• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Gezag en toezicht op de opsporing

    6.5 Gezag en toezicht op de opsporing

    6.5.1 Openbaar ministerie
    6.5.2 Openbaar ministerie landelijk
    6.5.3 Rechters-commissarissen
    6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders
    6.5.5 Parlement
    6.6 Bijzondere bevindingen

    6.5.1 Openbaar ministerie

    Politie-openbaar ministerie

    De contacten tussen de politie en het openbaar ministerie met
    betrekking tot de inzet van opsporingsmethoden zijn
    geïntensiveerd. Het overleg tussen politie en openbaar
    ministerie vindt veelvuldig plaats. Het ,openbaar ministerie
    probeert feitelijk sturing en controle op de opsporing te
    realiseren. Politiefunctionarissen vragen eerder dan in het
    verleden de officier van justitie om advies of een beslissing. In
    de meeste onderzochte regio’s is sprake van een betere relatie
    tussen openbaar ministerie en politie.

    Versterkt gezag

    Het openbaar ministerie is er sinds de parlementaire
    enquête opsporingsmethoden diep van doordrongen dat men het
    gezag over de politie diende te hernemen. Bij zaaksofficieren is
    dat het meest merkbaar. Vrijwel zonder uitzondering zijn
    zaaksofficieren zeer betrokken op het recherchewerk. Over zaken en
    de beslissingen die tijdens het onderzoek moeten worden genomen is
    veel en intensief contact. Soms wordt gevreesd dat de zaaksofficier
    te veel op de stoel van de chef van het rechercheteam gaat zitten.
    Ook CID-officieren oefenen hun gezag intensiever uit dan voorheen,
    al zijn hier grotere verschillen tussen de arrondissementen. Er
    zijn CID-officieren die al,«hun» informanten bij
    codenaam kennen, er zijn ook CID-officieren die de standaardbevelen
    laten afhandelen door een parket-secretaris. De meeste
    CID-officieren van justitie proberen intensief het werk van de
    runners en coördinatoren te sturen en te controleren. Niet
    iedere CID-officier is op de hoogte van alle informanten en hun
    werkzaamheden. De precieze activiteiten van informanten blijven het
    werkterrein van de runners. De controle is echter – in vergelijking
    met de periode voor de enquête opsporingsmethoden – over het
    algemeen sterk verbeterd. wel zijn er aanzienlijke verschillen
    tussen de arrondissementen. De functie van de recherche-officier
    ten opzichte van de politie is onduidelijk. Hoewel er wel personen
    zijn benoemd, hebben zij niet allen het gewenste overzicht over de
    opsporingsmethoden en zaken. Omdat de functie van
    recherche-officier vaak gecombineerd wordt met een andere functie,
    besteden sommige recherche-officieren zeer weinig tijd aan deze
    taak. Er zijn ook enkele recherche-officieren die een grote
    betrokkenheid hebben ten aanzien van de opsporing. Zij achten hun
    functie-inhoud van belang, maar betwijfelen of daarvoor een aparte
    recherche-officier moet worden aangesteld.
     

    Aanbeveling 51: De rol van de
    CID-officier van justitie moet meer eenduidig vorm krijgen in de
    praktijk. De hoofdofficieren c.q. de recherche-officieren dienen er
    op toe te zien dat de CID-officier daadwerkelijk intensieve sturing
    en controle uitoefent ten aanzien van de CID.

     

    Aanbeveling 52: De veelvormigheid
    van de functie van recherche-officier kan voorlopig blijven
    bestaan, maar over een aantal jaren moet de functie van
    recherche-officier worden geëvalueerd, teneinde de meerwaarde
    ervan te kunnen bepalen.

     

    Scheiding functies

    De scheiding tussen de functies van CID-officier en
    zaaksofficier is niet altijd optimaal. In sommige arrondissementen
    is sprake van een vrijgestelde CID-officier, terwijl in andere
    arrondissementen de functie van CID-officier wordt gecombineerd met
    de functie van zaaksofficier. Dat laatste acht de commissie
    kwetsbaar. Vooral bij kernteams zijn er nog wel eens overlappingen
    tussen de verschillende functies vanwege een tekort aan
    officieren.
     

    Aanbeveling 53: De commissie acht
    een combinatie van de functies CID-officier en zaaksofficier voor
    zware criminaliteit onwenselijk. Indien capaciteitsoverwegingen
    leiden tot een dergelijke combinatie van functies, dient
    additionele capaciteit te worden gerealiseerd.

     

    Hoofdofficier

    Het is sterk afhankelijk van de persoon van de hoofdofficier in
    hoeverre hij gedetailleerd op de hoogte is van de zaken en
    methoden. Over het algemeen kan gesteld worden dat zij zich op
    hoofdlijnen op de hoogte laten houden. Dit neemt niet weg dat
    hoofdofficieren zich soms in concrete zaken uitgebreid laten
    voorlichten over de inhoud van de zaak en de gebruikte methoden.
    Sommige hoofdofficieren hebben een zeer directe invloed op de wijze
    waarop de opsporing vorm krijgt.

    terug naar inhoud document

    6.5.2 Openbaar ministerie landelijk

    College van procureurs-generaal

    Het College heeft verschillende richtlijnen vastgesteld. Aan de
    implementatie van deze richtlijnen is, na de verzending aan de
    hoofdofficieren, door het College verder geen aandacht geschonken.
    Het College is belast met de toewijzing van onderzoeken die door de
    kernteams moeten worden verricht. Het College houdt zich
    incidenteel bezig met specifieke onderzoeken. Dit kan zijn omdat
    daar bijvoorbeeld veel media-aandacht voor is, omdat de zaak
    politiek gevoelig is of omdat deze om ingrijpende beslissingen
    vraagt. Voor zover deze beslissingen door het College vooruitlopend
    op de Wet BOB en op basis van de Voorlopige uitgangspunten moeten
    worden genomen door het college worden deze voorbereid door de CTC.
    Ook hier is een klacht dat aan de spoedeisendheid van de beslissing
    niet altijd recht wordt gedaan.
     

    Aanbeveling 54: De commissie
    beveelt aan dat het College van procureurs-generaal op korte
    termijn voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel BOB nadere
    beslissingen neemt omtrent de doorwerking van richtlijnen en regels
    over opsporingsmethoden en de herziening van de procedure tot
    toewijzing van kernteamonderzoeken. De commissie verwacht van het
    College een meer actieve houding ten aanzien van de normering en
    organisatie van de opsporingsmethoden.

    Keuze zaken

    Het College van procureurs-generaal beslist over de toewijzing
    van onderzoeken aan de kernteams. Voordat deze beslissing wordt
    genomen brengt de Coördinatiecommissie zware criminaliteit (Cc
    Zwacri) een advies over het betreffende onderzoek uit. Dat advies
    wordt voorbereid door de door de Cc Zwacri ingestelde
    «weegploeg». De onderzoeken worden aangedragen door de
    hoofdofficier van justitie waaronder het kernteam gezagsmatig valt.
    Hij bedient zich daarbij van de coördinerend officier van het
    kernteam. Voor deze procedure geldt de instructie
    «Prioriteitstelling landelijk optreden tegen zware en
    georganiseerde criminaliteit». De criteria voor
    «kernteamwaardigheid» van voorgesteld onderzoek lieten
    te weinig ruimte voor onder meer politieke prioriteiten. Het komt
    daarom met name in 1998 voor dat aan een aantal kernteams
    «niet kernteamwaardig» onderzoek wordt toebedeeld op
    basis van «extra» criteria: het verwachte leereffect,
    het ontwikkelen van een informatiepositie, een -politieke
    prioriteit, onduidelijkheid over het bevoegde arrondissement en/of
    het zo goed mogelijk benutten van vrije capaciteit binnen de
    kernteams. Sommige kernteams blijken niet steeds kernteamwaardige
    onderzoeken te doen. De capaciteit van de kernteams wordt op deze
    manier niet optimaal gebruikt. Hoewel de keuze van zaken formeel
    goed geregeld is zijn er toch klachten. Zo duurt het te lang voor
    het College van procureurs-generaal een beslissing neemt (6-8
    weken). Informatie die van belang is voor het onderzoek veroudert
    in die tijd. Soms wordt daarom al een voorschot genomen op het
    onderzoek als het eenmaal de Cc Zwacri is gepasseerd. De Unit
    mensensmokkel klaagt dat men te weinig zaken heeft. Als een
    onderzoek tegen de verwachting in snel verloopt, ontstaat er een
    periode van duimen draaien. Soms neemt men zijn toevlucht tot de
    ondersteuning bij regionale onderzoeken. Dit heeft echter ook weer
    nadelen: zodra er een nieuw kernteamonderzoek afkomt moet met de
    regio worden gestopt.
     

    Aanbeveling 55: De commissie
    beveelt aan de selectieprocedure voor kernteamzaken te
    vereenvoudigen en te versnellen. Daarbij moet meer dan nu het geval
    is duidelijk worden gemaakt op grond van welke criteria een
    onderzoek als kernteamwaardig wordt aangemerkt Voorkomen moet
    worden dat een kernteam langere tijd geen kernteamwaardig onderzoek
    uitvoert zodat er sprake is van onderbelasting van sommige
    kernteams.

    Landelijk parket

    Het Landelijk parket heeft zich ontwikkeld tot een scharnierpunt
    voor de inzet en toetsing van bijzondere opsporingsmethoden. Veel
    landelijke initiatieven komen hier in bepaalde personen samen. Wat
    betreft inhoud en organisatie is het Landelijk parket sterk te
    vergelijken met andere parketten, met uitzondering van de
    specifieke zaken.

    Landelijke overleggen

    Er zijn verschillende landelijke overlegvormen (landelijk
    overleg recherche-officieren van justitie en het landelijk platform
    CID-officieren van justitie) die met enige regelmaat spreken over
    de problemen waarmee zij in de praktijk van de opsporing te maken
    hebben. De commissie concludeert dat deze overlegvormen
    verschillende activiteiten hebben ondernomen die een positieve
    bijdrage hebben geleverd aan de kwaliteit van de opsporing.

    Centrale toetsingscommissie

    De toetsing vooraf (vooral ook door de CTC) is in ontwikkeling.
    De normen op grond waarvan deze toetsing plaatsvindt zijn voor de
    uitvoerenden niet altijd duidelijk. De CTC heeft zich ontwikkeld
    tot een tamelijk gezaghebbende groep van deskundige collega’s.
    Inmiddels heeft zich een zekere inhoudelijke jurisprudentie gevormd
    over de voorwaarden en organisatie van de inzet van bijzondere
    opsporingsmethoden. De CTC heeft nog geen kans gezien deze
    «jurisprudentie» terug te koppelen naar degenen die
    belast zijn met de opsporing.
     

    Aanbeveling 56: De criteria
    waaraan de CTC toetst moeten duidelijk gemaakt worden aan politie
    en officieren van justitie. De jurisprudentie van de CTC dient
    toegankelijk te worden gemaakt voor alle betrokkenen.

    Aanbeveling 57: De toetsing van opsporingsmethoden door de
    CTC kan aan betekenis winnen door a) een meer gestructureerde
    behandeling van de voorgelegde onderzoeken, b) structurering en
    uniformering van de over te leggen dossierstukken en c) een
    expliciete toetsing aan de voorwaarden voor inzet, in het bijzonder
    de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

     

    Aanbeveling 58: In verband met de
    onduidelijkheid over de registratieplicht en dientengevolge de
    gebrekkige en onvolledige melding van opsporingsmethoden, heeft de
    registratie van opsporingsmethoden bij de CTC nauwelijks of geen
    meerwaarde. Het verdient aanbeveling deze te beëindigen en in
    plaats daarvan periodiek wetenschappelijk onderzoek te laten
    verrichten naar de frequentie van toepassing van de betreffende
    methoden.

    terug naar inhoud document

    6.5.3 Rechters-commissarissen

    Wettelijke positie rechter-commissaris

    Wetgeving leidend tot versterking van de rol van de
    rechter-commissaris als de autoriteit die binnen het gerechtelijk
    vooronderzoek overzicht over alle opsporingshandelingen houdt,
    zoals voorgestaan in de beslispunten, is in de afgelopen periode
    niet van kracht geworden. Het wetsvoorstel BOB zal evenmin tot
    versterking van de rol van de rechter-commissaris leiden. In het
    wetsvoorstel wordt in het algemeen de officier van justitie als
    bevoegde autoriteit aangewezen.

    Controle door de rechter-commissaris

    Door respondenten worden veranderingen aangewezen in de houding
    van de rechter-commissaris en zijn wijze van toetsen. Op het moment
    dat de rechter-commissaris bij een onderzoek wordt betrokken -vaak
    wanneer de officier van justitie een telefoontap vraagt – moet de
    rechter-commissaris beoordelen of de informatie die aan dat verzoek
    ten grondslag ligt, voldoende is. Aangegeven wordt dat de toets van
    rechters-commissarissen na de parlementaire enquête
    opsporingsmethoden kritischer is geworden. Er zou geen genoegen
    (meer) worden genomen met de enkele mededeling dat «uit
    betrouwbare CID-informatie is gebleken dat…» Er wordt door
    de rechter-commissaris meer «in de diepte» getoetst. De
    commissie juicht deze ontwikkeling tot een meer intensieve toetsing
    door de rechter-commissaris toe. De rechter-commissaris vervult op
    deze manier steeds meer de rol van onderzoeksrechter.

    Horen van getuigen

    In grote zaken worden in de instructiefase vaak enorm veel
    getuigen gehoord door de rechter-commissaris. Naast
    «bewijsgetuigen» worden tegenwoordig steeds meer
    «rechtmatigheidsgetuigen» gehoord. Het horen van deze
    getuigen door de rechter-commissaris kost heel veel capaciteit.
    Daar komt bij dat tijdens de behandeling van de zaak ter
    terechtzitting vaak een groot deel van deze getuigen nogmaals wordt
    gehoord door de zittingsrechter. In hoger beroep wordt een (groot)
    deel van de getuigen zelfs voor de derde keer door een rechter
    gehoord.
     

    Aanbeveling 59: De commissie
    beveelt aan nader onderzoek te (laten) verrichten naar
    mogelijkheden om een eenmaal door een rechter-commissaris) gehoorde
    rechtmatigheidsgetuige, niet nogmaals door een rechter te doen
    horen.

    Coördinerend rechter-commissaris

    In de zes arrondissementen waar een kernteam is gevestigd, is
    een coördinerend rechter-commissaris benoemd in de rang van
    vice-president van de arrondissementsrechtbank. De parlementaire
    enquêtecommissie opsporingsmethoden constateerde dat de
    functie van coördinerend rechter-commissaris nog niet is
    uitgekristalliseerd en dat er behoefte bestaat aan een wettelijke
    onderbouwing van de coördinerend rechter-commissaris. Een
    wettelijke onderbouwing van de functie is er niet. Inmiddels heeft
    de functie zich wel meer uitgekristalliseerd. Binnen het kabinet is
    de coördinerend rechter-commissaris mede belast met de interne
    organisatie en met de contacten naar het parket en (de rest van) de
    strafsector. Daarnaast hebben de coördinerend
    rechters-commissarissen de aandacht gericht op het aanbieden van
    expertise op specifieke onderwerpen (onder andere telematica en
    DNA-onderzoek) aan de kabinetten.

    Aanbeveling 60: De commissie beveelt aan nu daadwerkelijk een
    wettelijke basis voor de coördinerend rechter-commissaris te
    formuleren. Daarbij kan tevens een nadere formulering van de taken
    en bevoegdheden worden opgenomen.

    terug naar inhoud document

    6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders

    Activiteiten ministerie van Justitie

    Het ministerie van Justitie heeft zich primair gericht op het
    wetgevingsproces omtrent het wetsvoorstel BOB en het wetsvoorstel
    wijziging van de Wet politieregisters. Tevens is door middel van
    het project IPEO (implementatie parlementaire enquête
    opsporingsmethoden) geprobeerd de organisatorische en inhoudelijke
    veranderingen vorm te geven. De betrokkenheid van het ministerie en
    de minister bij de inzet van opsporingsmethoden is veel meer een
    gegeven geworden. Er zijn verschillende voorbeelden van zaken die
    aan de minister worden voorgelegd: 1. al of niet doorlaten; 2.
    infiltranten; 3. politiek gevoelige zaken; 4. hoge beloningen; 5.
    afbouw van informanten (wanneer dit een politiek gevoelige zaak
    betreft); 6. en (bijzondere) deals.

    Ongeveer één á twee keer per maand wordt
    een zaak aan de minister voorgelegd. Vanuit het ministerie van
    Justitie zijn geen gestructureerde inspanningen ondernomen om de
    regelgeving omtrent de bijzondere opsporingsmethoden bekend te
    maken in de praktijk van de opsporing. Het ministerie ging er van
    uit dat het College van procureurs-generaal deze taak zou
    uitvoeren.
     

    Aanbeveling 61: De commissie
    beveelt aan dat het ministerie van Justitie een actievere houding
    aanneemt ten aanzien van de implementatie met betrekking tot de
    normering van de bijzondere opsporingsmethoden.

     

    Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties

    De rol van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijkrelaties ten aanzien van opsporingsmethoden is zeer
    beperkt. Vanuit de beheersverantwoordelijkheid van het ministerie
    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zijn er echter wel
    aanknopingspunten voor een zekere betrokkenheid van dit ministerie.
    Een uitzondering moet daarbij gemaakt worden voor het voorontwerp
    BIBOB, dat geheel onder verantwoordelijkheid van dit ministerie
    valt. De opleiding van de politie is de primaire
    verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties. Er is geen extra geld uitgetrokken voor de
    opleiding van politie in verband met de wijzigingen in de
    regelgeving ten gevolge van de parlementaire enquête
    opsporingsmethoden.
     

    Aanbeveling 62: De commissie
    beveelt aan te komen tot een inventarisatie van de
    opleidingsbehoefte bij de politie ten aanzien van de bijzondere
    opsporingsmethoden en zo nodig daarvoor additionele middelen ter
    beschikking te stellen.

    Korpsbeheerders

    De meningen over de rol van de korpsbeheerder bij de opsporing
    lopen uiteen. Over het algemeen is de korpsbeheerder op hoofdlijnen
    op de hoogte van lopende onderzoeken en toegepaste
    opsporingsmethoden. Deze informatie krijgt hij meestal via het
    reguliere overleg in de beheersdriehoek van de hoofdofficier van
    justitie en de korpschef. Voor het overige is de korpsbeheerder
    nauwelijks betrokken bij de inzet van (bijzondere)
    opsporingsmethoden, hij ziet hierin hoofdzakelijk een taak voor de
    hoofdofficier en de korpschef. Hij speelt alleen een rol in
    onderzoeken met een bijzonder karakter waarin bijvoorbeeld grote
    belangen zijn gemoeid, en in die gevallen dat de korpschef en de
    hoofdofficier van mening verschillen. Ook de rol van de
    korpsbeheerder in het beheer van politieregisters is gering. De rol
    van korpsbeheerder ten aanzien van de inzet van bijzondere
    opsporingsmethoden is verschillend, afhankelijk van ieders
    individuele invulling ervan. Formeel is de korpsbeheerder
    verantwoordelijk voor het registerbeheer. In praktijk wordt het
    beheer van de CID-registers, inclusief de CID-registers van de
    kernteams, uitgevoerd door een functionaris onder supervisie van de
    RCID-chef. Gebleken is dat het schonen van de registers conform de
    termijnen in de CID-regeling 1995 niet in alle korpsen is
    bijgehouden. De indruk bestaat bij de commissie dat de CID-en nog
    nauwelijks actie nemen op het schonen van hun registers zolang de
    gewijzigde Wet politieregisters nog geen kracht van wet heeft. Het
    is ook niet een ieder duidelijk wat er nu precies gaat veranderen.
    De implementatie van deze wetswijziging wordt momenteel door het
    ministerie van Justitie voorbereid.
     

    Aanbeveling 63: De commissie
    beveelt aan de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder voor de
    CID-registers te herzien. De hoofdofficier van justitie, en namens
    hem de CID-officier van justitie, dient de verantwoordelijkheid
    voor het beheer van de CID-registers te krijgen. Deze aanbeveling
    heeft consequenties voor de Politiewet.

    terug naar inhoud document

    6.5.5 Parlement

    Personeel

    Na de debatten over het rapport van de enquêtecommissie
    opsporingsmethoden heeft de Kamer gesproken over het Plan van
    aanpak. Tijdens het plenaire debat bleek dat de reorganisatie van
    de politie onbedoelde effecten heeft gehad. De Kamer en de minister
    van Binnenlandse Zaken hebben namelijk nauwelijks invloed (meer) op
    het personeelsbeleid ten aanzien van politiefunctionarissen. Met
    betrekking tot de personele wisselingen bij het Openbaar Ministerie
    heeft het rapport-Ficq een grote rol gespeeld. Het is de commissie
    niet gebleken dat het hieruit voortvloeiende personeelsbeleid
    negatieve gevolgen voor de opsporing heeft gehad.

    Voortgangsrapportages

    De vaste commissies voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties hebben door middel van de IPEO-rapportages de
    voortgang van de uitvoering van de beslispunten door het kabinet
    gecontroleerd. De toegankelijkheid van de voortgangsrapportages was
    niet groot. Het gevaar bestaat dat de overleggen tussen Kamer en
    kabinet daarover verzanden in details. Hetzelfde geldt voor de
    voortgangsrapportages van het groot project Reorganisatie Openbaar
    Ministerie. Bestudering daarvan leidt tot de opmerking dat het
    beeld dat in de voortgangsrapportages wordt opgeroepen een ander
    beeld is dan het beeld dat de commissie zich heeft gevormd. Ook de
    leden van de vaste commissie voor Justitie hebben in verschillende
    overleggen aangegeven niet helemaal overtuigd te zijn van het in de
    rapportages geschetste optimistische beeld. Debet aan het
    detaillistische gehalte van de voortgangsrapportages is het
    informatiestramien dat in overleg tussen Kamer en kabinet tot stand
    is gekomen. De commissie is van mening dat het instrument grote
    projectenprocedure niet is toegesneden op reorganisatieprojecten
    zoals van politie en openbaar ministerie.

    Wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden

    Het rapport van de enquêtecommissie heeft geleid tot het
    wetsvoorstel Bijzondere opsporingsbevoegdheden, een voorstel tot
    wijziging van de Wet op de politieregisters en enkele andere
    daarmee samenhangende wetsvoorstellen. De Kamer heeft bovengenoemde
    wetsvoorstellen niet gezamenlijk c.q. in samenhang behandeld,
    ondanks aandrang daartoe van de zijde van de minister van Justitie.
    Ook vindt er niet altijd afstemming plaats met wetgeving op de
    terreinen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de
    eiectronische snelweg en de privacy. De Kamer heeft de behandeling
    van het wetsvoorstel BOB onnodig vertraagd, waardoor de
    onduidelijkheid bij politie en justitie langer heeft voortgeduurd
    dan noodzakelijk was. Het wetsvoorstel was eind 1997 gereed voor
    plenaire behandeling. Door de crisis rondom het College van
    procureurs-generaal, de Tweede Kamerverkiezingen, de formatie en
    het inwerken van de nieuwe minister van Justitie is het
    wetsvoorstel eerst in november 1998 plenair behandeld. Mede
    daardoor heeft de onduidelijkheid over de normen met betrekking tot
    de opsporingsmethoden onnodig lang geduurd.
     

    Aanbeveling 64: De Kamer dient
    zich bij het plannen van de agendering van wetsvoorstellen beter
    rekenschap te geven van het belang van een tijdige behandeling voor
    de praktijk.

    Evaluatie-onderzoek als parlementair instrument

    De Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden heeft een
    in de parlementaire geschiedenis unieke opdracht gekregen. Niet
    eerder heeft de Kamer op deze wijze onderzocht hoe door haar
    vastgestelde uitgangspunten ten aanzien van beleid en wetgeving hun
    uitwerking hebben op de praktijk. De commissie meent erin geslaagd
    te zijn in een relatief korte periode een goed overzicht de krijgen
    over het complexe werkterrein van politie en justitie voor zover
    het opsporingsmethoden en de organisatie daarvan betreft.

    De mogelijkheden van het parlement zijn in die zin uniek dat –
    mits op basis van goede afspraken – de Kamer toegang heeft tot alle
    voor haar onderzoek relevante informatie. Nergens in de
    overheidsorganisatie heeft iemand de mogelijkheid om dit type
    onderzoek zelf te doen. De Kamer beschikt immers over specifieke
    rechten en bevoegdheden, terwijl de regering ingevolge artikel 68
    van de Grondwet een informatieplicht jegens de Kamer heeft. Voorts
    kan de Kamer door haar werkwijze ook tijd voor haar leden vrijmaken
    om dit soort onderzoek intensief uit te voeren. Wel kan worden
    aangetekend dat de werking van dit instrument mede afhankelijk is
    van de medewerking van de betrokken bewindslieden.

    Het is de commissie overigens gebleken dat voor dit onderzoek
    enquêtebevoegdheden niet nodig waren. Bij de aanvang van een
    dergelijk onderzoek is het noodzakelijk dat een commissie
    investeert in het winnen van het vertrouwen van de te onderzoeken
    organisaties en functionarissen, zodat de betrokkenen overtuigd
    raken van het belang van het onderzoek.

    terug naar inhoud document

    6.6 Bijzondere bevindingen

    De commissie is van mening dat de bevindingen die zijn
    weergegeven in hoofdstuk 5 zodanig ernstig zijn dat een diepgaand
    onderzoek geboden is. Het is van het grootste belang dat definitief
    klaarheid wordt gebracht in het complex van feiten, gebeurtenissen
    en geruchten met betrekking tot de IRT-affaire en de Delta-methode,
    inclusief de nieuwe bevindingen van de commissie ter zake. De
    commissie acht het onbevredigend en in het licht van de ernst van
    haar bevindingen zeer ongewenst dat strafrechtelijke onderzoeken
    niet tot een afronding (kunnen) worden gebracht. Daarnaast is de
    commissie van oordeel dat de voortdurende onduidelijkheid over tal
    van aspecten en de aanhoudende geruchten in de kring van politie en
    justitie schadelijk zijn, zowel voor de opsporing als voor de
    verhoudingen binnen en tussen de bij deze zaken betrokken
    opsporingsinstanties. Ook om die reden is het zaak dat er
    opheldering komt, zodat ofwel geruchten definitief ontzenuwd kunnen
    worden, ofwel passende maatregelen c.q. sancties volgen.
     

    Aanbeveling 65: De commissie is
    van oordeel dat er een integraal onderzoek, waarbij alle
    beschikbare informatie wordt betrokken, dient plaats te vinden
    onder directe verantwoordelijkheid van de minister van
    Justitie.
    Aanbeveling 66: In adequate
    parlementaire controle moet worden voorzien door middel van een
    speciale ad hoc commissie uit de vaste commissie voor Justitie,
    overeenkomstig de door de Werkgroep vervolgonderzoek
    enquêtecommissie opsporingsmethoden aan de vaste commissies
    voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
    geadviseerde constructie.

    vorige    inhoud