• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Tijdelijk register

    Tijdelijk register

    HR 7 februari 1995, NJ 1995, 308
    (Artt. 13 WPolR en 8 BPolR)
    Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of het
    verwerken in processen-verbaal van persoonsgegevens uit
    politieregisters die niet voldoen aan de vereisten gesteld (..) in
    de WPolR moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar
    ministerie dan wel uitsluiting van de in de processen-verbaal
    vervatte bewijsmiddelen. Dit cassatiemiddel steunt, blijkens de
    behandeling door de Hoge Raad, op twee gronden:
    1. In de ten aanzien van het merendeel van de tenlastegelegde
    feiten opgemaakte processen-verbaal zijn persoonsgegevens verwerkt,
    voor de registratie waarvan in strijd met het bepaalde in de WPolR
    niet een tijdelijk register als bedoeld in art. 13 van die wet is
    aangelegd.

    Hof:
    Die grond is ondeugdelijk, aangezien daarbij wordt miskend dat de
    WPolR geen verplichting behelst om met het oog op de uitvoering van
    de politietaak in een bepaald geval een persoonsregistratie in de
    vorm van een tijdelijk register aan te leggen, doch slechts
    voorziet in de mogelijkheid daartoe. 2. Bedoelde persoonsgegevens
    in Bedrijfsprocessensysteem (BPS) welke behoort tot de
    politieregisters was, zonder dat voor dit register het vereiste
    reglement (als bedoeld in art. 9 WPolR) was vastgesteld, in gebruik
    genomen. Van belang bij de beantwoording van deze vraag is de
    verklaring van de deskundige, Van ‘t Sant (privacy-officer):
    (samengevat) Wij handelen altijd volgens het Reglement BPS. Dit
    reglement is gepubliceerd in Groningen. Bij de Registratiekamer is
    het niet bekend, vanwege discussie tussen provincie Groningen en de
    Registratiekamer. De minister is gevraagd om toestemming. De
    registratiecommissie heeft advies gevraagd aan Registratiekamer. In
    afwachting van de uitspraak is op oude voet verder gegaan. Hoge
    Raad:

    Hof heeft dit in het midden gelaten, in cassatie moet ervan uit
    gegaan worden dat genoemd reglement niet aan de Registratiekamer is
    gezonden, evenmin heeft er een mededeling plaatsgevonden (art. 12
    lid 2 WPolR). Niet is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd
    dat onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in bedoeld
    politieregister is opgenomen, dit blijkt ook niet uit de
    stukken.

    HR: Het komt er dus op neer dat het enkele feit dat gegevens
    zijn geput uit een politieregister ten aanzien waarvan niet is
    gehandeld overeenkomstig art. 9 WPolR de door de middelen beoogde
    niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie danwel
    bewijsuitsluiting ten gevolge moet hebben. Die opvatting kan niet
    als juist worden aanvaard. (…) naleving van de bij of krachtens
    de WPolR gestelde voorschriften – voor naleving waarvan de
    beheerder van het politieregister, in dit geval de burgemeester van
    Groningen als beheerder van het toenmalige korps gemeentepolitie,
    verantwoordelijk is – niet strekt tot de bescherming van de
    verdachte in zijn strafvorderlijk belang. Tot bewijsuitsluiting zal
    de hiervoren aangehaalde omstandigheid dus niet kunnen leiden en te
    minder tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in
    zijn vervolging.

    In het midden kan blijven onder welke omstandigheden schending
    van de bij of krachtens de WPolR gegeven voorschriften niet meer
    verenigbaar zou zijn met een eerlijke procesvoering, nu in
    feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat en waarom het handelen van
    het openbaar ministerie in dit opzicht een ernstige schending van
    beginselen van een behoorlijke procesorde heeft opgeleverd, noch
    ook dat en waarom de verdachte in enig relevant verdedigingsbelang
    is getroffen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken