• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Kostovski

    Kostovski

    HR 25 september 1984, NJ 1985, 426 m.nt ThWvV en EHRM 20
    november 1989, NJ 1990, 245 m.nt EAA (en A.H.J. Swart in Ars Aequi
    39 (1990) 5, p. 315-327)
    (Artt. 186 lid 3, 288, 338 Sv, 6 lid 3 EVRM en 14 lid 3 onder e
    IVBP)
    Drie personen zijn ‘s nachts een bank binnengedrongen en
    wachtten met bivakmutsen getooid op de komst van het bankpersoneel
    om hen de kluizen te laten openen. Na de overval bleef alleen een
    gevonden schroevedraaier achter. Later meldden zich twee personen
    die de namen van de daders noemden (Stanley H., Paul M. en
    Kostovski). Deze twee getuigen vreesden voor represailles en
    wensten anoniem te blijven. Een van hen trok zijn getuigenis in, de
    ander werd twee maal door de rechter-commissaris – buiten
    aanwezigheid van de verdediging – gehoord, maar weigerde op de
    zitting te verschijnen. Vervolgens wees een speurhondenproef uit
    dat de schroevedraaier door een van de drie verdachten was
    gebruikt. Het hof had deze verdachte veroordeeld, waarbij de
    schroevedraaier doorslaggevend was geweest. De rechter-commissaris
    verscheen ter terechtzitting als getuige. Dit arrest betreft
    Kostovski’s medeverdachte Stanley H., maar is vrijwel identiek aan
    het arrest dat met betrekking tot Kostovski is gewezen. (zie voor
    een uitgebreid feitenrelaas NJ 1990, 245). De Hoge Raad:

    Het vervolgens in het middel aangevoerde, dat reeds de enkele
    omstandigheid dat de rechters-commissarissen die de getuige hoorden
    zelf niet op de hoogte waren van zijn identiteit, de
    processen-verbaal van die rechters-commissarissen voor zover
    inhoudende meerbedoelde verklaringen niet bruikbaar doet zijn voor
    het bewijs, vindt evenwel geen steun in het recht. Ook indien de
    (hierboven genoemde) omstandigheid zich voordoet is het
    voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om te
    beslissen – met inachtneming van vorenbedoelde behoedzaamheid – of
    de inhoud van de desbetreffende processen-verbaal ook in zoverre
    bruikbaar is voor het bewijs. Wanneer van processen-verbaal
    inhoudende de verklaringen van niet met name genoemde personen voor
    het bewijs gebruik wordt gemaakt en de betrouwbaarheid van dat
    materiaal door of namens verdachte ter terechtzitting wordt
    betwist, dient de rechter, als hij niettemin gebruik maakt van dat
    materiaal voor het bewijs, daaromtrent verantwoording af te leggen
    (..) het hof heeft die verantwoording gegeven.

    De Hoge Raad is met betrekking tot de beperking vragen te
    stellen aan getuige, hetgeen volgens de verdediging in strijd is
    met art. 6 lid 3 EVRM en 14 lid 3 onder e IVBP van oordeel dat: Die
    artikelen brengen niet mede dat niet enige beperking inzake de
    vraagstelling omtrent de identiteit van anonieme getuigen mag
    worden opgelegd, noch dat de processen-verbaal met anonieme
    getuigenverklaringen vanwege deze beperking niet voor het bewijs
    mogen worden gebezigd. Het Europees hof voor de Rechten van de Mens
    komt in verband met Kostovski’s klacht dat hij geen eerlijk proces
    zou hebben gehad tot een unanieme conclusie:

    Het EHRM stelt vast dat inbreuk is gemaakt op het recht van K op
    een eerlijk proces maar onthoudt zich van een algemeen antwoord op
    de vraag in hoeverre de getuige charge in het strafproces als
    anonymus kan optreden. In principe dient alle bewijs op de openbare
    terechtzitting in aanwezigheid van de verdachte geproduceerd te
    worden with a view to adversarial argument. Dit houdt in dat de
    verdachte een passende en afdoende gelegenheid moet krijgen om de
    getuige aan de tand te voelen. De mogelijkheid dat verklaringen van
    getuigen die voor het bewijs zijn gebruikt buiten de zitting zijn
    afgelegd aanvaardt het Hof, maar ook in dat geval dient de
    verdediging een behoorlijke mogelijkheid tot ondervraging te hebben
    gehad. In dit geval kon klager in geen enkele fase de anonieme
    getuigen rechtstreeks ondervragen. De verdediging heeft wel vragen
    kunnen stellen aan een politieambtenaar en aan de
    rechter-commissaris tegenover wie een getuige verklaringen had
    afgelegd. Bovendien konden vragen worden gesteld aan n van de
    getuigen langs indirecte weg via de rechter-commissaris. Echter, in
    beide gevallen waren aard en reikwijdte van deze vragen aanzienlijk
    beperkt door de beslissing dat de anonimiteit van de getuigen
    bewaard moest blijven. (Respectievelijk werden geen vragen die
    ertoe strekten duidelijkheid te krijgen omtrent de betrouwbaarheid
    en de bronnen van de anonieme getuige toegelaten en werden slechts
    twee van de veertien namens klager gestelde vragen
    beantwoord.)
    Het EVRM sluit niet uit dat in de onderzoeksfase voorafgaand aan de
    terechtzitting gebruik wordt gemaakt van anonieme bronnen. Het
    vervolgens gebruiken van anonieme verklaringen als voldoende bewijs
    voor een veroordeling, zoals in casu is geschied, is een andere
    zaak.

    The right to a fair administration of justice holds so prominent
    a place in a democratic society that it cannot be sacrificed to
    expediency.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken