• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 4.1 Inleiding

    4 TACTISCHE RECHERCHE

    4.1 Inleiding

    4.1.1 Algemene introductie

    Als afzonderlijke eenheid binnen de politie verwerft de
    recherche voor het eerst rond 1900 een eigen positie. De opkomst en
    de institutionalisering van de recherche volgen in feite de
    ontwikkelingen van het bestaande politiebestel. In het begin van de
    20ste eeuw wordt in gemeentepolitiekorpsen een organisatorische
    scheiding aangebracht tussen de algemene politiedienst en de
    justitile dienst. In de kiem ligt hierin de latere tweedeling
    tussen surveillancedienst en recherche. Bij de rijkspolitie
    voltrekt de vorming van centraal georganiseerde, specialistische
    recherche-onderdelen zich pas in de periode 1965-1980. Er komen
    recherchegroepen naast de reeds bestaande, lokaal georinteerde
    landgroepen. Noot De functie van de tactische recherche
    laat zich het best omschrijven wanneer daarbij het proces van
    specialisatie binnen de recherche wordt betrokken. Zo is de
    criminele inlichtingendienst (CID) als afzonderlijke eenheid binnen
    de politie ontstaan door taken van de klassieke, algemene
    recherche-eenheden af te splitsen. Andere specialismen binnen de
    politie zijn bijvoorbeeld de observatieteams (OT), arrestatieteams
    (AT), de technische recherche en de sectie technische ondersteuning
    (STO). In dit hoofdstuk gaat het om de tactische recherche. De term
    tactisch wordt vaak gebruikt ter onderscheiding van de technische
    recherche (TR). De technische recherche is de specialistische
    afdeling die al sinds het begin van deze eeuw het technische bewijs
    levert in onderzoeken. De technische recherche stelt sporen, zoals
    vingerafdrukken, deuken en bloedsporen, veilig op de plaats van het
    delict, identificeert deze en verricht natuurkundig en scheikundig
    onderzoek op materiaal dat op de plaats van het delict is
    aangetroffen. Noot De technische recherche werkt ten
    behoeve van het tactisch recherche-onderzoek.

    De tactisch rechercheur verzamelt inlichtingen met betrekking
    tot strafbare feiten en personen die ervan verdacht worden zich
    schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Dit
    heeft tot doel de onderliggende strafzaken bij het openbaar
    ministerie aan te brengen ter afdoening. Noot De
    tactisch rechercheur is derhalve georinteerd op het aanleveren van
    bewijsmateriaal voor concrete zaken. Binnen het totale onderzoek
    zal de tactische recherche gebruik (moeten) maken van de
    noodzakelijke specialisten en ondersteunende diensten, zoals de
    technische recherche, de criminele inlichtingendiensten, de
    observatieteams en andere ondersteunende eenheden.

    In de laatste vijfentwintig jaren is de positie van de tactische
    recherche als afzonderlijke dienst binnen de politie veranderd. Die
    veranderingen hangen samen met een wisselende waardering voor de
    positie van de recherche als justitile politiedienst.

    Het rapport Politie in Verandering (1977) heeft
    aanvankelijk bijgedragen aan een verankering van een groot deel van
    de recherchefunctie binnen de basispolitiezorg. Het recherchewerk,
    dat op die plaats in het korps plaatsvond, betrof in die periode
    vooral de aanpak van kleine en middelgrote vormen van
    criminaliteit. Zowel in kringen van de politie als justitie
    ontstaat in de tweede helft van de jaren tachtig onvrede over de
    wijze waarop fraude en milieucriminaliteit worden aangepakt en met
    name ook over de wijze waarop wordt opgetreden tegen de
    georganiseerde misdaad. Vooral met het oog op dat laatste werd een
    efficintere en effectievere politie-organisatie nagestreefd. Op
    politiek niveau werd dit streven ondersteund, enerzijds omdat met
    de stijging van de criminaliteitscijfers de misdaadbestrijding
    hoger op de politieke agenda kwam, maar anderzijds ook omdat de
    werkdruk van politie en justitie sterk toenam en de resultaten van
    het politie-optreden niet bijzonder gunstig leken. Deze
    ontwikkelingen vormden belangrijke stimulansen tot onderzoek naar
    georganiseerde criminaliteit door afzonderlijke tactische
    recherche-eenheden. Thans voltrekt het tactisch recherchewerk zich,
    als gevolg van deze ontwikkelingen, op diverse organisatorische
    niveaus binnen de politie. Een deel van de tactische recherche is
    namelijk gentegreerd in de basiseenheden. In tweede plaats vindt
    tactisch recherchewerk plaats door de districtsrecherche. Ten derde
    zijn permanente regionale tactische teams voor de bestrijding van
    de georganiseerde criminaliteit. Deze regionale teams worden vaak
    aangevuld met ambtenaren van andere eenheden van binnen of buiten
    de politie. Noot Daarnaast opereert de tactische
    recherche in verschillende interregionale samenwerkingsverbanden.
    Bedoeld worden hier de Recherche Bijstandsteams (RBT’s) en de
    kernteams (Interregionale Rechercheteams-IRT’s) waaronder het
    landelijk rechercheteam (LRT). Noot RBT’s worden op ad
    hoc basis samengesteld naar aanleiding van capitale
    delicten als ontvoeringen, gijzelingen en moorden. Voor de RBT’s
    houden de verschillende regiokorpsen capaciteit vrij en lenen zij
    zonodig hun rechercheurs uit.
    Het onderwerp van dit hoofdstuk is het algemene recherchewerk, met
    name in het kader van onderzoeken naar georganiseerde
    criminaliteit, in de regionale recherche-afdelingen van de
    politiekorpsen. De afdelingen tactische recherche hebben geen
    expliciete wettelijke basis. Ook het Besluit beheer regionale
    politiekorpsen (Stb 1994, 224) noemt geen verplichte aanwezigheid
    van recherche-eenheden. Het bestaan van een tactische recherche
    ligt wellicht zo voor de hand dat nadere regeling niet nodig
    leek.

    4.1.2 Opbouw van het hoofdstuk

    In het rapport Opsporing gezocht zijn geen vragen genoemd
    die expliciet zijn toegesneden op de tactische recherche. Wel zijn
    enkele vraagpunten over opsporingsorganisaties geformuleerd die
    richtinggevend zijn voor de inhoud van dit hoofdstuk:

    8A. Hoe vindt feitelijk de sturing vooraf en de controle
    achteraf van de politie door het OM en de rechters-commissarissen
    over het gebruik van opsporingsmethoden plaats?
    8B. Hoe zou de sturings- en controlestructuur van de politie kunnen
    worden verbeterd? 8D. Hoeveel politie- en justitiefunctionarissen
    zijn betrokken bij de strijd tegen de zware, georganiseerde
    criminaliteit?

    9E. Hoe is de informatie-uitwisseling tussen de lokale
    recherche, regionale recherche en de
    kernteams over het
    gebruik van opsporingsmethoden en de verkregen criminele
    informatie?

    In dit hoofdstuk wordt eerst de organisatie van de tactische
    recherche beschreven. Het gaat dan om haar taak, haar plaats binnen
    het korps met bijzondere aandacht voor haar relatie met de CID en
    de ondersteunende eenheden, alsmede de opleiding (4.2). Daarna
    wordt beschreven hoe de beslissing tot stand komt een bepaalde zaak
    tactisch te onderzoeken, hoe de beslissing tot stand komt daarin
    van bijzondere opsporingsmethoden gebruik te maken en hoe de
    verslaglegging respectievelijk het opmaken van proces-verbaal
    geschiedt (4.3). Vervolgens komen de samenwerking en cordinatie
    tussen de regionale recherche-afdelingen, de samenwerking en
    cordinatie tussen de regionale recherche en de Divisie centrale
    recherche-informatie (CRI), de internationale samenwerking en de
    samenwerking met andere onderzoekseenheden aan de orde (4.4). Deze
    paragraaf beantwoordt vraag 9E van Opsporing gezocht, met
    dien verstande dat de informatie-uitwisseling ook aan de orde kwam
    in het vorige hoofdstuk. Het laatste deel van de bevindingen gaat
    over de sturing van en controle op de tactische recherche. Dit
    hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies.


    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken