• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 2.4 De structuur van de politie organisatie

    2.4 De structuur van de politie organisatie

    2.4.1 Inleiding

    Niet alleen de taken van de politie, maar ook de structuur van
    de politie-organisatie wordt slechts gedeeltelijk bij wet geregeld.
    De Politiewet geeft namelijk alleen aan dat er 25 regionale
    politiekorpsen en iin Korps landelijke politiediensten zijn
    (artikel 4 Politiewet 1993). Het regionale politiekorps bestaat uit
    functionele en territoriale onderdelen. De territoriale onderdelen
    kunnen een of meer gemeenten in de politieregio omvatten; zij
    kunnen ook delen van gemeenten omvatten (artikel 35 lid 1
    Politiewet 1993). Uit lagere regelgeving valt over de structuur en
    de organisatie van de politie niet veel meer te zeggen. Het Besluit
    beheer regionale politiekorpsen maakt slechts melding van het
    bestaan van enkele functionele onderdelen. Dit betreft de CID, het
    AT, het OT en het BFO. Veel meer dan het bestaan en een
    taakaanduiding van deze onderdelen alsook het feit dat de
    politieministers regels kunnen geven over de organisatie, kan uit
    het Besluit beheer regionale politiekorpsen niet worden afgeleid.
    Bovendien rept het Besluit met geen woord over de aanwezigheid van
    tactische recherche-eenheden of andere functionele eenheden zoals
    de technische recherche, de herkenningsdienst (HKD) en de secties
    technische ondersteuning (STO’s). De CID-regeling 1995 bevat een
    artikel over de organisatie van de CID bij de reguliere poliite.
    Artikel 1 CID-regeling bepaalt namelijk dat er een regionale en een
    landelijke CID is.

    2.4.2 Interne organisatie in de regio

    De aanwijzingen in wetten en regelingen voor de organisatie van
    de politie zijn marginaal. Bij de reorganisatie van de politie
    (1993) waren uitgangspunten voor de inrichting van de regiokorpsen
    onder meer
    dat strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de openbare-
    ordehandhaving en de hulpverlening in principe bij de
    basispolitiezorg zouden worden ondergebracht door een zo breed
    mogelijke invulling van de basispolitietaak. Beoogd werd meer
    politie in de wijk met een generale taakstelling. Die
    basispolitiezorg is in territoriale onderdelen van het regiokorps
    verankerd. De territoriale onderdelen zijn te onderscheiden in
    districten en basiseenheden.

    Op regionaal niveau zijn echter specialistische taken
    georganiseerd en wordt tevens permanente opsporingscapaciteit
    (tactische-recherchecapaciteit) vrijgemaakt voor de bestrijding van
    zware, georganiseerde criminaliteit. Dit zijn de zogenaamde
    Regionale rechercheteams (RRT’s). De tactische recherche werkt
    binnen een regiokorps op diverse niveaus en buiten het regiokorps
    in diverse samenwerkingsverbanden. De interregionale
    samenwerkingsverbanden zijn de Regionale bijstandsteams (RBT’s), de
    kernteams en het landelijk rechercheteam (LRT). Noot

    Op hoofdlijnen is nu een organisatiestructuur te onderscheiden
    waarbij op regioniveau de korpsleiding, de korpsstaf en iin of meer
    regionale eenheden werkzaam zijn.
    De regionale eenheden hebben taken op het gebied van regionale
    ondersteuning (bijvoorbeeld meldkamer, centrale verwerking van
    bekeuringen en gerechtelijke ondersteuning) en op het terrein van
    de criminaliteitsbestrijding (CID, OT, STO, HKD, BFO en de aanpak
    van georganiseerde criminaliteit door de tactische recherche).

    Schema 1:
    aantallen formatieplaatsen regiokorpsen

    Onderstaand schema bevat per regiokorps een overzicht van de
    formatieplaatsen bij de CID, de tactische recherche, het OT, de
    STO, het BFO en overige diensten. Indien bekend wordt aangeven wat
    de verdeling is over de districten en het regioniveau binnen de
    korpsen.

    2.4.3 Relevante landelijke diensten

    Korps landelijke politiediensten

    Het Korps landelijke politiediensten (KLPD), ook wel het 26-ste
    politiekorps genoemd, is oorspronkelijk ontstaan uit elf landelijke
    diensten van het korps Rijkspolitie en bestaat nu uit zes divisies,
    te weten: de divisie Informatietechnologie (IT), de divisie
    Mobiliteit, de divisie Koninklijke en diplomatieke beveiliging, de
    divisie Logistiek, de divisie Centrale recherche informatie (CRI)
    en de divisie Ondersteuning. De divisie Ondersteuning van het KLPD
    ondersteunt de Nederlandse politie en bijzondere
    opsporingsdiensten. Het gaat om lucht(foto)steun, levende have,
    mobiele en/of landelijke communicatienetwerken of andere technische
    hulpmiddelen en verder het toepasbaar en beschikbaar maken en
    stellen van technologie. De divisie Ondersteuning bestaat uit zes
    diensten. In het kader van dit onderzoek is de Dienst technisch
    operationele ondersteuning daarvan de belangrijkste.

    Divisie Centrale recherche informatie

    De Centrale recherche informatiedienst (CRI) was voorheen een
    buitendienst van het ministerie van Justitie. Met de reorganisatie
    van de politie is de CRI een divisie van het KLPD geworden en
    daarmee een onderdeel van de reguliere politie.

    De divisie CRI kent onder andere een hoofdafdeling Regionale
    samenwerking. Deze hoofdafdeling is onderverdeeld in vijf
    geografisch gedeconcentreerde steunpunten, zogenaamde Afdelingen
    recherche informatie (ARI). Deze steunpunten zijn gevestigd in
    Assen (ARI-Noord), Enschede (ARI-Oost), Eindhoven (ARI-Zuid),
    Rotterdam (ARI-Zuid-West) en Amsterdam (ARI-Noord-West). De ARI’s
    zijn opgericht vanuit de behoefte de CRI voor politie en justitie
    beter herkenbaar en toegankelijk te maken. De ARI’s vormen nu het
    vaste aanspreekpunt voor politie, justitie en andere
    opsporingsinstanties inzake aangelegenheden van de CRI. Een andere
    voor dit onderzoek van belang zijnde hoofdafdeling van de divisie
    CRI is de dienst Recherche expertise. Tot de dienst Recherche
    expertise behoren onder meer de afdelingen ACCI en ANCPI. Bij de
    Afdeling covrdinatie criminele inlichtingen (ACCI) is een aantal
    taken ondergebracht, waaronder: De Nationale criminele
    inlichtingendienst (NCID) is als organisatorische eenheid
    ondergebracht bij de ACCI. De NCID is bedoeld als overkoepelend
    orgaan over de CID-en bij de regiokorpsen. Het Landelijk
    informatiepunt observatie (LIPO) en Landelijk covrdinatiepunt
    grensoverschrijdende observatie ( LCGO) vallen organisatorisch
    onder de ACCI. Het zijn beide meldpunten ter covrdinatie van
    diverse observatiewerkzaamheden door de OT’s. Het gaat bij het LIPO
    om meldingen van bovenregionale en internationale OT-acties,
    OT-acties die langer dan 24 uren duren, OT-acties bij een
    grootschalige inzet en OT-acties van bijzondere opsporingsdiensten.
    Bij het LCGO, dat opgericht is in het kader van Schengen, komen
    rechtshulpverzoeken met betrekking tot overname van OT-acties
    binnen. Het Maritiem informatiepunt (MIP) is in januari 1992
    ingesteld. Dit meldpunt richt zich op de bestrijding van
    criminaliteit op de Noordzee en de grote binnenwaterwegen, zoals
    onderschepping van verdovende-middelentransporten en
    milieudelicten. In het MIP werken samen: de CRI, de Kustwacht, de
    rivierdienst van de politie Rotterdam, de politie te water, de
    Koninklijke marechaussee en de Douane. Noot Bij de
    divisie CRI is ook het politikle meldpunt Finpol (Financikle
    politiedesk) opgezet. Het meldpunt is opgezet bij de
    inwerkingtreding van de wet MOT op 1 februari 1994. Finpol verwerkt
    de door het MOT als verdacht aangemerkte transacties.

    2.4.4 Opleidingsorganisaties politie

    Het politie-onderwijs wordt door diverse instituten verzorgd, die
    gezamenlijk ressorteren onder het zogeheten Landelijk selectie en
    opleidingscentrum politie (LSOP), dat in juli 1992 werd opgericht.
    Het LSOP is een publiekrechtelijk orgaan, waarin veertien
    politie-instituten zijn gebundeld die werkzaam zijn op het gebied
    van voorlichting, werving en selectie, advisering en opleiding voor
    de politie. Het LSOP telt in totaal zo’n 950 medewerkers.

    De Rechercheschool

    In 1962 werd besloten tot de oprichting van een landelijk
    recherche-opleidingsinstituut voor zowel de gemeentepolitie als de
    Rijkspolitie: de zogenoemde Rechercheschool, gevestigd te Zutphen.
    De Rechercheschool is het enige instituut dat
    recherche-onderwijs geeft aan politie-ambtenaren. In 1966
    kon de Rechercheschool voor het eerst een basisopleiding voor
    rechercheurs aanbieden. Deze opleiding duurde dertien weken. Vanaf
    dat moment is het cursuspakket uitgebreid met ook meer
    gespecialiseerde opleidingen. Het verschijnen van het beleidsplan
    Samenleving en Criminaliteit leidde halverwege de jaren
    tachtig tot een aanzienlijke taakuitbreiding van de
    Rechercheschool. Naar aanleiding van dit rapport zijn onder meer
    vier speciale vakgroepen ingesteld: de vakgroep Recht, de vakgroep
    Techniek, de vakgroep Taktiek, en de vakgroep Gedragswetenschappen.
    Deze vakgroepen leggen zich toe op het verrichten van toegepast
    onderzoek en het ontwikkelen van het onderwijs.

    De taakuitbreiding van de Rechercheschool is als volgt
    omschreven. Naast het gaan verrichten van toegepast onderzoek en de
    verdere ontwikkeling van onderwijs voor het Nederlands
    recherchemanagement moest de Rechercheschool zich vooral gaan
    richten op onderricht in kwalitatieve, verdiepende en innovatieve
    recherchemethodieken, alsmede op het massaal opleiden van de zeer
    vele politie-ambtenaren, die vanuit de generale taakstelling dan
    wel een gedespecialiseerd takenpakket, in de korpsen met
    recherchewerkzaamheden werden belast.
    Noot

    In reactie op de generale taakstelling van
    basispolitiefunctionarissen in de korpsen werd in 1992 het
    recherchebasisonderwijs (de +Recherche basiscursus; en de +Cursus
    algemene recherche;), dat door de Rechercheschool was ontwikkeld,
    overgeheveld naar de onderwijsorganisaties binnen de
    politieregio’s. Dit zijn de zogenaamde Politie opleidingscentra. In
    de Politieopleidingscentra vindt nu ook het onderwijs plaats voor
    hulpofficier van justitie Noot . De totale doelgroep
    voor de +Recherche basiscursus; bedroeg 18.000 mensen in 25
    regio’s. Korpsen hebben medewerkers door de Rechercheschool laten
    opleiden tot docenten voor de +Recherche basiscursus;, die de
    cursus vervolgens in hun eigen regio konden verzorgen. Na het
    uitzetten van het recherchebasisonderwijs in de politieregio’s is
    de Rechercheschool zich vervolgens gaan concentreren op (de
    voortzetting van) de ontwikkeling en organisatie van specialistisch
    onderwijs. Hierbij valt te denken aan cursussen gericht op
    misdaadpreventie of cursussen als recherchetechniek, criminele
    analyse, pseudokoop en criminele inlichtingen. De kerntaken van de
    Rechercheschool kunnen als volgt worden beschreven:
    Noot

    opsporingspraktijk gebruikte methoden en technieken te
    bevorderen.
    – Het aanbieden van cursussen en het geven van advies teneinde
    eenduidigheid terzake van de in de deze cursussen door korpsen en
    Politie opleidingscentra.
    – Het ontwikkelen van pakketten voor de basisopleidingen recherche
    en ondersteuning van de uitvoering van Op dit moment telt de
    Rechercheschool zo’n 50 medewerkers: 25 docenten en 25
    administratieve krachten. – Het ontwikkelen en realiseren van
    speciale opleidingen op recherchegebied. Verder heeft men de
    beschikking over ongeveer 400 gastdocenten. De Rechercheschool kent
    vier Opleidingssectoren en evenzoveel hoofden Opleidingssectoren.
    Een hoofd Opleidingssector is verantwoordelijk voor de ontwikkeling
    van specialistische cursussen en het werven van gastdocenten. De
    gastdocenten verzorgen onderwijs onder verantwoordelijkheid van een
    hoofd Opleidingssector, vanouds vooral op het gebied van fraude,
    economie en jeugd en zeden. Vanaf midden ’80 traden zij ook op in
    een groeiend aantal specialistische cursussen zoals de cursus
    Pseudokoop (1985), de cursus CID (1986) Noot , cursus
    STO (’89/’90) en de cursus Criminele Analyse en Strategische
    Analyse. In 1994 heeft de Rechercheschool 3.901 cursisten opgeleid.
    Op dit moment worden er meer dan 50 verschillende cursussen
    gegeven. De groep geonteresseerden voor het onderwijs aan de
    Rechercheschool wordt groter Noot , waarbij de
    diversiteit van deze groep ook toeneemt. In het jaarverslag van
    1994 werden bijvoorbeeld de bijzondere opsporingsdiensten genoemd
    als afnemer van cursussen.

    De Nederlandse Politie Academie (NPA)

    De Nederlandse Politie Academie (NPA) bestaat uit vier
    instituten: het Politie Studie Centrum (PSC), de Nederlandse
    Politie Academie (NPA oude stijl), het Centraal Instituut voor
    Opleiding en Vorming (CIOV) en de Kaderschool (KS). De Nederlandse
    Politie Academie verzorgt de primaire opleiding voor
    leidinggevenden en diverse andere opleidingen ten behoeve van het
    hogere management bij de politie.

    De Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR)

    De opleiding voor (toekomstige) officieren van justitie en
    rechters(-commissarissen) wordt door de Stichting Studiecentrum
    Rechtspleging (SSR) verzorgd. De SSR verzorgt tevens
    vervolgcursussen en vaardighedentrainingen.

    Alhoewel het LSOP en de SSR verantwoordelijkheid dragen voor de
    opleidingen, oefenen de ministeries van Binnenlandse Zaken en
    Justitie invloed uit op de inhoud van de opleidingen. De invloed
    van de ministeries kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het feit
    dat de departementen in overleg met de SSR de eindtermen van de
    opleidingen vaststellen. Het al dan niet beschikbaar stellen van
    geld voor opleidingen is een tweede sturingsmogelijkheid. Een
    uniformering en objectivering van de opleidingseisen kan
    bewerkstelligd worden door het afnemen van onafhankelijke examens.
    Plannen op dit terrein worden uitgewerkt.

    Werkgroep-Behling:
    deskundigheidsbevordering

    Vanuit het ministerie van Justitie heeft de Werkgroep
    deskundigheidsbevordering (Werkgroep-Behling) ten behoeve van het
    project Aanpak zware georganiseerde criminaliteit de
    opleidingsbehoefte geonventariseerd van alle betrokkenen bij de
    bestrijding van de zware, georganiseerde criminaliteit. Twee
    sub-werkgroepen hebben de deskundigheids-bevordering van het
    openbaar ministerie, de rechterlijke macht en het politiemanagement
    respectievelijk de uitvoerende politietaak uitgewerkt. Een en ander
    heeft geresulteerd in concrete voorstellen voor zestien modulen.
    Het grootste gedeelte van de modulen (elf van de zestien) heeft
    betrekking op de algemene basiskennis, vakkennis en
    wetenschappelijke vorming. Na het volgen van deze elf modulen dient
    de cursist algemene kennis te hebben ten aanzien van de
    georganiseerde misdaad als maatschappelijk verschijnsel.
    Noot De resterende modulen hebben betrekking op het
    management. Deze modulen hebben ten doel om de leidinggevende van
    (sub)eenheden in dit veld, bezit te laten nemen van kennis en
    vaardigheden om, qua sturing van mensen en middelen, de gestelde
    doelen binnen de gegeven kaders tegen zo weinig mogelijk +kosten;
    te bereiken. Inmiddels heeft de Rechercheschool i.c. de vakgroep
    Recht zo’n 80% van de modulen die naar aanleiding van de
    werkgroep-Behling zijn geformuleerd, ontwikkeld. De Nederlandse
    Politie Academie geeft sinds begin 1995 een cursus die specifiek is
    gericht op het leidinggeven aan de bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit.

    Relaties tussen Rechercheschool, NPA en SSR

    De Rechercheschool had in 1976 een cursus +Hogere ambtenaren;. Eind
    tachtiger en begin negentiger jaren had de Rechercheschool nog een
    opleiding voor recherchemanagers; de cursus +Recherchechefs;.
    Daarvan konden ook leden van het openbaar ministerie gebruik maken.
    De algemeen directeur van het LSOP heeft de keuze gemaakt om alles
    wat met management te maken heeft bij de Nederlandse Politie
    Academie onder te brengen. Op de Rechercheschool is men niet direct
    een warm voorstander van deze verdeling, omdat op de Nederlandse
    Politie Academie weliswaar wordt geleerd hoe te managen, maar er
    geen vakinhoudelijke kennis wordt aangereikt. De Rechercheschool
    acht het onderwijsaanbod voor recherchemanagement onverantwoord. De
    samenhang tussen de Rechercheschool en de SSR laat te wensen over.
    De Rechercheschool had naast de eerdergenoemde
    recherchemanagementcursus ook een cursus +Rechter-commissaris in
    strafzaken;. In deze cursus waren zowel de juridische als de
    tactisch-praktische, operationele aspecten van het werk opgenomen.
    Deze cursus is later overgegaan naar de SSR en volgens de
    Rechercheschool inmiddels verworden tot een cursus met alleen maar
    juridische inhoud, waarmee de SSR deze cursus heeft ingepast in het
    oude denken. De Rechercheschool zou een aantal modulen uit het
    rapport-Behling in samenwerking met de NPA en het
    Politiestudiecentrum ontwikkelen. Het gaat daarbij om modulen voor
    het management, bijvoorbeeld hoe het management zich kan beveiligen
    tegen corruptie in haar organisatie. De ontwikkeling van die
    modulen verloopt niet soepel.

    Van de zijde van de Rechercheschool wordt opgemerkt dat er
    bij de NPA en het Politiestudiecentrum niet is

    voorzien in een +infrastructuur; om ontwikkelingen in de
    praktijk te volgen en te vertalen in het onderwijs. De mate waarin
    een opleidingsinstituut op de hoogte is van en aandacht besteedt
    aan opsporingsmethoden zoals ze plaatsvinden in de praktijk of tot
    voor kort plaatsvonden, hebben duidelijk te maken met de relatie
    die de Rechercheschool zelf onderhoudt met de praktijk.
    Recherche-onderwijs valt niet geheel los van de praktijk te
    ontwikkelen. De veronderstelling bij de Rechercheschool is dat
    andere opleidingsinstituten te weinig voeling hebben met de
    praktijk.

    2.4.5 Adviescommissies, overleg- en
    covrdinatie-organen

    Recherche adviescommissie (RAC)

    De RAC is ingesteld bij gemeenschappelijke beschikking van de
    ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie van 31 juli 1969.
    Noot
    De taak van de RAC is de ministers van Binnenlandse Zaken en
    Justitie desgevraagd dan wel op eigen initiatief te adviseren over
    de meest doelmatige inrichting en werking van de recherchediensten
    van de Nederlandse politie en de uitrusting van deze diensten met
    technische apparatuur en administratieve hulpmiddelen. Hierbij
    behoren ook de bevordering van een doelmatige tactische,
    administratieve en technische assistentie ten behoeve van de
    opsporing van strafbare feiten.

    De RAC wordt voorgezeten door een procureur-generaal en bestaat
    verder uit leidinggevende politie-ambtenaren, ambtenaren van het
    departement Justitie, officieren van justitie en iin
    korpsbeheerder. De RAC kan, indien zij daar voor de goede
    vervulling van haar taak behoefte aan heeft, uit haar midden
    werkgroepen instellen voor de bestudering van specifieke problemen.
    Daarnaast kan de RAC zich zowel in haar plenaire vergaderingen als
    in haar werkgroepen laten bijstaan door deskundigen. De RAC heeft
    over tal van onderwerpen, zowel op technisch als op organisatorisch
    gebied, geadviseerd.

    Enkele RAC-adviezen:
    rapport werkgroep Afluisteren (1981), rapport werkgroep
    Informanten en tipgelden (1983), rapport werkgroep
    Pseudokoop (1984), rapportages werkgroep
    Misdaadanalyse
    (1986 en 1991), rapport werkgroep Direct Afluisteren (1991),
    rapport Zware Milieucriminaliteit (1992), Brief werkgroep

    Infiltratie (juli 1993), rapport De Leugendetector (oktober
    1993), Projekt harmonisering nationale
    informatiehuishouding
    georganiseerde misdaad (oktober 1993).

    De adviezen van de RAC hebben weliswaar invloed, maar zijn niet
    bindend. De status van de adviezen blijkt af te hangen van de
    reactie op hoog ambtelijk en politiek niveau. Wanneer een advies
    niet, of pas na lange tijd, door richtlijnen en wetgeving wordt
    gevolgd, krijgt het RAC-advies een eigen status. Voorstanders
    zullen zich op een RAC-advies beroepen, terwijl tegenstanders van
    een bepaald advies erop wijzen dat het advies niet bindend is.

    Covrdinerend beleidsoverleg (CBO)

    Het CBO is een adviesorgaan ten behoeve van het College van
    procureurs-generaal. Tot de instelling van het CBO is besloten in
    de Vergadering van de procureurs-generaal van 8 januari 1992. De
    taakopdracht van het
    CBO is vastgelegd in een notitie van 7
    februari 1992. De belangrijkste taken van het

    CBO zijn:
    van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit; –
    advisering van de Vergadering van procureurs-generaal over
    landelijke prioriteiten met name op het gebied de politie
    betreffende in relatie tot de bestrijding van zware criminaliteit
    zoals bijvoorbeeld
    infiltratie, – advisering van de
    Vergadering van procureurs-generaal over allerlei onderwerpen het
    openbaar ministerie en opsporingstechnieken, teamvorming,
    wetgeving, enzovoort; – onderneming van zelfstandige actie, zoals
    het doen van een landelijke analyse envoorbereiding van de
    uitvoering van het beleidsplan zware criminaliteit.

    Het CBO bestaat thans uit de zes hoofdofficieren die
    verantwoordelijk zijn voor een kernteam, plus de landelijk
    hoofdofficier die aan het hoofd staat van het Landelijk bureau
    openbaar ministerie en die het bevoegd gezag uitoefent over het
    landelijk rechercheteam. Drie leden van de Raad van
    Hoofdcommissarissen zijn adviserend lid; het hoofd van de CRI woont
    de vergaderingen bij.

    Raad van Hoofdcommissarissen

    De Raad van Hoofdcommissarissen is een overlegvorm van de chefs van
    de 25 regionale politiekorpsen en de chef van het korps landelijke
    politiediensten. Er bestaat geen instellingsbesluit of officikle
    taakomschrijving van de Raad van Hoofdcommissarissen. De Raad van
    Hoofdcommissarissen is per 1 januari 1994 van start gegaan en
    daarmee in feite een voortzetting van het Covrdinerend
    politieberaad (CPB), dat sinds 1984 bestond. Aan het Covrdinerend
    Politieberaad was destijds de zogeheten Centrale politie recherche
    commissie (CPRC) opgehangen. De belangen die de CPRC behartigde
    zijn te vergelijken met de adviescommissies bij de Raad van
    Hoofdcommissarissen.

    De Raad van Hoofdcommissarissen streeft de volgende
    doelstellingen na:
    (onder andere positie, taak, functie en werkwijze politie);
    – het ontwikkelen en uitdragen van visies met betrekking tot alle
    voor de politie relevante aangelegenheden

    • fungeren als aanspreekpunt voor alle aangelegenheden die de
      politie betreffen;
    • bevorderen van een eigentijds beeld over de politie in de
      samenleving;
    • bevorderen van de eigen professionaliteit van de
      politie;
    • adviseren aan gezags- en beheersinstituties over de
      politie.
      De Raad van Hoofdcommissarissen heeft leden afgevaardigd in het
      Covrdinerend beleidsoverleg (CBO). De Raad heeft een aantal
      adviescommissies, waaronder de Adviescommissie criminaliteit (ACC).
      De adviescommissies worden voorgezeten door een lid van de Raad van
      Hoofdcommissarissen en zijn verder samengesteld uit andere leden
      van de Raad en vertegenwoordigers uit het politieveld, die in
      beleidsmatig opzicht deskundig zijn op een bepaald terrein.

    Hoofdofficierenberaad

    De hoofdofficieren van justitie hebben zich verenigd in het
    Hoofdofficierenberaad. Er bestaat geen instellingsbesluit of
    officikle taakomschrijving van dit beraad. Het
    Hoofdofficierenberaad is vertegenwoordigd in het Covrdinerend
    Beleidsoverleg (CBO) en het College van procureurs-generaal.

    Begeleidingscommissie CID

    De Begeleidingscommissie CID werd op grond van artikel 15
    CID-regeling 1986 in het leven geroepen. Deze had tot taak de
    politikle samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen te
    gevorderen en te begeleiden alsook de reorganisatie van de politie
    te begeleiden.

    Daarbij moest de Begeleidingscommissie uitdrukkelijk aandacht
    besteden aan het toetsen van de bruikbaarheid van de CID-regeling;
    – de ontwikkeling van een adequate automatiseringsapplicatie ten
    behoeve van de uitvoering van de CID-regeling; – de opleiding van
    CID-functionarissen; – de wenselijkheid om tot een eventuele
    herschikking van sterkte van Regionale
    criminele
    inlichtingendiensten (RCID) over te gaan op basis van
    feitelijke werkdruk;- de toekomstige indeling c.q. spreiding
    van
    observatieteams van gemeente- en rijkspolitie; – de
    relatie van de
    CID met bijzondere opsporingsdiensten,
    politieke inlichtingendiensten, Interpol en soortgelijke
    buitenlandse diensten.
    Noot

    De Begeleidingscommissie CID is op 1 april 1993 opgeheven.
    Noot Na een periode van bijna twee jaar hebben de
    politieministers een Raad van advies voor de CID ingesteld.
    Noot Deze raad zal slechts adviezen aan de ministers
    geven. De CID-regeling 1995 voorziet niet in een met de
    begeleidingscommissie vergelijkbaar instituut. Wellicht neemt het
    op 18 en 19 mei 1995 voor het eerst bijeen gekomen Landelijk
    platform van CID-officieren een deel van de functie van de
    Begeleidingscommissie over.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken