• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 10.1 Inleiding

    10 RECHTERS-COMMISSARISSEN

    10.1 Inleiding

    10.1.1 Algemene introductie

    In Nederland bepaalt niet de rechter-commissaris, maar de
    officier van justitie de aard en de omvang van het strafrechtelijk
    onderzoek. Oorspronkelijk, in het Wetboek van Strafvordering van
    1838, droeg de rechter-commissaris de verantwoordelijkheid voor de
    instructie, het deel van het onderzoek naar misdaden, waarin
    dwangmiddelen tegen de persoon van de verdachte konden worden
    aangewend en de verdachte werd gedwongen zich aan het
    strafonderzoek te onderwerpen. Na de wijziging in het Wetboek van
    Strafvordering in 1886 en de vernieuwing ervan in 1926 is de
    officier van justitie daarvoor de verantwoordelijke. De voor de
    officier van justitie geldende verplichting rechtsingang te
    vorderen, waarmee de rechter-commissaris werd ingeschakeld, is in
    1926 afgeschaft. De officier van justitie bepaalt zelfstandig of
    hij een gerechtelijk vooronderzoek vordert en dus de
    rechter-commissaris in het onderzoek betrekt. De vordering van de
    officier van justitie is voor de rechter-commissaris een voorwaarde
    voor bevoegdheidsuitoefening. Noot En als de
    rechter-commissaris zijn werk heeft gedaan en het gerechtelijk
    vooronderzoek is gesloten, is het het openbaar ministerie dat
    beslist over verdere vervolging.

    Dit neemt echter niet weg dat er ook nu nog een prominente rol,
    althans formeel, voor de rechter-commissaris in het voorbereidend
    onderzoek is weggelegd. Voor de inzet van vele dwangmiddelen, zoals
    inbewaringstelling, huiszoeking en telefoontap, is zijn toestemming
    vereist. Hij leidt het gerechtelijk vooronderzoek, dat in de regel
    op vordering van de officier van justitie wordt geopend.
    Noot Hij verhoort verdachten en getuigen en verricht
    andere onderzoekshandelingen. De rechter-commissaris fungeert
    daarbij in de eerste plaats als rechter. Hij dient op
    onafhankelijke en onpartijdige wijze het opsporingsbelang af te
    wegen tegen het belang van de burger wiens persoonlijke levenssfeer
    wordt geschonden. In dit hoofdstuk staat de volgende vraag uit het
    rapport Opsporing gezocht van de Werkgroep vooronderzoek
    opsporingsmethoden centraal: Noot

    Hoe geeft de rechter-commissaris vorm aan de sturing
    van en de controle op de inzet van opsporingsmethoden ter
    bestrijding van de zware, georganiseerde criminaliteit? (8A en
    10D)

    10.1.2 Plan van aanpak

    De opbouw van het hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 10.2
    staat de organisatie van het rechter-commissariaat binnen de
    rechtbanken centraal. Er wordt aandacht besteed aan de taak van de
    rechter-commissaris en de verhouding tot de strafkamers binnen de
    rechtbank en aan de nieuwe figuur van de cordinerend
    rechter-commissaris. Ook de opleiding van rechters-commissarissen
    komt aan bod. Vervolgens wordt de wettelijke positie van de
    rechter-commissaris geschetst, zowel volgens het huidig recht als
    volgens de aanhangige wetsontwerpen. Paragraaf 10.3 behandelt de
    zaken en werkwijze, waarbij de nadruk ligt op opsporingsmethoden.
    Nu die methoden onderwerp zijn van een aparte bijlage (5,
    Methoden)
    , wordt hier vooral beschreven wat de rol van de
    rechter-commissaris bij de inzet van die methoden is. Daarnaast
    wordt de verhouding van de rechter-commissaris tot het openbaar
    ministerie en de politie beschreven. In paragraaf 10.4 wordt de rol
    van beleid en hirarchie afgezet tegen de onafhankelijke positie van
    de rechter-commissaris. In paragraaf 10.5 worden de conclusies
    getrokken.


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken