• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 9.2 Openbaar ministerie

    9.2 Openbaar ministerie

    9.2.1 Inleiding

    Het openbaarministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
    handhaving van de rechtsorde. Daartoe draagt het OM het gezag over
    de opsporing en beschikt het over het vervolgingsmonopolie. Verder
    heeft het OM verschillende andere taken en sinds de
    inwerkingtreding van de Politiewet 1993, taken die voorvloeien uit
    het medebeheer van de politie. De officieren van justitie staan in
    het hirarchische verband van het openbaar ministerie onder het
    gezag van de hoofdofficier van justitie en via deze onder dat van
    de procureur-generaal bij het hof. Daarnaast bestaat
    ondergeschiktheid van alle leden van het openbaar ministerie aan de
    minister van Justitie (artikel 5 RO). De opsporingsbevoegdheid
    wordt door de wet toebedeeld aan de individuele officier van
    justitie (artikel 141 Sv). Hij kan bevelen geven inzake de
    opsporing van strafbare feiten aan andere personen met opsporing
    belast (artikel 148 Sv) en kan strafbare feiten doen opsporen
    (artikel 149 Sv). Met de opsporing van strafbare feiten zijn, naast
    de politie, ook andere diensten belast. Het onderstaande beperkt
    zich tot het gezag dat het OM over de politie uitoefent. Veel wat
    in dit hoofdstuk aan de orde komt is ook van toepassing op de
    relatie tussen het OM en de bijzondere opsporingsdiensten.

    9.2.2 Organisatie en samenwerking

    Autonomie, afstandelijkheid en variatie

    Het OM is nog steeds een organisatie waarin de individuele
    officieren van justitie over vergaande autonomie kunnen beschikken.
    Noot Het OM is ook een organisatie in verandering. Het
    reorganisatieproces dat in werking is gezet na het rapport van de
    commissie OM (commissie-Donner) is in volle omvang bezig.
    Noot De commissie zal slechts voorzover het de sturing
    en controle van de opsporingsmethoden betreft uitspraken doen over
    de organisatie van het OM.

    De sturing en controle door het OM met betrekking tot de
    selectie van onderzoeken, de voortgang van onderzoeken en de inzet
    van opsporingsmethoden wordt traditioneel gekenmerkt door
    afstandelijkheid. De commissie heeft geconstateerd dat hierin bij
    een aantal arrondissementen reeds verandering is gekomen. De
    variatie in taken, bevoegdheden en activiteiten op het gebied van
    de georganiseerde criminaliteit binnen het OM is een ander
    organisatorisch kenmerk. In de meeste parketten is de zware
    criminaliteit in een bijzondere unit ondergebracht. Aan de term
    zware criminaliteit wordt verschillend inhoud gegeven. De
    afzonderlijke arrondissementen hebben vergaande vrijheid om de
    organisatie in te richten en het beleid te bepalen. De commissie
    constateert dat de arrondissementen van deze vrijheid ook gebruik
    hebben gemaakt.

    Zaaksofficier, CID-officier en kernteamofficier

    In een aantal parketten is sprake van een scheiding tussen CID-,
    zaaks- en kernteamofficier van justitie. In enkele andere parketten
    zijn deze functies verenigd in dezelfde persoon. Dit heeft tot
    gevolg dat een
    zaaksofficier in het ene arrondissement beter op de hoogte is van
    de CID-trajecten dan in een ander arrondissement. Er bestaat
    verschil tussen de parketten in hoeverre informatie wordt
    uitgewisseld tussen de verschillende officieren van justitie.

    Speciale functie-eisen voor een officier van justitie, belast
    met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (waaronder in
    dit verband ook de met de criminele inlichtingen belaste officier
    van justitie worden bedoeld), zijn niet alszodanig geformuleerd.
    Ook plaatsvervangend en substituut officieren worden op dit terrein
    ingezet en soms zelfs raio’s aan het einde van hun stageperiode. De
    gedachte leeft overigens wel dat op dit terrein tenminste enige
    ervaring vereist is. Er bestaat geen specifieke opleiding voor deze
    officieren van justitie.

    De heer De Graaf:
    Wat vereist de functie van een zware-criminaliteitsofficier
    in het bijzonder? Waarin onderscheidt zich die functie van andere
    officieren van justitie?
    De heer Valente:
    Die functie heeft bijzondere aspecten in die zin dat de
    kwaliteiten die in zijn algemeenheid bij een officier van justitie
    aanwezig moeten zijn verder uitgediept moeten worden. Daarnaast is
    het zo dat een officier zware criminaliteit heel anders te werk
    gaat. Een officier die gewone zaken doet, zit achter zijn bureau.
    Hij heeft wel contacten met de politie, maar dat zijn meer
    contacten met betrekking tot de inhoud van een proces-verbaal of
    het aantal zaken dat hij wil verwerken. Hij wacht gewoon af tot er
    een misdrijf geconstateerd of opgespoord wordt en afgerond wordt
    met een proces-verbaal. Dat proces-verbaal bereikt hem, de zaak
    wordt voorgeleid en vervolgens begint zijn werk als vervolgende
    instantie. De officier van justitie georganiseerde criminaliteit
    gaat heel anders te werk. Hij werkt projectmatig. Hij krijgt, zoals
    dat heet, een project aangeboden. Dat betekent dat een
    doelgroepering of een doel, een enkele crimineel, aangereikt wordt.
    Dat doel wordt omschreven middels een project. Hij krijgt een team
    en daaraan geeft hij leiding. Gedurende een tijd zal hij het
    onderzoeken van de zaken en het construeren van het bewijs moeten
    leiden. Vervolgens, als de zaak, meestal na een hele tijd, tot een
    afronding komt, zal hij na de aanhoudingen de verdere vervolging
    voor zijn rekening nemen. Dat betekent dat daarvoor niet alleen
    managementkwaliteiten vereist zijn. Hij moet ook nauwgezet met het
    opsporingswerk bezig zijn. Hij moet in mijn optiek ook over de
    kwaliteiten beschikken waarover een politiechef beschikt. Hij moet
    niet alleen in staat zijn om activiteiten van de opsporing in te
    schatten en te begeleiden. U weet dat een officier van justitie de
    leiding heeft bij het opsporingsonderzoek. Die leiding moet hij ook
    daadwerkelijk uitoefenen. Daarnaast is hij magistraat. Hij is de
    voorportaal van de rechter. Dat betekent dat hij in staat moet zijn
    om telkens te toetsen wat hij zelf heeft gedaan als leider van de
    opsporing.
    Noot

    Ressortelijke adviescommissies zware
    criminaliteit

    Binnen het openbaar ministerie functioneren op ressortsniveau
    tal van adviescommissies. Met de reorganisatie van het OM is ook de
    overlegstructuur veranderd.
    De ressortelijke adviescommissies zware criminaliteit zijn
    opgeheven. Deze adviescommissies adviseerden enerzijds over het te
    voeren beleid en waren anderzijds een lokaal steunpunt voor het
    Cordinerend beleidsoverleg bij de prioriteitenstelling. De rol van
    de commissies zal waarschijnlijk overgenomen worden door een
    commissie van zwacri-officieren uit een ressort onder
    voorzitterschap van een hoofdofficier die een kernteam bestuurt. De
    adviescommissie zware criminaliteit speelde in de praktijk
    nauwelijks een rol bij de prioriteitenstelling van onderzoeken. De
    commissie heeft tevens kunnen constateren dat deze adviescommissie
    nauwelijks de cordinatie of samenwerking heeft verbeterd.

    Cordinerend Beleidsoverleg (CBO)

    In de Vergadering van de procureurs-generaal van 8 januari 1992
    is besloten een landelijk cordinerend beleidsoverleg (CBO) te
    starten. De taakopdracht van het CBO is vastgelegd in een notitie
    van 7 februari 1992. De belangrijkste taken van het CBO zijn:

    van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit;
    – advisering van de Vergadering van procureurs-generaal over
    landelijke prioriteiten met name op het gebied betreffende in
    relatie tot de bestrijding van zware criminaliteit zoals
    bijvoorbeeld infiltratie, – advisering van de Vergadering van
    procureurs-generaal over allerlei onderwerpen het OM en de politie
    opsporingstechnieken, teamvorming, wetgeving, enz.;

    uitvoering van het beleidsplan zware criminaliteit.
    – onderneming van zelfstandige actie, zoals het doen van een
    landelijke analyse en voorbereiding van de De samenstelling van het
    CBO heeft voor vele discussies gezorgd. In eerste instantie was het
    CBO een overlegorgaan van alleen het OM. Na enkele jaren werd de
    politie toegelaten. Na een incident in de media werd besloten de
    politie de toegang te weigeren. Inmiddels bestaat het CBO uit de
    procureur-generaal

    portefeuillehouder zware, georganiseerde criminaliteit, de
    gezagsdragers van de kernteams (hoofdofficieren van justitie), de
    hoofdofficier die aan het hoofd staat van het Landelijk bureau
    openbaar ministerie, een bij het ministerie van Justitie
    gedetacheerde officier van justitie en als adviserende leden een
    drietal korpschefs namens de Raad van hoofdcommissarissen; het
    hoofd van de CRI woont de vergaderingen ook bij. De fricties tussen
    politie en OM blijken constant een rol te blijven spelen.

    Uit de notulen van het CBO Noot blijkt dat in veel
    vergaderingen de volgende onderwerpen aan de orde zijn geweest:
    criminaliteitsanalyse, inventarisatie van criminele groeperingen en
    prioriteitenstelling Noot , de nota van de minister van
    Justitie inzake zware, georganiseerde criminaliteit en de
    kernteams. Verder komen infiltratie en pseudokoop regelmatig terug.
    Het gaat in deze discussies steeds om de organisatorische
    vormgeving van deze methoden. De commissie heeft geen fundamentele
    discussies kunnen terugvinden over de wenselijkheid van deze
    methoden.

    Vergadering van procureurs-generaal

    Ten behoeve van de vorming van een landelijk OM-beleid
    vergaderen de procureurs-generaal bij de hoven. Dit geschiedde tot
    voor kort in de Vergadering van procureurs-generaal, onder
    voorzitterschap van de secretaris-generaal die namens de minister
    van Justitie optrad. De procureur-generaal van het ressort
    ‘s-Hertogenbosch had de portefeuille zware, georganiseerde
    criminaliteit. De commissie constateert dat binnen de Vergadering
    van procureurs-generaal nooit een systematische discussie is
    gevoerd over de wenselijkheid en haalbaarheid van specifieke
    opsporingsmethoden. Ook zijn in deze vergaderingen nooit concrete
    opsporingscasus aan de orde geweest. Opsporing en
    opsporingsmethoden waren de verantwoordelijkheid van de
    hoofdofficieren van justitie en de procureurs-generaal. Ook na het
    opheffen van het IRT, eind 1993, heeft geen inhoudelijke
    besluitvorming plaatsgevonden over opsporingsmethoden. De meningen
    verschillen over in hoeverre in de Vergadering van de
    procureurs-generaal gesproken is over de Delta-methode.

    Mevrouw Sorgdrager:
    (…) Wel werd er toen in het algemeen gesproken over de
    kwestie in Amsterdam. Dat heeft mij een beetje verbaasd in de
    beantwoording van de heer Van Randwijck en de heer
    Gonsalves.
    De voorzitter:
    H.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja. Het lijkt alsof het helemaal niet aan de orde is
    geweest. Ik herinner mij nog goed dat op de vergadering in december
    1993…
    De voorzitter:
    21 december 1993?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja. Ik herinner mij nog goed dat toen gesproken is over wat
    er in Amsterdam aan de hand was. Dat had twee aspecten.
    De voorzitter:
    Luistert u eens! Neemt u mij niet kwalijk, maar hoe kan het
    nu dat de heer Van Randwijck zegt dat er niet over gesproken
    is.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Dat begrijp ik ook niet. Ik heb daar met stijgende verbazing
    naar zitten luisteren. Het staat zelfs op papier.
    De voorzitter:
    Nou, op papier. In de papieren die wij hebben gezien, de
    notulen…
    Mevrouw Sorgdrager:
    …staat in dat hij mededelingen heeft gedaan over wat er
    aan de hand was.
    De voorzitter:
    Daar kun je ook een procedurele mededinging uit
    destilleren.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Zo was het niet. Er is echt over gesproken en hij heeft
    gezegd wat er aan de hand was. Hij heeft vooral de nadruk gelegd op
    de verstoorde verhoudingen in Amsterdam. Ook kwam de methode aan de
    orde.
    De voorzitter:
    Wat heeft hij toen verteld van de methode?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Niet zoveel, omdat hij op dat moment niet precies heeft
    uitgelegd wat er aan de hand was. Wij hebben wel meteen gezegd dat
    wij over de methode, die kennelijk geleid heeft tot de opheffing
    van het
    IRT, wel wat meer wilden weten. Toen hebben wij aan
    de commissie-De Wit, waarvan ik net meldde dat die in 1993 was
    ingesteld, gevraagd om vrij snel te komen met een advies daarover.
    Wij wilde toen weleens weten wat er echt aan de hand was.

    Noot
    De voorzitter:
    Toen u bij het OM binnenkwam, aan de top, hebt u toen aan de
    andere PG’s gevraagd: hebben jullie de problemen die het afgelopen
    jaar gerezen zijn – de IRT-zaak, de zaak van de opsporing, de zaak
    van de effectiviteit – besproken en zullen wij dat nu gaan
    bespreken? Hebt u dat gevraagd toen u binnenkwam?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Nee, dat heb ik niet gevraagd, want wat ik aantrof, was een
    nogal uitvoerig stelsel van nieuwe maatregelen. Er was besloten om
    een
    LRT op te richten.
    De voorzitter:
    Hebt u…
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik heb het dus niet gedaan.
    De voorzitter:
    U hebt het niet gedaan.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Nee. Noot
    In de verhoren van de procureur-generaal te ‘s-Hertogenbosch,
    Gonsalves, en van voormalig procureur-generaal Sorgdrager kwam de
    afstandelijkheid van de procureurs-generaal duidelijk naar
    voren.
    De voorzitter:
    Heeft u in het verleden methodes als gecontroleerde
    aflevering en doorlevering in detail in de vergadering van PG’s
    besproken, met name waar het gaat om de operationele kanten van die
    kwesties?
    De heer Gonsalves:
    Het plegen van strafbare feiten door in te zetten
    infiltranten staat in de infiltratierichtlijnen. Die kwestie is dus
    ook uitgebreid aan de orde gekomen. Er is ook gesproken over

    gecontroleerde aflevering, maar dat is een veel beperkter
    begrip. Het begrip gecontroleerde doorlevering is van heel recente
    tijd. In onze ogen gaat het bij
    gecontroleerde aflevering om
    een heel duidelijke zaak, want dan volg je een partij tot de plaats
    van bestemming. Dan ga je tot aanhouding en inbeslagneming over.
    Dan laat je zo’n partij een tijdje volgen, totdat die van de plaats
    van invoer de plaats van bestemming bereikt, zodat je ook het
    afnemersnetwerk kunt aanpakken. Mits dat goed is georganiseerd en
    van voldoende veiligheidsgaranties is voorzien, zitten daar naar
    mijn mening weinig risico’s aan. Dat is iets wat regelmatig is
    gebeurd en nog steeds gebeurt. De gecontroleerde
    doorlevering…
    De voorzitter:
    Zoals wij het doorlaten nu noemen.
    De heer Gonsalves:
    …houdt in het doorlaten met het risico dat niet op de
    plaats van bestemming tot inbeslagneming wordt overgegaan. Dat doe
    je, omdat je hoopt daardoor op den duur informatie te krijgen die
    leidt tot de aanhouding van de gehele groep. Dat is naar mijn
    mening de definitie van gecontroleerde doorlevering. Daarvan hebben
    wij gezegd dat dit alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag.
    Daarbij doet zich weer die afweging van proportionaliteit voor. Het
    mag alleen met toestemming van het
    College van

    procureurs-generaal.

    De voorzitter:
    Heeft u in de afgelopen jaren die speciale casus besproken
    waarbij dat is toegepast? Heeft u daar toestemming voor
    gegeven?
    De heer Gonsalves:
    Neen, want dat wisten wij niet.
    De voorzitter:
    Dat wist u niet?
    De heer Gonsalves:
    Neen.
    De voorzitter:
    Dat is u vroeger nooit gemeld.
    De heer Gonsalves:
    Neen. Dat heeft ook te maken met ons systeem. (…) Het was
    tot voor kort ook bij ons niet bekend dat een methode als de
    gecontroleerde doorlevering op grote schaal werd
    toegepast.
    De voorzitter:
    Dus er ging nooit een hoofdofficier naar een PG, waarna die
    PG dat in de vergadering bracht. Dat is nooit voorgekomen.
    De heer Gonsalves:
    Neen. Bij mijn weten niet. Het zal voor het eerst aan de
    orde zijn gekomen toen werd gesproken over de verwikkelingen rond
    de zogenaamde IRT-affaire.
    Noot
    De voorzitter:
    Met verschillende procureurs-generaal hebben wij gesproken
    over de vraag wat men in de vergadering van procureurs-generaal
    besprak. Zowel bij de heer Van Randwijck als bij de heer Gonsalves
    is ons opgevallen dat het bijna nooit over casussen, over gevallen
    ging of over opsporingsmethoden in de praktijk. Is dat volgens u
    ook zo?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Voordat ik die vraag met een ja of nee beantwoord, wil ik
    daar iets over uitleggen. De officier van justitie is binnen het
    openbaar ministerie degene die op het operationele vlak werkt. Hij
    is, zoals in de wet staat, leider van de opsporing. Hij heeft
    direct contact met de politie en hij zit heel dicht op de zaken.
    Hij is ondergeschikt aan zijn hoofdofficier. Die werkt daardoor al
    wat minder operationeel. De hoofdofficier is op zijn beurt
    ondergeschikt aan de procureur-generaal. Zo is dat in het Wetboek
    van Strafvordering opgebouwd. De procureur-generaal heeft de
    algemene taak om toe te zien op de richtige opsporing in zijn
    ressort. Zo staat het in de wet omschreven. Dat betekent dat de
    procureur-generaal op zichzelf geen operationele taak heeft. Hij
    heeft ook geen opsporingsbevoegdheid.
    De voorzitter:
    Hij is toch wel de baas van alle opsporingsambtenaren in
    zijn ressort?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja, hij is de baas in die zin dat hij toezicht houdt op de
    richtige opsporing. Hij houdt zich in het algemeen dus zelf niet
    bezig met operationele zaken, behalve als er iets bijzonders aan de
    orde is waar hij wel of niet in gemengd moet worden. Dat zal straks
    nog wel aan de orde komen, neem ik aan. In het algemeen gesproken
    heeft hij dus een toezichthoudende functie en een beleidsfunctie.
    Vanuit die functies komen, of kwamen, de procureurs-generaal bijeen
    in de vergadering van procureurs-generaal. U kunt zich voorstellen
    dat in zo’n vergadering in het algemeen wordt gesproken over
    beleidskwesties, strategien, en algemene richtlijnen voor,
    bijvoorbeeld, de opsporing. Individuele gevallen kwamen eigenlijk
    niet of nauwelijks aan de orde.
    Noot De Vergadering
    van procureurs-generaal heeft wel een aantal werkgroepen ingesteld
    die de organisatie van de

    opsporing en de opsporingsmethoden nader moesten structureren. Een
    van de belangrijkste werkgroepen was

    de Werkgroep infiltratie (Werkgroep De Wit). De besluitvorming in
    de Vergadering van procureurs-generaal over het rapport van deze
    Werkgroep was onduidelijk.

    De voorzitter:
    Nu even terug naar de procureurs-generaal. U bent al
    procureur-generaal sinds 1991. Is er ooit de aandrang geweest om
    gezamenlijk te beslissen om te bekijken wat er allemaal in de eigen
    praktijk gebeurt en wat er te koop is?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Nee, dat hebben wij zo gezamenlijk niet afgesproken. Wij
    hebben wel de commissie-De Wit gevraagd om advies te geven. Ik ben
    zelf op dat moment, in mijn nieuwe ressort, daarmee aan de slag
    gegaan.
    De voorzitter:
    Is het dan toch niet zo dat de vergadering van de
    procureurs-generaal de verantwoordelijkheid als het ware teveel
    doorschuift naar die commissies?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja, de vergadering misschien. Ik weet niet precies wat mijn
    collega’s toen gedaan hebben, maar ik heb daar aanleiding in gezien
    om in mijn ressort te vragen wat daar nu allemaal gebeurde.

    Noot

    De Vergadering van procureurs-generaal heeft veel tijd besteed aan
    de afbakening van taken en verantwoordelijkheden. De commissie
    constateert echter dat het daarbij steeds onduidelijk bleef wie nu
    daadwerkelijk binnen het OM waarvoor verantwoordelijk was inzake de
    bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

    De voorzitter:
    Wij zijn hier in de enqutecommissie verschillende
    vertegenwoordigers van het OM tegengekomen die in ieder geval niet
    te veel verantwoordelijkheid wilden dragen. Men dacht soms eerder:
    als een ander het maar draagt. Hebt u dat ook ervaren?
    (…)
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ja. Dat is mij gebleken. Op twee niveaus doet het probleem
    van verantwoordelijkheidsstelling en de bijbehorende verantwoording
    zich voor. Dat doet zich voor in de relatie tussen de

    zaaksofficier en zijn leiding en dat doet zich voor… Er is dus
    wel attributie van bevoegdheden, zoals dat ook aan het hoofd van
    de
    BVD het geval was, maar daar was ook een
    rapportageplicht. Daar hebben wij zojuist over gesproken. Als hoofd
    van de
    BVD waren er bevoegdheden aan mij
    geattribueerd…
    De voorzitter:
    Gaat u, als u wilt, weer terug naar het OM.
    De heer Docters van Leeuwen:
    …maar was er ook een plicht om te rapporteren. Als je nu
    naar het OM kijkt, zie je dat er bevoegdheden liggen bij de

    zaaksofficier, maar dat er geen vergelijkbare rapportageplicht –
    laat staan een rapportagegewoonte – is ontstaan voor wat betreft de
    verhouding tot zijn leiding. Dat zelfde verschijnsel herhaalt zich
    in de verhouding tussen hoofdofficier en procureur-generaal. Ik heb
    daar laatst in mijn eigen ressort over gesproken. Ik heb gezegd:
    het valt mij op dat ik als PG veel minder weet van wat er in jullie
    arrondissementen omgaat dan ik gewoon was te weten als hoofd van
    de
    BVD. Noot

    College van procureurs-generaal

    In het rapport van de commissie-Donner wordt gesteld dat de
    Vergadering van procureurs-generaal zich steeds meer heeft
    ontwikkeld tot een raad van bestuur, waarin elk van de
    procureurs-generaal n of meer thematisch bepaalde portefeuilles
    beheert. Noot In het door de minister van Justitie aan
    de Kamer gezonden Plan van aanpak reorganisatie openbaar ministerie
    wordt de Vergadering van procureurs-generaal vervangen door een
    college. Ten behoeve van het functioneren van het OM als n
    organisatie wordt landelijke leiding noodzakelijk geacht. Het
    College van procureurs-generaal, dat sinds 1 januari 1995
    functioneert, vormt de hoogste autoriteit binnen het OM. De
    voorzitter van dit College is de huidige procureur-generaal te
    ‘s-Gravenhage, Docters van Leeuwen. De procureur-generaal van het
    ressort ‘s-Hertogenbosch, Gonsalves, beheert ook binnen het college
    de portefeuille zware, georganiseerde criminaliteit.

    De voorzitter:
    Mijnheer Docters, u bent procureur-generaal in het ressort
    Den Haag en u bent voorzitter van het
    college van
    procureurs-generaal. Dat staat al op uw briefpapier, wij gaan er
    allemaal ook van uit, maar officieel bestaat die functie nog niet.
    Of bestaat die nu eigenlijk wel?
    De heer Docters van Leeuwen:
    De functie bestaat omdat de collega’s in die functie hebben
    bewilligd. Ze zijn het eens met het feit dat ik voorzitter ben. En
    ook omdat de minister er in bewilligd heeft. De condities waaronder
    ik die functie bekleed, vindt u in de brief van 14 december 1994,
    bijlage 1.
    De voorzitter:
    Betekent dat nu ook dat u de baas bent van de PG’s?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Uitgaande van die brief en uitgaande van de overeenstemming
    over die brief tussen de collega’s en de minister, is het zo dat
    aan mij de bevoegdheid is overgelaten om, indien er geen
    overeenstemming in het college kan worden bereikt, een
    concept-besluit aan het college voor te leggen.

    Indien er dan nog geen consensus zou ontstaan, wordt het aan mij
    overgelaten om een beslissing te nemen.
    Noot
    Opsporingsmethoden zijn enkele malen onderwerp van discussie
    geweest in het College van procureurs-generaal. Noot
    Tussen het College en het ministerie van Justitie ontstond
    schriftelijke discussie over wie verantwoordelijk is voor
    opsporingsrichtlijnen over de voorwaarden die gesteld werden voor
    gecontroleerde afleveringen.

    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik heb een kader bepaald. Maar dat gaat dan over de
    doorleveringskwesties. Daar is een duidelijke brief over. Dat is
    een kader.
    Noot In een brief van 1 juni 1995
    vraagt de minister van Justitie het college in het licht van het
    rijksrecherche-onderzoek CID-Kennemerland uw conclusies c.q. te
    nemen maatregelen met betrekking tot de controle op de inzet van de
    infiltratiemethoden die juist voorwerp van het
    rijksrecherche-onderzoek vormen.

    Noot Het College van procureurs-generaal reageert op 8 juni 1995,
    waarin een procedure-afspraak wordt weergegeven voor als officieren
    van justitie tot gecontroleerde aflevering zouden willen overgaan.
    De volgende dag, 9 juni 1995, reageert de minister van Justitie met
    een brief aan het College, waarin zij stelt dat de brief van het
    College geen antwoord heeft gegeven op de vraag in welke mate en
    onder welke omstandigheden deze methode kan worden ingezet. De
    minister van Justitie neemt in de brief van 9 juni het volgende
    standpunt in: Tegen deze achtergond ben ik van oordeel dat tot aan
    het moment dat wetgeving op dit onderwerp tot stand is gekomen, de
    grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht met de
    inzet van deze opsporingsmethoden. Noot Vervolgens stelt
    de minister nadere voorwaarden aan gecontroleerde afevering, die in
    een brief van 15 juni 1995 door het College worden overgenomen.
    Noot In deze laatste brief van het College worden nadere
    procedure-afspraken gemaakt. Noot

    9.2.3 Sturing en controle door het openbaar ministerie

    Als wettelijke grondslag voor sturing en controle van de politie
    door het OM geldt de gezagsverhouding die is vastgelegd in artikel
    148 Sv en artikel 13, eerste lid Politiewet 1993. Het gezag van het
    OM is beperkt tot het optreden van de politie ter strafrechtelijke
    handhaving van de rechtsorde en de uitoefening van taken ten
    dienste van justitie. De commissie gaat er vanuit dat het OM tevens
    het gezag over de politie heeft in de fase voordat sprake is van
    een redelijk vermoeden aan een strafbaar feit. Noot Voor
    de sturing en controle beschikt het OM tevens over
    beheersbevoegdheden. De hoofdofficier van justitie maakt deel uit
    van het regionaal college. In de zogeheten beheersdriehoek worden
    de hoofdofficier van justitie en de korspbeheerder geacht
    regelmatig tezamen met de korpschef over het beheer van het
    regionale politiekorps te overleggen. Noot Over de voor-
    en nadelen van de beheersbevoegdheden van het OM wordt verschillend
    gedacht. Noot

    De heer Vos:
    Kunt u aangeven wat politie en OM over en weer van elkaar
    verwachten?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik kan u daarover eigenlijk alleen maar mijn eigen opvatting
    geven. U stelt het nu breed. Er zijn 40.000 politiemensen en 400
    officieren. Wat de politie van het openbaar ministerie mag
    verwachten is een oordeel over de legitimiteit van het handelen van
    de politie. Het openbaar ministerie moet duidelijkheid verschaffen
    of een bepaald handelen nu wel of niet toegelaten is. Daar heeft
    men behoefte aan. Men heeft er geen behoefte aan – ik reageer nu op
    basis van de gesprekken die ikzelf gevoerd heb – dat het openbaar
    ministerie het onderzoek leidt, in de zin dat het speurneus eerste
    klas wordt. Daar kan de politie zelf wel voor zorgen. De politie
    heeft er wel behoefte aan precies te weten of in deze of die zaak
    dit of dat handelen nu wel of niet toelaatbaar is of dat het
    eventueel toelaatbaar zal worden. Mij is ook gebleken dat wanneer
    daarover helderheid is, de politie zeer enthousiast is. Ik herinner
    mij een specifiek geval. Ik voer in Zeeland op een boot en toen zei
    een van de politiemensen toen mijn collega er even niet was; wij
    zeggen het maar even waar hij niet bij is, maar aan deze officier,
    daar hebben wij tenminste wat aan! Doorvragend komen er dan dit
    soort antwoorden. Het OM verwacht van de politie dat hetgeen de
    politie gedaan heeft en wil doen ook op een beoordeelbare manier
    wordt voorgelegd. Op die manier komen die twee
    verantwoordelijkheden, die voor het doen en die voor het beslissen
    en afwegen, op een juiste manier bij elkaar. Vervolgens zullen OM
    en politie ervoor moeten zorgen dat de rechter die moet toetsen
    zijn werk ook behoorlijk kan doen.
    Noot

    Selectie onderzoeken

    Binnen veel arrondissementen bestaan
    prioriteitencommissies/beoordelingscommissies waarin de keuze voor
    de te onderzoeken zaken wordt gemaakt. Noot De
    samenstelling van dergelijke commissies varieert sterk. De
    bevoegdheden van de commissies zijn niet altijd even duidelijk. De
    invloed van het OM op de selectie van de te onderzoeken zaken is
    daarmee tevens niet altijd duidelijk. De politie heeft een
    belangrijke bepalende rol in de onderzoeken die worden uitgevoerd.
    Het gezag van het OM speelt slechts op de achtergrond een rol bij
    de bepaling van de te onderzoeken zaken. De commissie geeft
    hieronder enkele voorbeelden van de wijze waarop te onderzoeken
    zaken worden geselecteerd.

    In Rotterdam neemt het Bureau project voorbereiding van de
    Regionale recherchedienst (RRD) een centrale plaats in. Na
    binnengekomen informatie doet dit bureau een kort verkennend
    onderzoek en maakt daar een proces-verbaal van op. Een dergelijk
    proces-verbaal wordt besproken in het managementteam (van de
    politie) en met de
    CID-officier van justitie. Besloten kan
    worden een proactief onderzoek te starten. De proactieve fase wordt
    afgerond met een proces-verbaal ten behoeve van het Platform
    Criminaliteitsbestrijding en de ressortelijke adviescommissie zware
    criminaliteit. Het Platform Criminaliteisbeheersing is een
    denktankachtige structuur, waarin zitting hebben het hoofd RRD, het
    hoofd van de rivierpolitie, het hoofd van het douanedistrict, de
    leider van de fiscale- en douanerecherche in de regio, een
    burgemeester uit de regio, het hoofd van de
    ARI Zuid-West,
    een hoogleraar criminologie alsmede een officier van justitie
    (unithoofd zware zaken tevens
    CID-officier van justitie).
    Naar eigen zeggen is de officier van jutsitie uiteindelijk de
    beslissingsbevoegde en ligt bij hem de
    verantwoordelijkheid.

    In Haarlem wordt voor de aanpak van georganiseerde
    criminaliteit de CRI-criteria gehanteerd. De misdaadanalisten maken
    voor aan te vangen onderzoeken een voorselectie op grond van
    informatie die beschikbaar is van de
    CID en open bronnen.
    Gesteld wordt dat de rol van de informatie uit open bronnen moet
    worden vergroot. Aan de hand van de voorselectie vindt verdere
    selectie plaats door het hoofd van de
    CID en de
    CID-officier van justitie. Voor de selectie is mede van belang
    of de strafbare feiten een effect hebben in het eigen
    arrondissement. Vervolgens bespreken het hoofd van de
    CID en
    de
    CID-officier van justitie (op ad hoc basis) de
    onderzoeksvoorstellen met het unithoofd specialismen, het hoofd van
    de regionale recherche en een officier van justitie belast met de
    behandeling van zware criminaliteit. In de eindfase worden twee
    projecten aan de hoofdofficier van justitie voorgelegd. Op deze
    wijze wordt op jaarbasis een zestal onderzoeken zware
    georganiseerde criminaliteit uitgevoerd.

    De heer Vos:
    (…) U zit in een bijzonder gebied waar meer korpsen actief
    zijn. Welke vormen van selectie worden daar gehanteerd? Ik bedoel
    selectie van onderzoeken.
    De heer Koers:
    Wij hebben per politieregio een wat verschillende
    benadering. Maar dat heeft met de kleur van de politieregio’s te
    maken. De hoofdofficier en de fungerend hoofdofficier maken met de
    burgemeester en de korpschef, zeg maar raamafspraken voor n, twee
    of drie jaar over de vraag hoeveel onderzoeken van een zwaar
    kaliber aangepakt worden. Die afspraken moeten vertaald worden.
    Nou, in de
    politieregio Gelderland Midden hebben wij
    daarvoor de methode dat er n keer in de veertien dagen of n keer in
    de drie weken overleg is met de mensen van de divisie zware
    criminaliteit, maar ook met de lokale recherchechefs, hoofd

    CID, hoofd van het Bureau financile ondersteuning, het
    unit-hoofd van Gelderland Midden van het parket en ikzelf of mijn
    vervanger daar aanwezig zijn. Dat selectie-overleg heeft een
    tweezijdig karakter: nieuwe onderzoeken worden aangedragen vanuit
    de
    CID, door de misdaadanalisten, om te kijken of die
    onderzoeken de moeite waard zijn om aan te pakken, of ze daar rijp
    voor zijn en of wij daar de capaciteit voor hebben. Gelijktijdig
    passeren in datzelfde overleg alle lopende, grote onderzoeken als
    het ware heel grof de revue: gebeurt er wat wij willen, zitten er
    problemen in en moet er bijgestuurd worden?

    Noot

    De besluitvorming over de te onderzoeken zaken in de ressortelijke
    adviescommissies en nu in de commissie van officieren zware
    criminaliteit onder leiding van de hoofdofficier met gezag over een
    kernteam en het Cordinerend Beleidsoverleg (CBO) is constant
    onderwerp van discussie. Er is veel kritiek op de selectie van de
    zaken, de basis van de besluitvorming en op de uitkomsten. Er is
    van de regio’s weinig steun voor de beslissingen van het CBO.
    Daarnaast is veel tijd besteed aan de afbakeningsdiscussie tussen
    CBO, Vergadering van procureurs-generaal en arrondissementen. De
    organen van het OM hebben de onduidelijkheid over wie
    verantwoordelijk is voor de bestrijding van georganiseerde
    criminaliteit laten bestaan.

    De heer Suyver:
    Ik vind dat er een aantal dingen moeten worden verbeterd. De
    prioriteitsstelling op landelijk niveau is ofschoon de afgelopen
    jaren verbeterd, een ingewikkeld en moeizaam proces. Een geweldige
    Poolse landdag, waar de heer Gonsalves probeert handen en voeten
    aan te geven.
    Noot

    Het CBO zou ingevolge zijn taakomschrijving een sturende rol dienen
    te vervullen in de vaststelling van de onderzoeken van de
    kernteams. De commissie constateert dat het CBO daarin tot op dit
    moment niet is geslaagd. De kernteamconvenanten – die bij het
    bepalen van de prioriteiten een grote rol toekennen aan de
    zogenaamde kernteamdriehoek – hebben niet aan verduidelijking
    bijgedragen. Evenmin lijkt de regionale politieleiding het gezag
    van het OM altijd te accepteren. Regionale belangen spelen bij de
    keuze van de te onderzoeken zaken nog steeds een grote rol.
    Procureur-generaal Gonsalves onderkende deze problematiek, maar
    stelt dat zowel de kernteams als de prioriteitenstelling zich in
    een opbouwfase bevinden.

    De heer Gonsalves:
    (…) Wij zijn nog steeds bezig om te proberen om daar een
    beter structuur in te brengen, maar de materie is heel taai
    gebleken. U heeft waarschijnlijk ook het rapport Tot de kern
    gelezen, dat een evaluatie is van het functioneren van de

    kernteams in het eerste jaar. Daarin komt duidelijk naar voren
    dat wij worstelen met het probleem dat de politie in Nederland
    traditioneel gedecentraliseerd is opgebouwd en dat men graag in
    eigen huis, in eigen kring de keuzen wil maken en de beslissingen
    wil nemen. Dat zijn soms heel goede beslissingen waar iedereen het
    mee eens kan zijn, maar soms kijkt men alleen naar het regiobelang
    en komen landelijke belangen in de knel. Wij hebben in een van de
    laatste CBO-vergaderingen geconstateerd dat er hele terreinen braak
    blijven liggen, omdat iedereen zegt: dat is mij te ingewikkeld,
    laat een ander dat maar doen. Dat is een klassiek probleem,
    waardoor bepaalde moeilijke onderzoeken niet werden verricht.
    Het
    CRI liep daar het land mee af, maar niemand wilde ze
    doen. Dat is niet goed. Daarom hebben de hoofdofficieren gezegd –
    dat is weer een stap vooruit – dat zij van hun gezagspositie over
    die
    kernteams gebruik moeten maken om, zodra er capaciteit
    vrijkomt, het
    CBO bepalender te laten zijn bij de invulling
    daarvan en te gaan kijken wat landelijk gezien het zwaarste weegt.
    Dan moet het regiobelang dus achteruit gezet worden. Daar geloof ik
    ook in, want ik heb dat zien gebeuren in 1988 toen er nog helemaal
    niets was en ik met mijn werkgroep een voorstel heb gedaan om te
    komen tot een 25-tal regionale teams om een begin te maken met de
    aanpak van de georganiseerde misdaad. Toen speelde hetzelfde
    probleem. Wij zijn toen toch in een paar jaar zover gekomen dat de
    lokale belangen van gemeenten en dergelijke naar achter werden
    geschoven en het regiobelang heel duidelijk veel meer naar voren
    kwam. Ik zie dan ook een ontwikkeling naar een erkenning dat
    sommige vormen van criminaliteit zo bedreigend zijn, ook landelijk
    en internationaal, dat die voorrang behoeven. U kunt echter niet
    verwachten dat dat in n of twee jaar voor elkaar is, want je moet
    er toch een zekere cultuuromslag voor bewerkstelligen.

    Noot

    Afstandelijkheid ten aanzien van de methoden

    De heer De Graaf:
    Oefent het OM op dit moment voldoende gezag uit op de
    politie?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Als het gaat om het gedeelte van het onderzoek dat in de
    wandeling wel met pro-actief wordt aangeduid, dan is het antwoord
    neen. Dat is onduidelijk en dus onvoldoende.

    Noot

    Het OM heeft in het algemeen weinig zicht op het feitelijk hanteren
    van de opsporingsmethoden. Wel heeft de commissie in sommige
    arrondissementen meer actieve sturing van de kant van officieren
    van justitie aangetroffen dan in andere. Nagenoeg iedereen is het
    erover eens dat de bevoegdheid tot het inzetten van methoden bij
    het OM behoort te liggen. Het OM wordt langzamerhand meer betrokken
    bij de inzet van methoden. Tot voor kort heeft de politie op eigen
    gezag allerlei methoden ingezet in onderzoeken naar georganiseerde
    criminalitiet.

    Het OM is reactief bij de besluitvorming over de te gebruiken
    methoden betrokken. Dit wordt wellicht mede verklaard door
    overbelasting. Zowel het rapport van de commissie-Donner als het
    plan van aanpak reorganisatie OM onderkennen dat grote
    investeringen (respectievelijk 80 en 60 miljoen op jaarbasis) nodig
    zijn om het OM tot een effectieve organisatie te maken. Hieruit
    valt af te leiden dat het OM structureel veel te weinig middelen
    had om zijn taken behoorlijk uit te oefenen. Het gezag van de
    officier van justitie wordt gerelativeerd doordat het OM in
    belangrijke mate afhankelijk is van de informatie die de politie
    aanlevert. Het OM moet in die zin op de juistheid daarvan
    vertrouwen.

    Er bestaan grote verschillen van opvatting tussen officieren van
    justitie over hun rol in de besluitvorming over de te gebruiken
    methoden. Sommigen zijn geporteerd voor een afstandelijke positie.
    Zij willen op grond van een magistratelijke rolopvatting hun
    controle van de opsporing zoveel mogelijk objectiveren. Anderen
    benadrukken het belang van een actief sturende rol bij de
    opsporing. Ook buiten het OM pleiten velen, waaronder een aantal
    politiefunctionarissen, voor een meer sturende rol van het OM. De
    verschillen van opvatting tussen officieren van justitie worden in
    belangrijke mate gevoed door de afwezigheid van een eenduidige
    gezagsconceptie. Sommigen stellen gezag gelijk met sturing op
    afstand en zien daarin meteen een reden om zich niet met concrete
    opsporingsactiviteiten te bemoeien die voortvloeien uit de inzet
    van specifieke methoden. Anderen zien hun gezagsrol als een
    opdracht zich wel degelijk met die concrete opsporingsactiviteiten
    te bemoeien. Zij achten het noodzakelijk bovenop onderzoeken
    van
    georganiseerde criminaliteit te zitten.

    Doorlichting

    Om tot een overzicht te komen van de gebruikte
    opsporingsmethoden heeft de vergadering van procureurs-generaal
    eind 1994 besloten tot een doorlichting van de lopende onderzoeken
    van regionale, interregionale en districtelijke rechercheteams. De
    hoofdofficieren dienden aan te geven welke methoden gehanteerd
    waren in de verschillende onderzoeken.

    De heer Docters van Leeuwen:
    (…) Ik wil er wel de aantekening bij maken dat de
    doorlichtingsactie naar mijn gevoel bepaald niet moet worden
    uitgelegd als een motie van wantrouwen naar de politie.
    De voorzitter:
    Leuk vonden ze het niet. Er liggende woedende brieven bij
    ons in de bak.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik heb ook de heer Brand daarover iets horen verklaren, die
    het heeft over een brief aan de hoofdcommissarissen. Dat is
    onjuist. Die brief is gericht tot de hoofdofficieren. Zeker toen de
    doorlichtingsoperatie eenmaal liep, heb ik er natuurlijk naar
    gevraagd bij een aantal politiemensen. Toen zei men: wij kunnen
    toch wel begrijpen dat het gebeurt. Zowel politie als het OM lijdt
    onder het feit dat de grondslag waarop dit soort onderzoek wordt
    gedaan – dan praten wij over het onderzoek dat gedaan wordt voordat
    je kunt spreken van een verdachte – niet vastligt. In de wet is
    daarover niets geregeld.
    Noot

    In februari 1995 volgde een brief van de procureur-generaal te
    ‘s-Hertogenbosch portefeuillehouder zware, georganiseerde
    criminaliteit, waarin nadere gegevens worden gevraagd over de
    gehnateerde methoden om tot een meer gesystematiseerde doorlichting
    te kunnen komen. Op 15 mei 1995 stuurde deze procureur-generaal
    nogmaals een brief aan de hoofdofficieren van justitie. Niet alle
    lopende onderzoeken waren gemeld. Op 19 mei volgde nog een brief
    waarin de hoofdofficieren gemaand werden de methoden te melden.
    (…) in alle zaken die niet op de voorgeschreven wijze (…)
    uiterlijk 1 juli 1995 ter toetsing zijn aangemeld bij de

    Centrale toetsingscommissie zal moeten worden afgezien van de
    (voortgang van de) strafvervolging; wanneer het geding reeds is
    aangevangen zal bij niet tijdelijke aanmelding vrijspraak moeten
    worden gevorderd.
    Noot

    De doorlichting leverde veel feiten en gegevens op. De commissie
    constateert dat de verschillende arrondissementen en ressorten op
    zeer verschillende wijzen de verzamelde gegevens hebben
    aangeleverd. De doorlichting levert een beeld op van gebruikte
    opsporingsmethoden in Nederland. Door de diversiteit van de
    gegevens bleek het niet mogelijk een consistent overzicht te maken
    van de gebruikte methoden. Binnen het OM heeft de doorlichting geen
    vervolg gekregen.

    De heer Docters van Leeuwen:
    Die doorlichting was nodig – dat heb ik, hoewel ik toen nog
    niet benoemd was activiteiten van het openbaar ministerie, waardoor
    de geloofwaardigheid van het openbaar ministerie ten – bepaald niet
    tegengehouden – om het voorzichtig te zeggen – omdat er twijfel was
    gerezen aan de toetsende overstaan van de rechter ernstig zou
    kunnen zijn aangetast.
    De voorzitter:
    Waardoor was die twijfel gerezen?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Omdat in een aantal zaken niet voldoende duidelijk was
    geweest of het openbaar ministerie wel of niet van te voren
    toestemming had gegeven voor het gebruik van wat in de wandeling
    een bijzondere opsporingsmethode is komen te heten, terwijl er in
    die gevallen ook geen sprake was van spoedeisendheid of noodweer of
    iets dergelijks. Ik weet niet of toezicht achteraf, terwijl het
    niet achteraf had gehoeven… Dat kun je moeilijk toezicht
    noemen.
    De voorzitter:
    Heeft die doorlichting volgens u de zaken – wat er gebeurde
    – helder gemaakt?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ja. Het heeft wel enig vijven en zessen gekost eer alles op
    tafel lag. Het was, denk ik, voor de eerste keer dat het openbaar
    ministerie middels een dergelijke actie probeerde informatie te
    centraliseren. Ik denk dat dat niet eerder… Ik heb het wel
    gevraagd, maar mij zijn geen gevallen bekend waarin dat eerder is
    gedaan. Men had dus nogal wat moeite met het op gang brengen van de
    juiste informatiestroom. Er waren definitieproblemen enzovoort
    enzovoort.
    De voorzitter:
    Maar het moet u toch ook opgevallen zijn dat in ieder geval
    twee van de regio’s die bij ons veel over tafel zijn gegaan,
    namelijk Rotterdam en
    Gooi en Vechtstreek, en de zaken waar
    wij het hier over hebben gehad, in die doorlichting niet zijn te
    vinden.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Jawel, Bever, want daar heeft u het over, is wel te
    vinden.
    De voorzitter:
    Is niet in de doorlichting te vinden op de punten waar wij
    hier zo lang over gesproken hebben.
    De Docters van Leeuwen:
    Die is wel te vinden. Ik ben de precieze omschrijving kwijt.
    Een paar zaken in Gooi- en Vechtstreek waren inderdaad niet te
    vinden.
    De voorzitter:
    Vandaar ook de vraag of alles wel staat in die doorlichting,
    als je er ook bij betrekt dat in de Centrale toetsingscommissie
    bijvoorbeeld de officieren die dit speciaal moeten uitzoeken, onder
    wie de heer De Groot uit Haaglanden, zeggen: wij komen er niet uit.
    Dus weten wij nu wel alles? Weet u alles en weten wij
    alles?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik weet in ieder geval niet alles. Noot

    Inhoudelijke criteria

    Inhoudelijke criteria voor de voorwaarden waaronder een methode mag
    worden gehanteerd, zijn schaars. Interne richtlijnen van
    afzonderlijke arrondissementen ontbreken nagenoeg. Voorzover er al
    criteria zijn, zijn deze verspreid over enkele doorgaans interne
    (landelijke) regelingen te vinden. Te wijzen valt bijvoorbeeld op
    de infiltratierichtlijn, de Regeling van de tip-, toon- en
    voorkoopgelden, de regeling deals met criminelen en de recente
    handleiding voor inkijkoperaties. De richtlijnen scheppen alleen
    duidelijkheid over wie moet beslissen.

    De algemene inhoudelijke beginselen van proportionaliteit en
    subsidiariteit domineren. Dat betekent dat nagegaan wordt of de
    inzet van de methode een redelijk middel tot een redelijk doel is
    (proportionaliteit) en of het te bereiken resultaat niet op een
    andere wijze valt te realiseren (subsidiariteit). De commissie
    constateert dat deze beginselen dermate veelomvattend zijn dat
    slechts in buitengewone omstandigheden officieren van justitie tot
    het oordeel komen dat een methode niet proportioneel of niet
    subsidiair is. Althans uit de stukken over de afwegingen in zaken
    blijkt hiervan weinig.

    De heer Docters van Leeuwen:
    Wij moeten feitelijk vaststellen dat er groot verschil van
    opvatting is gegroeid van rechtstatelijke aard.
    De voorzitter:
    En nog is.
    De heer Docters van Leeuwen:
    En dus nog is, ja.
    De voorzitter:
    Tussen wie en wie?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Er zijn naar mijn gevoel drie stromingen. Iedereen heeft
    natuurlijk zijn eigen nuancering in die opvatting, maar er zijn er
    naar mijn idee drie. De rekkelijke en de precieze. Dat vind ik niet
    het hoofdprobleem. Er is nog een derde die ik in de wandeling de
    autonome noem, totdat iemand er mij op wijst dat dit nu juist niet
    de meest juiste betiteling is…
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Die bestrijdt u juist.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Dus dat moet ik terugnemen, maar goed. Missionarissen klinkt
    weer te…
    De voorzitter:
    De autonome missionarissen.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Degenen voor wie alleen de missie telt en waarbij de rest
    van de toepassing van het recht instrumenteel is. Dat zijn de drie
    factoren waartoe je het verschil van opvattingen steeds kunt
    herleiden. Iedereen is altijd een beetje rekkelijk; iedereen is
    altijd een beetje precies. Sommige mensen zijn niet autonoom – of
    ze dat nooit geweest zijn weet je ook niet – en een aantal mensen
    is zeer autonoom. Daar zitten dus noties over de rechtsstaat achter
    waarover opheldering moet worden verschaft. (…)

    Noot

    Sturing politie

    Het OM tracht tegenwoordig zijn gezags- en beheerstaken ten
    aanzien van de politie meer inhoud te geven. Het OM is zich steeds
    meer ervan bewust dat de politie gestuurd moet worden. Het OM
    tracht de politie te sturen op drie onderdelen:

    • welke onderzoeken worden opgepakt;
    • welke dwangmiddelen mogen worden toegepast;
    • hoe wordt het onderzoeksteam samengesteld.
    De heer Maan:
    Je blijft je eigen baas ten aanzien van bepaalde soorten
    beslissingen die je neemt, bijvoorbeeld welke eis je uiteindelijk
    op een zitting stelt, hoe je het formuleert, wat voor redengeving
    je daaraan verbindt. Daarin ben je zeker je eigen baas.
    De voorzitter:
    Als officier van justitie leidt u de opsporing, volgens het
    Wetboek van Strafvordering. Wij hebben veel officieren van justitie
    hier gehad die in feite zeggen dat zij volstrekt afhankelijk zijn
    van wat de politie hen aanlevert, dat zij nauwelijks kunnen zeggen
    dat zij het opsporingsonderzoek leiden.
    De heer Maan:
    Tot op zekere hoogte is dat uiteraard zo, want de informatie
    die je aangeleverd krijgt, op basis waarvan je beslissingen neemt,
    is informatie die je aangeleverd krijgt door de politie. In dat
    opzicht ben je dus afhankelijk van de informatie die je aangeleverd
    krijgt.
    Noot

    De sturing met betrekking tot de toepassing van opsporingsmethoden
    schiet op dit moment tekort. Het OM neemt allerlei initiatieven om
    hierin verandering aan te brengen.

    De voorzitter:
    Weet u precies wat er bij de CID-en die onder uw gezag
    staan, gebeurd is?
    De heer De Groot:
    Ik kan daar nooit een volmondig ja op geven. Ik ga ervan uit
    dat ik die trajecten die relevant zijn voor de zaak, ken. Dat is
    gebaseerd op de vertrouwensrelatie die ik met mijn CID’s heb. Maar
    ik ben natuurlijk afhankelijk van de informatie die mij verstrekt
    wordt.
    De voorzitter:
    Weet u voldoende wat er gebeurt bij de CID-en waarover u het
    gezag heeft?
    De heer De Groot:
    Ook daar kan ik nooit een sluitend antwoord op geven. Mijn
    indruk is dat ik voldoende weet, dat de politie tegenover mij
    inderdaad open aangeeft wat er speelt en wat er aan de hand is.

    Noot
    De voorzitter:
    Denkt u dat er behoefte is aan het herstel van het gezag van
    het OM?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja, zeker! De reorganisatie van het OM is er natuurlijk niet
    voor niets gekomen. Het is echt nodig dat het OM sterk genoeg is,
    ook kwalitatief, om het gezag uit te oefenen. Dat moet ook
    absoluut. De politie kan in opsporingsonderzoeken alleen maar
    werken onder gezag van het OM. Het gezag moet ook werkelijk iets
    voorstellen. Het gezag moet maken dat er een zodanige verhouding is
    dat het openbaar ministerie ook de legitimiteit van het
    politiehandelen kan toetsen en op een gegeven moment ook
    beslissingen kan nemen. Dat is het gezag van het OM.
    De voorzitter:
    Is dat ook een kwestie van meer afstand nemen van het OM of
    meer doorvragen bij de politie?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik vind dat als er samengewerkt wordt – want dat doe je toch
    als politie en openbaar ministerie in een opsporingsonderzoek – het
    openbaar ministerie, de officier van justitie, leider van het
    onderzoek is. Dat betekent dat hij stuurt, dat hij beslissingen
    neemt en dat hij toetst. Dat betekent ook dat de politie zich
    toetsbaar moet opstellen en zich moet laten sturen. Dat is een
    wisselwerking in een professionele werkomgeving, waarbij men toch
    van elkaar moet weten wat wel en niet moet. Als je gaat vragen of
    er richtlijnen voor moeten komen, zeg ik: nee, je kunt niet werken
    met een papierwinkel van richtlijnen. Je moet werken op basis van
    professionele kwaliteit en je moet weten wat ieders taak daarin
    is.
    Noot

    Er bestaat een spanning tussen de toetsende rol en de
    leidinggevende rol van officieren van justitie. Enerzijds wordt van
    de officier van justitie verwacht dat hij waakt over de
    rechtmatigheid van het politie-optreden. Dat vergt een zekere
    distantie en een open oog voor de belangen en de rechten van de
    burger tegen wie de opsporing zich richt. Niet voor niets is het
    gezag over de opsporing gelegd bij een buiten de politieorganisatie
    staand orgaan. Anderzijds dient het OM de politie te sturen, ook op
    het punt van de effectiviteit van de opsporing. Daardoor dreigt het
    gevaar dat de officier van justitie zich te veel met het
    opsporingsbelang vereenzelvigd. Sommige officieren creren bewust
    een afstand tot de politie, anderen bemoeien zich intensief met
    alle beslissingen tijdens het opsporingsonderzoek. Deze keuze is
    sterk afhankelijk van het persoonlijk functioneren van de
    officieren van justitie.

    De heer Snijders:
    U moet niet vergeten dat de communicatie tussen
    politiemensen en de officieren er een is van vertrouwen. Als iets
    niet werd gezegd, wil dat niet zeggen dat dat verkeerd was. Het kon
    zijn dat het niet werd gezegd, omdat men het gesloten wilde houden.
    Misschien had wat meer moeten worden doorgevraagd, maar u moet het
    in die tijd plaatsen. Alles overziende, denk ik nu dat men wat
    vaker had moeten vragen wat er aan de hand was.

    Noot

    In een enkel geval onstond een conflict tussen de wensen van de
    politie en het gezag van de officier van justitie.

    De voorzitter:
    Ik zou nog een puntje met u willen doornemen. U heeft ooit,
    ik dacht twee jaar geleden, een conflict gehad met de politie, de
    korpsleiding over de vraag of een bepaalde
    inkijkoperatie
    moest worden doorgezet of niet. Het ging om een
    inkijkoperatie waarbij een accu in een voertuig moest worden
    bevestigd. U wilde dat wel en de politie wilde niet. Wie kreeg er
    uiteindelijk gelijk?
    De heer De Groot:
    Mag ik het even uitleggen? Ik heb inderdaad een aantal
    inkijkoperaties geaccordeerd die uiteraard zijn uitgevoerd door
    de politie en in goed overleg met het hoofd
    CID. Dat betrof
    inderdaad het bijladen van peilapparatuur die wij aan hadden
    gebracht op een voertuig. Dat ging niet om een woning maar om een
    garage-achtige toestand. Dat betrof een reeks van inkijken,
    bijladingen in een dergelijke besloten ruimte. Op een gegeven
    moment gebeurde het dat er buiten mij om besloten werd om dit
    traject af te breken.
    De voorzitter:
    Vanwege de politie?
    De heer De Groot:
    Niet de politie, vanuit een bepaald niveau van de
    politie.
    De voorzitter:
    Vanuit de korpsleiding?
    De heer De Groot:
    Precies, vanuit de top van het korps. Dan kom je denk ik
    toch bij een heel essentieel

    probleem van het CID-werk. Mijn stelling is altijd de volgende
    geweest. Als je een CID-traject aangaat en je doet dat in goed
    overleg met je hoofd
    CID en de betrokken CID-officier
    van justitie, dan moet je, als je vindt dat je dat aan je
    superieuren moet voorleggen, dat van tevoren regelen. Voor mij
    geldt dat mijn hoofdofficier, de PG en eventueel de minister en
    voor een hoofd
    CID geldt dat eventueel zijn korpschef. Maar
    het mag nooit en te nimmer gebeuren, als je eenmaal een traject
    hebt ingezet, dat er dan buiten de direct verantwoordelijke om
    rechtstreeks ingegrepen wordt in het traject. Ik zeg dit niet
    alleen vanwege het principe maar ook met het oog op de veiligheid.
    Op het moment dat er van buiten af door derden wordt ingegrepen,
    buiten degenen om die zicht hebben op het traject waarbij de

    afscherming van de informant een buitengewoon belangrijke
    plaats inneemt, kun jij de veiligheid van je
    informant niet
    meer garanderen. Daarmee werden wij ook geconfronteerd. Dat was het
    conflict. Ik heb het niet geaccepteerd dat buiten mij om ingegrepen
    werd in een traject, waarvoor ik verantwoordelijkheid had genomen,
    in het bijzonder ook wat de veiligheid van de
    informant
    betreft. Dat is exact het probleem.
    De voorzitter:
    Wanneer was dat? In de afgelopen jaren?
    De heer De Groot:
    In mijn herinnering is het denk ik ongeveer een jaar
    geleden.
    De voorzitter:
    Toen heeft uiteindelijk de korpsleiding aan het langste eind
    getrokken.
    De heer De Groot:
    Dat klopt. En ik aan het kortste.
    De voorzitter:
    Juist. En bent u, toen u eenmaal aan het kortste eind
    getrokken had, nog verder gegaan naar ministers etcetera?
    De heer De Groot:
    Ik heb tegen de korpsleiding gezegd: dit mag mij geen tweede
    keer overkomen, want anders doe ik geen zaken met jullie. Ik heb
    tegen mijn
    CID gezegd: als het gaat om de juridische
    verantwoordelijkheid van een bepaald traject vind ik dat het OM de
    eindbeslissing daarin heeft; gaat het om de inzet van mensen en de
    veiligheid van politieambtenaren, zowel op het lichamelijke als op
    het psychische vlak dan heeft uiteraard de
    korpsbeheerder
    het laatste woord; het mag niet voorkomen dat achteraf in het
    traject door derden wordt ingegrepen, want anders doe ik geen zaken
    met jullie; jullie moeten dat maar tevoren regelen en als wij weer
    zo’n traject draaien, wil ik vooraf de garantie hebben dat er niet
    van andere zijde in het traject wordt ingegrepen. Helderder kon ik
    het denk ik niet zeggen. Dat heb ik de hoofdofficier laten
    weten.
    Noot De mogelijkheden tot officier shoppen
    zijn feitelijk vaak beperkt vanwege de toewijzing van zaken
    aan

    officieren of de functionele indeling van officieren. De commissie
    constateert dat politiefunctionarissen in het verleden wel eens een
    specifieke officier kozen om toestemming te vragen voor bepaalde
    methoden. Op dit moment is dat nauwelijks meer mogelijk.

    CID-officieren en zaaksofficieren

    Speciaal ten behoeve van informatie-inwinning over CID-subjecten
    en verdachten door de criminele inlichtingendiensten is in de loop
    van de jaren tachtig binnen de arrondissementsparketten een
    speciale officier van justitie belast met werkzaamheden in dit
    kader. Hij wordt daartoe in elk arrondissement door de betrokken
    hoofdofficier aangewezen. Deze officier van justitie wordt in de
    praktijk aangeduid met de term CID-officier.

    De voorzitter:
    In hoeverre kunt u als officier het beleid van de CID
    bepalen?
    De heer De Groot:
    Ik wil het wel.
    De voorzitter:
    Dat begrijp ik, maar kunt u het ook?
    De heer De Groot:
    Ik probeer het. Dat is weer een stap verder. En of ik het
    kan? Dan moet ik uiterst bescheiden zijn.
    De voorzitter:
    Dus u kunt het eigenlijk niet.
    De heer De Groot:
    Niet in de mate zoals ik zou willen.
    De voorzitter:
    Wat kunt u niet wat u wel zou willen?
    De heer De Groot:
    Ik vind dat een CID als onderdeel van de
    politieorganisatie ondersteunend is aan de recherchetaak. De
    recherchetaak is gericht op criminaliteitsbestrijding. De
    prioriteiten daarvan worden deels landelijk maar ook lokaal
    bepaald. Ik vind dat de inzet van de
    CID eigenlijk de
    prioriteiten dient te volgen, zoals die door het bevoegd gezag
    worden vastgesteld. Als ik het via de andere kant mag benaderen:
    een
    CID moet niet voor zichzelf werken, moet geen informatie
    verzamelen om maar informatie te hebben; een
    CID moet ook
    niet achter de
    informanten aanlopen; een CID moet
    gericht investeren in de projecten die door het bevoegd gezag zijn
    uitgekozen in het kader van de prioriteitenstelling.

    Noot De CID-officier heeft feitelijk veelal geen inzage
    in achterliggende documenten en de CID-registers. Hij neemt

    over het algemeen genoegen met de informatie van politie. Sommigen
    willen veelal ook geen inzage in de CID-registers, de vier x
    viertjes of de journaals. De CID-officier staat niet vermeld in de
    CID-regeling 1995 als

    een van de gerechtigden tot inzage in de CID-registers.

    De voorzitter:
    Laten wij proberen het praktischer te krijgen. Wat vond u te
    onbelangrijk, dus wat vond u zaken, waarvan u zei: val mij daar
    niet mee lastig, en wat vond u dingen die u absoluut moest
    weten?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Alle details, dus hoe iets uitgevoerd wordt, het contact met
    een
    informant, hoe dat plaatsvindt, al die details hoef ik
    niet te weten. Wel wil ik weten wat er afgesproken wordt en hoe ver
    men gaat. Maar er is ook nog een chef bij de
    CID die alles
    moet weten. Hij heeft ook een verantwoordelijkheid.
    De voorzitter:
    Maar moet u niet hetzelfde weten als die chef?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Ik denk dat het aan de chef is om aan mij door te geven wat
    ik moet weten. Ik moet echter niet op de stoel van de chef gaan
    zitten.
    Noot
    De voorzitter:
    Hoe kunt u dan het gezag uitoefenen, als u tot dat systeem
    geen toegang hebt?
    De heer De Groot:
    Het gaat niet om het gezag van het systeem. Het gaat erom
    wat er wordt ingevoerd in het systeem en wat eruit komt. Mijn
    persoonlijke opvatting is dat het OM meer zicht zou moeten hebben
    op wat er ingevoerd wordt in het systeem.
    De voorzitter:
    Waar heeft u nu te weinig zicht op?
    De heer De Groot:
    Daar heb ik te weinig zicht op. Ik heb te weinig zicht op
    wat er in het systeem wordt ingevoerd. Heel duidelijk. Ik heb geen
    zicht op waar de informatie die in CID-registers wordt ingevoerd,
    daar wordt opgeslagen, gecombineerd, vandaan komt. Het is een soort
    centrifugeverhaal. Ik heb er geen zicht op of deze informatie
    rechtmatig is, of het geen informatie betreft die vernietigd had
    moeten worden.
    Noot De betrokkenheid van de
    CID-officieren verschilt binnen en tussen de parketten. De
    CID-officier is in het

    algemeen niet op de hoogte van alles wat binnen de CID gebeurt. De
    CID-officier is voor zijn informatie in sterke mate afhankelijk van
    de CID-chef. De sterke positie van CID-chefs belemmert soms de
    CID-officier in zijn werk. In sommige regiokorpsen bestaat er geen
    enkel vertrouwen tussen CID-chef en CID-officier. De commissie
    constateert dat de ernstig verstoorde verhoudingen in Gooi en
    Vechtstreek, zoals die tijdens de verhoren bleken te bestaan, tot
    de uitzonderingen behoren. Inmiddels wordt geprobeerd in het
    landelijk platform van CID-officieren het beleid van de
    CID-officieren van justitie op elkaar af te stemmen. Binnen het OM
    worden afspraken met de politie nauwelijks schriftelijk vastgelegd.
    Tussen de CID en de CID-officier bestaat een meer gestructureerd
    overleg dan tussen de tactische recherche en de zaaksofficieren.
    Incidenteel leggen de deelnemers afzonderlijk de gesprekken op
    papier vast. Ook worden verslagen gemaakt van contacten tussen
    CID-chefs en CID-officieren.

    De heer Maan:
    Het kiezen van een onderzoek, denk ik, is eerder iets wat in
    het kader van een overleg tussen bijvoorbeeld
    CID-officier,
    een unit-hoofd en een hoofdofficier en de politieleiding
    plaatsvindt dan dat daarin een
    zaaksofficier die de zaak
    moet gaan doen, meekiest welke zaak hij moet gaan doen. Ik kan mij
    best voorstellen dat dit ook op een ander niveau beslist wordt.
    Een
    zaaksofficier die dus verantwoordelijk is voor een
    specifieke zaak, is degene die heel sterk bepaalt welke richting
    het onderzoek uit gaat en wat daarin aan deelonderwerpen gekozen
    wordt.

    Wanneer een proactief onderzoek tactisch wordt, zal een zogenoemde
    zaaksofficier worden ingeschakeld. Hij is verantwoordelijk voor het
    tactische traject en zal het OM ter terechtzitting
    vertegenwoordigen.

    De heer Vos:
    Maar het gezag komt natuurlijk niet alleen tot uitdrukking
    op het juridisch vlak. Er moet ook een baas zijn, iemand die de
    eindverantwoordelijkheid heeft. U heeft zelf gezegd dat u juridisch
    misschien wat te weinig aan uw trekken komt op het strafrechtelijke
    terrein. Kunt u uw gezag ook in de persoonlijke zin waar maken?
    Bepaalt u de strategie?
    De heer Maan:
    Ik bepaal mede de strategie. Zoals ik zei, is dat iets wat
    je doet in overleg met het team, waarin je samen kiest op basis van
    de informatie die je krijgt, welke richting het uit gaat. Daarin
    bepaal je dus ook de strategie hoe het onderzoek vorm wordt gegeven
    en gaat lopen.
    Noot Op het moment dat een zaak op de
    zitting wordt behandeld is de zaaksofficier soms niet op de hoogte
    van alle

    CID-trajecten in het onderzoek. De onduidelijkheid over wat wel en
    wat niet in een proces-verbaal moet worden opgenomen speelt daarbij
    een belangrijke rol. Binnen het OM wint de opvatting terrein dat
    CID- en zaaksofficier over dezelfde informatie moeten kunnen
    beschikken.

    De heer Vos:
    Uit uw ervaring gesproken, bent u van mening dat zowel
    de
    CID-officier als de zaaksofficier gelijkwaardig
    genformeerd dienen te zijn over de lopende zaken?
    De heer Koers:
    Ik ben er in de loop van de jaren anders over gaan denken.
    Toen ik daar in 1991 mee begon,

    had ik heel sterk iets van: ik vertel de zaaksofficieren
    alleen maar dat wat echt noodzakelijk is. Gaandeweg merk je dat,
    wil je als een
    zaaksofficier op een goede manier tegenover
    de rechter kunnen vertellen wat er speelt en weten wat er in een
    zaak gespeeld heeft, je dan meer informatie nodig hebt. Toch vind
    ik zelf dat bijvoorbeeld de namen van de
    informanten niet
    bekend hoeven te zijn bij een
    zaaksofficier, wel welke
    methoden er gebruikt zijn, zodat de zaak gewoon open bij een
    rechter neergelegd en getoetst kan worden.
    Noot

    Naast het tactische traject is soms gelijktijdig sprake van een
    CID-traject. De verantwoordelijkheid voor het parallelle
    CID-traject is niet steeds duidelijk. Het komt voor dat de
    zaaksofficier zich op het standpunt stelt dat hij ten volle
    verantwoordelijk moet zijn voor het parallel lopende CID-traject en
    tactisch traject. De zaaksofficier is dan in staat de CID-officier
    te overrulen. Het is echter geenszins uitgesloten dat tijdens het
    tactisch onderzoek de zaaksofficier niet op de hoogte is van de
    inzet van bepaalde bijzondere opsporingsmethoden.

    De heer Vos:
    Wie is nou eigenlijk verantwoordelijk in het hele gebeuren?
    Wij spreken over een
    CID-officier, een zaaksofficier
    en een hoofdofficier. U bent plaatsvervangend hoofdofficier. Bij
    wie ligt nu de verantwoordelijkheid? En wie is waarvoor
    verantwoordelijk?
    De heer Gerding:
    De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de officier van
    justitie die de zaak op de zitting naar voren brengt. Die moet
    staan voor al datgene wat tijdens het onderzoek is gebeurd. Daar
    draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor. Verder moet het
    parket, en meer in het algemeen: het openbaar ministerie, ervoor
    zorgen, dat er een doorzichtige en consistente besluitvorming
    plaatsvindt over opsporingsonderzoeken en de daarbij te hanteren
    methoden. De hoofdofficier, en bij zijn afwezigheid: zijn
    plaatsvervanger, is verantwoordelijk voor de wijze waarop de keus
    van de methodes wordt gemaakt en uiteindelijk ook voor de uitkomst
    daarvan.
    De heer Vos:
    Wanneer in de CID-fase iets onprettigs, iets onoirbaars is
    gebeurd, is het dan aan de
    zaaksofficier om de
    CID-officier een reprimande te geven? Hoe werkt dat?
    De heer Gerding:
    Bij de meeste parketten bevinden de CID-officier en
    de
    zaaksofficier zich hirarchisch gezien min of meer op
    gelijke hoogte. Het is dus de taak van de hoofdofficier om een
    dergelijke aangelegenheid naar zich toe te trekken en zijn oordeel
    daarin kenbaar te maken.
    De heer Vos:
    Draagt de hoofdofficier de eindverantwoordelijkheid voor het
    hele gebeuren?
    De heer Gerding:
    Zeker. Noot

    9.2.4 Centrale toetsingscommissie

    Instelling en taken

    In de Vergadering van procureurs-generaal van 9 maart 1994 werd de
    interimrapportage van de werkgroep-De Wit over infiltratie
    besproken. De Wit liet de Vergadering van procureurs-generaal
    schriftelijk weten dat er binnen het OM een grote diversiteit
    bestaat aan standpunten inzake het al dan niet ontwikkelen van
    bepaalde vormen van infiltratie. De conclusie luidde dat het niet
    goed mogelijk is binnen korte tijd tot een zodanig verfijnd systeem
    van regelgeving te komen dat er een enigszins uniform beleid tot
    stand komt. De voorkeur ging voor de korte termijn uit naar een
    procedurele oplossing.

    Op 26 oktober 1994 werd in de vergadering van de
    procureurs-generaal een deelrapport van de commissie-De Wit
    besproken met de titel Centrale commissie bijzondere
    opsporingsmethoden. De vergadering was van oordeel dat een
    dergelijke commissie zo snel mogelijk, met instemming van de
    minister van Justitie, moest worden ingesteld en aan het werk moest
    gaan. Op 2 december 1994 besloot de Vergadering van
    procureurs-generaal per 1 januari 1995 de Centrale
    toetsingscommissie (CTC) in te stellen; voorzitter werd
    hoofdofficier Jansen van het parket ‘s-Hertogenbosch.
    Noot De CTC bestaat uit twee kamers. Volgens artikel 2
    van het Instellingsbesluit heeft de CTC een viertal taken.
    Allereerst heeft de CTC tot taak het, al dan niet onder
    voorwaarden, verlenen van toestemming aan opsporingsmethodieken met
    een grensverleggend karakter of met een groot afbreukrisico ten
    aanzien van personen en zaken. Onder dergelijke grensverleggende
    acties worden in ieder geval begrepen:

    zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op
    inbeslagneming; – alle (inter-)nationale (projectmatige)
    infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of kortlopende
    acties van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het
    openbaar ministerie en politie strafbare feiten – alle vormen van
    al dan niet langdurige infiltratie-operaties waarbij gebruik wordt
    gemaakt van de informatie (blijven) plegen;

    coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel
    waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in – alle zogeheten
    frontstore-operaties, waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of
    exploiteren van een
    de vorm van goederen en diensten aan criminele groeperingen of
    organisaties wordt aangeboden;

    • alle infiltratieoperaties, waarbij gebruik wordt gemaakt van
      niet criminele burgerinformanten;
    • voorts ook alle operaties voortvloeiende uit (eventueel) in de
      toekomst tot stand komende wetgeving op het terrein van direct
      afluisteren alsmede deals met criminelen.

    Als tweede taak noemt het Instellingsbesluit goedkeuring te
    verlenen voor verlenging als de termijn van goedkeuring is
    verstreken. Ook kan nadere goedkeuring noodzakelijk zijn bij
    wijzigingen inzake de veiligheidsaspecten van personen, de ernst en
    frequentie van te plegen strafbare feiten en dergelijke. Als derde
    taak krijgt de CTC het ontwikkelen van richtlijnen op het terrein
    van de bijzondere opsporingsmethoden. Het Instellingsbesluit wijst
    daarbij op de mogelijkheid dat die richtlijnen ertoe leiden dat de
    besluitvorming in de toekomst weer op het niveau van de
    arrondissementen kan plaatsvinden. Als laatste taak krijgt de CTC
    opgedragen zich een beeld te vormen van de overige vormen van
    bijzondere opsporing. Daarmee wordt gedoeld op andere vormen van
    infiltratie, inkijkoperaties, operaties waarbij gebruik wordt
    gemaakt van hoogwaardige technologie, zoals peilzenders en bakens,
    in het kader van observatie. Voor wat betreft deze laatste vormen
    van opsporing is dus geen goedkeuring noodzakelijk, maar volstaat
    melding aan de CTC. De commissie heeft een registratietaak.

    De commissie is samengesteld uit een achttal leden van het
    openbaar ministerie. Daarnaast zijn er enige adviserende leden, de
    landelijke officieren van justitie en een viertal
    politiefunctionarissen.

    De voorzitter:
    Zijn de verschillende standpunten van het OM, waar het gaat
    om de zogenaamde rekkelijken en preciezen, daarin
    vertegenwoordigd?
    De heer Jansen:
    Ik kan niet zeggen dat er in de commissie een verschil
    bestaat tussen partijen. Ik geloof dat alle standpunten daarin op
    voldoende wijze zijn vertegenwoordigd en ook bij alle leden van de
    commissie bekend zijn.
    De voorzitter:
    Ook politie-ambtenaren zijn lid van die commissie.
    De heer Jansen:
    Ze zijn adviserend lid.
    De voorzitter:
    Hebben ze in de praktijk niet in feite hetzelfde te zeggen?
    Is er al eens gestemd?
    De heer Jansen:
    Er is nog nooit gestemd. Het grote belang van de adviserende
    leden, de politiemensen, is dat ze op grond van de praktijk
    adviezen kunnen geven die van belang zijn voor de werkbaarheid van
    bepaalde trajecten. Die adviezen zijn ook van belang waar het gaat
    om risico’s die aan trajecten zijn verbonden, risico’s die wellicht
    ook door degenen die de commissie advies vragen, onvoldoende zijn
    doordacht of ingezien. Daaraan hechten wij veel waarde. Ook uit de
    praktijk van de commissie blijkt dat dit een zeer belangrijke
    bijdrage is.
    Noot

    De verhouding tussen de hoofdofficieren van justitie en de CTC
    blijft onduidelijk. Het is niet duidelijk of een hoofdofficier toch
    kan beslissen een methode in te zetten nadat de CTC die methode
    heeft afgekeurd. In de praktijk blijkt dat de CTC binnen het OM
    beslissingsrecht heeft gekregen. De procureur-generaal
    portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit kan zijn gezag
    aanwenden om een conflict tussen een hoofdofficier en de CTC te
    beslechten.

    De heer De Graaf:
    Bent u niet eigenlijk bezig te doen datgene wat een
    hoofdofficier moet doen? Is het feit dat u bestaat niet eigenlijk
    een testament van armoede voor de hoofdofficieren?
    De heer Jansen:
    Ik vind dat toch een wat zware uitdrukking: testament van
    armoede. U vindt u op mijn weg als het erom gaat: is het niet een
    terrein waarin je zoveel mogelijk centraal en uniform afspraken
    moet maken? Ik vind dat zo’n toetsingscommissie daarin een
    belangrijke rol kan vervullen. De verantwoordelijkheid blijft
    uiteindelijk in de lijn bij de hoofdofficier, maar die zal toch ter
    dege rekening houden met de adviezen van de commissie.

    Noot

    Functioneren CTC

    De CTC bevindt zich in de aanvangsfase. Er bestaat binnen het OM
    en de politie nog enige onduidelijkheid over welke zaken slechts
    gemeld moeten worden en welke zaken getoetst moeten worden.
    Noot De CTC verwacht dat dit in de loop der tijd zal
    verbeteren.

    De beslissingen van de CTC zijn vertrouwelijk en worden niet
    verspreid. Op die manier kan geen openbare jurisprudentie ontstaan
    over de in te zetten methoden. De CTC maakt kwartaalberichten die
    aan de hoofofficieren van justitie worden toegestuurd. Aangezien de
    hoofdofficier dient te beslissen of een methode wordt voorgelegd
    aan de CTC, kunnen op die manier de beslissingen van de CTC
    doorwerken. De CTC heeft inmiddels geoordeeld over 72 aanvragen. In
    bijlage 5 is schematisch aangegeven welke beslissingen de CTC heeft
    genomen. De CTC heeft zich tot nu toe vooral gebogen over de inzet
    van infiltratie-methoden. Het gaat bijna steeds om verschillende
    vormen van infiltratie, waaronder het werken het
    politie-infiltranten en burgerinfiltranten.

    De heer Vos:
    Welke criteria legt u aan? Er is geen wettelijke basis en
    dus moeten die criteria ergens vandaag worden gehaald. Waaraan
    ontleent u uw criteria?
    De heer Jansen:
    U bedoelt toetsingscriteria?
    De heer Vos:
    Ja.
    De heer Jansen:
    Voor een aantal zaken zijn er geen wettelijke regelingen.
    Wel zijn er zaken zoals
    infiltratie, waarvoor er een
    richtlijn bestaat. Die richtlijn geeft een aantal criteria aan. Dat
    zijn ook de criteria die in de rechtspraak hun weg hebben gevonden.
    Ik noem de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit.
    Is wat je wil in verhouding met de zaak? Kan het beoogde resultaat
    niet met andere, minder vrstrekkende middelen worden bereikt? Erg
    belangrijk is ook het principe dat voorkomen wordt dat men in
    uitlokkingssituaties terechtkomt. Dit criterium gaat ook wel door
    voor het Tallon-criterium, genoemd naar een zaak die door de Hoge
    Raad is behandeld. Men mag de verdachte niet brengen tot
    handelingen die hij niet uit zichzelf zou willen plegen. Voorts
    kijken wij ook naar de behoorlijkheid en de controleerbaarheid van
    het traject, de regie die wordt gevoerd en de risico’s die men een
    infiltrant laat lopen. Daarbij kan het gaan om zijn veiligheid maar
    ook om de vraag of niet te gemakkelijk tegen een infiltrant is
    gezegd: je gaat wel onder onze regie strafbare feiten plegen maar
    maak je geen zorgen want we houden je straks wel buiten de zaak.
    Dat wordt soms wat t gemakkelijk gezegd en het is onze taak om te
    toetsen of dit inderdaad zonder kleerscheuren kan. Een ander punt
    waaraan wij absoluut stringent toetsen, is de kwestie van de

    verdiensten van de infiltrant. Daarin zijn wij zeer rigoureus.
    Wij vinden het niet acceptabel dat een infiltrant criminele

    verdiensten uit zijn activiteiten krijgt. Het is een duidelijke
    eis onzerzijds dat dit niet gebeurt en dat er wordt gezorgd voor
    een passende beloning in het kader van de tipgeldregeling. Met
    betrekking tot het maken van afspraken met infiltranten hameren wij
    op het vastleggen van die afspraken. Daar gaan wij vrij ver mee.
    Wij verlangen ook wel dat die afspraken niet alleen schriftelijk
    worden vastgelegd maar ook worden getoond aan de
    CTC.
    Noot

    Uit een analyse van de zaken tot nu toe leidt de commissie af dat
    de CTC de volgende uitgangspunten hanteert bij het werken met
    infiltranten:
    stellen;
    – er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de inzet
    zonder de CTC hiervan op de hoogte te consequenties (o.a.
    aanhouding) bij schending hiervan;
    – afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de
    burgerinfiltrant moet gewezen worden op de

    • criminele verdiensten moeten worden afgedragen in ruil voor een
      beloning van justitie;
    • aandacht moet worden besteed aan het beperken van de
      afbreukrisico’s;
    • de Nederlandse burgerinfiltrant mag doorgaans geen activiteiten
      in het buitenland verrichten. Bij buitenlandse burgerinfiltranten
      moeten goede schriftelijke afspraken worden gemaakt met de
      buitenlandse autoriteiten en gewaakt moet worden dat er absoluut
      geen sprake is van uitlokking;
    • bij gecontroleerde aflevering of doorlating moet de
      uiteindelijke omvang van een transport verdovende middelen gemeld
      worden, inclusief het deel wat eventueel uiteindelijk het milieu
      ingegaat;
    • goede psycho-sociale begeleiding van de
      politie-infiltrant;

    buitenland: handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke
    afspraken met buitenlandse autoriteiten – in geval van een
    buitenlandse politie-infiltrant in Nederland of een Nederlandse
    politie-infiltrant in het onder meer over vrijwaring als sprake is
    van het plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire
    commissie.

    Er is geen uniforme verslaglegging van de afweging van de CTC,
    wel worden van de besprekingen in de beide kamers van de CTC
    summiere verslagen gemaakt. De CTC laat per bief weten aan de
    aanvragers wat de beslissing van de CTC is. In het merendeel van de
    gevallen wordt toestemming gegeven, waarbij de CTC specifieke
    voorwaarden stelt. In sommige gevallen werden deze voorwaarden niet
    nagekomen.

    De voorzitter:
    Ik stel u deze vraag omdat wij enkele gevallen kennen waarin
    u voorwaardelijk toestemming heeft gegeven. In een bepaald traject
    zegt u: misschien is doorlevering mogelijk maar daar moet even mee
    worden gewacht omdat wij nadere informatie willen hebben.
    Vervolgens komt men zes maanden later bij u terug en dan is het al
    gebeurd. Ik doel nu op een zaak waarin het weer gaat om het
    doorlaten van enkele duizenden kilo’s softdrugs, met de bedoeling
    een eventuele harddrugslijn uit te testen. Zo is het gegaan en ik
    vraag mij af, wat nu die toestemming waard is.
    De heer Jansen:
    Het geval waarover u nu spreekt, is bijzonder specifiek. Het
    betrof de methodiek die wel vaker voorkomt. Er komt een
    proefzending van een organisatie die wil nagaan of de afzetlijn
    naar Nederland

    betrouwbaar is. Men stuurt een partij softdrugs – geen grote
    hoeveelheid; enkele duizenden kilo’s – met de bedoeling om, als dat
    traject goed blijkt te functioneren, later een grotere zending
    harddrugs langs dezelfde lijn binnen te brengen. In het geval
    waarover u nu spreekt, vonden wij de beoogde lijntest niet
    verantwoord.

    De voorzitter:
    Maar het gebeurde tch. Later komt men bij u terug met de
    mededeling: we konden niet anders. Wat is nu het gevolg van het
    feit dat u het (nog) niet verantwoord vond?
    De heer Jansen:
    Het is nadien niet gebeurd onder de regie van politie en
    OM.
    De voorzitter:
    Dan is er toch sprake van onstuurbaarheid? U zegt dat het
    niet moet gebeuren maar het gebeurt toch. Later komt men bij u
    terug met de vraag of men nog verder kan gaan met de

    informant.
    De heer Jansen:
    Wij hebben gezegd dat die lijntest niet verantwoord was. Wij
    hadden problemen met het Tallon-criterium. Wij vonden niet dat het
    OM daaraan kon meewerken. Vervolgens hebben politie en OM hun
    handen van dat proefzendingstraject afgetrokken.
    De voorzitter:
    Maar dan weten OM en politie later toch niet dat het tch is
    gebeurd? Dan doen ze er verder niets meer mee.
    De heer Koekkoek:
    Bovendien hadden ze de partij dan in beslag moeten
    nemen.
    De heer Jansen:
    Maar men wist bij benadering niet wanneer de partij zou
    binnenkomen.
    De voorzitter:
    Later komt men bij u terug met de mededeling dat men met die
    figuur wil verder werken en dat de proefzending al heeft
    plaatsgevonden. Dan blijkt toch dat er niet aan uw voorwaarden is
    voldaan? De vraag is nu niet of u de hele casus wilt doorlopen. De
    vraag is wat voor effect dit heeft.
    De heer Jansen:
    Het is een wat ongelukkige casus. Het OM heeft zich bij onze
    beslissing neergelegd maar de proefzending kwam er toch, zij het
    niet onder regie van politie en OM. (…)
    De voorzitter:
    Ook in een ander traject is er sprake van een
    informant, die meewerkt in een criminele groep. Vooraf wordt
    gezegd dat dat goed is, onder de voorwaarde dat afspraken
    schriftelijk worden vastgelegd en dat de
    criminele winsten
    worden ingeleverd. Zes maanden later blijkt dat die
    schriftelijke vastlegging zeer moeizaam verloopt; daar wil men niet
    aan, ook de officier niet. Ook de afspraak over de
    criminele
    winsten is nog niet gemaakt. U zegt dan: maken, voor de volgende
    keer. Daarmee geeft u als het ware gelegenheid voor een
    herhalingsoefening, een herexamen. Dat wordt gehaald, maar ik vraag
    mij af wat er met die voorwaarden gebeurt als daaraan niet kan
    worden voldaan.
    De heer Jansen:
    Na de eerste periode is er teruggekoppeld, waarbij is
    gevraagd waarom niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Naar
    aanleiding daarvan is er een uitvoerige uitleg en toelichting
    gegeven. Ook al constateerden wij dat de afspraken niet op schrift
    waren aangeleverd, op grond van die uitleg vonden wij dat het
    verantwoord was om met het traject door te gaan. Wij maken wel
    vaker afspraken met officieren die neerkomen op: begin nu op deze
    manier, binnen dat kader, en kom over drie maanden terug zodat er
    nader over gesproken kan worden.
    Noot

    De CTC is tevens gevraagd enkele methoden achteraf te toetsen. De
    methoden waren dan al toegepast.

    De voorzitter:
    In een paar gevallen wordt u gevraagd om achteraf te
    toetsen. Welke zin heeft dat eigenlijk?
    De heer Jansen:
    Ik heb zoven al gezegd dat ik het toetsen achteraf
    problematisch vind. Het ligt ook duidelijk anders dan het toetsen
    vooraf. Enkele trajecten waarin wij achteraf hebben getoetst, waren
    trajecten waarin in de OM-lijn, hoofdofficier en PG, was ingestemd
    met het te lopen traject. Het belang van de toetsing achteraf door
    ons zou kunnen zijn dat wij in een bepaald traject zulke grote
    risico’s zien – dat heeft zich niet voorgedaan – of vinden dat men
    zo volstrekt ernaast heeft gezeten dat wij de mensen die nog met de
    zaak bezig zijn ontraden om dat voort te zetten. Dat is ook in een
    geval gebeurd.
    De voorzitter:
    In een geval is dat gebeurd. In welk geval is dat
    gebeurd?
    De heer Jansen:
    Dat was een geval waarin het probleem zat – het is al even
    aan de orde geweest – van de vrijwaring van de infiltrant. Men had
    gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel
    aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in
    die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de
    problemen en stuurde toen aan op het maken van een
    vormfout.
    De voorzitter:
    Een welbewuste vormfout?
    De heer Jansen:
    Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar
    vinden.
    De voorzitter:
    Heeft men toen naar u geluisterd?
    De heer Jansen:
    Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei:
    wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het
    beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden.
    De voorzitter:
    Toen heeft de portefeuillehouder wie gelijk
    gegeven?
    De heer Jansen:
    De portefeuillehouder heeft gezegd: ik vind het
    buitenproportioneel om de hele zaak af te blazen nu je zover bent,
    maar leg je probleem aan de rechter voor; laat de rechter uitmaken
    wat hij ervan vindt en wat hij eventueel…
    De voorzitter:
    Uiteindelijk is die weg van de vormfout dus niet
    gekozen?
    De heer Jansen:
    Dat klopt. (…)
    De voorzitter:
    U heeft ook de zaken getoetst, achteraf, waarbij het is
    gegaan om de doorlevering van harddrugs en die gespeeld hebben in
    het ressort Den Haag. Wat was het doel van die toetsing
    achteraf?
    De heer Jansen:
    Dat was eigenlijk dezelfde bedoeling als opgesloten lag in
    de overgangsregeling. Het waren lopende trajecten, zaken die nog
    niet onherroepelijk waren afgedaan.
    De voorzitter:
    Het ging om enige honderden kilo’s. Als mijn conclusie juist
    is, zegt u: eigenlijk is het onbegaanbaar maar toch is het
    begrijpelijk.
    De heer Jansen:
    Zojuist heb ik al aangegeven wat onze visie is op het
    hoofdstuk doorleveren. Met die visie hebben wij die trajecten
    bekeken. Ten aanzien van n traject hebben wij de opmerking gemaakt
    dat wij zeker niet akkoord zouden zijn gegaan met het doorleveren
    van een zo grote hoeveelheid. Ten minste hadden wij bedongen dat
    een stap zou zijn ingebouwd. Men had veel kleiner moeten beginnen
    en moeten nagaan wat die kleine stap zou opleveren. Echter, het was
    een gelopen traject waarbij tot en met de hoogste OM-functionaris
    was ingestemd met deze werkwijze.
    Noot

    Beslissing minister

    De minister heeft in ieder geval n maal een beslissing van de
    CTC overruled. Het gaat daarbij om een infiltratie-actie in het
    zuiden van het land.

    De voorzitter:
    U bent met een infiltratietraject bij de Centrale
    toetsingscommissie geweest. Waar ging dat over?
    De heer Paulissen:
    Wij deden een infiltratie in een criminele
    organisatie, die vanuit Nederland internationaal opereert.
    De voorzitter:
    Daarbij is aan de orde geweest dat er eventueel doorgelaten
    moest worden?
    De heer Paulissen:
    Ja. Op een gegeven moment zijn wij voor de keuze gekomen of
    er een gecontroleerde doorvoer moest plaatsvinden. Wij hebben
    gezegd: als wij die niet laten plaatsvinden, dus als wij op de
    eerste partij ingrijpen, dan komen wij naar onze inschatting niet
    tot een ontmanteling. Wij vinden het middel van de

    infiltratie, dat wij gebruikt hebben en dat op dat moment geheel
    blootgelegd zou moeten worden, dan niet meer opwegen tegen hetgeen
    wij bereiken. Daarom vonden wij dat wij eenmalig moesten laten
    doorgaan.

    De voorzitter:
    Had u daarvr al eenmalig doorgelaten? In vroegere
    zaken?
    De heer Paulissen:
    Een bewuste gecontroleerde doorvoer hebben wij wel eens op
    het programma gehad, maar is er uiteindelijk nooit gekomen. In een
    bepaalde zaak hebben wij wel eens gezegd: hier zou doorvoer kunnen
    plaatsvinden. Toen hebben wij gezegd: maximaal 500 kilo hasj en
    eventueel een hoeveelheid van ongeveer 3 kilo harddrugs, beide
    eenmalig. Dat zijn voornemens geweest die uiteindelijk niet zijn
    uitgevoerd. Wel is het eens gebeurd – maar dat is jaren geleden –
    dat wij 3 kilo gewoon zijn kwijtgeraakt. Dat was een
    mislukte

    gecontroleerde aflevering. En 300 kilo hasj zijn wij een keer
    kwijtgeraakt.

    De voorzitter:
    Het infiltratietraject dat u bij de Centrale
    toetsingscommissie bracht, was een traject met
    politie-infiltratie. Dat heeft voor u het voordeel dat u in
    ieder geval meer in het proces-verbaal krijgt. U kunt het dus beter
    gebruiken dan een burger-infiltratietraject.
    De heer Paulissen:
    En het is controleerbaar. Dat vind ik ook heel belangrijk.
    Ik zei net dat informantenacties niet 100% stuurbaar zijn. In de
    professionele begeleiding die op
    infiltratie plaatsvindt,
    vind ik dat ik daarbij voor mij zelf, als teamleider, een grote
    mate van zekerheid heb dat dingen zo gebeuren zoals wij ze gepland
    hebben.
    De voorzitter:
    In welke orde van grootte wilde u eventueel doorleveren om
    daarna meer succes te hebben?
    De heer Paulissen:
    Wij wilden eenmalig doorleveren. Het is in ieder geval een
    wat grotere partij geweest dan 500 kilo.
    De voorzitter:
    Meer dan 1000 kilo?
    De heer Paulissen:
    Laat ik zeggen: enige duizenden.
    De voorzitter:
    Had u een garantie dat het bij die ene keer zou
    blijven?
    De heer Paulissen:
    Gezien de turbulentie die er op dit moment rond de
    gecontroleerde doorvoer is, hadden wij voor ons zelf gesteld:
    jongens, in deze tijd moeten wij echt een plan maken waarin het
    maar n keer plaatsvindt.
    De voorzitter:
    Maar je kunt dan natuurlijk een situatie hebben waarin je
    zegt: wij moeten het toch twee keer doen.
    De heer Paulissen:
    Die situatie moet je niet uitsluiten. Wij hebben die in dit
    geval wl uitgesloten. Ik denk ook niet – zo helder heb ik het ook
    voor de
    CTC gezegd – dat ik in dit specifieke geval voor een
    tweede keer terug was gegaan met: heren, er is mij iets overkomen
    waarover ik eens met u wil praten.
    De voorzitter:
    De CTC heeft deze werkwijze goedgekeurd. Daarna keurt
    de minister het af.
    De heer Paulissen:
    Dat klopt.
    De voorzitter:
    Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat
    via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?
    De heer Paulissen:
    Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben
    uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort
    briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit
    moment geen toestemming geven.
    De voorzitter:
    Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.
    De heer Paulissen:
    Ja.
    De voorzitter:
    Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is
    er toen gebeurd?
    De heer Paulissen:
    Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de
    gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het
    grotere doel in de
    infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken
    of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren
    om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij
    helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de
    pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen.

    Noot

    De voorzitter van de CTC verklaarde het volgende over de beslissing
    van de minister:

    De heer Koekkoek:
    U heeft gezegd dat de CTC uiterst terughoudend en
    beheerst optreedt. Toch heeft de minister in twee gevallen uw
    oordeel opzij gezet. Hoe verklaart u dit in algemene zin? Op
    concrete gevallen komen wij later terug.
    De heer Jansen:
    Er is n geval dat duidelijk naar voren komt. Of in het
    andere geval de minister iets heeft tegengehouden, is mij nog
    steeds niet duidelijk. In het geval waarin dat wl heel duidelijk
    speelde, is de desbetreffende doorlevering voorgelegd aan de
    minister van Justitie nadat in de lijn van het OM door
    hoofdofficier en PG was besloten dat het belangrijk en verstandig
    was om die kwestie aan de minister voor te leggen. Dat gebeurde in
    de week nadat de commotie over de
    RCID Kennemerland was
    losgebrand. Enerzijds kun je zeggen dat het jammer was dat de
    minister deze zaak, die zo goed in elkaar zat, tegenhield.
    Anderzijds gebiedt de nuchterheid te constateren dat, als je vindt
    dat een zaak de politieke verantwoordelijkheid van de minister kan
    raken en je de zaak daarom aan de minister voorlegt, die minister
    natuurlijk ook het recht heeft om neen te zeggen.
    De heer Vos:
    Maar is nu het bestaan van de CTC naar aanleiding
    hiervan ter discussie gesteld? De
    CTC is toch als het ware
    in haar hemd gezet?
    De heer Jansen:
    Dat vind ik wat zwaar uitgedrukt. Naar aanleiding van deze
    gebeurtenis is er wl een brief gegaan – een brief van mij,
    geschreven namens de
    CTC – naar het college van PG’s. Daarin
    heb ik gesteld dat ik, als dit het laatste woord is over
    doorlevering, wat dergelijke zaken betreft een probleem zie voor
    de
    CTC.

    Noot
    De minister lichtte haar beslissing als volgt toe:

    De voorzitter:
    Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het
    jaar van de infiltratie-operatie in het Zuiden zegt die niet meer
    te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode,
    zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van
    het
    kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te
    willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in
    beslag kan nemen.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Als de zaak waar u nu over spreekt, in het Zuiden des lands,
    loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie
    kennelijk had vastgesteld.
    De voorzitter:
    Zij vonden het goed!
    Mevrouw Sorgdrager:
    Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde
    kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door
    kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de
    te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch
    vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de
    methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige
    tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak.
    Dat moesten wij dus gewoon niet doen. (…)
    De voorzitter:
    Nu is de voorzitter van de toetsingscommissie bijna
    opgestapt vanwege uw afwijzing. Daar heeft hij over gedacht. Dat
    heeft hij hier ook verklaard. Ik doel op de heer Jansen. Betekent
    dat nu dat u zegt dat in de toekomst de
    Centrale
    toetsingscommissie het maar moet beslissen of zegt u dat u
    daarin een eigen mogelijkheid tot ingrijpen houdt?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik vind dat ik vanuit de ministerile verantwoordelijkheid
    die mogelijkheid moet houden. Dat moet de commissie ook weten. En
    de voorzitter ook.
    De voorzitter:
    Geldt dat voor alles wat de commissie beslist?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Kijk, ook daar ligt het aan de prudentie van de commissie
    wanneer iets wel of niet aan de minister moet worden voorgelegd. Ik
    kan natuurlijk niet ieder beslissing die de commissie moet nemen
    bewerken, en dat wil ik ook niet. De commissie zal dus zelfstandig
    beslissingen moeten nemen, binnen de

    kader die ik heb gesteld. Wanneer men het gevoel heeft dat iets
    het kader te buiten gaat of dat er sprake is van een twijfelgeval,
    dan vind ik dat men het uiteindelijk aan mij moet voorleggen. In
    principe moet de commissie, natuurlijk binnen de kaders, zelf
    kunnen werken.

    De voorzitter:
    Het is aan de commissie om u te informeren of is het aan de
    secretaris van de commissie?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Nee, het is aan de commissie om mij te informeren. Ik vind
    dat wij dat ook heel zuiver moeten houden. Het is eigenlijk niet
    eens aan de commissie, maar aan de voorzitter van het openbaar
    ministerie. De commissie werkt immers met een mandaat van het
    college van procureurs-generaal. Het hoort dan via de voorzitter
    bij mij terecht te komen.
    De voorzitter:
    U heeft toch die commissie…
    Mevrouw Sorgdrager:
    Het is een commissie van het openbaar ministerie.
    De voorzitter:
    Dat begrijp ik even niet. Nu zegt de heer Hirsch Ballin: ik
    heb gezorgd voor die commissie. Dat is dezelfde commissie, namelijk
    de
    Centrale toetsingscommissie. Daar bent u toch gewoon
    helemaal verantwoordelijk voor, ook voor het instellen
    daarvan?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik heb ervoor gezorgd dat het college van
    procureurs-generaal per 1 januari 1995 die commissie heeft
    ingesteld. Die commissie heeft een eigen taakomschrijving, doet dat
    namens het
    college van

    procureurs-generaal.

    De heer Vos:
    Weet de voorzitter van de CTC wat u belangrijk vindt?
    Weet hij wanneer hij u zaken melden moet?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Dat neem ik aan, dat hij dat weet. Noot

    9.2.5 Beoordeling

    Organisatie

    Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van officieren van justitie
    zijn onderling niet goed afgebakend. Inhoudelijke richtlijnen over
    opsporingsmethoden waren binnen het OM tot voor kort nagenoeg
    afwezig. Binnen de top van het OM zijn de opsporingsmethoden
    slechts in hoofdlijnen besproken. De Vergadering van
    procureurs-generaal heeft nooit systematisch de wenselijkheid en
    haalbaarheid van specifieke opsporingsmethoden beoordeeld.

    De commissie is van oordeel dat de reorganisatie van het OM een
    positieve bijdrage kan leveren aan een verantwoorde opsporing.
    Daarvoor zal het noodzakelijk zijn dat officieren van justitie,
    hoofdofficieren en procureurs-generaal expliciet hun
    verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van het gezag over de
    opsporing. De commissie constateert dat het daaraan in de afgelopen
    jaren ontbroken heeft.

    Selectie onderzoeken

    De commissie is van oordeel dat de selectie van te onderzoeken
    strafzaken te onduidelijk is. In de wet staat dat het OM het gezag
    heeft over de opsporing. De commissie heeft de indruk dat bij de
    selectie van onderzoeken niet het OM maar anderen de
    selectiebeslissing nemen. De procedures die moeten worden gevolgd
    om tot een keuze te kunnen komen zijn te complex en te langdurig.
    Velen bemoeien zich op enigerlei wijze met deze besluitvorming. De
    verschillende commissies die zich bezig houden met deze
    besluitvorming zijn deels oneigenlijk. De commissie heeft de indruk
    gekregen dat feitelijk de politie de beslissing neemt over de te
    onderzoeken zaken.

    De commissie acht het gewenst dat het OM advies vraagt aan al
    deze betrokkenen, in het bijzonder de politie, maar is van oordeel
    dat het OM de beslissing dient te nemen over de te onderzoeken
    zaken. Op dit moment schiet de gezagsuitoefening van het OM naar
    het oordeel van de commissie op dit punt tekort.

    Sturing en controle methoden

    De commissie constateert dat het OM in het verleden te weinig
    sturing heeft gegeven aan de inzet van opsporingsmethoden. Het OM
    heeft zich onvoldoende op de hoogte gesteld van de methoden die
    door politie en bijzondere opsporingsdiensten werden gebruikt. Met
    het argument van de noodzakelijke vertrouwelijkheid werd
    onvoldoende doorgevraagd over wat nu precies gedaan werd door de
    politie. Het OM heeft te weinig als eis gesteld dat beslissingen
    over de gebruikte opsporingsmethoden schriftelijk werden
    vastgelegd. Het gevolg is dat nu nauwelijks meer kan worden
    gereconstrueerd welke methoden in welke zaken zijn gehanteerd. Het
    OM heeft nauwelijks inhoudelijke richtlijnen geformuleerd die
    sturing zouden hebben kunnen geven aan de inzet van
    opsporingsmethoden.

    Het OM is naar het oordeel van de commissie tekort geschoten in
    zijn sturende en controlerende taak ten
    aanzien van het gebruik van opsporingsmethoden. In hoofdstuk 3
    heeft de commissie beschreven tot welke gevolgen dit gebrek aan
    sturing en controle heeft geleid. De commissie voegt daaraan toe
    dat het ontbreken van een eenduidige gezagsconceptie bij het OM in
    belangrijke mate heeft bijgedragen aan het gebrek aan sturing en
    controle.

    De CTC kan een rol spelen in de intercollegiale toetsing. De
    commissie juicht het werk van de CTC als vorm van een dergelijke
    toetsing vooraf toe, maar zij wijst een beslissende rol voor de CTC
    af. De commissie is bovendien van oordeel dat er meer structurele
    inhoudelijke beleidslijnen moeten komen. De commissie constateert
    dat de CTC zulke beleidslijnen tot op dit moment niet ontwikkeld
    heeft.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken