• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 3.6 Kennemerland

    3.6 Kennemerland

    Bij het IRT en het verdere vervolg van de Delta-methode speelde de
    CID van de politieregio Kennemerland een belangrijke rol. Onder
    verantwoordelijkheid van de CID Kennemerland blijkt de methode ook
    na de ophefffing van het IRT te zijn toegepast. In het onderzoek
    van de commissie zijn nieuwe feiten naar voren gekomen die een
    ander licht werpen op de door het IRT toegepaste Delta-methode.

    3.6.1 Afbouw trajecten informanten

    Na de opheffing van het IRT werd besloten enkele informanten
    formeel af te bouwen, dat wil zeggen niet meer van hun diensten
    gebruik te maken. De politie in Haarlem was van mening dat de
    informanten daadwerkelijk het risico liepen geliquideerd te worden.
    Langendoen stelde dat dit het geval was. Langendoen en Van Vondel
    brachten vervolgens een bezoek aan de informant in een ver
    buitenland. Ten behoeve van de afbouw van informant 1 werd Van
    Vondel, die inmiddels een particulier recherchebureau was begonnen,
    weer in dienst van de politie Kennemerland genomen.

    De voorzitter :
    Op 1 februari 1994 gaat u weg, maar u blijft daarna
    betrokken bij het runnen van
    informanten.
    De heer Van Vondel:
    Ja.
    De voorzitter:
    Hoe kan dat? U bent niet meer in politiedienst, maar blijft
    toch
    informanten runnen.
    De heer Van Vondel:
    Op een gegeven moment ben ik bij de politie weggegaan. Op
    uitdrukkelijk verzoek van mijnheer Straver van het regiokorps
    Kennemerland ben ik toen teruggekomen. Door publikaties in de pers
    waren heel veel mensen zodanig in problemen gekomen, dat zij
    ondersteuning nodig hadden. Mijnheer Straver heeft mij toen
    gevraagd om terug te komen.
    Noot

    Ten behoeve van de informanten 1 en 2 werden specifieke maatregelen
    getroffen.

    Informant 1:
    6.000 kilo

    Informant 1 moest naar het oordeel van de politie van
    Kennemerland worden afgebouwd. Er was echter nog een partij van
    6.000 kilo softdrugs onderweg. Indien deze partij van 6.000 kilo in
    beslag zou worden genomen, zou de identiteit van de informant
    bekend worden, aldus Langendoen. De verwachting was dat de
    informant vervolgens geliquideerd zou worden.

    De heer De Beaufort:
    (…) Wat was er nou aan de hand? Er was een oude
    IRT-informant die – ik praat uit mijn hoofd en daarom is het
    mogelijk dat ik me hierbij vergis – was benaderd vanuit de
    criminele wereld en er moet iets gezegd zijn in de volgende trant:
    luister eens, wij hadden nog een afspraak dat jij 6.000 kilo voor
    ons zou doorleveren en ons daarbij zou assisteren; als je dat niet
    doet, zwaait er wat voor je. Zwaait er wat voor je is voorzichtig
    uitgedrukt. Dat er iets zwaaide voor die
    informant was
    manifest duidelijk. Iedereen in Haarlem kon begrijpen dat dat een
    realiteit was, tenzij er hier van een verschrikkelijk complot
    sprake was, waardoor wij allemaal op het verkeerde been werden
    gezet. Dat er dreigingen waren aan het adres van die

    informant, was op het eerste gezicht evident.
    Noot

    De politie in Kennemerland, het OM in Haarlem en de
    procureur-generaal in het ressort Amsterdam gingen in de zomer van
    1994 akkoord met het doorlaten van 6.000 kilo softdrugs. Onder
    regie van politie en justitie is daardoor 6.000 kilo softdrugs op
    de markt terecht gekomen.

    De voorzitter:
    Voelde u zich toen ook voor het blok gesteld?
    De heer Straver:
    Het was verrassend dat het zo lang duurde. Kijk, die
    pijplijn kon op ieder moment worden afgestopt. De heer Lith heeft
    dat ook heel goed aangegeven. Als de criminele organisatie weer een
    partij in het buitenland wilde bestellen en daarbij de medewerking
    van de
    informant nodig had, dan werd dat besproken. Maar als
    door het OM het sein eenmaal op groen was gezet voor de levering
    van een partij, dan moest die wel uit de pijplijn komen. Dat was al
    voorzien in november 1993.
    De voorzitter:
    Maar het is toch eigenlijk niet meer terug te vinden waar
    het OM precies toestemming voor gegeven heeft? Dat geldt ook voor
    die laatste partij, die afbouwpartij. De heer De Beaufort zei hier:
    ik voelde mij voor het blok gesteld, het was een zaak van leven en
    dood, de korpsleiding vroeg het mij.
    De heer Straver:
    Ja, dat klopt.
    De voorzitter:
    Voelde u zich dan niet voor het blok gesteld?
    De heer Straver:
    Ja, ik voelde mij ook voor het blok gesteld. Kijk, mijnheer
    Van Traa, u moet dat zo zien. Als er normaal nog een partij was
    gekomen die in de pijplijn zat, had die misschien best kunnen
    worden geveegd. Dan had de
    informant misschien best aan een
    verhaal kunnen worden geholpen waarmee hij zich bij de

    criminele organisatie kon verantwoorden. Maar wij zaten in een
    heel andere situatie, namelijk dat de positie van de
    informant
    door alle gelek rondom de methode uitermate precair was
    geworden.
    Noot Procureur-generaal Van Randwijck was
    dezelfde mening toegedaan.

    De heer Koekkoek:
    (…) Vond u het in dit geval nodig om het aan de minister
    van Justitie te melden?
    De heer Van Randwijck:
    Dat heb ik niet gedaan. Ik vond het op dat moment ook niet
    nodig, omdat wij in een fuik waren gelopen. Wij konden geen kant
    uit.
    De voorzitter:
    De informant had dus in feite de sturing
    overgenomen.
    De heer Van Randwijck:
    Nee, die had de sturing niet overgenomen, want in een
    dergelijke noodtoestand kun je nauwelijks nog van sturing spreken.
    Een noodtoestand houdt een volstrekt gebrek aan sturing
    in.
    De heer Koekkoek:
    U wilt hiermee zeggen dat de toen zittende minister er toch
    niets aan had kunnen veranderen, zodat het geen zin had om het hem
    te melden, ondanks dat er inmiddels een werkgroep-Van Traa aan de
    gang was? Er was geen andere keuze?
    De heer Van Randwijck:
    Juist. Noot Daarnaast werden nog meerder
    containers doorgelaten om de veiligheid van de informant te
    waarborgen. De commissie heeft gerede twijfels of daadwerkelijk
    sprake was van een bedreiging van de informanten. Informant 1 was
    feitelijk, na het bezoek van Van Langendoen en Van Vondel aan hem
    in het buitenland, afgebouwd. Opmerkelijk is dat informant 1 in
    juni 1994 onder een andere naam weer als informant bij de CID
    Kennemerland wordt ingeschreven. Het is de vraag in hoeverre
    Langendoen en Van Vondel de bedreiging van de informanten gebruikt
    hebben om de methode doorgang te kunnen laten vinden. Zij hebben de
    Haarlemse korpsleiding en de betrokken leden van het OM hierover
    niet ingelicht.
    Informant 2:
    2 miljoen

    Informant 2 was gedurende enige jaren informant bij de CID
    Kennemerland en was onder meer betrokken bij de XTC-transporten
    naar Engeland. Na de opheffing van het IRT was de relatie met
    informant 2 beindigd. In de zomer van 1994 voelde informant 2 zich
    bedreigd vanuit de Delta-organisatie. Perspublicaties die volgens
    de CID en de CRI zijn identiteit zouden kunnen onthullen, waren
    aanleiding om hem te beveiligen. De hoofdofficier van Justitie en
    de landsadvocaat meenden dat de bedreiging mede was veroorzaakt
    door onzorgvuldig optreden van de overheid. De informant eiste een
    grote afkoopsom en dreigde publiciteit te zoeken en de staat in
    kort geding te dagvaarden. Om die reden werd door het ministerie
    besloten om informant 2 een bedrag te geven om hem in staat te
    stellen op een onbekende plaats een nieuw bestaan op te bouwen. Uit
    een onderzoek door een CRI-accountant naar de gewenste hoogte van
    dit bedrag, bleek dat informant 2 criminele inkomsten had behouden
    en geen tipgelden had ontvangen. Ook bleek dat hij nog een grote
    vordering op de criminele organisatie had wegens zijn diensten bij
    een omvangrijke transactie. Noot In verband met de
    ontvangst van dit bedrag zou informant 2 hebben afgezien van
    tipgeld. Hij eiste nu compensatie door de staat. Hoofdofficier De
    Beaufort stelde in een ambtsbericht van 18 augustus 1994 dat hem
    inmiddels was gebleken dat het wegstrepen van tipgelden tegen
    behouden criminele winsten vaker voorkwam en dat in contacten met
    criminele informanten regelmatig dergelijke afspraken werden
    gemaakt. De Beaufort erkende in zijn ambtsbericht dat sprake was
    van mogelijkheden tot chantage van de overheid. Noot Hij
    stelde korpsbeheerder Schmitz op de hoogte van de voorgenomen
    afbouw. Het ministerie meende dat het onverstandig is om als
    overheid zelf veiligheidsrisico’s te dragen, maar dat de overheid
    wel gehouden is om de informant naar redelijkheid in de positie te
    brengen waarin deze zelf maatregelen kan nemen. Noot Op
    de dag van haar ambtsaanvaarding werd minister Sorgdrager de zaak
    voorgelegd. Zij besloot conform de adviezen van de landsadvocaat en
    de ambtelijke top informant 2 een bedrag toe te kennen van 2
    miljoen gulden. Dit bedrag was gebaseerd op de kosten voor
    identiteitsverandering, reis- en verblijfkosten, levensonderhoud
    gedurende een aantal jaren, alsnog tipgeld en een vergoeding voor
    immaterile schade. De uit te keren afbouw vond plaats door middel
    van een door de staat en de informant ondertekende akte van
    dading.

    De heer De Graaf:
    Dan de afbouw van een informant. Er heeft
    vorig jaar een
    afbouw plaatsgevonden, zoals het in het
    jargon is genoemd. Wat betekent dat precies, een

    afbouw?
    De heer Wooldrik:
    Het IRT was ontploft en de informant kon,
    doordat het
    IRT er niet meer was, zijn activiteiten niet
    meer ontplooien. Door allerlei rumoer eromheen, het bekend worden
    in de pers en wat dies meer zij, was er de vrees dat zijn
    identiteit bekend kon worden. Hij moest dus uit die operatie worden
    teruggetrokken op een zodanige manier dat zijn identiteit geheim
    bleef. Dat noemen wij het
    afbouwen van een
    informant.
    De heer De Graaf:
    Heel concreet, wat gebeurt er van de zijde van uw
    ministerie?
    De heer Wooldrik:
    U hebt het over dat ene geval, h?
    De heer De Graaf:
    Ik heb het over dat ene geval.
    De heer Wooldrik:
    Ik heb het niet zelf behandeld. Vorig jaar zomer is het
    afgewikkeld. Er is een voorstel gedaan door, ik dacht, in dit geval
    de regio Kennemerland om de
    informant op een bepaalde manier
    af te bouwen. Er is advies gevraagd aan de landsadvocaat. Er is ook
    een soort accountantsonderzoek van de
    CRI geweest om te zien
    wat de vermogenspositie van deze
    informant was. Op grond
    daarvan en van de bijdrage die hij in het verleden had geleverd, is
    op een gegeven moment een bepaald bedrag tot stand
    gekomen.
    De heer De Graaf:
    Als de CRI-accountant een vermogensonderzoek deed, was
    de
    informant dus ook bij die accountant
    bekend.
    De heer Wooldrik:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Met naam en toenaam?
    De heer Wooldrik:
    De informant was niet bij ons, maar wel bij het veld
    bekend.
    De heer De Graaf:
    Bij wie in het veld?
    De heer Wooldrik:
    In dit geval de CID-officier Haarlem, denk
    ik.
    De heer De Graaf:
    Ook bij de CRI?
    De heer Wooldrik:
    Bij de CRI denk ik ook wel.
    De heer De Graaf:
    U zegt dat een vermogensonderzoek heeft plaatsgevonden. Dan
    moet iemand bij de
    CRI weten wie het is.
    De heer Wooldrik:
    Of je de naam moet weten of voldoende gegevens kunt krijgen
    om een oordeel te vormen, is natuurlijk de kwestie. Er is een
    rapport over gemaakt.
    De voorzitter:
    Waar kreeg die mijnheer of mevrouw nu voor betaald?
    De heer Wooldrik:
    Dat is nu het geheim van de dading. Dat laat je in het
    midden. Er is een claim, een wens, een verlangen. Het element van
    schadevergoeding is ook van de andere kant naar voren gebracht. Wij
    hebben in het midden gelaten waar het voor is. Wij vonden dat de
    Staat der Nederlanden ervoor verantwoordelijk was dat de man
    dreigde af te branden. Er waren in de pers gesprekken gepubliceerd
    die konden leiden tot vaststelling van de identiteit van deze
    figuur. Het was een morele verplichting die de Staat der
    Nederlanden op zich had genomen. Wij vonden dat het leven van die
    man moest worden beschermd en dat wij hem bovendien de kans moesten
    geven, zijn schepen hier achter zich te verbranden en ergens anders
    opnieuw te beginnen. Daar is een bepaald bedrag uit
    gekomen.
    De voorzitter:
    Als ik bij Justitie kom en ik zeg dat ik mijn schepen achter
    mij wil verbranden, zegt Justitie niet: komt u binnen, wij zullen
    een
    accountant naar u toe sturen.
    De heer Wooldrik:
    Mijn antwoord duurde vrij lang, omdat ik een heleboel
    argumenten heb genoemd die van belang zijn geweest voor die
    dading.
    De voorzitter:
    Een morele verplichting schept toch nog geen
    verbintenis?
    De heer Wooldrik:
    De overheid, de Staat der Nederlanden, heeft gedurende enige
    tijd gebruik gemaakt van die
    informant. Door een geweldige
    ontploffing verdween het team, om welke reden dan ook; die laat ik
    nu maar in het midden. Hierdoor kwam zijn veiligheid in gevaar. Er
    waren ook andere dingen in de publiciteit gekomen. Ik vind dat de
    Staat der Nederlanden dan wel een zekere verantwoordelijkheid
    heeft.
    De heer De Graaf:
    Als er een bedrag wordt gereserveerd om een informant
    weg te helpen, moet er enige aanleiding zijn om dat geld ter
    beschikking te stellen. Heeft die
    informant niet zelf
    vermogen uit criminele activiteiten opgebouwd?
    De heer Wooldrik:
    Dat was het onderwerp van het vermogensonderzoek van de
    CRI. De accountant moest bekijken hoe het zat, voorzover
    je daar ooit achter komt.
    De heer De Graaf:
    Wilt u mijn vraag beantwoorden? Was dat zo?
    De heer Wooldrik:
    Hij had ook criminele inkomsten, ja. Degene die de
    informant heeft ingeschakeld en van hem gebruik heeft gemaakt,
    wist dat. Die heeft dat namens de Staat der Nederlanden
    gedaan.
    De voorzitter:
    Hoe weten wij dat hij het namens de Staat der Nederlanden
    heeft gedaan? Of gaan wij daarvan uit?
    De heer Wooldrik:
    Als politie en justitie iets doen, doen zij dat, denk ik,
    namens de Staat der Nederlanden.
    De voorzitter:
    Hebben die een onbeperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid
    voor de abstractie de Staat der Nederlanden?
    De heer Wooldrik:
    Nee, nu komt u met allerlei civielrechtelijke constructies
    aanzetten. Ik houd het heel simpel.
    De voorzitter:
    Hoeveel kreeg die man nu mee?
    De heer Wooldrik:
    U wilt het bedrag weten? U weet het al.
    De voorzitter:
    Ik weet het niet exact.
    De heer Wooldrik:
    Ik dacht dat de heer De Graaf het wel weet. Ik zeg het
    liever niet.
    De voorzitter:
    Maar het is meer dan 1 mln.?
    De heer Wooldrik:
    Ja. Noot

    3.6.2 Methode verder ontwikkeld

    Nadat het IRT in december 1993 werd opgeheven, werd de methode
    van het doorlaten van drugs met hulp van een criminele
    burgerinfiltrant en onder regie van de politie gecontinueerd. Onder
    leiding van CID-chef Kennemerland Langendoen en CID-runner van
    Kennemerland Van Vondel werden vele containers Nederland
    binnengebracht zonder dat politie en justitie de drugs in beslag
    namen. Van Vondel was gedurende een deel van deze periode niet meer
    in dienst bij de politie, maar had een eigen recherchebureau. Ten
    behoeve van onderzoeken voor de politieregio’s Rotterdam-Rijnmond
    en Gooi en Vechtstreek werden containers met drugs doorgelaten. Op
    die manier hoopten betrokkenen voldoende informatie te verzamelen
    over de activiteiten van de verschillende criminele organisaties.
    Begin 1995 ontvingen de hoofdofficieren in Haarlem en Rotterdam
    berichten dat de methode nog steeds werd gebruikt, waarbij
    medewerkers van de RCID Kennemerland actief waren. Mede op voorstel
    van de Haarlemse korpschef en hoofdsofficier, en de Rotterdamse
    hoofdofficier stelde het College van procureurs-generaal een
    rijksrecherche-onderzoek in. In mei 1995 ging het
    rijksrecherche-onderzoek van start naar de organisatie en het
    functioneren van de RCID Kennemerland en, in relatie daarmee, het
    functioneren van de korpsleiding van het regiokorps Kennemerland
    alsmede de verantwoordelijke leden van het OM te Haarlem. De
    opdracht aan het rijksrechercheteam luidde: Het verrichten van
    een zo grondig mogelijk feitenonderzoek over de activiteiten, het
    functioneren en de werkwijze van de
    RCID Kennemerland
    gedurende de periode 1990 – heden. Bijzondere aandacht behoort
    daarbij te worden geschonken aan het gebruik van bijzondere
    opsporingsmethoden. Tevens dienen de verantwoordelijkheid voor
    de
    RCID en de RCID-operaties, zowel bij politie als OM in
    kaart te worden gebracht. Het onderzoek moet resulteren in een
    rapportage met conclusies en aanbevelingen.
    Noot

    Het onderzoek heeft tot doel, om mede op basis van een aantal
    concrete CID-operaties, het feitelijk functioneren van de
    CID
    in kaart te brengen, afgezet wat op basis van de geldende
    wettelijke – en andere regelingen en een adequaat functionerend
    toezicht op deze dienst, zou mogen worden verwacht. In het
    onderzoek zal de relatie en communicatie van de
    CID met de
    eigen korpsleiding en het terzake bevoegde en verantwoordelijke OM
    mede worden gevalueerd.
    Noot

    De commissie heeft zich doorlopend op de hoogte laten stellen
    van de voortgang van het rijksrecherche-onderzoek. De commissie
    heeft enkele malen met beide ministers gesproken over de voortgang
    van het onderzoek.

    3.6.3 Doorlaten harddrugs

    De commissie heeft enkele gevallen aangetroffen waarin harddrugs
    met medeweten van politie op de markt terecht zijn gekomen.
    In 1991 bezochten twee medewerkers van de CID Kennemerland met een
    informant de haven van Rotterdam. De informant heeft daarbij vijf
    kilo harddrugs van het schip gehaald. Het is onduidelijk wat er met
    deze vijf kilo is gebeurd. Het is aannemelijk dat deze kilo’s op de
    markt terecht zijn gekomen. Volgens de douane is medio 1992 door
    twee medewerkers van de CID-Kennemerland een container in Amsterdam
    gecontroleerd. In die container werd 30 kilo harddrugs
    aangetroffen, die werd meegenomen door de rechercheurs. De
    betreffende container maakte deel uit van een zending van twee
    containers met koffie. De CID Kennemerland gaf aan voor de andere
    container geen belangstelling te hebben. Toen de douane deze
    container toch controleerde, werden twee koffers met elk 26 kilo
    harddrugs aangetroffen. In juni en november 1992 is een aantal kilo
    cocane doorgelaten in Rotterdam. De CID Kennemerland runde in deze
    zaak een informant. Volgens Langendoen is de cocane in het milieu
    terecht gekomen, doordat een communicatiefout ontstond tussen het
    observatieteam en de tactische recherche in Rotterdam, waardoor ze
    de partij kwijt raakten. Vanuit Rotterdam is verklaard dat de
    cocane moest worden doorgelaten om de informant in de ogen van de
    criminele organisatie meer vertrouwen te laten krijgen. Langendoen
    ontkent dit ten stelligste. Noot

    3.6.4 De sapman

    De commissie heeft tijdens haar onderzoek geconstateerd dat de
    CID Kennemerland betrokken was bij de verwerking van de deklading
    van de containers waarin de drugs waren verborgen. Het ging deels
    om vaten met extracten van vruchtensappen, waarin de drugs
    verborgen zaten. De CID Kennemerland had intensief contact
    met een producent van limonade in Belgi, aangeduid als de sapman.
    Via de sapman kon de CID Kennemerland zonder problemen dekladingen
    van containers met drugs afvoeren. De relatie tussen de sapman en
    medewerkers van de CID Kennemerland was dermate intensief dat nader
    onderzoek noodzakelijk bleek.

    Begin contact sapman

    De sapman kwam voor het eerst in contact met de CID Kennemerland
    na de cocane-vangst in IJmuiden in 1989. Toen was cocane verstopt
    in vaten vruchtenextract. De sapman kon de politie helpen bij het
    verwerken van deze vruchtenextracten.

    In september 1991 ging het bedrijf van de sapman failliet. Hij
    verkocht het bedrijf aan een ander. Het nieuwe bedrijf wilde
    vruchtensappen gaan importeren vanuit Marokko. De veronderstelling
    van sapman was dat de nieuwe eigenaar daarbij tevens drugs zou
    importeren. De sapman meldde zich bij de tactische recherche in
    Haarlem, die sapman overdroeg aan de CID. Vanaf dat moment ontstond
    intensief contact tussen de sapman en de CID Kennemerland.

    Volgens CID-chef Langendoen en CID-medewerker Van Vondel was
    sapman ingeschreven als informant. Noot In het
    informantenregister van de CID Kennemerland komt de sapman echter
    niet voor. De sapman verschafte de CID Kennemerland informatie over
    softdruglijnen en de algemene produktie en verwerking van
    vruchtensappen. Noot

    De sapman verwerkte in de navolgende periode alle vruchtensappen
    die als deklading werd gebruikt bij de containers met drugs die
    door de CID Kennemerland werden doorgeleverd. De CID Kennemerland
    scheidde de deklading van de drugs, vervoerde de drugs naar de
    criminele organisatie en schonk de deklading om niet aan de
    sapfabrikant. Volgens Langendoen zijn honderden tonnen
    vruchtensappen naar de sapfabrikant gegaan vanaf de CID
    Kennemerland. Noot

    Volgens de sapman gaat het om veel minder dan honderden tonnen
    sap. Hij verklaart naast sap geld van de CID Kennemerland verkregen
    te hebben dat ook gestort is op een borgrekening onder valse
    naam.

    Reis Van Vondel en sapman

    De verhouding tussen Van Vondel en de sapman roept de nodige
    vragen op. Van Vondel is in 1992 met de sapman op vakantie geweest
    naar Marokko. Van Vondel stelt uitdrukkelijk dat het hier gaat om
    een priv-reis. Langendoen heeft Van Vondel afgeraden naar Marokko
    te gaan met de sapman. Van Vondel erkende tijdens zijn openbare
    verhoor dat deze reis beter niet had kunnen worden gemaakt:
    achteraf gezien achtte Van Vondel dat niet professioneel.
    Noot Het blijft onduidelijk wat de sapman en Van Vondel
    beiden in Marokko hebben gedaan. Het is zeker dat zij een aantal
    vruchtensapfabrieken hebben bekeken.

    Bedrijf Zuid-Amerika

    In het voorjaar van 1992 ontstonden problemen tussen de sapman
    en de nieuwe eigenaar. In een daarop volgende rechtszaak dreigde
    sapman te verliezen. Hij dreigde op de zitting zijn samenwerking
    met de CID Haarlem uit de doeken te doen. Van Vondel heeft hem
    ontraden op de zitting iets te vertellen over zijn informantenrol.
    Van Vondel stelt echter dat hij sapman niets heeft aangeboden.
    Noot De sapman zegt in een gesprek met de commissie, via
    Van Vondel, te zijn benaderd door X, een investeerder uit Haarlem.
    X was een pseudo-identiteit van CID-chef Langendoen, die gebruik
    maakte van de naam van een bestaand persoon. Deze X zou volgens de
    sapman hem 200.000 gulden hebben gegeven om zijn activiteiten voort
    te zetten en een bedrijf in Zuid-Amerika op te bouwen dat sappen
    zou moeten exporteren naar Nederland. De sapman verklaart dat hij
    van Van Vondel en Langendoen meer dan drie miljoen gulden heeft
    gekregen. De sapman heeft daadwerkelijk een bedrijf opgericht in
    Zuid-Amerika eind 1993. Langendoen en Van Vondel ontkennen in hun
    openbare verhoren deze weergave van de gebeurtenissen door de
    sapman. De sapman zou van hen nooit geld gekregen hebben om een
    bedrijf in vruchtensappen op te richten. Langendoen en Van Vondel
    zouden nooit met de sapman hebben gesproken over de mogelijke rol
    van het bedrijf. Langendoen zou nooit als X geld hebben aangeboden
    aan sapman. Wel hebben Van Vondel en Langendoen met elkaar
    besproken of het bedrijf in Zuid-Amerika gebruikt kon worden als
    aanleverbedrijf voor vruchtenextracten aan criminele organisaties
    zodat zij nog meer controle zouden kunnen uitoefenen op de
    aanlevering van drugs. Die gedachte kwam op toen bleek dat de
    Colombianen in eigen land niet meer voldoende vruchtensappen konden
    krijgen als coverlading voor hun drugtransporten. De vier
    proefzendingen cocane van elk 25 kilo en de cocanelevering van
    5.000 kilo zouden via dit saptraject worden geleverd. Deze
    cocane-leveringen hebben nooit plaatsgevonden.

    Borgrekening onder pseudo-identiteit

    Medio 1993 hebben Langendoen en Van Vondel een borgrekening
    geopend. Op deze rekening is ongeveer een half miljoen gulden
    gestort. Van Vondel heeft zijn handtekening gezet onder het
    formulier waarmee de valse rekening werd geopend. Van Vondel en
    Langendoen stellen dat het verstrekken van deze identiteit nodig
    was om ervan verzekerd te kunnen zijn dat de dekladingen konden
    worden weggewerkt. Noot

    De heer Van Vondel:
    Het was absoluut noodzakelijk dat dat traject in stand
    bleef. Ik heb er niet echt zo specifiek over nagedacht. We hebben
    toen in de uitvoering van dit traject de beslissing genomen om dit
    zo te doen, zodat de voortgang gewaarborgd bleef.
    De heer Vos:
    En wist de officier van justitie hiervan?
    De heer Van Vondel:
    Nee, hij wist hier niet van. Noot Volgens Van
    Vondel was deze rekening een uitweg voor sapman om zijn zwarte
    verdiensten uit de verkoop van vruchtensappen op een rekening te
    zetten. Het is echter nauwelijks aannemelijk dat de sapman medio
    1993 al een half miljoen gulden verdiend zou kunnen hebben met het
    verkopen van door de CID Kennemerland aangeleverde vruchtensappen.
    Het overzicht van de containers die onder regie van de CID
    Kennemerland zijn ingevoerd maakt het zeer aannemelijk dat grote
    hoeveelheden sap pas in de tweede helft van 1993 op gang komen.

    Zuster van Langendoen

    Op 8 januari 1996 ontving de commissie van de rijksrecherche een
    verklaring van de zuster van Langendoen aan de rijksrecherche. Uit
    de verhoren was gebleken dat zij een rol speelde in het saptraject.
    Deze verklaring geeft meer inzicht over haar rol en duidt op een
    verdergaande betrokkenheid van Langendoen en Van Vondel bij de
    sapfabriek in Zuid-Amerika. Het onderstaande is gebasserd op de
    verklaring van Langendoens zuster. De commissie wil hierbij het
    volgende aantekenen. De zuster van Langendoen heeft op 18 december
    1995 een verklaring afgelegd ten overstaan van een notaris waarin
    zij stelt haar verklaringen aan de rijksrecherche onder druk te
    hebben afgelegd. De betrokken rijksrechercheur ontkent dit bij
    rapport van 19 januari 1996. De twee rijksrechercheurs die haar
    verhoord hebben verklaren dat haar medewerking geheel vrijwillig
    was en dat het hier niet om een strafrechtelijk onderzoek ging.

    De zuster van CID-chef Langendoen ging op verzoek van Langendoen
    bij het bedrijf van sapman werken. Volgens de zuster is niet
    expliciet gesproken over de reden waarom Langendoen voorstelde dat
    zij bij deze fabriek ging werken. Langendoen en Van Vondel
    verklaren dat zij haar op die manier alleen aan een baan wilden
    helpen. De sapman verklaart dat de zuster tevens een rol diende te
    spelen bij het opzetten van een frontstore in het buitenland,
    waarvan de CID Kennemerland later gebruik kon maken. De zuster van
    Langendoen verklaart dat de sapman Langendoen bij hun eerste bezoek
    aansprak als X en dat de sapman de naam Langendoen niet kende. De
    sapman wist niet dat Langendoen politieman was. De zuster mocht aan
    de sapman van Langendoen niet vertellen dat X in werkelijkheid
    Langendoen was en bij de politie werkte. Het is voor de zuster
    onduidelijk waarom zij die informatie niet mocht geven. De zuster
    ging vervolgens werken bij de fabriek van sapman in Zuid-Amerika.
    Zij werd gerente (wettelijk vertegenwoordiger) van de fabriek. Eind
    1994 vroeg de sapman aan de zuster of zij contact wilde leggen met
    Langendoen omdat de sapman zich in financile moeilijkheden bevond.
    De zuster van Langendoen is in maart 1995 op verzoek van Langendoen
    naar Nederland gekomen om de documenten van de fabriek te tonen.
    Langendoen heeft zijn zuster toen minstens 10.000 dollar gegeven om
    de schulden van de fabriek af te lossen en om achterstallig loon te
    betalen. In 1995 is een andere medewerker van de CID Kennemerland
    naar Zuid-Amerika gereisd om een video te maken van de fabriek. De
    man werd door Langendoen aangekondigd bij zijn zuster. Hij gaf als
    reden dat eventuele kopers een indruk wilde krijgen van de fabriek.
    Langendoen zou zijn zuster hebben gesuggereerd de fabriek over te
    nemen. In 1995 is Van Vondel naar Zuid-Amerika gegaan om te bezien
    of de fabriek kon worden verkocht. De zuster van Langendoen
    verklaart dat Langendoen haar heeft gebeld met de mededeling dat
    Van Vondel zou komen om de schulden van de fabriek te betalen. Zij
    zou van Van Vondel in totaal 40.000 dollar hebben ontvangen.

    De zuster van Langendoen is ervan overtuigd dat de sapman geld
    kreeg van de politie in Haarlem en dat de politie op de n of andere
    wijze financile belangen had in de fabriek in Zuid-Amerika.
    Langendoen spande zich in 1995 in om een afvloeiingsregeling voor
    zijn zuster te regelen. Die regeling is tot stand gekomen.

    Afkopen van sapman en het achterhouden van informatie

    Ook nadat Van Vondel bij de politie weg was gegaan en zijn eigen
    recherche-bureau begonnen was, bleef contact bestaan tussen de
    sapman en Van Vondel. Eind 1994 verkeerde de sapman in financile en
    emotionele moeilijkheden. Van Vondel verklaart dat hij toen
    zelfstandig heeft besloten maatregelen te nemen om de sapman te
    beschermen.

    De sapman kreeg in 1995 van Van Vondel een bedrag tussen de
    500.000 en 1 miljoen gulden om uit de problemen te komen en zijn
    bedrijf te kunnen voortzetten. De sapman heeft dat geld mede
    gekregen van Van Vondel om met zijn familie voor zes maanden naar
    de Verenigde Staten te gaan. Van Vondel wilde op die manier
    voorkomen dat de sapman door de rijksrecherche of de commissie zou
    worden gehoord. Van Vondel kreeg dit geld naar eigen zeggen van
    informant 1. Van Vondel bestempelde dit als een lening. Volgens Van
    Vondel wilde informant 1 het geld geven aan de sapman om te
    voorkomen dat de sapman in de openbaarheid zou vertellen over de
    saptrajecten. Noot Van Vondel stelt dat hij zich, ook al
    was hij geen politieman meer, emotioneel verplicht voelde de
    anonimiteit van de sapman te beschermen.

    De heer Van Vondel:
    Ik ben ook niet blij met datgene wat ik uiteindelijk gedaan
    heb, maar ik heb die beslissing wel overwogen en met een emotionele
    achtergrond genomen. Ik sta daar nu voor.
    Noot

    Van Vondel stelt nadrukkelijk dat hij zelf besloten heeft tot deze
    activiteiten. Langendoen zou niet op de hoogte zijn geweest van de
    betalingen. In 1994 en 1995 hebben Langendoen, Van Vondel en sapman
    verschillende malen contact gehad. Van Vondel en Langendoen
    verklaren beiden dat tijdens deze gesprekken nooit is gesproken
    over deze betalingen. Noot

    Uit een opgenomen gesprek tussen sapman en Van Vondel blijkt dat
    Van Vondel verschillende malen heeft gezegd dat, indien de
    rijksrecherche of de commissie sapman wil horen, hij contact moet
    opnemen met Langendoen om af te spreken hoe om te gaan met de
    informatie dat hij als informant had gefunctioneerd. Uit dit
    gesprek kan echter niet geconcludeerd worden dat Langendoen
    daadwerkelijk op de hoogte was van de betaling aan de sapman. Het
    gesprek toont dat Van Vondel probeerde om samen met de sapman een
    verhaal te construeren voor het geval hij verhoord zou worden door
    de rijksrecherche of de commissie. Het blijft onduidelijk in
    hoeverre Van Vondel in opdracht of met medeweten van anderen
    handelde. Het is onaannemelijk dat Van Vondel niemand heeft
    ingelicht over zijn beslissing de sapman geld te betalen dat
    afkomstig was van informant 1. Langendoen was in het verleden
    steeds op de hoogte van alle handelingen van Van Vondel.

    De heer Van Vondel:
    Kijk, wij zijn pioniers geweest met de methode. Ook daarin
    hebben wij dingen gedaan, waarvan je nu zegt: is het wel verstandig
    geweest dat je het zo gedaan hebt? Maar toen in dat tijdsbeeld
    hebben wij die verantwoordelijkheid, die beslissing zo genomen.
    Uiteraard ligt er ook een gedeelte bij mijzelf. In het geheel
    bezien word ik dus gegijzeld door de omstandigheden.
    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Van Vondel, waarom zegt u nu achteraf: ik had het
    niet moeten doen?
    De heer Van Vondel:
    Omdat het toch allemaal openbaar geworden is.
    De heer Koekkoek:
    En dat wilde u net voorkomen?
    De heer Van Vondel:
    Dat wilde ik voorkomen.
    De heer Koekkoek:
    Dus het was vergeefse moeite?
    De heer Van Vondel:
    Het is vergeefse moeite geweest. Noot

    3.6.5 Andere dekladingen

    De containers met drugs bevatten allerlei andere soorten
    deklading naast vruchtensappen. Er bestaat veel onduidelijkheid
    over wat precies is gebeurd met deze andere dekladingen. Er is geen
    administratie van de verwerking van deze dekladingen van de
    doorgelaten containers. De commissie constateert dat deze
    dekladingen op verschillende wijzen door de CID zijn weggewerkt. De
    dekladingen zijn deels aan de chauffeur gegeven om zelf te
    verhandelen en deels op een andere wijze weggewerkt. Humanitaire
    hulp

    De voorzitter:
    Hebt u te maken gehad met dekladingen van andere
    partijen die via de methode binnenkomen?
    De heer Van Vondel:
    Ja, daar heb ik ook mee te maken.
    De voorzitter:
    Wat doet u daarmee?
    De heer Van Vondel:
    Als je iets hebt, moet je dat kwijt, want het kan een
    obstakel zijn in je werkzaamheden. Je moet dat dus netjes
    opruimen.
    De voorzitter:
    Waar gaat het dan naartoe?
    De heer Van Vondel:
    Het is voor een groot gedeelte naar het buitenland
    vertrokken.
    De voorzitter:
    Kunt u daar iets preciezer over zijn? Waar gaat het naartoe?
    Wat moeten wij ons voorstellen?
    De heer Van Vondel:
    U moet zich voorstellen dat iets wat nog bruikbaar is, als
    humanitaire hulp naar het buitenland is gegaan, naar
    Oostbloklanden.
    Noot

    Tegeltjes

    De heer Teeven:
    Het waren Colombiaanse tegeltjes en bij dat bedrijf troffen
    wij nog een tegeltje aan dat op de achterzijde vermeldde: made in
    Colombia. Die tegeltjes werden daar gebracht en contant afgerekend.
    Wij hebben kunnen vaststellen dat de tegeltjes die hier per
    container zijn binnengekomen, ook de tegeltjes zijn die daar zijn
    afgeleverd. Dat kan je zien aan de hand van de factuur maar ook aan
    de hand van de ladingspapieren. Die bescheiden hebben wij uiteraard
    aan de rijksrecherche gegeven, ten behoeve van haar
    onderzoek.
    De voorzitter:
    Er is betaald. Wat gebeurt er met het geld? Er wordt zo vaak
    betaald. Als ik tegels kom aanbieden, word ik ook betaald.
    De heer Teeven:
    Interessant was de verklaring van de directeur van dat
    bedrijf. Hij deelde mee dat die tegeltjes waren aangeboden door een
    familielid van iemand die bij hem werkte. Er werkte dus een
    personeelslid bij dat bedrijf en de tegeltjes werden aangeboden
    door een familielid van hem. Welnu, dat was een politieman uit
    Noord-Holland. De naam is bij mij bekend maar die zal ik nu niet in
    het openbaar noemen.
    De heer De Graaf:
    Kennemerland?
    De heer Teeven:
    Een politieman uit Kennemerland, die daar een familielid had
    werken.
    De heer De Graaf:
    En daar is voor betaald?
    De heer Teeven:
    Daar is contant een betrekkelijk gering bedrag voor betaald
    en dat is ook afgetekend op de factuur met voldaan.

    Noot
    De voorzitter:
    Mijnheer Van Vondel, zijn er ooit tegeltjes geweest als
    deklading?
    De heer Van Vondel:
    Dan moet ik weer terugkomen op mijn verhaal.
    De voorzitter:
    Wilt u zeggen ja of nee?
    De heer Van Vondel:
    Ik zeg daarop geen ja en geen nee. U vraagt naar specifieke
    goederen. Specifieke goederen zijn altijd gerelateerd aan zaken. Ik
    kan dus geen ja of nee zeggen.
    De voorzitter:
    Daar zitten wij nou. Vanochtend heeft de heer Teeven het
    specifiek gehad over tegeltjes die er als
    deklading uit
    zouden zijn gekomen. Is u daarvan iets bekend?
    De heer Van Vondel:
    Mijnheer de voorzitter, daarop kan ik geen antwoord geven.
    Ik kom elke keer weer terug op hetzelfde verhaal. Goederen zijn
    gerelateerd aan zaken. Als ik over goederen spreek, kunnen

    informanten in de problemen komen. Ik kan dat niet doen. Als wij
    in een besloten zitting zijn, kan ik daarover spreken. Ik kan dat
    hier niet doen voor de camera. (…)
    Noot
    De heer Van Vondel:
    Er is eenmaal een partij geweest waarin ik zelf een rol heb
    gespeeld.
    De heer De Graaf:
    Waarom heeft u dat gedaan? Waarom heeft u het toen niet om
    niet weggedaan?
    De heer Van Vondel:
    Wij hebben toen meteen geleerd dat dit veel te veel risico’s
    geeft. Vandaar dat wij voor die andere mogelijkheid hebben
    gekozen.
    De voorzitter: U zegt dus:
    er is een keer iets geweest waarvoor wij geld ontvangen
    hebben? Waar is dat geld gebleven?
    De heer Van Vondel:
    Dat is naar de informant teruggegaan. Die heeft het
    aangewend voor de financiering van andere zaken.
    De heer De Graaf:
    Het gaat toch niet om grote bedragen?
    De heer Van Vondel:
    Dat was een heel klein beetje. Noot

    3.6.6 Dekmantelfirma’s en valse identiteitsbewijzen

    Dekmantelfirma’s

    De CID Kennemerland maakte gebruik van verschillende
    dekmantelfirma’s. De CID richtte deze firma’s op. De firma’s werden
    gebruikt als organisaties waar de containers naar toe konden worden
    gestuurd. Zij dienden als notify-adresses op de bills of lading. De
    CID Kennemerland heeft onder verschillende namen verscheidene van
    deze dekmantelfirma’s opgezet.

    Bij het oprichten van deze dekmantelfirma’s is gebruik gemaakt
    van namen van bestaande personen. In enkele gevallen zouden deze
    personen achteraf op de hoogte gesteld zijn van het gebruik van hun
    naam. Langendoen stelt dat de betrokken personen indirect
    toestemming hebben gegeven. Noot Het blijft onduidelijk
    wat daaronder moet worden verstaan.

    De heer Rouvoet:
    U sprak van indirecte toestemming. Als daar in indirecte zin
    toestemming voor is gegeven,

    betekent dat dan dat u voor gebruikmaking van personalia carte
    blanche had? Werd er eenmalig gezegd dat u van personalia gebruik
    kon maken en kon u dan zelf bepalen wat u daarmee deed? En zou dat
    verklaren dat betrokkenen niet op de hoogte waren van het gebruik
    maken voor het oprichten van bijvoorbeeld een bedrijfje? Mag ik u
    zo verstaan?
    De heer Langendoen:
    Ik denk dat u het goed ziet. (…)
    De heer Rouvoet:
    Ik heb nog een vraagje over het gebruik van die naam. U zei
    eerder op een vraag van mij dat u carte blanche had gekregen. Ik
    begrijp nu dat, als u weggaat, u die carte blanche achterlaat en
    dat u op dat moment niet terug moet naar de betrokkene om dit terug
    te geven, te regelen of hier afspraken over te maken met degene die
    aan uw bureau komt te zitten.
    De heer Langendoen:
    Neen.
    De heer Rouvoet:
    Die carte blanche blijft er liggen en er kan van alles mee
    gedaan worden, zonder dat u daar zicht op hebt en daar
    verantwoordelijkheid voor draagt.
    De heer Langendoen:
    Ja. Noot

    Valse identiteitsbewijzen

    De CID Kennemerland kon beschikken over valse identiteiten die door
    de Haarlemse burgemeester ter beschikking waren gesteld. Het ging
    om een aantal paspoorten en rijbewijzen waarop onjuiste
    persoonsgegevens stonden vermeld. Deze bevonden zich in de kluis
    van de Haarlemse politie. De paspoorten en rijbewijzen zouden
    gebruikt worden voor het huren van auto’s ten behoeve van
    observatie en het huren van ruimten.

    De voorzitter:
    Heeft u ooit daarna gevraagd wat ermee gebeurde?
    Mevrouw Schmitz:
    Indertijd heb ik er niet naar gevraagd, maar ik heb nu
    gehoord dat men die drie keer heeft gebruikt. Tweemaal om naar
    een
    informant te reizen in de Verenigde Staten en
    eenmaal voor de veiligheid. De heer Langendoen verbleef toen met
    zijn gezin twee weken in het buitenland.
    Noot

    Met de burgemeester van Haarlem was afgesproken dat de CID verslag
    zou doen wat met deze valse identiteitsbewijzen zou gebeuren. Van
    dergelijke verslagen is geen sprake. Noot

    De heer De Graaf:
    Heeft u, buiten dat specifieke geval, andere identiteiten
    gebruikt? Heeft u andere namen gebruikt zonder dat u daarbij de
    benodigde papieren had? Of is dat niet nodig in het runnen van

    informanten?
    De heer Van Vondel:
    Ik heb wel eens een andere naam gebruikt. Ik heb mij wel
    eens anders voorgesteld dan degene die ik was.
    De voorzitter:
    Ook voor het opzetten van fakebedrijfjes?
    De heer Van Vondel:
    Ja, dat klopt. Noot De commissie heeft
    geconstateerd dat in verschillende regio’s gebruik is gemaakt van
    valse identiteitsbewijzen door de lokale politie of door de CRI
    (ANCPI). Noot Het gaat niet alleen om de regio’s
    Kennemerland en Gooi en Vechtstreek, maar ook om Utrecht,
    Zuid-Holland-Zuid, Den Bosch en Amsterdam. Het ontbreekt echter aan
    een eenduidige wettelijke basis voor het verstrekken van valse
    identiteitsbewijzen door gemeenten. In verschillende gemeenten
    werden dan ook verschillende voorwaarden gesteld aan het gebruik
    van de valse identiteitsbewijzen. De CRI verstrekt in principe geen
    valse identiteisbewijzen aan CID-en.

    3.6.7 Administratie Kennemerland

    In de administratie van de CID Kennemerland zijn vele hiaten
    aangetroffen. Cruciale onderdelen van het werk van de CID werden
    niet of onvolledig vastgelegd. De commissie constateert dat door de
    gebrekkige administratie belangrijke vragen over het functioneren
    van de medewerkers van de CID Kennemerland en de informanten
    onbeantwoord zullen blijven. Aangezien het niet mogelijk is op
    basis van documenten een oordeel te geven over de gebeurtenissen is
    de commissie genoodzaakt alleen verklaringen van personen als basis
    voor het oordeel te gebruiken. De betrouwbaarheid van deze
    verklaringen is niet altijd eenduidig te beoordelen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken