoor

    kunnen staan. Noot
    Regelmatig kwamen en komen tips binnen bij de CID-en over personen,
    die niet aan het criterium van CID-subject voldeden, of althans van
    wie dit (nog) niet kon worden vastgesteld. Voor de opslag van dit
    type informatie is een nieuwe mogelijkheid geopend door middel van
    een zogenaamde grijze-veld-register. Noot De
    doelstelling van dit register is het beantwoorden van de vraag of
    de desbetreffende persoon als CID-subject kan worden aangemerkt.
    Als niet binnen zes maanden kan worden vastgesteld dat iemand moet
    worden aangemerkt als CID-subject, moeten de betreffende gegevens
    uit het register worden verwijderd (artikel 18, eerste lid
    CID-regeling 1995). De verwijderde gegevens behoren direct te
    worden vernietigd, tenzij deze in samenhang met andere gegevens
    voldoende grond vormen om de geregistreerde als CID-subject aan te
    merken. In dat geval kunnen de gegevens in het CID-registers worden
    opgenomen. De gegevens uit het CID-register worden verwijderd na
    verloop van vijf jaar na datum van de laatste opname van een
    gegeven. Voorts dient het register ten minste eenmaal per jaar te
    worden gecontroleerd of gegevens niet behoren te worden verwijderd
    en terstond vernietigd, omdat deze gegevens niet langer
    noodzakelijk zijn voor het doel van het register (artikel 9, tweede
    lid CID-regeling 1995 en 7, eerste en tweede lid
    model-privacyreglement CID).

    Voor alle CID-registers en grijze-veld-registers zijn
    modelprivacyreglementen vastgesteld. Noot Alle
    CID-eenheden hebben deze modellen overgenomen. Overigens, zo blijkt
    uit de toelichting bij de CID-regeling 1995, zijn veel bepalingen
    uit de regeling ontleend aan het model-privacyreglement, om de
    uniformiteit en zorgvuldigheid in de omgang met de veelal zachte en
    gevoelige gegevens nog meer dan voorheen te waarborgen.
    Noot

    Wet Persoonsregistraties

    De Wet persoonsregistraties heeft betrekking op alle
    persoonsregistraties die worden gevoerd door het bedrijfsleven en
    de (semi-)overheid. Dit geldt niet voor gegevensverzamelingen die
    naar hun aard voor persoonlijk gebruik bestemd zijn, registraties
    die berusten in een archiefplaats, politieregisters en registers
    van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsmede de registers
    krachtens de Kieswet en openbare registers die bij de wet zijn
    ingesteld (artikel 2 WPR juncto artikel 2 WPolR).

    Een persoonsregistratie in de zin van de WPR mag slechts
    aangelegd worden voor een bepaald doel waartoe de houder (degene
    die zeggenschap heeft over de persoonsregistratie) een belang moet
    hebben. Het doel van de aan te leggen registraties mag –
    vanzelfsprekend – niet in strijd zijn met wet, openbare orde of
    goede zeden (artikel 4 WPR). Daarnaast geldt voor door de overheid
    aan te leggen registraties de aanvullende voorwaarde dat de aanleg
    noodzakelijk moet zijn voor een goede vervulling van de taak
    van de houder (artikel 18, eerste lid WPR).

    Zo houdt de Algemene Inspectiedienst (AID) het register
    Opsporing, waarin opsporingsgegevens worden opgeslagen. De noodzaak
    voor de aanleg van dit register ligt in de primaire taak van de
    AID: het ondersteunen van het beleid van de minister van Landbouw,
    natuur en visserij door middel van controle en opsporing. Een
    persoonsregistratie in de zin van de WPR mag slechts
    persoonsgegevens bevatten die rechtmatig zijn verkregen en in
    overeenstemming zijn met het doel waarvoor de registratie is
    aangelegd (artikel 5 WPR). Voor de registraties van de publieke en
    semi-publieke sector wordt de extra eis gesteld dat slechts die
    gegevens mogen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn voor een
    goede taakvervulling (artikel 18, tweede lid WPR). Gegevens
    betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke
    gezindheid, seksualiteit of intiem levensgedrag, alsmede
    persoonsgegevens van medische, psychologische, strafrechtelijke of
    tuchtrechtelijke aard, de zogenaamde gevoelige gegevens, mogen
    slechts in beperkte mate en in overeenstemming met de noodzaak
    daartoe worden vastgelegd. Zo mogen gegevens betreffende iemands
    seksualiteit en intiem levensgedrag bijvoorbeeld slechts worden
    opgenomen ten behoeve van instellingen of voorzieningen voor
    gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening, en alleen voor
    zover deze gegevens patinten of clinten betreffen (artikel 7,
    eerste lid WPR jo artikel 5 Besluit gevoelige gegevens).
    Een van de doelstellingen van de WPR is dat houders van
    persoonsregistraties zelf maatregelen nemen ter waarborging van de
    persoonlijke levenssfeer van het individu. De houders van
    registraties op het particuliere terrein worden geacht een
    gedragscode op te stellen. Hieronder verstaat de wet een besluit
    van een of meer organisaties, representatief voor de sector waarop
    het besluit betrekking heeft (artikel 15 jo artikel 1
    WPR), welk besluit regels of aanbevelingen moet omvatten die zijn
    gesteld in het belang van de bescherming van de persoonlijke
    levenssfeer. Noot Persoonsregisters in de private sector
    behoeven geen reglement. De registraties in de publieke sector
    behoeven wel een reglement. Het reglement, alsmede iedere wijziging
    en intrekking daarvan, wordt openbaar gemaakt en ter inzage gelegd.
    Een exemplaar wordt aan de Registratiekamer
    gezonden (artikel 17 WPR).
    In het reglement moet de werking van het register zijn beschreven.
    Het reglement bevat in elk geval een duidelijke regeling van de
    volgende onderwerpen:

    • doel van de registratie;
    • categorin van personen over wie gegevens worden
      opgenomen;
    • de soorten van de over de te registreren personen op te nemen
      gegevens en de wijze waarop deze worden verkregen;
    • de gevallen waarin opgenomen gegevens worden
      verwijderd;
    • de categorin van personen en instanties, waaraan gegevens uit
      de registratie worden verstrekt;
    • de soorten van gegevens die worden verstrekt;
    • rechtstreekse toegang tot de registratie;
    • de eventuele verbanden tussen het register en andere
      gegevensverzamelingen;
    • de wijze waarop geregistreerden kennisneming en verbetering van
      de over hen opgenomen gegevens kunnen verkrijgen;

    verkrijgen;
    – de wijze waarop geregistreerden mededeling van verstrekking van
    hun betreffende gegevens kunnen ledenbestanden, bestanden ten
    behoeve van communicatie en dergelijke registraties. – de
    hoofdlijnen van het beheer van de registratie De reglementsplicht
    geldt niet voor financile administraties,

    Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

    Artikel 15 WIV biedt een ruime grondslag voor
    gegevensverzameling door de cordinatoren en het hoofd van dienst.
    Ze zijn bevoegd zich voor het verkrijgen van gegevens te wenden tot
    andere overheidsorganen, overheidsdiensten of ambtenaren, en voorts
    tot een ieder die geacht wordt gegevens te kunnen verstrekken. Deze
    bevoegdheidsregeling lijkt niet zonder meer een verplichting te
    bevatten voor de personen tot wie de BVD zich richt. De bevoegdheid
    lijkt te zwak geformuleerd om wettelijke regelingen inzake
    privacybescherming buiten werking te stellen.

    Het eerste lid van artikel 16 WIV geeft een grondslag voor
    verzameling, registratie en verstrekking aan derden van
    persoonsgegevens. Verzameling, registratie en verstrekking van
    dergelijke gegevens kan slechts plaatsvinden, voorzover dat
    noodzakelijk is voor de uitvoering van de in de wet omschreven
    taken (artikel 8 WIV). Het is overbodig op te merken dat het kader
    waarbinnen de genoemde activiteiten mogen worden verricht nogal
    ruim is.

    De registraties van en ten behoeve van de BVD kunnen alleen
    worden aangelegd indien zulks noodzakelijk is voor de goede
    uitvoering van de aan de dienst opgedragen taken en voor een
    bepaald doel (artikel 4 Privacyreglement BVD). De registraties
    kunnen uitsluitend gegevens bevatten die rechtmatig zijn verkregen
    en die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het register is
    aangelegd (artikel 6, eerste lid Privacyreglement BVD). Een
    registratie kan slechts gegevens bevatten over personen, die
    aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar
    vormen voor de democratische rechtsorde, danwel voor de veiligheid
    of andere gewichtige belangen van de staat, alsmede personen naar
    wie een veiligheidsonderzoek is ingesteld, of over wie door andere
    inlichtingen- of veiligheidsdiensten informaties zijn ingewonnen.
    Voorts kunnen personen worden geregistreerd van wie gegevens in een
    bepaald geval of soorten van gevallen noodzakelijk zijn ter
    ondersteuning van een goede taakuitvoering door de BVD en personen
    in dienst van of in dienst geweest bij de BVD (artikel 5
    Privacyreglement BVD).

    De BVD registraties kennen geen reglement, maar een geschrift,
    waarin is vastgelegd:

    • het doel van de registratie;
    • de categorin van personen over wie gegevens kunnen worden
      opgenomen;
    • de soorten van gegevens die over de te registreren personen
      kunnen worden opgenomen;
    • de termijn gedurende welke gegevens kunnen blijven
      vastgelegd;
    • de regeling van het recht op kennisneming en verbetering voor
      wat betreft de personeels- en salarisregistraties ten dienste van
      het interne beheer van de BVD. Het hoofd van de dienst draagt zorg
      voor de geheimhouding van dit geschrift (artikel 9 Privacyreglement
      BVD).

    Het bestaan van het geschrift is voorwaarde voor de
    inwerkingtreding van de registratie, tenzij dringende redenen van
    staatsveiligheid onmiddellijke ingebruikneming vereisen (artikel 8
    derde lid Privacyreglement BVD ).

    8.2.2 Feitelijke toepassing

    Politieregisters

    De door elke politiefunctionaris te (laten) bevragen
    registers zijn het Opsporingssysteem (OPS), het
    Herkenningsdienstsysteem en Centrale verwijzingsindex
    (HKS/CVI), het Nationaal Schengen informatiesysteem (NSIS),
    het Kentekenregister (KTR) en het computersysteem
    Landelijke informatiesystemen (LIST). Deze registers zijn
    met uitzondering van het kentekenregister politieregisters.
    Noot Het opsporingssysteem – het
    opsporingsregister – is een databank waarin signaleringen zijn
    opgenomen van:

    • gezochte personen (inclusief gevarenklasse);
    • personen voor wie een bepaalde aandachtvestiging
      geldt;
    • personen aan wie de rijbevoegdheid is ontzegd;
    • ontvreemde/vermiste voertuigen.

    Het opsporingsregister is een database met volledige gegevens,
    terwijl tevens een bestand van zogenaamde sleutelgegevens is
    opgebouwd.
    Het herkenningsdienstsysteem is een regionaal systeem en
    heeft een informatiebestand waarin gegevens worden opgeslagen
    over:

    • processen-verbaal van misdrijven;
    • personen;
    • aangiften;
    • koppeling van personen en aangiften;
    • opgeloste zaken;
    • processen-verbaal opgemaakt tegen verdachten;
    • gegevens over vermiste personen.

    De in het bestand opgenomen gegevens over personen die eerder met
    politie en justitie in aanraking zijn gekomen zijn:

    • volledige personalia;
    • bijnaam, roepnaam en aliassen;
    • verblijfplaats of schuiladres;
    • signalementen, waaronder bijzondere kenmerken (bijvoorbeeld
      tatoeages);
    • antecedenten;
    • gebruikte modi operandi;
    • namen van vroegere mededaders, medeplichtigen en
      helers;
    • bepaalde indicaties, zoals vuurwapengevaarlijkheid en
      harddruggebruiker. De centrale verwijzingsindex (CVI) is een
      landelijk informatiebestand waarin de kerngegevens uit de regionale
      HKS-bestanden over geregistreerde personen zijn opgenomen. De
      plaatsing van de HKS-gegevens in de CVI geschiedt automatisch. De
      zoekmogelijkheden in de CVI op personen kan op naam, voornaam,
      voorletter en geboortedatum. De zoekmogelijkheden op
      processen-verbaal van aangiften zijn de delictskenmerken en
      serienummers. De CVI geeft aan in welke regio de betrokken personen
      of goederen geregistreerd staan. De bevraging van de HKS geschiedt
      via het landelijke politiedatacommunicatienetwerk (PODACS),
      waardoor alle HKS-informatie uit het gehele land voor alle
      regiokorpsen beschikbaar is. Het Nationaal Schengen
      informatiesysteem
      is een gevolg van de Uitvoeringsovereenkomst
      van Schengen. Noot Het NSIS is het Nederlandse deel van
      het bij verdrag in het leven geroepen gemeenschappelijk
      opsporingsregister van de Schengenlanden. Het Centraal Schengen
      informatiesysteem
      (CSIS) is gevestigd in Straatsburg,
      Frankrijk. In het NSIS zijn alle signalering uit de nationale
      bestanden van de verdragspartijen opgenomen en dus bevraagbaar.
      Voor het NSIS is een afzonderlijke regeling gemaakt. Het bestaan en
      de inhoud van het register worden rechtstreeks uit het verdrag
      afgeleid. Wel is er een privacyreglement. In het NSIS zijn gegevens
      opgenomen betreffende:
    • personen;
    • motorvoertuigen;
    • vuurwapens;
    • identiteitsdocumenten;
    • bankbiljetten.

    Personen kunnen gesignaleerd staan ter aanhouding, voor vermissing,
    alsmede voor onopvallende controle.
    Voertuigen kunnen vermeld staan als gestolen of voor onopvallende
    controle. Het kentekenregister is het direct te bevragen
    register van de Rijksdienst voor het wegverkeer te Veendam.
    Hierin zijn opgenomen:

    • het kentekenbestand (tenaamstelling en
      voertuiggegevens);
    • het WAM-bestand;
    • het APK-bestand;
    • het centraal rijbewijsregister;
    • het register van bepaalde vaartuigen;
    • het vermiste auto registratie (VAR)-bestand.

    Het computersysteem Landelijke informatiesystemen is geen
    databank, maar een systeem waarmee de bestanden OPS, CVI, NSIS en
    KTR afzonderlijk of allen tegelijk kunnen worden bevraagd. De
    Regionale criminele inlichtingendiensten onderhouden een aantal
    persoonsregistraties, die allen in n systeem zitten. Deze
    registraties zijn door het centrale gezag aangewezen in de thans
    vigerende CID-regeling 1995. Voor het register van de zogenaamde
    CID-subjecten (natuurlijke en rechtspersonen) en het register van
    de zogenaamde grijze-veld-subjecten (natuurlijke en
    rechtspersonen) zijn afzonderlijke (model-)privacyreglementen
    vastgesteld. In het CID-register zijn eveneens opgenomen de
    (rechts)personen met wie CID-subjecten contact hebben (gehad).

    Omtrent personen die contact hebben met CID-subjecten die
    zelf niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, mogen slechts de
    volgende gegevens worden opgenomen, mits deze in verband staan met
    de door deze personen met CID-subjecten onderhouden contacten:

    • personalia, dan wel gegevens ter identificatie van de
      rechtspersoon;
    • financile gegevens;
    • het staatsburgerschap;
    • de identiteitspapieren;
    • het uiterlijk;- de opleiding en uitgeoefende beroepen;
    • de contacten en contact adressen;
    • de plaatsen van geregeld verblijf;
    • de bewegingen;
    • de communicatiemiddelen;
    • de vervoermiddelen;
    • de (voorgenomen) criminele activiteiten;

    en voorts:

    • persoonsafbeeldingen;
    • mededelingen van gegevensverstrekking buiten het werkterrein
      waarbinnen de CID zijn werkzaamheden verricht.

    Omtrent CID-subjecten kunnen naast de bovenstaande lijst van
    gegevens ook gegevens worden opgenomen met betrekking tot:

    • de karaktereigenschappen;
    • de persoonlijke omstandigheden;
    • de levenswijze;
    • de modus operandi;
    • de periode en de plaats waar een CID-subject rechtens van zijn
      vrijheid is beroofd of beroofd is geweest;
    • verwijzingen naar andere gegevensverzamelingen.

    Daarnaast mogen gegevens met betrekking tot ras, medische en
    psychologische kenmerken, godsdienst of levensovertuiging,
    politieke gezindheid, seksualiteit en intiem levensgedrag worden
    opgenomen voor zover dit onvermijdelijk is voor de juiste
    beoordeling van een strafbaar feit en die gegevens het slachtoffer
    of de motieven van de dader betreffen. Gegevens met betrekking tot
    ras, medische en psychologische kenmerken mogen tevens worden
    opgenomen voor zover dit onvermijdelijk is met het oog op
    identificatie. Omtrent grijze-veld-subjecten kunnen de
    volgende gegevens worden opgenomen:

    • personalia, dan wel gegevens ter identificatie van de
      rechtspersoon;
    • gegevens over het uiterlijk;
    • de reden van opneming in het register;
    • de datum van opneming in het register;

    – verwijzingen naar andere gegevensverzamelingen;

    • de wijze van verkrijging van de gegevens;
    • de activiteiten ten behoeve van het doel van het register.
      Blijkens de jaarverslagen van de Afdeling cordinatie criminele
      inlichtingen van de CRI is de ontwikkeling in de omvang van de
      geregistreerde personen als volgt:

    1989: 10.010 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1990: 18.266 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1991: 22.102 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1992: 38.600 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    Noot
    1993: 40.000 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    Noot
    1994: 55.090 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1995: 60.757 natuurlijke personen als CID-subjecten.
    Noot
    Op 29 mei 1995 waren in de CID-subjecten-index (CIDSI) van de
    Divisie CRI nog 56.993 natuurlijke personen opgenomen. Met
    dubbeltelling wegens aanmelding door meer CID-en waren dit 54.814
    CID-subjecten en 10.371 grijze-veld-subjecten. Noot Uit
    het cijferoverzicht blijkt – en zo heeft de commissie ook zelf
    vastgesteld – dat niet alle RCID-en onderscheid maken naar
    CID-subject en grijze-veld-subject. Dit heeft te maken met het feit
    dat de definities uit de CID-regeling onvoldoende harde criteria
    voor het aanwijzen van een bepaalde persoon als CID-subjecten
    opleveren.

    Voorts zijn naast natuurlijke personen ook rechtspersonen in de
    registers opgenomen. De centrale registratie bij de Divisie CRI
    houdt slechts bij de natuurlijke personen en rechtspersonen,
    subjecten en grijze-veld-subjecten. De contacten of niet-subjecten
    zitten niet in de centrale telling. Ter adstructie van de aantallen
    geregistreerde de cijfers uit het regiokorps Haaglanden op 3 april
    1995: 9.875 natuurlijke personen, waarvan 6.582 CID-subjecten,
    1.288 grijze-veld-subjecten, en 2.005 contacten of niet-subjecten.
    Van de in het register voorkomende 2.135 rechtspersonen of
    organisaties waren 263 subject, 597 grijze-veld-subjecten en 1.272
    overige rechtspersonen (contacten).

    In CIDSI stonden op 29 mei 1995 door 14 CID-en gemelde
    rechtspersonen, te weten 2.874 CID-subjecten en 2.249
    grijze-veld-subjecten. Voor verstrekkingen maakt uiteraard de
    codering van de geregistreerde veel uit, terwijl het ook gevolgen
    heeft, althans moet hebben, voor de aard en inhoud van de op te
    nemen persoonsgegevens. Voor de interne zoekfunctie binnen het
    registratiesysteem maakt de codering niet uit. De informatie in een
    CID-register wordt voorafgaand aan de opslag gevalueerd. De
    informatie wordt voorzien van een betrouwbaarheidscodering naar
    bron en naar de gegevens. Deze evaluatiecodering is besproken in
    Bijlage 6 organisaties, hoofdstuk 3 Criminele inlichtingen
    diensten. Daarnaast wordt de informatie voorzien van een codering
    voor de bruikbaarheid. Deze afhandelingscode wordt behandeld in de
    paragraaf over de verstrekkingen.

    Voor omvangrijke tactische recherche-onderzoek wordt veelal een
    tijdelijk register aangelegd. In het tijdelijk register kunnen alle
    gegevens over personen en voorwerpen, die in de loop van het
    onderzoek naar voren komen, worden opgenomen. Zodra het doel van
    het register is bereikt moeten de daarin opgenomen gegevens worden
    vernietigd, tenzij de gegevens betekenis hebben voor een
    strafrechtelijk vervolgonderzoek of ze worden opgenomen in een
    CID-register of grijze-veld-register (artikel 8, achtste lid en 12,
    eerste lid aanhef en onder a BPolR).

    Het gebruik van informatie uit telefoontaps in andere tactische
    onderzoeken dan die waarvoor de tap is bevolen is mogelijk. Het
    gaat dan steeds om informatie over concrete strafbare feiten. De
    tap-journaals zijn geen tijdelijke registers in de zin van artikel
    13 Wet politieregisters. Noot Voorheen was een gebruikte
    weg om de informatie uit de tap-journaals aan de CID te door
    spelen, die deze informatie als CID-informatie kon verstrekken.
    Deze weg wordt thans niet meer bewandeld. In het Wetsvoorstel
    Herziening van het gerechtelijk vooronderzoek is voorzien in de
    opname van gegevens uit tap-journaals in CID-registers met
    toestemming van de rechter-commissaris. Noot Of dit
    feitelijk in de weg zal staan aan het doorspelen van informatie uit
    tapjournaals naar een CID-register is evenwel de vraag. Zo zitten
    bijvoorbeeld in de observatieverslagen, die bij sommige korpsen in
    de CID-registers worden opgenomen, ook samenvattende verslagen van
    tijdens het volgen afgeluisterde gesprekken over de
    autotelefoon.

    Bij de Wet Melding ongebruikelijke transacties (MOT) is een
    meldpunt ingesteld waar financile diensten transacties, welke als
    ongebruikelijk kunnen worden aangemerkt moeten worden gemeld. Het
    meldpunt houdt een register, dat wordt aangemerkt als een
    politieregister en waarvan de minister van Justitie beheerder is.
    Het register bevat de gegevens uit de melding van de transactie,
    waaronder:
    – de identiteit van de clint;

    • de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de
      clint;
    • de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;
    • de omvang en zo mogelijk de bestemming en de herkomst van de
      bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of
      andere waarden;
    • de omstandigheden op grond waarvan de transactie als
      ongebruikelijk wordt aangemerkt. In de periode februari 1994 tot
      februari 1995 hebben de Nederlandse banken 22.961 meldingen van
      ongebruikelijke transacties gedaan. Daarvan zijn 2.638 als
      verdachte transacties gemeld aan de landelijk (MOT ) officier van
      justitie, die zich daarbij bedient van de Financile politiedesk
      (Finpol). Van deze verdachte transacties hadden 87 betrekking op
      voorgenomen transacties. Op basis van MOT-meldingen zijn 29 nieuwe
      opsporingsonderzoeken gestart. Noot Finpol heeft zo’n
      1.000 andere meldingen in lopend onderzoek betrokken. Noot Hiervan
      zijn 348 veelal via de ARI’s uitgezet bij de CID-en van de
      politieregio’s, 123 zijn gemeld aan Bijzondere opsporingsdiensten,
      123 hebben betrekking op projecten waarbij de CRI betrokken is en
      123 meldingen lagen ten tijde van het jaarverslag nog bij Finpol.
      Aan het buitenland zijn 106 melding verstrekt. Noot

    Het Algemeen documentatieregister is een onderdeel van de
    justitile documentatie. Het is een register ten behoeve van de
    rechterlijke macht. Hierin worden alle bij de parketten
    ingeschreven processen-verbaal ter zake van misdrijven en enkele
    overtredingen opgenomen alsmede de wijze van afdoening. Voorts is
    bij elke politie dienst een eigen boekhouding van opgemaakte
    processen-verbaal. De verbaliseringsplicht van hetgeen ter
    opsporing wordt verricht is gegeven in artikel 152 Sv. Veel
    verbalen zullen in het bedrijfsprocessensysteem worden opgeslagen
    en daarmee voor andere, geautoriseerde functionarissen toegankelijk
    zijn gemaakt. De CID-matige onderzoeken, zoals observatie, zullen
    daarbuiten gehouden worden. In Haaglanden bijvoorbeeld, zijn de
    observatiejournaals opgeslagen in het CID-bedrijfsprocessensysteem
    Octopus.

    In Amsterdam bestaan de navolgende zoekmogelijkheden,
    bijvoorbeeld voorafgaand aan aanhouding: 1. HKS op naam (alle
    afdelingen van HKS worden op naam met n opdracht doorgelopen) 2.
    Het algemene bedrijfsprocessensysteem (PSS 400) kan niet met n
    zoekopdracht op naam alle modulen worden doorlopen. Wel wordt op
    lokatie alle bestanden met n zoekopdracht doorzocht. Zo kan daar
    uitrollen dat op een bepaald adres, iemand woont met een
    vuurwapenmachtiging, of dat een verward iemand daar meermalen de
    buurt op stelten heeft gezet, of dat een schietpartij heeft plaats
    gevonden. Dit kan dus aanleiding geven om een bepaald register in
    PSS 400 op naam te controleren. 3. OPS, het nationale
    opsporingsregister

    4. NSIS, het Schengen opsporingsregister
    5. Aangemelde recherche projecten, alleen te bevragen via het hoofd
    Bureau Criminele Informatie 6. CID-registers, alleen te bevragen
    via de chef CID
    7. Sinds een parketmedewerker op de politiebureaus zit voor de
    snelle afwerking van strafzaken, de zogenaamde HOPPER, bestaat ook
    de mogelijkheid om op naam in COMPAS te zoeken, alleen te bevragen
    via de HOPPER

    8. VAS, de vreemdelingenregistratie, vooralsnog alleen te
    bevragen via de het hoofd Vreemdenlingendienst. Daarnaast zijn
    natuurlijk door de derden bijgehouden bestanden: kentekenregister
    (direct te bevragen door elke opsporingsambtenaar), GBA, KvK,
    kadaster.

    Uit de opsomming van de registers en hun inhoud blijkt tevens
    wat voor gegevens in de bestanden worden opgenomen. De tactische
    gegevens, zoals aangiften en processen-verbaal van tactische
    recherche onderzoek, worden door middel van de zogeheten
    HKS-formulieren door rechercheurs of administratieve medewerkers
    bewerkt voor de nationaal te raadplegen bestanden. De inhoud van de
    processen-verbaal wordt bewaakt door de teamleider van het
    onderzoek en de officier van justitie. De inhoud wordt bepaald door
    de bruikbaarheid in de (eventuele) strafzaak.

    In de CID-informatierapporten wordt alle denkbare informatie
    opgenomen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de hand wordt
    gehouden aan het bepaalde in artikel 7, eerste lid
    Model-privacyreglement CID dat de gegevens uit het register dienen
    te worden verwijderd wanneer zij niet noodzakelijk zijn voor het
    doel van het register.

    Afhandeling aangifte en tips:
    1. Indien iemand gewoon een melding doet van een mogelijk strafbaar
    feit of toekomstig strafbaar feit, wordt daarvan in het
    bedrijfsprocessensysteem een proces-verbaal (aangifte) opgemaakt.
    De in ontvangstnemende ambtenaar (uniformdienst) speelt de info
    door naar de betreffende afdeling, die beslist over actie.
    2. Is het een anonieme tip of wil de aangever niet dat zijn naam op
    papier komt, dan beslist de in ontvangstnemende ambtenaar
    (uniformdienst) of het wordt doorgespeeld naar de CID (door middel
    van een tipfomulier) of dat er niets mee gebeurd. De RCID beslist
    of de tip in het bestand wordt opgenomen. 3. Soms wordt in een
    dagrapport (in het bedrijfsprocessensysteem) een NN melding van het
    feit opgenomen. In welke gevallen zulks wel en niet gebeurt is niet
    helemaal duidelijk.

    De Koninklijke marechaussee (Kmar) oefent op de
    burgerluchthavens de reguliere politiefunctie uit. Daartoe heeft de
    Kmar een CID. In het kader van haar politietaak maakt zij op
    gelijke wijze als de politie gebruik van politieregisters.

    Persoonsregistraties vallend onde WPR

    De persoonsregisters van de bijzondere opsporingsdiensten zijn
    tot nu toe weinig in kaart gebracht. Voor de Douane is in
    ieder geval het Douane informatiecentrum (DIC) van belang.
    Daarin worden door de douane geconstateerde onregelmatigheden bij
    de grens gemeld. Voor de personencontrole maakt de douane gebruik
    van het normale politie-informatie netwerk. In het DIC zitten ook
    branche gegevens, zodat aan uiterlijke kenmerken, zoals
    containernummering, al geconstateerd kan worden of aan een lading
    een luchtje hangt. Dit is geen CID-register. Hetzelfde geldt voor
    de registers van de Centrale inlichtingen en analyse dienst
    van de Economische controledienst. De Fiscale
    inlichtingen en opsporingsdienst
    (FIOD) heeft uiteraard eigen
    bestanden, maar werkt vooral vanuit de informatie die vanuit het
    gewone belastingwerk wordt aangereikt. Bij de afdeling
    persoonsgebonden informatie van de FIOD wordt zogenaamde
    contra-informatie verzameld ter renseignering van aangiften van
    belastingplichtingen. De afdeling groepsgebonden informatie
    maakt(e) doelgroepbeschrijvingen van de 150 grootste branches:
    bijv. cafs, bars, nachtclubs; de bouw, advokatenkantoren en
    prostitutie. De doelgroepbeschrijvingen zijn niet zozeer
    richtlijnen, als wel adviezen terzake de vraag hoe
    belastingtechnisch moet worden omgegaan met deze doelgroepen. Het
    Douane Informatie Centrum (DIC) vervult een vergelijkbare taak voor
    douane en douanerecherche als de FIOD voor de Belastingdienst. Het
    DIC is opgericht ten bate van meer gerichte douanecontroles. Het
    analyseert daartoe wetgeving op fraudegevoeligheid en analyseert
    branches en goederenstromen op afwijkende patronen. Op dit moment
    beperkt de analyse zich nog tot ladingsbescheiden in de maritieme
    sector, waarbij met name gedacht moet worden aan de Rotterdamse
    haven. Ter illustratie:

    Op een bepaald moment wordt geconstateerd dat er een enorme
    stroom sigaretten ging lopen in transito via de Rotterdamse haven
    richting Oostbloklanden en wel in dermate grote hoeveelheden, dat
    gezegd kon worden dat dit geen normale handel meer was. Een
    40-voetscontainer levert ongeveer 1,8 miljoen gulden op aan
    ontdoken accijns. Een ander voorbeeld is dat het opvalt als op een
    ladingspapier vermeld staat dat fruitsappen in kartons uit
    Zuid-Amerika komen. Normaal komen fruitsappen in 200-literdrums en
    in bevroren toestand. De Afdeling rechtspersonen van de Directie
    criminaliteitspreventie van het ministerie van Justitie heeft een
    geautomatiseerd gegevensbestand Vennoot in gebruik met
    behulp waarvan relaties tussen natuurlijke personen en
    rechtspersonen in beeld worden gebracht. De gegevens berusten voor
    een deel bij de Belastingdienst, de bedrijfsverenigingen, de CRI,
    de Kamers van Koophandel, de Justitile Documentatiedienst en de
    faillissementsregisters, voor een ander deel bij het ministerie van
    Justitie. Ook informatie uit publikaties wordt toegevoegd aan het
    systeem. De belangrijkste voedingsbron van het systeem Vennoot is
    de informatie die vrijkomt uit de procedure tot afgifte van een
    verklaring van geen bezwaar met betrekking tot de oprichting van
    een naamloze of besloten vennootschap of de statutenwijziging
    daarvan.

    Er worden ongeveer 50.000 verzoeken per jaar gedaan voor
    verklaringen van geen bezwaar. De inhoud van het gegevensbestand
    bestaat uit gegevens over 540.000 naamloze en besloten
    vennootschappen (bv’s), alsmede gegevens omtrent de oprichters en
    bestuurders e.d. van die rechtspersonen. Naar schatting zijn
    250.000 vennootschappen actief. Dit zijn hoofdzakelijk bv’s. Voorts
    zijn gegevens van stichtingen en buitenlandse rechtspersonen
    opgenomen, voor zover deze verbindingen hebben met vennootschappen.
    Enige tijd geleden is gestart met de registratie van gegevens over
    de overdracht van aandelen op naam. In 1992 is een begin gemaakt
    met het totstandbrengen van online-verbindingen van Vennoot met een
    aantal informatieleveranciers. Op het ogenblik bestaat een
    permanente verbinding met centrale databestanden van de Kamers van
    Koophandel en van de Belastingdienst. Er wordt gewerkt aan het on
    line vergaren van gegevens met betrekking tot antecedenten,
    faillissementen en sursances van betaling. Vennoot wordt ondermeer
    gebruikt bij de ondersteuning van pogingen om vertakkingen van de
    criminele organisaties in de legale economie bloot te leggen en aan
    te pakken. Na invoer van persoonsnamen en/of namen van bedrijven,
    eventueel aangevuld met andere gegevens, kunnen relatieschema’s
    worden geproduceerd die de
    verbindingen weergeven tussen de bij de zaak betrokken natuurlijke
    personen en rechtspersonen. De volgende gegevens zijn opgenomen in
    het systeem: namen van rechtspersonen, datum van oprichting of
    statutenwijziging, namen van oprichters/bestuurders en
    geboortedatum of SOFI-nummer, faillissementen en sursances van
    betaling, signaleringen (waarschuwingen) van derden, contacten met
    stichtingen en buitenlandse rechtspersonen, gegevens met betrekking
    tot de overdracht van aandelen op naam, relaties tussen natuurlijke
    personen en rechtspersonen. Waar sprake is van wederrechtelijk
    verkregen vermogen kan Vennoot worden ingeschakeld om uit te zoeken
    in welke bv’s mogelijk vermogensbestanddelen zijn ondergebracht.
    Het systeem Vennoot valt onder de Wet persoonsregistraties (WPR).
    De verstrekker, i.c. de houder van Vennoot, is dus niet verplicht
    tot verstrekking van gegevens aan het openbaar bestuur. Gegevens
    die van derden afkomstig zijn, de zogenaamde waarschuwingen of
    signaleringen, worden niet verstrekt zonder voorafgaande
    toestemming van de desbetreffende informatieleverancier. Dit om te
    voorkomen dat bijvoorbeeld lopende strafrechtelijke onderzoeken
    worden verstoord. Het is vooralsnog onduidelijk wie deze derden
    zijn; gedacht kan worden aan allerlei tipgevers. Niet is
    geconstateerd dat zich onder deze tipgevers ook CID-en bevinden. In
    1994 waren er ongeveer 3.000 verzoeken om gegevens uit het systeem
    Vennoot in verband met de opsporing. De meeste verzoeken waren
    afkomstig van de regionale politiekorpsen, de Belastingdienst
    (incl. FIOD), de CRI, de ECD, de AID, de Bureaus financile
    ondersteuning (BFO’s) en de douane.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken