Sinds 11 september 2001 zijn er in Nederland
veel maatregelen genomen om terrorisme te bestrijden.
Buro Jansen & Janssen schrijft regelmatig
over deze ontwikkelingen, zie het Dossier
Terrorisme
Hieronder vindt je een overzicht van alle maatregelen
die er in Nederland zijn genomen, of die zijn voorgesteld.
De terroristische dreiging voor Nederland blijft substantieel,
hoewel een combinatie van sommige elementen in het dreigingsbeeld
neigen naar een afname van de dreiging. De afgelopen
periode ging er van de bekende terroristische netwerken
geen concrete dreiging uit en is er geen opvallende
interesse voor Nederland vanuit internationale jihadistische
netwerken geconstateerd. Redenen om het dreigingsniveau
te handhaven zijn de verzwarende factoren als de aanzienlijke
dreiging tegen andere Europese landen, transatlantische
bondgenootschappen en het westen in het algemeen. Nederland
blijft als onderdeel van het westen een potentieel doelwit
van terroristen. Tevens blijken kleine kringen van radicale
moslims bijzonder licht ontvlambaar. Die lichte ontvlambaarheid
kan leiden tot spontane uitbarstingen van individuen
en groepjes. De realiteit van een dergelijk scenario
bleek onlangs in Duitsland, bij de mislukte aanslagen
op enkele treinen. Dit zijn de voornaamste conclusies
in het driemaandelijkse Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland
van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
(NCTb), waarvan de ministers van Justitie en Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties vandaag een samenvatting
naar de Tweede Kamer hebben gestuurd.
De aanhoudende radicalisering onder (jonge)
moslims blijft een zorgwekkende ontwikkeling ondanks
dat ook weerstand onder de moslimgemeenschap doorzet.
Deze toenemende radicalisering blijkt ondermeer uit
de toename van de belangstelling van Nederlandse studenten
voor religieuze studies in het Midden-Oosten. Ook valt
steeds meer op dat beïnvloedbare tieners in de
omgeving van jihadistische netwerken verkeren onder
wie steeds meer Nederlandse jongeren van Turkse afkomst.
Waren in het verleden incidenteel personen die opdoken
in deze lokale jihadistische netwerken, nu lijken kleine
groepen jongeren als geheel te jihadiseren. Frustratie
over de positie van moslims in Nederland en de woede
over gebeurtenissen in de conflictgebieden geven voeding
aan het gevoel 'iets' te moeten doen. Ten slotte valt
op dat op internet ook sommige populaire, neutrale websites
op verholen wijze als platform voor de radicale islamitische
propaganda worden gebruikt.
De zorg om polarisatie blijft onverminderd.
Daar dragen ook rechts-extreme uitingen aan bij. In
de afgelopen periode was er sprake van diverse gevallen
interetnisch geweld. De aanhouding van zeventien extreem-rechtse
potentiële terroristen in België is mogelijk
een indicatie dat een escalatie van politiek geweld
uit niet-jihadistische hoek als risico serieus moet
worden genomen.
Het verheugt mij dat de leden van de fractie van het
CDA met belangstelling hadden kennisgenomen van dit
wetsvoorstel. Hun inleidende beschouwingen over de dilemmas
bij de beleidsontwikkeling op het gebied van terrorismebestrijding
zijn waardevol, en geven blijk van instemming met de
aanpak waarvoor het kabinet heeft gekozen. Ik hoop de
nog bij deze leden bestaande vragen over het wetsvoorstel
in het navolgende tot tevredenheid te kunnen beantwoorden.
De leden van de VVD-fractie gaven eveneens aan met belangstelling
kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel en van
de uitgebreide gedachtenwisseling in de Tweede Kamer.
Met veel genoegen stelde ik vast dat deze leden de behandeling
van het voorstel voldoende voorbereid achtten. De enig
overgebleven vraag van deze leden zal ik hierna beantwoorden.
De leden van de fractie van de PvdA merkten op met belangstelling
én bezorgdheid van het wetsvoorstel kennis te
hebben genomen. Zij hadden veel waardering voor de gedachtewisseling
in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel. Daarvoor ben
ik deze leden zeer erkentelijk, temeer ook omdat zij
hieraan nog toevoegden dat de antwoorden van de regering
gedegen waren en vertrouwen opriepen. Graag wil ik in
het onderstaande pogen de resterende zorg bij deze leden
weg te nemen door in te gaan op de drie gezichtspunten
die naar de mening van deze leden vanuit de Eerste Kamer
bijzondere aandacht vereisten.
Het verheugt mij voorts dat de leden van de fractie
van D66 met belangstelling van dit wetsvoorstel hebben
kennis genomen. Deze leden erkenden het belang om in
een zo vroeg mogelijk stadium te kunnen optreden tegen
mogelijke terroristische aanslagen. Ik deel hun opvatting
dat de dreiging van het terrorisme in de open samenleving
waarin wij leven reëel is. Deze leden merkten verder
terecht op dat het juist vanwege het ingrijpende karakter
van antiterreurwetgeving noodzakelijk is steeds zorgvuldig
na te gaan of daarbij geen rechtsstatelijke grenzen
worden overschreden en of de voorgestelde maatregelen
in het licht van het gewenste doel effectief zijn. Hierna
kom ik in deze memorie van antwoord nog graag terug
op deze en andere door de aan het woord zijnde leden
aan de orde gestelde aspecten.
Onderzoek naar radicaliseringsprocessen
in Nederland laat zien dat deze zeer complex zijn en
dat er een grote variëteit aan bevorderende/remmende
factoren een rol speelt.
Vooropgesteld moet worden dat radicalisering een keuzeis.
Grote groepen jongeren worstelen met onzekerheid over
hun identiteit en met moeilijke omstandigheden en tegenslagen
in hun leven. Maar slechts een zeer klein deel ervan
zoekt een antwoord op hun onvrede en frustratie in een
radicale ideologie en levenswijze die de Nederlandse
samenleving en democratie afwijst en teniet wil doen.
De toegangswegen die jongeren tot dit punt brengen,
lopen uiteen.
De vaste commissie voor Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft de navolgende vragen
over het jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst (AIVD) over het jaar 2005 (TK 30 300
VII, nr. 59) aan de regering voorgelegd.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 september
2006.
De Eerste Kamer heeft dinsdag 26 september
2006 het wetsvoorstel aangenomen dat het mogelijk maakt
in strafzaken te werken met 'afgeschermde getuigen'
van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD).
Een deel van de PvdA-fractie en de volledige fracties
van SP en GroenLinks stemden tegen. Woordvoerder Jurgens
van de PvdA zei in zijn stemverklaring dat een recente
uitspraak van de Hoge Raad waarin afgeschermde getuigen
toelaatbaar worden genoemd het wetsvoorstel overbodig
maakt in de ogen van een deel van de PvdA-fractie, onder
wie Jurgens zelf en ook fractievoorzitter Noten. Andere
PvdA-senatoren hadden zich veertien dagen geleden in
het debat over de wet door minister Donner van Justitie
laten overtuigen. SP-woordvoerder Kox zei dat zijn fractie
de rechtspraktijk nu voorrang geeft boven wetgeving.
Mevrouw De Wolff van GroenLinks had in het debat de
geprivilegieerde positie van de AIVD gehekeld, waardoor
de waarheidsvinding in het gedrang zou komen.
De regering beantwoordt de vele vragen
die in het de Commissie van Justitie gesteld waren.
De fractie van de PvdA had gevraagd naar verduidelijking
van de grens tussen bestuurlijke en strafrechterlijke
aanpak. Voor strafrechterlijke aanpak geldt het criterium
dat er 'aanwijnzingen' dienen te zijn van betrokkenheid
bij een terroristisch misdrijf. In eerde stukken (TK
30164 nr 12) werdt het als volgt omschreven:" van
aanwijzingen is sprake indien de beschikbare informatie
feiten en omstandigheden bevat die erop duiden dat daadwerkelijk
een terroristisch misdrijf zou zijn of zal worden gepleegd.
Of de informatie aanwijzingen oplevert, zal telkens
moeten worden gewogen aan de hand van factoren als betrouwbaarheid,
concreetheid en verifieerbaarheid. Zo kunnen bijzonder
betrouwbare, maar tegelijkertijd vage gegevens «aanwijzingen»
opleveren. Net zoals, bijvoorbeeld naar tijd en plaats,
concrete informatie die niet, of niet meteen, verifieerbaar
is «aanwijzingen» kan behelzen.
Bij de toepassing van bestuurlijke maatregelen gaat
het om 'gedragingen op grond waarvan een persoon in
verband in verband kan worden gebracht met terroristische
activiteiten of de voorbereiding daarvan'. Volgens de
regering maakt deze definitie een objectieve toetsbaarheid
mogelijk Bovendien zou het niet om enkele gedraginegn
gaan, maar 'om een samenstel van gedragingen waaruit
een bepaald patroon naar voren komt dat een bedreiging
oplevert voor de nationale veiligheid'.
In het verslag van het schriftelijk overleg
in de Tweede Kamer is melding gemaakt van problemen
met betrekking tot de rechtsbescherming van corporaties,
die op de sanctielijsten van de Verenigde Naties en
de Europese Unie zijn geplaatst. Tijdens de mondelinge
behandeling is daarop voortgegaan. Hoewel de leden van
de commissie deze debatten niet willen overdoen, zijn
zij van mening, dat de praktijk zal zijn gediend met
een helder overzicht van de mogelijkheden en onmogelijkheden
tot rechtsbescherming als het gaat om de plaatsing op
een terrorismelijst de de-listing procedure
en het toepassen van andere sanctiemogelijkheden.
De minister heeft tijdens de behandeling opgemerkt,
dat problemen, die rijzen met betrekking tot de plaatsing
op de VN-lijst niet op nationaal niveau kunnen worden
opgelost, terwijl de internationale procedures rond
de plaatsing en de «de-listing» vatbaar
zijn voor verbetering; een uitspraak, die ook op internationaal
niveau is erkend. Ten aanzien van de plaatsing op een
EU-lijst geeft de regering een interpretatie van het
Plaumann-arrest, waardoor het wel mogelijk zou zijn
om via een procedure op grond van artikel 230 EG op
te komen tegen de wettigheid van een verordening. Daarnaast
is er het Gemeenschappelijk Standpunt, waartegen endogene
organisaties niet kunnen opkomen bij het HvJ EG (omdat
dit standpunt als een derde pijler besluit moet worden
aangemerkt) en exogene organisaties misschien wel. Kortom
de leden van de CDA-fractie achten het van belang, dat
er een overzicht van de mogelijkheden tot rechtsbescherming
wordt gegeven en dat wordt aangegeven of er sprake is
van de «effective remedy», die het EVRM
eist.
Eerste Kamer zet vraagtekens bij afgeschermde
getuige
woensdag 13 september 2006
Een dag na de vijfde herdenking van de
slachtoffers van de terreuraanvallen in de Verenigde
Staten op 11 september 2001 heeft de Eerste Kamer een
wetsvoorstel besproken dat van betekenis is voor de
bestrijding van terreur in Nederland. Het voorstel maakt
het mogelijk om informatie van de Algemene Inlichtingen
en Veiligheidsdienst (AIVD) via afgeschermde getuigen
van deze dienst een rol te laten spelen bij de opsporing
en vervolging van onder andere verdachten van terroristische
aanslagen.
Ontlastende verklaring
Het wetsvoorstel is een uitvloeisel van een door de
Tweede Kamer aangenomen motie-Wilders uit december 2003.
Bij de behandeling in de Eerste Kamer van het voorstel
schaarden de fracties van CDA en VVD zich achter de
regering al hadden zij wel kritiek op de positie van
de AIVD in het geheel. Een getuige van deze dienst zou
tot het laatst toe mogen bepalen of een verklaring wel
of niet aan het strafdossier wordt toegevoegd. In het
bijzonder vroegen de beide regeringsfracties aan minister
Donner (CDA, Justitie) wat er gebeurt met ontlastende
verklaringen die buiten het dossier worden gehouden.
Zowel CDA-senator Van de Beeten als mevrouw Broekers-Knol
van de VVD verwees naar de herdenking van 'nine-eleven'
om de steun aan het wetsvoorstel mede te rechtvaardigen.
Hoge Raad
Namens de PvdA-fractie wierp senator Jurgens de vraag
op of het wetsvoorstel nog wel nodig is nu recent de
Hoge Raad zich over de toelaatbaarheid van informatie
van de AIVD bij strafprocessen heeft uitgelaten. Geen
rechtsregel verbiedt het gebruik van informatie van
de AIVD, citeerde Jurgens een arrest van 5 september
2006. Eerder al had het gerechtshof in Den Haag bepaald
dat ambtsberichten van de AIVD gebruikt kunnen worden
in het strafproces, zowel als startinformatie aan de
politie (voor nader onderzoek) en als bewijsmiddel.
Tegen een vonnis van het Rechtbank in Rotterdam, dat
terreurverdachten niet wilde veroordelen op basis van
alleen informatie van de AIVD was het openbaar ministerie
in beroep gegaan.
Mensenrechten
Bij de uitwerking van het voorstel inzake afgeschermde
getuigen dreigt de regering in strijd te handelen van
het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens,
oordeelt de PvdA-fractie. Dit komt omdat gekozen is
voor een procedure, waarbij de zittingsrechter uiteindelijk
niet kan beoordelen of aan de verdediging wezenlijke
informatie wordt onthouden. Deze taak ligt bij de rechtercommissaris.
Gewetensnood
Mevrouw Broekers-Knol en senator Van de Beeten wezen
erop dat in het geval ontlaste informatie wel bekend
is bij de rechtercommissaris maar niet bij de zittingsrechter
(omdat de afgeschermde getuige opneming van zijn verklaring
in het strafdossier blokkeert) er gewetensnood kan ontstaan
bij de rechtercommissaris en de verdachte kan worden
benadeeld.
Stap te ver
SP-senator Kox zette vraagtekens bij het aangehaalde
arrest van de Hoge Raad. Dit gaat een stap te ver. Daardoor
is de SP meer van dit wetsvoorstel gaan houden. Mevrouw
De Wolff van GroenLinks zei dat haar fractie ongelukkig
is met het voorstel. Volgens haar verdraagt de waarheidsvinding
niet een zo geprivilegieerde positie als de AIVD heeft
toebedeeld gekregen. De terrorismedreiging is geen reden
om minder zorgvuldig te zijn bij de waarheidsvinding,
oordeelde mevrouw De Wolff.
Senator Engels sneed namens D66 ook de vraag aan in
hoeverre een inperking van het in onze democratische
rechtsstaat op grond van art.6 van de Europese Conventie
geldende grondrecht voor verdachten om getuigen te kunnen
ondervragen aanvaardbaar is. Hij vroeg zich af in hoeverre
dit instrument als bruikbaar en effectief kan worden
beoordeeld. En waar de grenzen liggen van het begrip
staatsveiligheid en welke de verhouding is tussen de
belangen van de staatsveiligheid en een goede strafvordering.
De fractie van D66 steunt in beginsel het voornemen
om tot een krachtige aanpak van het terrorisme te komen.
Daarnaast heeft de fractie aangegeven dat dit in het
algemeen ook geldt voor de wens om in dat verband de
bruikbaarheid van informatie van specifieke getuigen
in het strafproces te verbeteren. De fractie is zich
daarbij zeer bewust van het feit dat dit wetsvoorstel
onontkoombaar zal leiden tot moeilijke afwegingen tussen
het belang van de bescherming van staatsgeheimen en
het belang van een transparante procesvoering. D66 wil
dat nieuwe regels en instrumenten die zich richten op
de bestrijding en berechting van terroristische misdrijven
zich moeten blijven bewegen binnen de grenzen van onze
democratische rechtsstaat. Daarom zet de fractie een
kanttekening bij het feit dat de regeling zich niet
beperkt tot terroristische misdrijven en verdachten,
maar ook in strafprocessen tegen andere verdachten dan
vermeende terroristen zou kunnen worden toegepast.
Senator Holdijk vroeg namens de fracties van SGP en
ChristenUnie of de positie van de AIVD door het wetsvoorstel
wordt versterkt en de positie van de rechtercommissaris
verzwakt.
Inpassing in bestaand systeem
Minister Donner (CDA, Justitie) verdedigde het voorstel
als een poging om de bestrijding van terrorisme in te
passen in het bestaande systeem van strafrechtspleging.
De minister zei in een reactie op een uitlating van
PvdA-senator Jurgens dat de terreurdreiging anders is
dan andere bedreigingen en dat daarom hier en daar aanpassing
van strafrecht en opsporingsmethoden noodzakelijk is.
Volgens Donner is het wetsvoorstel een uitwerking van
het beginsel dat informatie van de inlichtingendiensten
gebruikt kan worden in het strafproces. Het gaat erom
dat ambtsberichten door het verhoren van afgeschermde
getuigen kunnen worden 'ingekleurd' en zo de rechter
meer houvast bieden. Hij zag er ook een methode in om
de rechtercommissaris de betrouwbaarheid van de inlichtingen
van de AIVD te laten toetsen. Maar de minisd ter gaf
toe dat in het belang van de staatsveiligheid de afgeschermde
getuige van de AIVD altijd het laatste woord heeft wat
betreft de vraag of een getuigenverklaring wel of niet
aan het strafdossier wordt toegevoegd. De staatsveiligheid
kan de waarheidsvinding in de weg staan, aldus de minister.
Donner zei dat Nederland niet handelt in strijd met
artikel 6 van het Europese verdrag voor de rechten van
de mens dat opkomt voor het recht van de verdediger
van een verdachte om kennis van alle informatie te nemen
waarover ook het openbaar ministerie beschikt.
Het gevoel van urgentie om radicalisering
vroegtijdig te herkennen, per instelling verschilt.
Om het belang hiervan onder de aandacht van het middelbaar
beroepsonderwijs en het hoger onderwijs te brengen,
zal het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
het gesprek aangaan met de Bve Raad, de HBO-raad en
de VSNU.
Over de uitkomst van dit overleg en de conclusies die
daaruit worden getrokken, wordt u uiterlijk 1 juli 2006
geïnformeerd.
De centrale vraag in het onderzoek van
de Commissie luidt of de ambtsberichten in overeenstemming
met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze tot
stand zijn gekomen (artikel 12 lid 3 WIV 2002). Daartoe
is ten eerste onderzocht of de inhoud van het ambtsbericht
wordt onderbouwd door de bij de dienst aanwezige informatie.
Voorzover de achterliggende informatie is verkregen
door middel van de inzet van een bijzondere bevoegdheid
is mede getoetst of bij de inzet daarvan is voldaan
aan de wettelijke vereisten, waaronder de eisen van
noodzakelijkheid (artikel 18 WIV 2002), proportionaliteit
en subsidiariteit (artikel 31 en 32 WIV 2002). Daarnaast
heeft de Commissie gecontroleerd of bij de totstandkoming
van het ambtsbericht is voldaan aan de verschillende
wettelijke vereisten voor de externe gegevensverstrekking
die uit de WIV 2002 voortvloeien. Bij het onderzoek
is tevens de interne regelgeving van de AIVD in ogenschouw
genomen.
Naast dossieronderzoek heeft de Commissie
gesprekken gevoerd met enkele medewerkers van de AIVD.
Het rapport is als volgt opgebouwd. In paragraaf 3 wordt
een inleiding gegeven over het onderwerp ambtsberichten.
Daarbij wordt aandacht besteed aan de wettelijke grondslag
voor de externe gegevensverstrekking (paragraaf 3.1),
de wettelijke vereisten voor het uitbrengen van een
ambtsbericht (paragraaf 3.2), de procedure voor de totstandkoming
van een ambtsbericht (paragraaf 3.3) en de ontvangers
van ambtsberichten (paragraaf 3.4). Vervolgens worden
in paragraaf 4 de bevindingen van het onderzoek uiteengezet.
Achtereenvolgens komen daarbij aan bod de onderbouwing
van het ambtsbericht (paragraaf 4.1), de geheimhouding
van bronnen en modus operandi (paragraaf 4.2), de inzet
van bijzondere bevoegdheden (paragraaf 4.3), de wettelijke
grondslag van het ambtsbericht (paragraaf 4.4), ambtsberichten
aan het Openbaar Ministerie (paragraaf 4.5), ambtsberichten
aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (paragraaf
4.6), het gebruik van ambtsberichten in gerechtelijke
procedures (paragraaf 4.7) en de protocolverplichting
(paragraaf 4.8). Paragraaf 5 bevat conclusies en aanbevelingen
naar aanleiding van het onderzoek. Het rapport wordt
in paragraaf 6 afgesloten met de beantwoording van de
centrale onderzoeksvraag.
juli 2006
Stand van zaken en effecten contraterrorismebeleid
WODC
Dit rapport bevat een overzicht van beleid,
beleidsmaatregelen (waaronder wet- en regelgeving) en
de effecten van beleidsmaatregelen met betrekking tot
de aanpak van terrorisme in de Europese Unie en de VS.
Voor dit onderzoek is samengewerkt met onderzoekers
in Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en de Verenigde
Staten. Er is, uitsluitend op basis van open bronnen,
een inventarisatie van maatregelen gemaakt op een negental
beleidsterreinen.
Hieraan vooraf gaat een beknopte schets van de ontwikkeling
van het contraterrorismebeleid en eerdere ervaringen
met terrorisme in de onderzochte landen.
Werktitel: Stand van zaken en effecten
contraterrorismebeleid
Organisatie: WODC, Petrosino, A., Instituto andaluz
interuniversitario de Criminología, Università
degli studi di Trento, Max Planck Institut für
ausländisches und internationales Strafrecht, Radboud
Universiteit Nijmegen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid,
Centre dEtudes sur les Conflits
Onderzoeker(s): Petrosino, A., Ripollés, J.L.D.,
Savona, E., Bigo, D.
Eerste inventarisatie van contraterrorismebeleid:
Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk,
en de Verenigde Staten - 'research in progress'
Inhoudsopgave:
Managementsamenvatting
1. Inleiding
2. Ervaringen met terrorisme en contraterrorisme in
Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, het Verenigd
Koninkrijk en de Verenigde Staten
3. Beschrijvingen van het beleid in de onderzochte landen
4. Conclusies en discussie
Geraadpleegde literatuur
Bijlage: Project description en issues NCTB project
Werkdocumenten
1. Country report on Germany - H.J. Albrecht
2. Overview of the French anti-terrorism strategy -
D. Bigo and C. Camus
3. Italian contribution to the NCTB counterterrorism
project - M. Montauti and B. Vettori
4. Counterterrorism strategies in Spain - A. Gómez-Céspedes
and A.I. Cerezo Dominguez
5. The United States and Counterterrorism: history,
measures and lessons
6. Strafrechtelijke antiterrorismemaatregelen in Nederland,
het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Duitsland, Frankrijk
en Italië
7. Contraterrorismewetgeving, een overzicht van negentien
EU lidstaten - L. Vervoorn en R.J.M. Neve
Country profiles are short reports which
provide information on the legislative and institutional
capacity of Council of Europe member and observer states
to fight against terrorism.
So far the profiles of the following
countries have been published: Austria, Belgium, Bosnia
and Herzegovina, Bulgaria, Croatia, Czech Republic,
Finland, France, Germany, Greece, Latvia, Lithuania,
Luxembourg, Moldova, the Netherlands, Poland, Portugal,
Romania, Slovenia, Spain, Turkey, Ukraine and the United
Kingdom.
14 juli 2006
Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid
Verslag Cie Binnenlandse ZakenTweede Kamer
De vaste commissie voor Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt
verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het
voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig
zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare
beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
4 juli 2006
Tussenrapportage Weerbaarheid en Integratiebeleid
Vreemdelingenzaken en Integratier
Ruim een jaar geleden is met de Tweede
Kamer gesproken over de nota «Weerbaarheid en
Integratiebeleid» (TK, 20042005, 29 754,
nr. 27). Tijdens deze overleggen over deze nota vorig
jaar is onder meer gesproken over het feit dat radicalisering
een uiterst weerbarstige materie is, waar geen kant
en klare recepten tegen zijn en waar een langere termijn
aanpak voor noodzakelijk is. Al doende moeten de nationale
en lokale overheden, in samenwerking met hun partners,
erachter zien te komen wat werkt en wat niet. Om deze
reden is gekozen voor een experimentele aanpak door
middel van een breed en gevarieerd pakket van acties
op relatief kleine schaal met bijsturing onderweg. Op
verzoek van de Kamer heeft de minister een tussentijds
voortgangsverslag van de activiteiten toegezegd.
In deze rapportage wordt tegemoet gekomen aan deze wens.
De rapportage is als volgt opgebouwd. Eerst worden de
doelstellingen en de afbakening van het integratiebeleid
ter preventie van radicalisering kort gememoreerd. Dan
volgt een overzicht van de uitgevoerde activiteiten.
Tenslotte wordt bezien wat de opbrengst is van deze
activiteiten en hoe het programma, in het licht van
recente ontwikkelingen, het best kan worden voortgezet.
7 juni 2006
Vierde voortgangsrapportage terrorismebestrijding
NCTB
Substantiële dreiging voor Nederland
blijft
De dreiging in Nederland is onverminderd
substantiëel. Hier actieve netwerken oriënteren
zich op dit moment sterker internationaal dan voorheen.
Die onverminderde dreiging geeft ook het belang aan
van een voortvarende uitvoering van beleid. Het afgelopen
halfjaar krijgt de lokale aanpak van radicalisering
steeds meer vorm en begint ook de samenwerking tussen
overheid en bedrijfsleven tegen terrorismebestrijding
gestalte te krijgen. Dat schrijven de ministers Donner
van Justitie en Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
in de vierde Voortgangsrapportage Terrorismebestrijding
aan de Tweede Kamer.
Actueel dreigingsbeeld
Er geldt een onverminderde substantiële dreiging
voor Nederland. De snelle verspreiding van de jihadistische
ideologie bijvoorbeeld via de virtuele netwerken op
het internet dragen daartoe bij. Dit tegen de achtergrond
dat hier actieve netwerken zich op dit moment sterker
internationaal oriënteren dan voorheen door de
situatie in Irak en Afghanistan. Het negatieve beeld
kan verder verslechteren omdat lokale kwesties, zoals
controversiële debatten over de islam, internationaal
de aandacht trekken. Dergelijke zaken zijn koren op
de molen van ultraorthodoxe en radicale stromingen,
zoals de salafistische, die in de Nederlandse context
momenteel zowel op het internet als in steeds meer moskeeën
snel aan invloed winnen. Zij maken bij voorkeur gebruik
van de Nederlandse taal, waardoor steeds meer jonge
moslims worden bereikt met alle radicaliseringsrisicos
van dien. De dreiging wordt enigszins getemperd door
een gestaag doorzettende bereidheid vanuit de islamitische
gemeenschap om de problemen van radicalisering en rekrutering
te onderkennen en tegen te gaan. Er worden verschillende
initiatieven genomen, om de Nederlandstalige diversiteit
in het politiek-religieuze debat te bevorderen als tegenwicht
tegen radicale boodschappen.
Lokale aanpak radicalisering krijgt vorm
Steeds meer gemeenten zijn zich bewust van de noodzaak
om radicalisering in hun gemeente aan te pakken. Inmiddels
hebben niet alleen de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam,
Utrecht en Den Haag een specifieke aanpak van radicalisering,
maar zijn ook andere kleinere gemeenten zoals Ede en
Helmond begonnen met een eigen aanpak van radicalisering.
Hiervoor is van groot belang dat er vanuit verschillende
invalshoeken zoals jongerenwerk, veiligheid en integratie
op een gebalanceerde manier wordt samengewerkt. Tevens
zijn meerdere gemeenten bezig met het ontwikkelen van
een gemeentelijk informatie analysepunt waar informatie
over radicalisering in de stad of regio aan elkaar wordt
gekoppeld en geanalyseerd.
Speciale eenheden
De bouw van de nieuwe Dienst Speciale Interventies (DSI)
bij het KLPD zal naar verwachting medio 2006 gereed
zijn. Er is inmiddels voorzien in structurele financiële
dekking en aan de benodigde aanpassingen in wet- en
regelgeving wordt op dit moment de laatste hand gelegd.
Terrorismebestrijding en het bedrijfsleven
Door publieke en private partijen is in 2005 de wens
uitgesproken de publieke-private samenwerking rond terrorismebestrijding
op te zetten.
Die samenwerking is in eerste instantie gericht op het
bevorderen van het bewustzijn bij bedrijven over terroristische
dreigingen en risicos. Dat vereist een vergroting
van de kennis van bedrijven (en overheid) over dreigingen,
kwetsbaarheden, en risicos. Uiteindelijke doel
is bij bedrijven een vergroting van de alertheid teweeg
te brengen en het besef te vergroten dat het verstandig
is om risicoanalyses uit te voeren.
Alerteringssysteem Terrorismebestrijding
Het afgelopen half jaar zijn er weer twee sectoren aangesloten
op het Alerteringssysteem Terrorismebestrijding (ATb).
Het gaat om de sector Stads- en Streekvervoer en de
Financiële sector. Voor beide sectoren is het basisniveau
afgekondigd. Met de al aangesloten sectoren is een uitgebreide
oefenronde in gang gezet. De eerste resultaten leidde
tot diverse aanpassingen in het proces. Taken, rollen
en verantwoordelijk-heden van beheerders en gebruikers
van het systeem zijn nu helder vastgelegd. Ook is gestart
met het maken van een ontwerp voor een ICT-ondersteund
en snel communicatiesysteem voor de gebruikers van het
systeem. De communicatie tussen de diverse contactpersonen
van overheid en bedrijfsleven vindt doorgaans fysiek,
telefonisch of per fax plaats, terwijl tegenwoordig
middelen voor een snellere en vollediger gegevensverstrekking
beschikbaar zijn. Deze systemen werden tot nu toe voornamelijk
ingezet in de commerciële sector.
Tot slot wordt in de brief nog een overzicht
gegeven van de stand van zaken op diverse onderdelen
van het terrorismebeleid waaronder crisisbeheersing
en internationale samenwerking.
2 juni 2006
US has woven clandestine spiders web
of detentions and transfers, with collusion of Council
of Europe member states
Parliamentary Assembly Committee Council of Europe
The United States has progressively woven
a clandestine spiders web of disappearances,
secret detentions and unlawful inter-state transfers
spun with the collaboration or tolerance of Council
of Europe member states, the Legal Affairs Committee
of the Council of Europe Parliamentary Assembly (PACE)
said today.
In a draft resolution adopted at a meeting
in Paris, based on a report by Dick Marty (Switzerland,
ALDE), the committee said hundreds of persons had become
entrapped in this web in some cases when they
were merely suspected of sympathising with a presumed
terrorist organisation.
The parliamentarians said this knowing collusion of
member states took several different forms, including
secretly detaining a person on European territory, capturing
a person and handing them over to the US or permitting
unlawful renditions through their airspace
or across their territory.
It has now been demonstrated incontestably, by
numerous well-documented and convergent facts, that
secret detentions and unlawful inter-state transfers
involving European countries have taken place, such
as to require in-depth inquiries and urgent responses
by the executive and legislative branches of all the
countries concerned, the committee said.
The committee called on Council of Europe member states
to review bilateral agreements signed with the United
States, particularly those on the status of US forces
stationed in Europe, to ensure they conformed fully
to international human rights norms.
The report is due for debate by the plenary Assembly
which brings together 630 parliamentarians from
the 46 Council of Europe member states in Strasbourg
on 27 June 2006.
29 mei 2006
Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid
Adviezen
Raad voor de Rechtspraak
Het wetsvoorstel is ingegeven door de dreiging van terrorisme
en bedoeld om de overheid in het belang van de nationale
veiligheid en ter voorkoming en bestrijding van terrorisme,
instrumenten te geven om op te kunnen treden tegen natuurlijke
en rechtspersonen als strafrechtelijk en strafvorderlijk
optreden (nog) niet of niet meer mogelijk is.
In zijn advies over het wetsvoorstel opsporing van terroristische
misdrijven vraagt de Raad zich af of de wetgever de
rechter wel in staat stelt op een verantwoorde wijze
zijn oordeel te vormen. De toetsingsdrempel wordt namelijk
in dat wetsvoorstel zeer laag gelegd en de rechter zal
naar verwachting over weinig informatie kunnen beschikken
op grond waarvan hij kan toetsen. Ook het wetsvoorstel
bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid plaatst
de rechter voor een wezenlijk dilemma. Hij moet op basis
van summiere, voor hem niet toetsbare, gegevens een
beslissing nemen die ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer
van een individu.
Het komt de Raad voor dat het wetsvoorstel de rechter
onvoldoende instrumenteert om de geschetste risicos
op een maatschappelijk aanvaardbare wijze het hoofd
te bieden. Zie
volledige advies.
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
De NVvR onderschrijft het belang van een voortvarende
en adequate aanpak van terrorisme. Daar waar strafrechtelijk
optreden niet mogelijk is, kan bij de overheid behoefte
bestaan aan bestuursrechtelijke middelen ter voorkoming
van terroristische activiteiten, mede om te vol-doen
aan haar taak tot bescherming van het fundamentele recht
van burgers op een veilig bestaan in een geordende samenleving.
Aan maatregelen zoals hier voorgesteld is eigen dat
hiermee een inbreuk kan worden gemaakt op grondrechten
van personen. Het verheugt de NVvR daarom dat in paragraaf
4 van de ontwerp-memorie van toelichting uitgebreid
aan-dacht is geschonken aan de grondrechtelijke en mensenrechtelijke
aspecten van het ont-werp-wetsvoorstel. Dit kan de rechter
een eerste houvast bieden, wanneer in een concreet geval
een besluit tot het nemen van een zodanige maatregel
door de rechter moet worden getoetst. De toepassing
van de bevoegdheid tot het opleggen van de maatregelen
is inder-daad onderworpen aan het toezicht van de onafhankelijke
rechter (vgl. ontwerp-memorie van toelichting blz. 15
en par. 8), hetgeen het mogelijk maakt in concrete gevallen
een juiste ba-lans te vinden. In het hierna volgende
wordt niettemin een aantal kritische opmerkingen geplaatst.
Deze houden enerzijds verband met rechtssystematische
aspecten van de voorstellen. Anderzijds komen deze opmerkingen
voort uit een (gelet op de adviestermijn noodzakelijkerwijs
sum-miere) inventarisatie door de NVvR van problemen
waarmee de rechter geconfronteerd zou kunnen worden
indien de voorstellen in deze vorm wet zouden worden.
Op een aantal plaatsen (blz. 5, 7, 14, 21, 32) wekt
de ontwerp-memorie van toelichting de indruk dat de
voorgestelde maatregelen alleen zijn ingegeven door
wat daar islamitisch terro-risme genoemd wordt. De NVvR
is voorstander van een neutrale formulering, ongeacht
de herkomst of het motief van het gevreesde terrorisme.
Daarenboven kan de nadruk die de ontwerp-memorie van
toelichting op islamitisch terrorisme legt in de hand
werken dat van de maatregelen in de praktijk een - blijkens
de ontwerp-memorie van toelichting blz. 16 ook door
de regering niet beoogde - discriminatoire werking uitgaat:
een risico waarvoor de NVvR met nadruk de aandacht vraagt.
Zie
voledig advies
29 mei 2006
Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid
Tweede Kamer
Met dit wetsvoorstel wordt een regeling
voorgesteld waarbij de reeds eerder aangekondigde gebiedsverboden,
persoonsverboden en meldingsplicht voor mensen die 'betrokken'
zijn bij terroristische organisaties mogelijk wordt
gemaakt
Met belangstelling heb ik kennisgenomen
van het nader voorlopig verslag dat de vaste commissie
voor Justitie heeft uitgebracht. Het verheugt mij dat
de leden van de CDA-fractie hun waardering hebben uitgesproken
voor de memorie van antwoord. Deze leden gaven aan dat
de beantwoording nochtans aanleiding gaf tot enkele
nadere vragen, vooral op het, in hun ogen, principiële
punt van de ontlastende informatie. Ik hoop de vragen
van de leden hierover, en over andere onderwerpen, in
het navolgende tot tevredenheid te kunnen beantwoorden.
Dat ik de leden van de fractie van de PvdA tot dusver
niet heb kunnen overtuigen met mijn antwoorden op hun
vragen, stelt mij teleur. Ik hoop desalniettemin dat
ik daarin met het navolgende alsnog zal slagen.
Op
9 mei achtte de commissie de openbare behandeling
afgerond.
De Commissie van Toezicht betreffe nde
de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (verder te noemen:
de Commissie) heeft een onderzoek verricht naar een
contra-terrorisme operatie van de AIVD. Deze operatie
behelst de inzet van een agent in het kader van een
onderzoek naar een (islamistisch) terroristisch netwerk.
De gewelddadige jihad in Nederland beschrijft
het fenomeen van jihadistische netwerken die in ons
land aanwezig zijn en waarin de terroristische dreiging
zich vandaag de dag manifesteert. Het rapport biedt
inzicht in de wijze waarop deze netwerken ontstaan en
zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. De belangrijkste
trend die de AIVD constateert is dat de jihadistische
dreiging steeds vaker voortkomt vanuit onze eigen samenleving.
Voornaamste oorzaak daarvan zijn processen van radicalisering
en rekrutering onder jonge moslims. Behalve onderlinge
groepsdwang speelt ook het internet bij deze processen
een steeds grotere rol.
20 maart 2006
Aan bieding Handreiking Terrorismebestrijding op lokaal
niveau.
Minjust en MinBZK
De handreiking biedt een overzicht van
(de organisatie van) terrorismebestrijding in Nederland
en bevat aanknopingspunten voor de vormgeving van een
lokale aanpak voor het tegengaan van radicalisering
en terrorismebestrijding.
Het gevoel van urgentie om radicalisering
vroegtijdig te herkennen, per instelling verschilt.
Om het belang hiervan onder de aandacht van het middelbaar
beroepsonderwijs en het hoger onderwijs te brengen,
zal het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
het gesprek aangaan met de Bve Raad, de HBO-raad en
de VSNU.
Over de uitkomst van dit overleg en de conclusies die
daaruit worden getrokken, wordt u uiterlijk 1 juli 2006
geïnformeerd.
Op 9 maart jl. vond de eerste termijn
van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel inzake
de verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en
vervolging van terroristische misdrijven (30 164) van
de zijde van de Kamer plaats. Graag neem ik bij deze
de door u geboden gelegenheid te baat zoveel mogelijk
van de daar gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden.
De reden voor deze opzet is gelegen in de omstandigheid
dat zeer veel van de gestelde vragen een meer of minder
technisch karakter dragen, die zich uitstekend lenen
voor een schriftelijke reactie van mijn kant. Op deze
wijze kan het vervolg van de mondelinge behandeling,
voorzien op 22 maart a.s., zich richten op de hoofdlijnen
van dit wetsvoorstel
en de politieke appreciatie.
Op 9 maart jl. vond de eerste termijn
van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel inzake
de verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en
vervolging van terroristische misdrijven (30 164) van
de zijde van de Kamer plaats. Graag neem ik bij deze
de door u geboden gelegenheid te baat zoveel mogelijk
van de daar gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden.
De reden voor deze opzet is gelegen in de omstandigheid
dat zeer veel van de gestelde vragen een meer of minder
technisch karakter dragen, die zich uitstekend lenen
voor een schriftelijke reactie van mijn kant. Op deze
wijze kan het vervolg van de mondelinge behandeling,
voorzien op 22 maart a.s., zich richten op de hoofdlijnen
van dit wetsvoorstel
en de politieke appreciatie.
Deze nota van wijziging bevat een aantal
wijzigingen van het wetsvoorstel van louter technische
aard. In de eerste plaats wordt een aanpassing van artikel
126zn Sv voorgesteld. Dit artikel ziet onder meer op
bijstand van een burger aan pseudokoop- of dienstverlening
in het kader van de opsporing van terroristische misdrijven.
De wijziging bewerkstelligt
dat het voorgestelde artikel 126zn Sv in overeenstemming
wordt gebracht met artikel 126ij Sv, in die zin dat
de eventuele voorziene bijstand van een burger aan opsporing
afhankelijk wordt gesteld van het antwoord op de vraag
of de officier van justitie ter zake geen bevel aan
een opsporingsambtenaar kan geven. Dit is reeds toegelicht
in mijn
schriftelijk antwoord op een vraag van het lid Rouvoet,
gesteld tijdens de eerste termijn van de mondelinge
behandeling van onderhavig wetsvoorstel. Voorgesteld
wordt tevens de minder toepasselijke verwijzing naar
artikel 126h, tweede lid, Sv te vervangen door een verwijzing
naar artikel 126ij, derde lid, Sv.
De voorgestelde aanpassing van artikel 126zo, tweede
lid, Sv hangt samen met het feit dat dit artikel uitgaat
van een overeenkomst met een burger in plaats van een
bevel dat door de officier van justitie wordt gegeven.
Zoals ook in antwoord op een vraag van de heer Rouvoet
tijdens de hierboven vermelde gelegenheid is aangegeven,
ligt het daarom ook hier in de rede de verwijzing naar
artikel 126h, tweede lid, Sv te vervangen door, in dit
geval, een uitgebreidere verwijzing naar de voorwaarden
van artikel 126w Sv.
Een derde wijziging van artikel I van het wetsvoorstel
betreft het toevoegen van een verwijzing naar artikel
126zo Sv in artikel 140a Sv. Daarmee wordt eveneens
een omissie ongedaan gemaakt. Van de gelegenheid heb
ik tevens gebruik gemaakt om een onjuiste verwijzing
in artikel 83, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht
ten gevolge van een vernummering van de artikelen in
de Wet explosieven voor civiel gebruik recht te zetten.
De commissie voor Buitenlandse Zaken1
heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van
Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de brief inzake
vermeende CIA-vluchten met terreurverdachten via Nederland
(kamerstuk 30 467, nr. 1).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van
14 maart 2006. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De weerstand van de moslimgemeenschappen
in Nederland tegen radicalisering en geweld uit naam
van de islam neemt toe. Deze positieve ontwikkeling
houdt in dat gematigde en liberale moslims, maar ook
meer orthodoxe gelovigen, zich steeds nadrukkelijker
in het maatschappelijke debat mengen en publiekelijk
afstand nemen van gewelddadige islamitische stromingen.
Tot die conclusie komt de NCTb (Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding) in zijn jongste driemaandelijkse
dreigingsrapportage: Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.
Dat schrijven de ministers Donner (Justitie) en Remkes
(Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) vandaag
in een brief aan de Tweede Kamer.
Radicaliseringsmogelijkheden op het Internet qua omvang
en intensiteit zijn toegenomen. Naast radicale sites
en discussiefora is er veel trainingsmateriaal van jihadistisch
karakter op het Internet aanwezig en bovendien ook makkelijk
toegankelijk. In veel gevallen is het trainingsmateriaal
zonder meer professioneel van aard. Met het verdwijnen
van het gros van de fysieke trainingskampen in Afghanistan
en Pakistan zijn veel jihadisten inmiddels aangewezen
op deze virtuele trainingsinstructies op het Internet.
De terroristische dreiging voor Nederland is onveranderd
substantieel. Dit betekent dat de kans reëel is
dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Daarbij
moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke
aanslag ook de vorm van een zelfmoordaanslag kan aannemen.
Ondanks diverse aanhoudingen in het verleden rondom
het Hofstad-netwerk blijft er algemeen gesproken een
terroristische dreiging bestaan. In Nederland doen veiligheidsautoriteiten
onderzoek naar diverse terroristische netwerken. Het
Hofstad-netwerk is een voorbeeld van een van de netwerken.
De publieke aandacht voor de activiteiten van de leden
van dit specifieke netwerk is begrijpelijk, maar dat
mag er niet toe leiden dat het gevaar van andere netwerken
genegeerd of onderschat wordt. Hier komt bij dat radicaliseringsprocessen
onder een klein deel van de totale moslimbevolking en
sommige bekeerlingen in Nederland onverminderd voortgaan.
Nationaal maar ook internationaal is daarbij sprake
van een steeds groter wordende betrokkenheid van vrouwen
bij de gewelddadige strijd.
9 maart 2006 Debat
Tweede Kamer
Wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering,
het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter
verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging
van terroristische misdrijven
De eerste termijn, waarbij de leden
van de Tweede Kamer aan het wordt kwamen.
1 maart 2006
Gemeenten ontvangen handreiking ‘Terrorismebestrijding
op lokaal niveau’
Minbzk
Vandaag heeft minister Remkes het eerste
exemplaar van de handreiking ‘Terrorismebestrijding
op lokaal niveau’ overhandigd aan burgemeester
Pop van de gemeente Haarlem, tevens voorzitter van de
VNG-commissie Veiligheid. Dit is gebeurd op het Symposium
“Terrorismebestrijding op lokaal niveau”
dat vandaag plaatsvindt in Den Haag.
Doel van dit symposium is om gemeenten concrete aanknopingspunten
te bieden om het beleid van terrorismebestrijding vorm
te geven op lokaal niveau. In de handreiking komen thema’s
aan de orde als het in kaart brengen van radicaliseringproblematiek,
het signaleren van voorbereidingshandelingen en hoe
om te gaan met maatschappelijke onrust.
De handreiking ‘Terrorismebestrijding op lokaal
niveau’ maakt deel uit van de landelijke campagne
‘Nederland tegen terrorisme’ die eerder
deze week van start ging. Deze campagne is erop gericht
dat iedereen in Nederland weet wat de overheid doet
aan terrorismebestrijding en weet wat men zelf kan doen
om de kans op een aanslag zo klein mogelijk te maken.
Hierbij past ook het aanbieden van deze handreiking
aan gemeenten, zodat ook zij op lokaal niveau hun bijdrage
kunnen leveren aan de strijd tegen terrorisme.
De aanslagen in Madrid en Londen alsmede
de moord op Theo van Gogh hebben geleid tot het besef
bij de regering dat effectieve maatregelen noodzakelijk
zijn ter bestrijding van terrorisme. In het kader van
het Breed Initiatief Maatschappelijke Binding wordt
samen met maatschappelijke organisaties gezocht naar
oplossingen ompotentieel gewelddadige vormen van radicalisme
te voorkomen en om de sociale binding te bevorderen.
Het onderwijs speelt daarbij een belangrijke rol. Het
gaat daarbij zowel omde rol die het onderwijs kan spelen
omsociale binding en burgerschap te bevorderen als omvorm
en van radicalisering binnen het onderwijs tegen te
gaan. Het daadkrachtig bestrijden van radicalisme in
het onderwijs is noodzakelijk met het oog op de veiligheid
op en rondom de school. Uit onderzoek door de inspectie,
dat werd ingesteld na de moord op Theo van Gogh, is
gebleken dat veel scholen te maken hebben met incidenten
als bommeldingen, bedreigingen of het ingooien van een
ruit van een docent. Het meldpunt (sinds maart 2005
operationeel) maakt het mogelijk dat vertrouwensinspecteurs
in dit soort gevallen vragen kunnen beantwoorden, begeleiding
kunnen bieden en eventueel kunnen adviseren omaangifte
te doen bij justitie. Bij hetmeldpunt kunnen alle betrokkenen
in het onderwijs (docenten, schoolleiding, ouders, leerlingen)
terecht die in het onderwijs te maken krijgen met discriminatie
of radicalisering.
Een goede taakuitoefening van de vertrouwensinspecteur
brengt mee dat hij bijzondere persoonsgegevens als bedoeld
in artikel 16 van de WBP moet kunnen vastleggen. In
het bijzonder kan het gaan om persoonsgegevens betreffende
iemands godsdienst of levensovertuiging, ras of politieke
gezindheid. Ook voor deze nieuwe taak geldt dat een
juridische grondslag in de wet nodig is die deze verwerking
van bijzondere persoonsgegevens mogelijk maakt
Graag bied iku hierbij, mede namens de
ministers van Verkeer & Waterstaat, van Financiën,
van Defensie, van Justitie en van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijkszaken, in aanvulling op mijn antwoorden
op Kamervragen, de reactie aan op het verzoektijdens
de regeling van werkzaamheden van 16 februari 2006 om
een brief inzake vermeende CIA-vluchten met terreurverdachten
via Nederland.
Ikhecht er allereerst aan nogmaals te stellen dat de
Nederlandse regering niet op de hoogte is van via Nederlands
grondgebied verlopen CIA-vluchten met op onrechtmatige
wijze gedetineerde terrorismeverdachten. De regering
heeft actief noch passief medewerking verleend aan dergelijke
vluchten via Nederland en beschikt niet over concrete
aanwijzingen dat deze desondanks zouden hebben plaatsgevonden.
De memorie van antwoord gaf de commissie
aanleiding tot het maken van de volgende nadere opmerkingen
en het stellen van de volgende nadere vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met waardering kennisgenomen
van de memorie van antwoord. Niettemin gaf deze beantwoording
nog aanleiding tot enkele nadere vragen,met name op
het principiële punt van de ontlastende informatie.
De leden behorende tot de PvdA-fractie zijn niet gerust
gesteld door de antwoorden die de regering op haar vragen
heeft gegeven dan wel juist niet gegeven.
Met ingang van 1 maart 2006, zullen hiervoor,
in eerste instantie voor een periode van zes maanden,
gecombineerde patrouilles gericht worden ingezet. Dit
is een van de maatregelen in het plan van aanpak, dat
voortvloeit uit de reactie van het kabinet op het rapport
Gebruik van grenscontrole bij terrorismebestrijdingvan
de Algemene Rekenkamer van 28 september 2005. In dat
kader is onderzoek gedaan naar de vraag of er een sluitende
controle bestaat aan de Nederlandse buitengrenzen.
In 2006 zal het versterken van
de operationele slagkracht van de dienst voorop staan,
alsmede de kwantitatieve en kwalitatieve groei. Hierbij
zal extra geïnvesteerd worden in de volgende aandachtsgebieden
en werkterreinen:
Terrorismebestrijding en het tegengaan
van radicaliseringsprocessen;
Het stelsel Bewaken en Beveiligen;
De inlichtingentaak buitenland, waaronder het proliferatiedossier;
De uitvoering van het ontwikkelprogramma Prospect
2007.
Binnen de vaste commissie voor Justitie
hebben enkele fracties de behoefte over de nota naar
aanleiding van het verslag en de daarbij gevoegde nota
van wijziging enkele vragen en opmerkingen aan de regering
ter beantwoording voor te leggen. Bij brief van 12 januari
2006 heeft de regering deze beantwoord.
22 december 2005 Vaste
Verbindingen
Een advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties over de verstrekking van gegevens
op het terrein van veiligheid door landelijke diensten
aan burgemeesters Rapport van de Werkgroep gegevensverstrekking
– burgemeesters
De burgemeester is verantwoordelijk voor
de handhaving van de openbare orde en draagt meer in
den brede (tezamen met wethouders) ook zorg voor een
goede gang van zaken in zijn gemeente. Om invulling
te kunnen geven aan deze verantwoordelijkheid is het
noodzakelijk dat de burgemeester een sterke informatiepositie
heeft, waar het gaat om de veiligheid in zijn gemeente
en bedreigingen daarvan. De burgemeester is voor zijn
informatiepositie mede afhankelijk van informatie die
beschikbaar is bij landelijke diensten en organisaties,
zoals de AIVD, het NCC, de NCTb, het KLPD en het Landelijk
Parket van het OM, die onderscheiden taken en verantwoordelijkheden
hebben en opereren onder politieke verantwoordelijkheid
van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en/of de minister van Justitie. In het recente verleden
heeft zich op het terrein van de bestrijding van radicalisering
en terrorisme een aantal situaties voorgedaan waarbij
vragen zijn gerezen omtrent de gegevensuitwisseling
tussen landelijke instanties en de burgemeester. Te
denken is aan het AIVD-onderzoek naar de zogenoemde
Hofstadgroep in Amsterdam, de aanhouding van enkele
leden van die groep in Den Haag, de inval van een landelijk
arrestatieteam in een woning in Utrecht en de besluitvorming
rond een drietal radicale imams in Eindhoven. Naar aanleiding
daarvan heeft de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties na overleg met het Korpsbeheerdersberaad
een werkgroep ingesteld om hem te adviseren over de
wijze waarop de gegevens verstrekking door landelijke
diensten aan de burgemeesters kan worden verbeterd (voor
de samenstelling en opdracht van de werkgroep, zie bijlagen
1 en 2).
Bij de vraag naar de verbetering van de gegevensverstrekking
door landelijke diensten aan de burgemeesters, gaat
het erom welke bij de centrale overheid aanwezige informatie
wordt verstrekt en op welke wijze en onder welke condities
informatieverstrekking plaatsvindt. Het gaat hierbij
bovendien om het tijdstip waarop de burgemeester wordt
geïnformeerd. De informatievoorziening richting
burgemeester bij daadwerkelijk optreden door de centrale
overheid verdient bijzondere aandacht evenals de rol
die de regionale korpschefs kunnen vervullen bij de
uitwisseling van informatie tussen de AIVD en burgemeesters,
gelet op hun betrokkenheid bij activiteiten van de AIVD
en hun kennis van de lokale situatie. In dit rapport
gaat de werkgroep nader op deze punten in.
In de Derde voortgangsrapportage meldden
wiju dat in de afgelopen periode multidisciplinaire
analyses over diverse radicaliseringshaarden zijn opgesteld
en dat momenteel per radicaliseringshaard wordt bezien
welke interventie-instrumenten het beste kunnen worden
ingezet. Om te komen tot maatregelenpakketten is eerst
een tussenstap gezet: het opstellen van een beleidskader
Aanpak radicaliseringshaarden. Het beleidskader sluit
aan op de notas die wijeerder aan uw Kamer zonden
over radicalisme en radicalisering.
1 Het beleidskader betreft de uitwerking
van de daarin aangekondigde aanpak van radicaliseringshaarden.
Dit beleidskader is thans ter inzage gelegd bijde griffie.
(en
hier op de website gebuliceerd)
2Het beleidskader gaat in op het doel
en de belangrijkste elementen van de aanpak. Daarnaast
schept het beleidskader helderheid over de juridische
uitgangspunten en behandelt het de spanning tussen de
fundamentele vrijheidsrechten van burgers en de scheiding
van kerk en staat enerzijds en de aanpak van radicale
uiting(s)vorm(en) anderzijds. Ook bespreken we in het
beleidskader de verantwoordelijkheden van de landelijke
en lokale overheden, de informatievoorziening
Met belangstelling heb ik kennis
genomen van het voorlopig verslag dat de vaste commissie
voor Justitie over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht.
Graag zal ik hieronder op de in het verslag gemaakte
opmerkingen reageren en de gestelde vragen beantwoorden.
Het verheugt mij dat de leden
van de fractie van het CDA aangaven met belangstelling
en in hoofdzaak met instemming te hebben kennisgenomen
van dit wetsvoorstel. Ik hoop de nog bij deze leden
bestaande vragen over het wetsvoorstel in het navolgende
tot tevredenheid te kunnen beantwoorden.
De leden van de VVD-fractie vroegen zich af of het
wetsvoorstel daadwerkelijk een nuttige bijdrage
levert aan de bestrijding van de terroristische
activiteiten. Ik meen dat dit het geval is. Hierna
in deze memorie zal ik nader onderbouwen waarom
ik deze mening ben toegedaan. Op deze plaats breng
ik deze leden graag onder de aandacht dat dit wetsvoorstel
betrekking heeft op terroristische misdrijven en
andere ernstige misdrijven, en daarom niet uitsluitend
bedoeld is voor het tegengaan van terroristische
activiteiten. Voorts wijs ik erop dat Nederland
tot nu toe nog in de positie is dat zich hier nog
geen grootschalige terroristische aanslagen als
in Londen of Madrid hebben voorgedaan. Het zou evenwel
nalatigheid van het kabinet zijn als niet alles
mogelijk te maken zouden worden gedaan om effectief
justitieel ingrijpen mogelijk te maken. Met de voorgestelde
regeling beoog ik geenszins een eenvoudig instrument
te verschaffen voor het optreden tegen deze misdrijven.
Dat is gelet op het gewicht van de in het geding
zijnde belangen van een eerlijk proces en het belang
van de staatsveiligheid ook nooit een haalbare optie
geweest, zo heb ik mij terdege gerealiseerd. Terecht
noemden deze leden ook het gerechtvaardigde verlangen
van de burger naar veiligheid. Ik meen dat de voorgestelde
regeling het resultaat is van een goede afweging
van uiteenlopende belangen.
De leden van de fractie van de PvdA hadden nog een
aantal indringende vragen bij het wetsvoorstel.
Graag ga ik in het navolgende op deze vragen in.
De leden van de GroenLinks-fractie stelden zich
terughoudender op. Zij gaven aan aanzienlijke bezwaren
tegen het wetsvoorstel te hebben. Ik spreek de hoop
uit dat de nadere verheldering die ik in deze memorie
van antwoord beoog te verschaffen, ook in antwoord
op vragen van deze leden, in ieder geval aan een
deel van hun bezwaren tegemoet kan komen. Tot mijn
genoegen brachten de leden van de fractie van D66
naar voren met belangstelling kennis te hebben genomen
van het wetsvoorstel. Zij ondersteunden in het algemeen
het voornemen te komen tot een krachtige aanpak
van de bestrijding van terrorisme. Ook konden deze
leden zich verenigen met de aan dit wetsvoorstel
ten grondslag liggende wens de bruikbaarheid van
informatie van specifieke getuigen in het strafproces
te verbeteren. Met hen ben ik van mening dat daarbij
steeds de lastige afweging speelt van enerzijds
het belang van de staatsveiligheid en anderzijds
het belang van een goede rechtsbedeling. Aan de
behoefte van deze leden aan een nadere gedachtewisseling
over de consequenties van dit wetsvoorstel kom ik
gaarne in het navolgende tegemoet.
De leden van de fractie van de SP signaleerden dat
de recente onthullingen in de Schiedammer parkmoordzaak
het grote belang aantonen dat in strafzaken zowel
de rechter als de verdediging kan beschikken over
al het belastende en ontlastende bewijsmateriaal.
Dat belang onderschrijf ik evenzeer. Anders dan
deze leden meen ik echter dat dit wetsvoorstel er
niet toe zal leiden dat de verdediging op achterstand
wordt gesteld ten opzichte van het openbaar ministerie.
De regeling biedt een mogelijkheid tot nader onderzoek
van een ambtsbericht door de rechter-commissaris
onder afgeschermde omstandigheden. Dergelijk onderzoek
zou zonder deze procedure niet mogelijk zijn. De
positie van het openbaar ministerie is daarbij niet
anders dan die van de verdediging. Evenmin wordt
aan de rol van de rechter-commissaris en die van
de zittingsrechter getornd. Het feit dat het voorstel
voorziet in een instemmingsbevoegdheid voor de afgeschermde
getuige laat onverlet dat het de rechter-commissaris
blijft die over de inhoud en vaststelling van het
proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde getuige
beslist. De zittingsrechter bepaalt uiteindelijk
welke bewijskracht hij toekent aan het ambtsbericht
en het proces-verbaal van verhoor van de afgeschermde
getuige. Ik meen dan ook dat er geen reden is voor
de zorgen geuit door deze leden. Welke de waarborgen
zijn ter compensatie van de beperkingen van de rechten
van de verdediging door toepassing van de voorgestelde
regeling, zal ik hierna nog nader toelichten.
Vandaag presenteren de Haagse gemeenteraadsfracties
van VVD en D66 tijdens een persconferentie hun gezamenlijke
nota "Actieplan tegen Radicalisering". De
nota wordt aangeboden aan prof.dr.mr. Afshin Ellian,
hoogleraar sociale cohesie, burgerschap en multiculturaliteit
aan de universiteit van Leiden.
Verschillende gemeenten, waaronder Amsterdam en Rotterdam,
hebben uitgangspunten ontwikkeld om radicalisering te
voorkomen. In Den Haag bleef het echter stil. Terwijl
juist deze stad sinds de gebeurtenissen op 10 november
2004 wordt geassocieerd met de Hofstadgroep. Den Haag
mag geen ruimte bieden aan individuen die de grondrechten,
democratie en rechtstaat ondermijnen. Dat is onaanvaardbaar.
VVD en D66 verzoeken daarom het college een plan van
aanpak tegen radicalisering op te stellen. In een eigen
nota doen de VVD en D66 voorts een aantal voorstellen
die volgens de partijen thuishoren in een actieplan
Radicalisering.
In duidelijke taal wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:
werken aan het verkleinen van de kloof tussen bevolkingsgroepen;
vroegtijdige signalering; bestrijding radicalisering
en aanpak van geradicaliseerde personen.
Fractievoorzitter VVD, Sander Dekker en fractievoorzitter
D66, Marjolein de Jong: "Wij constateren dat Den
Haag achterloopt bij het voorkomen, vroegtijdig signaleren
en bestrijden van radicalisering. Amsterdam en Rotterdam
zijn verder gevorderd. Als regeringsstad kunnen wij
ons niet veroorloven om ook op dit gebied geen degelijk
beleid te ontwikkelen".
Tijdens de persconferentie verzorgde Afshin Ellian een
korte inleiding waarbij hij inging op de nota. Daarnaast
lichtten Sander Dekker, fractievoorzitter VVD, en Marjolein
de Jong, fractievoorzitter D66, het "Actieplan
tegen Radicalisering" nader toe.
De voortgangsrapportage begint met een
samenvatting van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland (DTN) zoals dat is opgesteld onder verantwoordelijkheid
van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
(NCTb). Vervolgens worden de verschillende onderdelen
van antiterrorismebeleid behandeld. Dat beleid loopt
van het verhinderen van radicalisering, via het voorkomen
dat daadwerkelijk aanslagen worden gepleegd, tot het
goed voorbereid zijn voor het geval dat ondanks alle
voorzorgsmaatregelen toch een aanslag plaatsvindt. Daarbij
geldt zoals hierboven gemeld, dat bepaalde onderwerpen
in deze rapportage minder aandacht zullen krijgen. Wel
zal, indien opportuun, worden ingegaan op de implicaties
die het DTN heeft voor het beleid.
Inleidende opmerkingen
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag.
Het verheugt me dat de leden van verschillende fracties
positief staan tegenover het
voorstel. De vragen, opmerkingen en eschouwingen over
en naar aanleiding van het wetsvoorstel geven mij gelegenheid
om strekking en inhoud van het wetsvoorstel te verduidelijken.
Waar dit zinvol voorkomt, zullen de vragen van verschillende
fracties over hetzelfde onderwerp of met elkaar samenhangende
onderwerpen gezamenlijk worden beantwoord. Dat geldt
bijvoorbeeld ten aanzien van de vragen van de leden
van verschillende fracties over nut en noodzaak van
de voorgestelde verruimingen. De vragen daarover zal
ik behandelen per afzonderlijk onderdeel van dit wetsvoorstel.
De commissie voert een gesprek met
mevrouw Michiels van Kessenich, voorzitter van de
commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten,
in verband met de behandeling van wetsvoorstel 29743
(afgeschermde getuige).
Debat over tegenstrijdige uitspraken
ten aanzien van terreurdreiging en de mogelijk noodzaak
voor (nood)wetgeving met betrekking tot terreur
26 oktober 2005 Congres van NCTB over radicalisering NCTB
Op 26 oktober 2005 vond in Amsterdam
de NCTb-conferentie Een jaar later; Radicalisering,
het maatschappelijk antwoord plaats. Tijdens deze
conferentie werden radicaliseringtendensen in kaart
gebracht. De bestaande maatschappelijke reactie daarop
werd bezien en strategieën voor de toekomst werden
besproken.
Het thema van de conferentie concentreert
zich op radicalisering en de manier waarop
de maatschappij zich daartegen verweert. Welke succesvolle
strategieën om radicalisering tegen te gaan zijn
ontwikkeld en ten slotte hoe kunnen deze in de toekomst
versterkt worden. Voor de conferentie zijn nationale
en internationale experts op het gebied van radicalisering
uitgenodigd en mensen die in de praktijk werken op dit
terrein bijeen gebracht om uitvoerig van gedachten te
kunnen wisselen.
Behandeld werden:
- fiche d.d. 15 december 2004 inzake terrorisme (brief
van de griffier van de vaste commissie voor Europese
Zaken d.d. 14 februari 2005) (Just050120);
- brief van de minister van Justitie d.d. 15 april 2005
inzake het terugsturen van een KLM-toestel door de VS
(Aanhangsel bij de Handelingen, nr. 1394);
- antwoord op vragen d.d. 25 april 2005 door de ministers
van Justitie, van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties inzake de conferentie van
de Club de Madrid op 11 maart 2005 (27925, nr. 173);
- brief van de minister van Justitie d.d. 20 april 2005
inzake Europese Unie peer evaluation
terrorismebestrijding (23490, nr. 369);
- brief van de minister van Justitie d.d. 3 juni 2005
inzake Herziening stelsel van speciale eenheden (29754,
nr. 23);
- brief van de minister van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 juni 2005 inzake
Tweede voortgangsrapportage terrorismebestrijding (29754,
nr. 24);
- brief van de minister van Justitie met een uiteenzetting
over het artikel in Trouw d.d. 27 mei
2005 over Samir A.;
- brief van de minister van Justitie d.d. 11 juli 2005
inzake Verzoek naar aanleiding van aanslagen in Londen
(29754, nr. 25);
- brief van de minister van Justitie d.d. 12 juli 2005
inzake extra-JBZ-Raad van 13 juli 2005 over
de strijd tegen het terrorisme (23490, nr. 381);
- brief van de minister van Justitie d.d. 11 augustus
2005 inzake Uitvoering moties en toezeggingen Notice
en Takedown (28197, nr. 22);
- brief van de minister van Justitie d.d. 12 augustus
2005 inzake Verslag buitengewone JBZ-Raad van 13 juli
2005 (23490, nr. 382);
- brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
d.d. 27 juni 2005 inzake
Voortgangsrapportage 2004: Het tegengaan van terroristische
aanslagen met NBC-middelen
(27925, nr. 180);
- brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
d.d. 5 juli 2005 inzake AIVDnota Lonsdalejongeren
in Nederland (29284, nr. 12);
- brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
d.d. 16 september 2005 inzake Beleidsbrief bescherming
vitale infrastructuur (26643, nr. 75);
- rapport van de Algemene Rekenkamer d.d. 28 september
2005 inzake Gebruik van grenscontroles bij
terrorismebestrijding (30135);
- brief van de minister van Justitie d.d. 28 september
2005 inzake Actuele stand van zaken Europees terrorismebeleid
(23490, nr. 391);
- brief van de minister van Justitie en de minister
van BZK d.d. 29 september 2005 met de stand van zaken
antiterrorismebeleid (driemaandelijkse Dreigingsbeeld
Terrorisme Nederland (DTN) (29754, nr. 31).
De commissies bespraken de deze zomer
aan de Tweede Kamer toegzonden nota's "Weerbaarheid
en integratiebeleid", "Radicalisem en radicalisering",
"Lonsdalejongeren" en "lokale en justitiële
aanpak van radicalisme en radicalisering".
De leden van de CDA-fractie hebben met
belangstelling en in hoofdzaak instemming kennis genomen
van dit wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie vragen
zich - met anderen, zoals de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak en strafrechtgeleerden zoals Buruma,
Nijboer, De Roos - af of het wetsvoorstel daadwerkelijk
een nuttige bijdrage levert in de bestrijding en berechting
van terroristische activiteiten en, zo ja, in welk mate.
Tegelijk constateren zij dat strekking en uitstraling
van het wetsvoorstel van positieve invloed is op de
gerechtvaardigde behoefte van de burger aan veiligheid.
Het belang daarvan kan en mag niet onderschat worden.
De leden van de fractie van de PvdA hebben een aantal
indringende vragen bij dit wetsvoorstel.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben grote
bezwaren tegen dit wetsvoorstel.
De fractie van D66 heeft met belangstelling kennis genomen
van dit wetsvoorstel. Zij ondersteunt
in het algemeen het voornemen te komen tot een krachtige
aanpak van de bestrijding van terrorisme. Hetzelfde
geldt ten aanzien van de aan dit voorstel ten grondslag
liggende wens de bruikbaarheid van informatie van specifieke
getuigen in het strafproces te verbeteren. Deze leden
realiseren zich terdege de indringendheid en complexiteit
welke verbonden zijn aan de afweging van belangen van
staatsveiligheid en een goede strafvordering. Zij stellen
vast dat het wetsvoorstel veel discussie heeft losgemaakt
in de wetenschap, in de strafrechtelijke praktijk en
in de Tweede Kamer. Zij stellen evenzeer vast dat er
- gelet op het verloop van die discussie - reden is
op een aantal punten het debat voort te zetten. Deze
leden hebben met name behoefte aan een nadere gedachtewisseling
over de gevolgen van het voorstel voor de ontwikkeling
van het straf(proces)recht in het algemeen en voor de
positie van de verdachte in het bijzonder, alsmede over
de effectiviteit van het voorstel. De fractie van de
SP signaleert dat de recente onthullingen in de Schiedamse
parkmoord weer eens het grote belang aantonen dat in
strafzaken zowel de rechter als de verdediging kan beschikken
over al het belastende en ontlastende bewijsmateriaal.
Met dit wetsvoorstel wordt, zo vreest de fractie van
de SP, de verdediging in sommige zaken structureel op
achterstand ten opzichte van het openbaar ministerie
gesteld, en wordt ook de positie van de rechter-commissaris
en achter hem de rechter, verzwakt. Deze leden zien
die ontwikkeling met zorg onder ogen. Hoewel zij begrijpen
dat er omstandigheden zijn waarin het gebruiken van
afgeschermde getuigen de enige manier is om een zaak
met succes voor de rechter te brengen, vinden zij dat
dit wetsvoorstel onvoldoende waarborgen biedt om de
negatieve effecten van het afschermen van getuigen te
compenseren.
Minister Donner van Justitie en minister
Remkes van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
hebben - conform eerdere afspraken - het functioneren
van het stelsel bewaken en beveiligen geëvalueerd.
Op basis hiervan hebben de ministers een aantal verbeteringen
voorgesteld. De ministerraad heeft hiermee ingestemd.
Op grond daarvan wordt onder meer het aantal personen,
objecten en diensten waarvoor de rijksoverheid een bijzondere
verantwoordelijkheid heeft, uitgebreid. Alle leden van
de Eerste en Tweede Kamer worden toegevoegd aan de limitatieve
lijst. Op deze lijst staan nu onder andere bewindspersonen,
voorzitters van Eerste en Tweede Kamer en fractievoorzitters
in de Tweede Kamer. De limitatieve lijst bevat ook personen
voor wie de overheid standaard beveiligingsmaatregelen
treft, zoals de leden van het Koninklijk Huis en de
minister-president.
Lokale overheden, politie- en
inlichtingendiensten en maatschappelijk organisaties
zijn onmisbaar in een brede aanpak tegen radicalisering
en radicalisme. Justitieel optreden alleen kan, zonder
zo'n brede aanpak, op de langere termijn niet effectief
genoeg zijn om de problemen waarvoor radicalisme en
radicalisering de maatschappij stelt op te kunnen lossen.
Dat schrijven minister Donner (Justitie) en Remkes (Binnenlandse
Zaken) in hun plan van aanpak tegen radicalisme en radicalisering.
Die brede aanpak is een belangrijke voorwaarde om vroegtijdig
radicaliserings-processen te kunnen signaleren en om
te buigen voordat zij uitmonden in strafbare feiten.
De inzet van politiediensten is van groot belang alleen
al omdat het met de rol van wijkagent als informatiebron
dicht op de haarvaten van de samenleving zit. Daarnaast
hebben diverse onderdelen van het KLPD een belangrijk
taak in het surveilleren op internet en het verzamelen
en doorgeven van informatie die van andere overheidsdiensten
en tipgevers afkomstig is. In zo'n aanpak hebben de
werkzaamheden van de inlichtingendiensten, naast het
verzamelen, uitwisselen en analyseren van informatie
over mogelijke terroristische aanslagen ook betrekking
op radicalisme, radicalisering en rekrutering. Daarnaast
is het van belang dat zij niet alleen kijken naar die
vormen van radicalisering die nu als bedreigend worden
gezien (islamitisch radicalisme, rechts radicalisme
en dierenrechtenactivisme) maar ook naar vormen die
dat in de toekomst kunnen worden.
Andere overheidsorganisaties zoals onderwijsinstellingen,
uitkeringsinstanties, maatschappelijk werk en buurtwerk
kunnen waarnemen of personen of groepen radicaliseren.
Daarbij gaat het niet alleen om haatzaaiende preken
en discriminerende uitlatingen in de moskee, op videobanden,
geluidscassettes en op internet maar ook wat er in club-
en buurthuizen, uitgaansgelegenheden en op sportmanifestaties
gebeurt. Belangrijk daarbij is dat zij de signalen weten
te herkennen en weten wat zij ermee kunnen doen.
De lokale overheid heeft een centrale rol omdat zij
het best in staat is om in gesprek met de lokale gemeenschap
een accuraat beeld te generen dat bovendien de mogelijkheid
geeft, wanneer er zich een concreet incident voordoet,
tijdig passende maatregelen te nemen.
Een aantal gemeenten, waarbij Amsterdam en Rotterdam
in het oog springen, heeft de afgelopen tijd daarin
al voortvarend gehandeld in het tegengaan van deze processen.
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
(NCTb) biedt aan lokale overheden hierin ondersteuning
en expertise.
Een belangrijk aandachtspunt in het plan is de vraag
wanneer en hoe juridische maatregelen het beste kunnen
worden benut. Het plan van aanpak stelt kanttekeningen
bij de noodzaak voor verdere ontwikkeling van juridische
instrumenten om verspreiding van radicaal gedachtengoed
tegen te gaan. Enerzijds omdat het huidige strafrecht
daar volgens het kabinet voldoende ruimte toe biedt
maar tot nu toe betrekkelijk terughoudend wordt toegepast.
En anderzijds omdat de toepassing van strafrecht kan
leiden tot vervreemding en het radicalisme slechts zal
versterken. Slechts op een punt zal het strafrecht worden
aangescherpt, dat is namelijk om beter te kunnen optreden
tegen het verheerlijken en goedpraten van ernstige misdrijven
in het publieke debat. De bijkomende straf om iemand
te ontzetten uit het beroep bij delicten die aanzetten
tot haat en geweld tegen personen wordt dan al bij een
eerste veroordeling mogelijk.
Uit de inleiding:
Het onderhavige wetsvoorstel is al veel bekritiseerd.
Dat is niet vreemd; oude strafrechtelijke zekerheden
worden deels verlaten en dat is altijd voor hen die
in het strafrecht op welke wijze dan ook werkzaam zijn,
moeizaam te aanvaarden. De leden van de CDA-fractie
voelen ook deze fricties, maar kijken met een open instelling
naar de voorstellen. Daarbij houden zij steeds voor
ogen dat het een plicht is van de overheid om aanslagen
waarmee vele onschuldige burgers de dood zouden kunnen
vinden, te voorkomen maar ook om diegenen die menen
te moeten overgaan tot dergelijke verderfelijke daden,
keihard aan te pakken. Aanscherpingen van het strafproces
worden door de leden van de CDA-fractie aanvaardbaar
geacht, mits de noodzaak helder is aangegeven.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling
kennisgenomen van het wetsvoorstel. De memorie van toelichting
vermeldt dat «een analyse van de strafvorderlijke
bevoegdheden heeft geleid tot de constatering dat verdere
verbeteringen kunnen worden bevorderd». Deze leden
zijn met de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
(NVvR) van mening dat de enkele verwijzing naar de grote
dreiging die van terroristische aanslagen uitgaat, de
noodzaak van het wetsvoorstel niet (zonder meer) aantoont.
De opmerking dat «het niet in de rede ligt stil
te blijven zitten tot de vaststelling dat bestaande
bevoegdheden tekortschieten met praktijkvoorbeelden
kan worden gestaafd» (memorie van toelichting,
p. 3) doet naar de mening van deze leden geen recht
aan het ingrijpende karakter van de voorgestelde maatregelen.
Evenals de NVvR (briefvan 10 januari 2005 aan de minister
van Justitie) missen de leden van de PvdA-fractie dan
ook in de memorie van toelichting een toetsingkader
waarin ten aanzien van elke voorgestelde wijziging wordt
aangegeven ofen waar het huidige recht in
de concrete rechtspraktijk tot problemen heeft geleid
en waarom de voorgestelde maatregelen noodzakelijk zijn.
Juist omdat op uitvoerend niveau niet stilgezeten wordt,
zo nemen deze leden aan, moet inmiddels toch concreet
zijn aan te geven waar noodgedwongen gestopt moest worden
met optreden ofniet doorgepakt kon worden ofzelf s in
het geheel niet onderzocht ofopgetreden kon worden,
omdat wettelijke bepalingen dat feitelijk onmogelijk
maakten of verboden. En dan dat terwijl de oprechte
noodzaak daartoe wel werd gevoeld en goed beargumenteerd
kon worden. Zij verzoeken de regering dan ook de Kamer
alsnog van zo een concreet toetsingskader te voorzien.
De leden van de fractie van de VVD hebben kennisgenomen
van de voorstellen tot verruiming van de mogelijkheden
tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven.
Zij zien dit als het logische pendant van de eerder
aangenomen, maar meer materieel rechtelijke wet terroristische
misdrijven. Een bijzondere strafbaarstelling én
een bijzondere opsporingsen
vervolgingsbevoegdheid worden gerechtvaardigd door de
grote bedreiging die van terroristische misdrijven uitgaat,
het grote aantal slachtoffers dat bij een dergelijke
aanslag kan vallen en het complexe karakter van strafrechtelijk
onderzoek naar terroristische misdrijven, welk onderzoek
zich mede in het buitenland kan afspelen, waarbij informatieverschaffing
door inlichtingendiensten een rol kan spelen en dat
moeilijk te doorgronden informatie kan omvatten. Deze
argumenten kunnen de voorgestelde wijzigingen dragen.
Deze leden vinden het essentieel dat de gekozen oplossing
telkens proportioneel is. Daar zullen zij in hun verdere
bijdrage dan ook bijzondere aandacht voor vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Zij stellen vast dat de regering nieuwe
verruimingen in het strafrecht introduceert met het
doel terrorisme effectiever te kunnen bestrijden. Deze
leden zijn van mening dat er een waaier aan (deels vergaande)
verruimingen wordt gepresenteerd, terwijl:
a. de oorzaken van radicalisering en terrorisme niet
afdoende zijn onderzocht;
b. de tekortkomingen van het huidige strafrechtelijke
instrumentarium
nauwelijks zijn geïnventariseerd en
c. de gevolgen van de voorgestelde verruimingen nauwelijks
overdacht
lijken te zijn.
De leden van de SP-fractie zijn verder van mening dat
het debat over terrorisme niet alleen langs de lijnen
van mensenrechten en veiligheid moet worden gevoerd,
maar dat de politiek ook nadrukkelijk stil moet staan
bij de oorzaken van radicalisering.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben met de
nodige reserves kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
Deze leden benadrukken de ernst van terrorisme en het
onnoemelijk grote leed dat terroristische aanslagen
toebrengt aan de directe slachtoffers en de angst die
bij burgers in de samenleving kan ontstaan Dat neemt
niet weg dat deze leden óók bezorgd zijn
over de ingrepen in de strafwetgeving en de strafrechtspleging.
Zij vrezen de toestand waarin het belang van bescherming
van burgers tegen ingrijpen van de overheid,
zoals dat in het rechtstatelijke denken van de afgelopen
eeuwen heeft postgevat, allengs minder betekenis krijgt
in de strijd tegen het terrorisme. Zoals in het publiekelijke
discours ook al is uitgesproken, bevinden we ons nu
in een tijdsspanne waarin de democratische rechtstaat
moet tonen waar het voor staat en waarin van ons allemaal
wordt verlangd dat die beginselen maatgevend moeten
blijven, omdat anders de inspiratoren en de uitvoerders
van terroristische aanslagen een ongekende overwinning
kunnen behalen.
Het wetsvoorstel strafbaarstelling,
verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering en ontkenning
van zeer ernstige misdrijven zal tot problemen leiden
bij toetsing door de rechter. Dat stelt de Raad voor
de rechtspraak in zijn advies dat onlangs naar minister
Donner werd gestuurd.
Het wetsvoorstel stelt onder meer de verheerlijking
van terroristische misdrijven strafbaar. In zoverre
sluit het aan op het wetsvoorstel opsporing van terroristische
misdrijven en het wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen
nationale veiligheid. De Raad onderschrijft de doelstelling
en noodzaak van de bestrijding van het terrorisme maar
meent dat ook dit wetsvoorstel te verreikend is. Een van de kritiekpunten op het voorstel is dat
de rechter in het kader van een "apologiezaak"
een antwoord moet geven op de vraag of een bepaalde
(historische) gebeurtenis kan worden beschouwd als een
internationaal of terroristisch misdrijf. Daardoor ontstaat
het gevaar dat in essentie historische, religieuze en
politieke controverses door de strafrechter moeten worden
beslecht. Het is bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat
de rechter over voldoende materiaal zal kunnen beschikken
om adequaat te oordelen. Het politieonderzoek zal immers
niet op dat aspect gericht zijn geweest. Uit de toelichting op het wetsontwerp valt voorts
af te leiden dat het de bedoeling is degenen te straffen
die openbare uitlatingen doen met het oogmerk maatschappelijke
onrust te veroorzaken. Deze bedoeling komt echter in
de redactie van de wet zelf onvoldoende tot uitdrukking.
In de wet ontbreekt namelijk het vereiste dat de onrust
opzettelijk moet zijn veroorzaakt. Hierdoor krijgen
de wettelijke bepalingen in potentie een zodanige reikwijdte
dat ook maatschappelijke onrust veroorzakende journalistieke
en wetenschappelijke publicaties, daaronder kunnen vallen.
Aldus kan de vrijheid van meningsuiting zoals die ook
in door Nederland onderschreven internationale verdragen
is vastgelegd in het geding komen.
De NVvR heeft oog voor de noodzaak van
terrorismebestrijding en voor de noodzaak tot nakoming
van internationale verplichtingen. Het ontwerp-wetsvoorstel
gaat evenwel verder dan dat. Hierdoor heeft het ontwerp-voorstel
vragen opgeroepen omtrent zijn reikwijdte, het opzetvereiste,
de noodzaak van de voorgestelde strafbepaling en de
verhouding van de voorgestelde strafbepaling tot het
legaliteitsbeginsel. De NVvR adviseert een heroverweging
van het wetsvoorstel op de hiervoor aangegeven punten
en op andere onderdelen een uit-breiding van de toelichting.
Kort voor de voltooiing van dit advies heeft de NVvR
kennis genomen van het (concept) ad-vies van de Raad
voor de Rechtspraak over ditzelfde ontwerp-wetsvoorstel.
Daarin is ook aandacht besteed aan de problematiek van
de grensoverschrijdende uitlatingen. De NVvR kan zich
met dat advies verenigen.
De Europese Unie, haar instellingen
en de individuele Lidstaten zijn doordrongen van het
belang van een gezamenlijke aanpak van terrorisme in
al zijn facetten.
Op alle terrorismegerelateerde beleidsterreinen
is goede vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de
voorgenomen maatregelen, zoals onder meer verwoord in
het EU-Actieplan terrorismebestrijding. Daarnaast zijn
ook nieuwe instrumenten ontwikkeld. Waar het nu op aankomt
is dat de implementatie van deze maatregelen zo spoedig
mogelijk wordt voltooid en dat ervaring wordt opgedaan
met het praktische, concrete gebruik van deze instrumenten.
Met name op het gebied van de praktische samenwerking
tussen Lidstaten, hoewel al zeer verbeterd, valt meer
winst te behalen.
Tegelijkertijd werkt het Voorzitterschap,
samen met de Europese Raad, de EU-Coördinator-terrorismebestrijding,
de Europese Commissie en de individuele Lidstaten aan
de ontwikkeling van een lange-termijn-strategie waarin
de staat zal worden opgemaakt van de prioriteiten en
de te nemen maatregelen na 2006. Voor de internationale
samenwerking bij bestrijding van terrorisme is de EU
voorwaardenscheppend. Het zijn uiteindelijk de Lidstaten
die het werk moeten doen. Derhalve zal Nederland zeer
actief blijven bijdragen aan de verbetering van de internationale
samenwerking.
De Algemene Rekenkamer heeft
onderzoek gedaan naar het gebruik van controles aan
de Nederlandse grenzen voor het bestrijden van terrorisme.
Na 11 september 2001 heeft de minister van Justitie,
verantwoordelijk voor terrorismebestrijding, beleid
op dit terrein ontwikkeld. Hij heeft daarbij het uitgangspunt
geformuleerd dat grenscontroles gezien kunnen worden
als één van de instrumenten om terroristische
aanslagen te voorkomen. De Algemene Rekenkamer is nagegaan
in hoeverre de controles op goederen en personen die
Nederland binnenkomen, worden ingezet om terrorisme
te bestrijden. Conclusies
Grenscontroles kunnen niet goed gebruikt worden voor
terrorismebestrijding. Dat komt onder meer doordat personencontroles
en goederencontroles gescheiden werelden zijn. Zo zijn
er verschillende plaatsen in Nederland waar wel goederen
de EU mogen worden binnengebracht, maar waar niet tevens
controleposten voor personen (doorlaatposten) gevestigd
zijn. Het is onduidelijk hoe de controle van bemanningen
en van eventuele passagiers daar is geregeld. Daar komt
bij dat diverse groepen reizigers en goederen niet gecontroleerd
worden, omdat dit volgens Europese regels, en de Nederlandse
uitwerking daarvan, niet verplicht is. Verder hebben
de organisaties die de grenscontroles uitvoeren niet
altijd zicht op personen en goederen die mogelijk een
risico vormen, omdat informatie over binnenkomende schepen
of vliegtuigen onvoldoende of niet op tijd beschikbaar
is. Daarnaast wordt niet alle beschikbare informatie
(zoals opsporingsinformatie) betrokken bij de grenscontroles
en staat de hoeveelheid uit te voeren controles onder
druk door onvoldoende capaciteit (vooral bij de Koninklijke
Marechaussee).
De
regering verzoekt de AIV om een oordeel te geven over
de bestrijding van internationaal terrorisme sinds 11
september 2001 en vooruit te blikken naar de agenda
voor de komende jaren, zoals die o.a. is geschetst door
het HLP-rapport, met bijzondere aandacht voor de vraag
hoe het internationale terrein invloed uitoefent op
het nationale terrein en vice versa.
Voorts
verzoekt de regering de AIV om advies over de vraag
hoe mensenrechten en de beginselen van de rechtsstaat
optimaal kunnen worden gewaarborgd in de strijd tegen
het terrorisme, waarbij de regering in het bijzonder
geïnteresseerd is in de vraag of naar het oordeel
van de AIV beperkingen van de mensenrechten en internationaal
humanitair recht gerechtvaardigd zijn, en zo ja in welke
mate en in welke gevallen.
De Turkse moskee Aya Sofya spreekt met
stadsdeel De Baarsjes af de neigingen tot extreem gedrag
vanaf het begin nauwgezet te volgen en tegen te gaan,
zo nodig volgt melding bij het bevoegd gezag. Het is
de eerste moskee die dit schriftelijk afspreekt met
een locale overheid. Aan het Protocol Preventie Extremisme
hebben ook de Pakistaanse Ghousia Mashid en de Marokkaanse
moskee Nour meegeschreven. De verantwoordelijkheid om
extremisme vóór te willen zijn, is nu
een serieus gespreksthema onder moskeegangers, concludeert
Ghousia Mashid.
Uit de brief van het ministerie van Justitie:
Deze nota beoogt inzichtelijk te maken op welke wijze
radicalisme en radicalisering een bedreiging vormen
voor de samenleving en de democratische rechtsorde.
Tevens biedt de onderliggende nota een kader voor het
overheidsbeleid terzake.
Uit het persbericht van het ministerie
van Justitie:
Gedurende de komende drie jaar wordt een groot aantal
concrete projecten en acties uitgevoerd die zijn gericht
op de preventie van radicalisering. Dit staat in de
nota Weerbaarheid die minister Verdonk vandaag aan de
Tweede Kamer heeft gestuurd. De nota vermeld in totaal
32 initiatieven. De projecten hebben in de eerste plaats
tot doel de weerbaarheid tegen radicalisering te vergroten.
Het programma richt zich niet alleen op radicalisme
onder moslimjongeren, maar heeft ook ten doel om de
aantrekkingskracht van rechtsradicalisme onder autochtone
jongeren terug te dringen.
Uit de brief van het ministerie van Justitie:
In de brief van 24 januari 2005 inzake terrorismebestrijding
(Kamerstukken II, 2004 - 2005, 29754, nr. 5) heb ik
u geïnformeerd over de voortgang met betrekking
tot de inrichting van het Notice and Takedown (NTD)
systeem. In deze brief heb ik aangegeven dat in 2004
in opdracht van de minister van Justitie samen met de
brancheorganisatie voor Nederlandse internetbedrijven
een onderzoek gestart naar de haalbaarheid van een systeem
van Notice and Takedown. In het onderzoeksrapport wordt
een systeem beschreven om strafbare inhoud van berichten
op het internet, zoals kinderporno, discriminatie en
inbreuken op auteursrechten, door de overheid samen
met internetbedrijven, tegen te kunnen gaan. De kern
van het onderzochte NTD systeem is een meldpunt, zoals
nu het Meldpunt Discriminatie Internet, voor illegale
informatie. In het onderzochte systeem ontvangen medewerkers
van het meldpunt meldingen van burgers over vermeende
illegale informatie op het internet en laten deze door
deskundigen onderzoeken op het strafbare karakter daarvan.
Uit het persbericht van het ministerie
van Justitie bij het presenteren van het wetsvoorstel
Verheerlijken ernstige misdrijven wordt strafbaar op
28 juli 2005.
Personen die terreur verheerlijken of goedpraten
kunnen daarvoor in de nabije toekomst een jaar celstraf
krijgen. Dat staat in een ontwerpwetsvoorstel van minister
Donner. Eind januari 2005 presenteerden Minister
Remkes en Donner al het idee om een dergelijk wetsvoorstel
te ontwikkelen in een brief aan de Tweede Kamer over
het veiligheidsbeleid. Bij de presentatie van de brief
ontstond er al veel ophef over de beperking van de vrijheid
van meningsuiting. Waarom wad e wet noodzakelijk werd
betoogd, terwijl tegelijkertijd er met veel ophef gesproken
werd over jongeren die de daad van Mohammed B. goed
praten. In de Kamer ontstond commotie na de brief van
de Ministers omdat de kleinste regeringsfractie de D66
bij monde van Boris Dittrich liet weten niets in de
maatregel te zien in verband met de beperking van de
vrijheid van meningsuiting. De andere regeringspartijen
en de PvdA schaarden zich achter Donner en vonden het
idee in de lijn van de reeds bestaande antiterrorisme
maatregelen. Met het nieuwe wetsvoorstel is de geest
met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting weer
uit de fles. De Winter, Ellian en Ephimenco voelen al
de hete adem van de Minister in de nek door de volgende
passage uit de Memorie van toelichting: Het gaat
niet om strafbaarstelling van de verheerlijking etc.
van ernstige misdrijven zonder meer. Aan de strafbaarstelling
is de nadere voorwaarde verbonden dat de dader weet
of redelijkerwijs moet vermoeden dat zijn uitlating
de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren.
Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de strafwaardigheid
van deze uitlatingen is gelegen in de onrust die zij
in de samenleving kunnen teweegbrengen of aanwakkeren.
De uitlating moet naar haar inhoud het vermogen hebben
de openbare orde ernstig te verstoren. De vraag
in hoeverre het wetsvoorstel ooit zijn nut zal bewijzen
aan de overheid is eigenlijk onbelangrijk, omdat het
wetsvoorstel waarschijnlijk achterhaald zal zijn als
het wordt aangenomen, wat naar alle waarschijnlijkheid
plaats zal vinden. Toch biedt het wetsvoorstel wel interessante
opties. Waarom niet de dag nadat het voorstel is aangenomen
Minister van Financiën Zalm aanklagen voor verheerlijking
van de buitenrechtelijke executie van een verdachte
door de Pakistaanse overheidsdiensten onder leiding
van generaal Musharraf.
De RvR plaatst net als eerder de NVVR
een aantal kanttekeningen bij het wetsvoorstel van
de regering. Ook de RvR vindt de criteria vaag en
spreekt over 'open normen'. De RvR verwacht dat de
bestuursrechter in problemen gaat komen door de nu
ook veelvuldige weigering van de AIVD-medewerkers
om te verschijnen als getuigen.
1 juli 2005
Actieprogramma ter preventie radicalisering
Justitie.nl
De ministerraad heeft ingestemd met de
nota Weerbaarheid en Integratiebeleid van minister Verdonk
voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Gedurende de
komende drie jaar wordt een groot aantal concrete projecten
en acties uitgevoerd die zijn gericht op de preventie
van radicalisering. De nota vermeld in totaal 32 initiatieven.
De projecten hebben in de eerste plaats tot doel de
weerbaarheid tegen radicalisering te vergroten.
Bij de versterking van de weerbaarheid tegen radicalisering
gaat het om het signaleren en voorkómen van (verdere)
radicalisering en om een adequate actie om na incidenten
sociale verhoudingen te herstellen en verbeteren. De
activiteiten binnen de programma's richten zich primair
op jongeren omdat zij in speciale mate vatbaar zijn
voor radicaliseringsinvloeden. Bij het bereiken van
deze jongeren spelen ouders, geestelijk leiders, jongerenwerkers
en docenten een belangrijke rol. Daarom zijn verschillende
onderdelen van het actieprogramma ook gericht op het
verstrekken van kennis en ondersteuning aan deze groepen.
De projecten worden onder meer uitgevoerd in samenwerking
met de partners van het Landelijk Overleg Minderheden
(LOM) en met de moslimkoepelorganisaties, het Contactorgaan
Moslims en Overheid (CMO) en de Contactgroep Islam (CGI).
Voorbeelden van concrete acties in het programma zijn:
* Er komt een stimuleringsfonds voor burgerinitiatieven.
Allochtone én autochtone organisaties, en vooral
jongerenorganisaties, worden uitgenodigd om activiteiten
ter versterking van de weerbaarheid te ontwikkelen.
* Bevorderen van het afsluiten van convenanten tussen
gemeentebesturen en moskeeën. Deze afspraken verstevigen
de goede wil tussen burgers en vormen een houvast waarop
in tijden van crisis kan worden teruggegrepen.
* In samenwerking met de horeca gaat discriminatie in
het uitgaansleven worden aangepakt. Opgedane ervaringen
worden geïntegreerd in de nieuwe cursushandboeken
van het 'basisbeveiligingsdiploma portiers'.
* Er zullen voorlichtingsbijeenkomsten en jongerenconferenties
worden georganiseerd. Met o.a. de inzet van bekende
Nederlanders van allochtone afkomst worden jongeren
geïnformeerd over de gevaren van religieus extremisme
en de mogelijkheden om op een alternatieve wijze de
toekomst vorm te geven.
* Een publicatie over de politieke islam wordt uitgebracht.
Doel is inzicht te verschaffen in de aard van de verschillende
stromingen. Ook komt er een (internationale) conferentie
Politieke Islam in Nederland.
* Antidiscriminatiebeleid wordt ontwikkeld gericht op
het creëren van meer stage- en werkervaringsplaatsen.
* Vooroordelen en negatieve beeldvorming worden aangepakt,
door bijvoorbeeld de preken uit moskeeën wekelijks
uit te zenden. De LOM-samenwerkingsverbanden gaan voorts
een jaarlijks terugkerend debat organiseren met verschillende
vooraanstaande journalisten, politici, mediaorganisaties,
opinieleiders en sleutelfiguren van diverse afkomst.
In deze bijeenkomst worden de negatieve beeldvorming
en stereotypering aan de orde gesteld. Doel is om een
evenwichtiger en genuanceerder openbaar debat tot stand
te brengen.
* Positieve rolmodellen worden ingezet. Via persoonlijke
coaching kunnen hoogopgeleide allochtone jongeren een
brugfunctie vervullen door jongeren die op zoek zijn
naar een baan te introduceren in hun eigen netwerk om
hen zodoende te helpen bij het vinden van een werk-
of stageplek.
* Het CMO zal gezaghebbende Nederlandse islamitisch
geestelijk leiders weerwoord laten bieden aan radicale
interpretaties van de maatschappelijke vraagstukken
in de chatrooms en op de websites van het internet.
Dit zou overigens een eerste stap kunnen zijn naar de
vorming van een commissie, die gezaghebbende uitspraken
kan doen over de uitleg van de islam in de context van
de Nederlandse samenleving.
* Er komt een leergang 'Islam en Moderniteit'. Met de
moslimorganisaties wordt overlegd of deze leergang een
basis kan bieden voor een nog te starten imamopleiding
* Tot nu toe is er in Nederland of uit het buitenland
weinig wetenschappelijk empirisch onderzoek voorhanden
dat uitsluitsel kan geven over de precieze processen
van radicalisering. Om deze reden laat minister Verdonk
voor Vreemdelingenzaken en Integratie onderzoek uitvoeren
naar de kenmerken en motieven van moslimjongeren die
hetzij kiezen voor het vormgeven van een liberale, democratische
vormen van islambeleving, hetzij voor extreem radicale
richtingen. De uitkomsten hiervan worden eind 2005 verwacht.
Vanuit verschillende invalshoeken beogen de acties dus
bij te dragen aan vergroting van het democratisch besef,
de burgerschapsvaardigheden en het eigen verantwoordelijkheidsgevoel
van vooral jongeren die te maken hebben met kwaadaardige
radicaliseringsinvloeden. Daarnaast is het doel om bestuurders,
professionals, sleutelfiguren, ouders en jongeren te
ondersteunen bij het tijdig signaleren en adequaat omgaan
met radicaliseringsprocessen. Tot slot gaat het erom
het sociale weefsel rondom de jongeren te versterken,
zodat er minder gaten vallen waar radicale krachten
op in kunnen springen. Dit alles draagt eraan bij dat
de Nederlandse samenleving weerbaarder wordt tegen de
aantrekkingskracht van kwaadaardige radicale invloeden.
De NVVR plaatst een aantal kanttekeningen
bij het wetsvoorstel van de regering. Zo vindt de NVVR
de omschrijving de omschrijving van de begrippen 'nationale
veilighied' en 'op grond van feiten en omstandigheden'
te vaag. ook spreekt de NVVR haar zorg uit over de gebrekkige
mogelijkhied van toetsing van AIVD informatie, die vaak
aan deze maatregel ten grondslag zal liggen.
24 juni 2005
Maatregelen tegen vermeende terroristen
regering.nl
Het kabinet neemt maatregelen tegen
vermoedelijke terroristen die strafrechtelijk nog niet
kunnen worden aangepakt. Zij kunnen een gebiedsverbod,
een persoonsverbod of een meldingsplicht opgelegd krijgen.
De preventieve maatregelen gelden ook voor personen
die ondersteuning bieden aan vermeende terroristen.
Dit staat in een wetsvoorstel van minister Remkes (BZK)
en Donner (Justitie) waarmee de ministerraad heeft ingestemd.
De minister van BZK neemt de beslissing voor de maatregelen,
in overeenstemming met de minister van Justitie.
Gemeenten en andere bestuursorganen mogen subsidies
of vergunningen van personen en organisaties intrekken
als deze in verband worden gebracht met terroristische
activiteiten of ondersteuning daarvan. Maatregelen
Het gebiedsverbod kan van toepassing zijn op een bepaald
object (Schiphol) of een gebied (Rotterdam-Rijnmond).
Een persoonsverbod betekent dat iemand zich niet in
de buurt mag begeven van een bepaald persoon. Een meldingsplicht
houdt periodieke melding bij de politie in. De maatregelen
kunnen zowel los als in combinatie met elkaar worden
opgelegd.
De maatregelen gelden voor een periode van maximaal
drie maanden. Deze periode kan steeds met drie maanden
worden verlengd. De maatregelen mogen niet langer dan
twee jaar duren. Bezwaar
Iemand die het niet eens is met de maatregelen, kan
bezwaar aantekenen bij het ministerie van BZK. Daarna
is beroep mogelijk bij de gerechtelijke instanties.
De maatregelen zullen doorgaans worden genomen op basis
van AIVD-informatie. Als iemand in beroep gaat, mag
hij of zij de AIVD-informatie niet persoonlijk inzien.
In bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de rechter
inzage krijgt. Doorzettingsmacht
Het kabinet wil dat de minister van Justitie in geval
van acute dreiging de wettelijke bevoegdheid krijgt
om - per direct - noodzakelijke maatregelen te nemen
op terreinen van andere ministers. Deze zogeheten doorzettingsmacht
gaat over bijvoorbeeld ontruimingen, blokkades van wegen
of het stilleggen van trein- of vliegverkeer. Dat staat
in een wetsvoorstel van minister Donner en mininster
Remkes. Non-profitorganisaties
Het kabinet wil stichtingen verplichten een overzicht
van baten en lasten en een balans te publiceren bij
de Kamer van Koophandel. Daarmee moet het misbruik van
non-profitorganisaties voor de financiering van terrorisme
worden aangepakt. Daarnaast wil het kabinet een betere
informatie-uitwisseling met betrekking tot stichtingen.
Het kabinet wil ook de registratie van stichtingen bij
de Kamers van Koophandel verbeteren. Gegevens zijn op
dit moment vaak incompleet of verouderd. Hiervoor loopt
nog een onderzoek.
De maatregelen staan in een nota van minister Zalm over
bestrijding van misbruik van non-profitorganisaties
in het kader van de bestrijding van terrorismefinanciering.
De nota is een verdere uitwerking van eerder voorgestelde
maatregelen.
Oefening Bonfire, georganiseerd door
het ministerie van Binnenlandse Zaken en de gemeente
Amsterdam, was een voor Nederland unieke oefening in
omvang en realisme. Circa 2000 deelnemers van ruim 50
verschillende organisaties speelden hun rol binnen de
crisisbeheersing en/of terrorismebestrijding. Het COT
Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement is gevraagd
de oefening met betrekking tot de hoofddoelstelling
waar te nemen en op basis daarvan de voorliggende observatierapportage
te schrijven.
Er is door de deelnemers een goede prestatie neergezet.
De beheersing van de verschillende crisiselementen op
de verschillende besluitvormende niveaus op hoofdlijnen
vond gecoördineerd plaats op basis van de op dat
moment beschikbare informatie. Wel zijn er lessen te
trekken uit de oefening. Zo komen er op rijksniveau
verbeteringen in het functioneren van de crisisstaf
en in de voorlichting. In Amsterdam zullen de verbindingsmiddelen
en het gebruik daarvan verbeterd worden.
20 juni 2005
Wetsvoorstel uitbreiding bevoegdheden politie in terrorismezaken
naar Tweede Kamer Ministerie van Justitie
Bijzondere opsporingsbevoegdheden als
observatie, infiltratie, pseudo-koop en de telefoontap
zijn straks inzetbaar bij aanwijzingen dat een terroristische
aanslag wordt voorbereid. Ook komen er meer mogelijkheden
om informatie in te winnen, personen in bewaring te
nemen en preventief te fouilleren. Dit staat in een
wetsvoorstel van minister Donner dat vandaag bij de
Tweede Kamer is ingediend.
De grote dreiging van terrorisme rechtvaardigt snel
en preventief overheidsoptreden. De gebeurtenissen in
Amsterdam en Den Haag hebben duidelijk gemaakt dat ruimere
bevoegdheden om terreur te voorkomen wenselijk zijn.
Voor inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden bij
terrorisme is niet langer een redelijk vermoeden van
een strafbaar feit nodig; aanwijzingen zijn voldoende.
Daarvan is sprake als feiten en omstandigheden duiden
op de voorbereiding van een terroristische aanslag.
Ook dreigingsanalyses van de AIVD kunnen aanwijzingen
opleveren. Het groene licht voor gebruik van een bijzondere
opsporingsbevoegdheid komt van de officier van justitie.
Bij de telefoontap is een machtiging van de rechter-commissaris
nodig.
Daarnaast mag de officier van justitie volgens het wetsvoorstel
in bepaalde gebieden personen preventief laten fouilleren,
en voertuigen en voorwerpen laten onderzoeken. Zo kan
het nodig zijn alle voertuigen rond een voetbalstadion
of evenemententerrein grondig te bekijken bij berichten
dat explosieven zijn aangevoerd voor een aanslag. Zon
omgeving is doorgaans niet voor lange tijd doelwit van
terrorisme. Bij zogeheten veiligheidsrisicogebieden
zoals luchthavens, industriecomplexen, stations en overheidsgebouwen
kan dat anders zijn. Het kabinet wil dat de politie
in die veiligheidsrisicogebieden zonder voorafgaande
toestemming van de officier van justitie personen preventief
kan fouilleren, en voertuigen en voorwerpen kan onderzoeken
om een terreurdaad te voorkomen
Verder komen er meer bevoegdheden om in een verkennend
onderzoek informatie te verzamelen over groepen van
personen waarbinnen mogelijk een aanslag wordt beraamd.
De officier van justitie kan namen, adressen, woonplaatsen,
klantnummers en bankrekeningnummers opvragen. Daarmee
kan hij verbanden tussen groepen personen en situaties
beter in kaart brengen.
Ook mogen bestanden van private en publieke instellingen
en organisaties met elkaar vergeleken worden om verborgen
patronen in handelingen of gebeurtenissen van personen
boven tafel te krijgen. De officier van justitie mag
deze bestanden alleen opvragen met toestemming van de
rechter-commissaris.
Verdachten kunnen bij een terreurdreiging eerder in
bewaring worden genomen dan nu het geval is. Niet langer
zijn bij een verdenking van een terroristisch misdrijf
ernstige bezwaren vereist; een redelijk vermoeden van
schuld is voldoende. Dit is nodig omdat aan het begin
van een onderzoek naar de voorbereiding van een terroristisch
misdrijf er soms slechts een lichte verdenking is, terwijl
de overheid ingrijpen niet kan uitstellen vanwege mogelijk
grote aantallen slachtoffers. De officier van justitie
krijgt zo meer tijd om de verdenking steviger te onderbouwen.
Bewaring is de eerste fase van de voorlopige hechtenis,
en duurt maximaal veertien dagen.
Tenslotte wil het kabinet het mogelijk maken dat volledige
inzage van processtukken van een terroristisch misdrijf
wordt uitgesteld, als voortijdige openbaarmaking de
voorbereiding van de zaak tegen een verdachte bemoeilijkt,
of schadelijk is voor de voorbereiding van strafzaken
tegen eventuele medeverdachten. De dagvaarding van een
verdachte bij een terroristisch misdrijf kan dan maximaal
twee jaar worden uitgesteld. Dat betekent niet dat documenten
die essentieel zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid
van verdere verlenging van het voorarrest buiten het
procesdossier kunnen worden gehouden. Overigens is ook
nu voorarrest van twee jaar in beginsel mogelijk voordat
het tot een inhoudelijke berechting komt.
16 juni 2005
Alerteringssysteem terrorismebestrijding operationeel
Minbzk
Sinds vandaag is het alerteringssysteem
terrorismebestrijding operationeel. Als er een dreiging
voor een terroristische aanslag wordt geconstateerd,
kunnen zowel overheidsdiensten als bedrijfssectoren
snel maatregelen treffen. Het systeem werkt betrekkelijk
eenvoudig: coderingen maken duidelijk welke mate van
alertheid geboden is en welke maatregelen daarbij nodig
zijn. Momenteel zijn vier sectoren aangesloten: Rotterdam
Rijnmond, Schiphol, het spoor en de waterleiding bedrijven.
Binnenkort zal ook de energiesector toetreden.
Het alerteringssysteem is een opschalingsmodel en kent
een aantal niveaus: hoe groter de dreiging, hoe verder
er wordt opgeschaald. De beveiligingsmaatregelen die
op dit moment tot de dagelijkse praktijk behoren, gaan
uit van een normale situatie, waarin geen sprake is
van een bijzondere dreiging. Dat is het basisniveau.
Daarnaast worden drie fases onderscheiden: lichte dreiging,
matige dreiging en hoge dreiging. De keuze van maatregelen
is gekoppeld aan actuele dreigingsinformatie van de
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. Bij
een eventuele dreiging worden de sector en het lokaal
bevoegde gezag gelijktijdig geïnformeerd.
Voor de vier sectoren is het alerteringsniveau afgekondigd.
Voor Rotterdam-Rijnmond, het spoor en de waterleiding
bedrijven is dat het basisniveau. Voor Schiphol geldt
het niveau: lichte dreiging. Vanwege de concrete aanwijzingen
van afgelopen zomer over belangstelling van islamistisch
terroristen voor Schiphol, verkeerde de luchthaven reeds
in een fase die vergelijkbaar is dit niveau. Sinds de
aanslagen van 11 september 2001, zijn de maatregelen
op alle luchthaven intensiever geworden. Dit is gebeurd
op basis van Europese regelgeving. Dat betekent dat
de beveiligingsmaatregelen op Schiphol standaard strenger
zijn dan de maatregelen behorend bij het basisniveau
van het Alerteringssysteem. Er verandert op de luchthaven
feitelijk niets.
10 juni 2005
Ministerraad: Dreiging in Nederland nog steeds substantieel
De ministerraad heeft ingestemd met
de Tweede voortgangsrapportage terrorismebestrijding
van minister Donner van Justitie en minister Remkes
van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. In de
rapportage staat dat de terrorismedreiging op onderdelen
is veranderd maar nog steeds 'substantieel' is. Hoewel
er de afgelopen maanden geen sprake is geweest van een
terroristisch incident tegen Nederland moet hiermee
nog steeds rekening worden gehouden. De aanpak van radicale
en terroristische uitingen via internet en buitenlandse
zenders wordt versterkt. De surveillancewerkzaamheden
op internet worden geïntensiveerd en er komt een
meldpunt. Naar de wijze waarop haatzaaiende zenders
effectief kunnen worden geweerd, is een onderzoek gestart.
9 juni 2005 Bilaterale strafrechtelijke samenwerking VS en
NL
Bij mijn brieven van 25 maart 2003 (Just-03279)
en 17 juni 2003 (Kamerstukken II, 2002/03, 23 490 VI,
nr.284) heb ik Uw Kamer geïnformeerd over de bilaterale
afspraken die met de Verenigde Staten zijn gemaakt in
het kader van de strafrechtelijke samenwerking. Deze
afspraken liggen op het terrein van drugsbestrijding,
operationele samenwerking, internationale rechtshulp,
uitlevering en terrorismebestrijding. Deze intensievere
samenwerking heeft tot doel de gemeenschappelijke doelstellingen
en belangen, te weten een effectievere bestrijding van
drugshandel, een betere samenwerking op het terrein
van terrorismebestrijding en een soepeler politiële
en justitiële samenwerking ten goede te komen.
Met deze brief wil ik u nader informeren over de uitvoering
van de gemaakte afspraken en de terreinen waaraan in
de toekomst bijzondere aandacht zal worden besteed in
de bilaterale samenwerking.
Met het vervaardigen van een algeheel overzicht van
de bilaterale afspraken en een daaraan gekoppelde overlegstructuur
is een kader opgezet waarbinnen deze afspraken nader
worden uitgewerkt en waarbinnen eventueel opkomende
(knel)punten op het terrein van de strafrechtelijke
samenwerking tussen Nederland en de VS aan de orde gesteld
kunnen worden. De voortgang in de uitwerking en implementatie
van de gemaakte afspraken wordt jaarlijks besproken.
De laatste bespreking vond plaats op 19 april jl. in
Washington.
Beide landen hebben aangegeven tevreden te zijn over
de bilaterale samenwerking en over de uitvoering van
de gemaakte afspraken. De onderlinge verhoudingen zijn
uitstekend te noemen en is er een constructieve dialoog
tussen beide landen ontstaan. Ook in mijn regelmatige
contacten met mijn ambtgenoten in de VS en hun naaste
medewerkers wordt deze goede en effectieve samenwerking
voortdurend benadrukt. Op het terrein van het drugsbeleid
merkte dhr. Walters (directeur van het US White House
Office of National Drug Control Policy) nog onlangs
op dat de verschillen tussen Nederland en de VS kleiner
zijn geworden en ik constateer een wens van de VS om
met Nederland samen te werken op het terrein van vraagvermindering.
Bij de jaarlijkse bespreking op 19 april jl. is opnieuw
geconstateerd dat de opgebouwde strafrechtelijke samenwerking
tot daadwerkelijke positieve resultaten heeft geleid.
Er zijn verschillende reguliere overlegstructuren opgezet
waarbij experts elkaar informeren, de laatste ontwikkelingen
uitwisselen en hun activiteiten op elkaar afstemmen.
Voorbeelden hiervan liggen op het terrein van terrorismebestrijding
zoals beveiliging luchtvaart, havens en de vitale infrastructuur
en de bestrijding van drugshandel in het Caribisch gebied.
De betrokken operationele diensten, zoals de FBI, DEA,
Customs het KLPD en de douane weten elkaar goed te vinden
waardoor de uitwisseling van informatie in concrete
zaken snel kan plaatsvinden. Dit geldt ook voor vertegenwoordigers
van het Openbaar Ministerie van beide landen. Op het
terrein van de wederzijdse rechtshulp en uitlevering
zijn goede werkafspraken gemaakt ter verbetering van
de bilaterale samenwerking. Deze afspraken zijn vooral
gericht op het verbeteren van de communicatie tussen
beide landen door elkaar adequaat te informeren over
lopende verzoeken. Daarnaast is door het organiseren
van seminars en conferenties de kennis van en het begrip
voor elkaars rechtssystemen en juridische procedures
vergroot. De uitwisseling van politiële en justitiële
informatie is één van de speerpunten van
de samenwerking. De verstrekking van dergelijke informatie
is op een meer structurele wijze vorm gegeven. Een voorbeeld
hiervan is de toegang van Nederlandse politiediensten
tot het informatie systeem van het zogenaamde El Paso
Intelligence Center (EPIC) van de Verenigde Staten.
Het KLPD en de DEA hebben hierover in oktober 2004 een
Memorandum of Understanding afgesloten. Een ander voorbeeld
betreft het verstrekken van de resultaten van de 100%
Schiphol controles aan de DEA door Nederlandse autoriteiten.
Ook vanuit statistisch perspectief kunnen positieve
resultaten worden geconstateerd door de intensivering
van strafrechtelijke samenwerking. Er is een significante
daling opgetreden van het aantal in beslag genomen XTC
pillen in de Verenigde Staten met een directe relatie
naar Nederland. Uit gegevens ontvangen van de VS autoriteiten,
werden in 2000 nog 6,1 miljoen XTC pillen in beslag
genomen, in 2002 waren dat 2,5 miljoen pillen, in 2003
zakte dit verder naar 0,9 miljoen pillen en in 2004
naar 0,2 miljoen pillen.
Er zijn gezamenlijke onderzoeken gedaan in XTC zaken
(voortkomend uit afspraken van het KLPD met DEA Miami
en New York) die zowel in de VS als in Nederland hebben
geleid tot aanhoudingen en onderscheppingen van partijen
XTC en ontmanteling van smokkelorganisaties.
In de jaarlijkse bespreking op hoog ambtelijk niveau
van 19 april jl. zijn alle eerder gemaakte afspraken
langsgelopen en is geconcludeerd dat voldoende uitvoering
is gegeven aan al deze afspraken. Daarnaast is vastgesteld
dat beide landen de opgebouwde intensieve samenwerking
voort willen zetten. Op enkele specifieke onderdelen
van de bestrijding van drugs, terrorisme en georganiseerde
criminaliteit zijn nieuwe afspraken gemaakt die u aantreft
in de bijlage bij deze brief. Onder meer is afgesproken
dat over de uitwisseling van politiële informatie
een evaluatie zal plaatsvinden. Deze evaluatie zal ingaan
op de resultaten van de uitwisseling van gegevens tussen
beide landen. Hierin zullen aspecten van data-bescherming
en de gevolgde procedures worden meegenomen.
Nieuw element in de samenwerking vormt de aanpak van
valse documenten. Beide landen constateerden dat dit
voor een effectieve bestrijding van terrorisme en georganiseerde
criminaliteit een centraal thema is (zie ook de terrorismebrief
aan de Kamer van 24 januari 2005, vergaderjaar 2004-2005,
29 754, nr. 5). Zo gaan experts van beide landen de
gevolgde methoden, analyses en statistieken in de aanpak
van deze vorm van criminaliteit met elkaar uitwisselen
en zullen best practices worden besproken.
Daarnaast is op het terrein van terrorismebestrijding
afgesproken elkaar te informeren over actuele ontwikkelingen
op het terrein van wet- en regelgeving en jurisprudentie.
Zowel in Nederland als in de VS zijn de laatste jaren
vele nieuwe maatregelen genomen om efficiënt en
effectief op te kunnen treden tegen terrorisme.
Een ander, nieuw element, vormt de bestrijding van mensenhandel.
Nadere afspraken zijn gemaakt over het uitwisselen van
politiële/justitiële informatie, onder andere
met betrekking tot opsporings- en onderzoeksmethoden
en -analyses, bescherming van slachtoffers en trends
en statistieken. Hiermee wordt een structurele dialoog
tussen experts uit Nederland en de VS opgezet.
Genoemd kan nog worden dat in deze bespreking door Nederland
is aangegeven het te betreuren dat de VS het facultatieve
Protocol bij het Weense Verdrag inzake Consulaire Betrekkingen
(1963) heeft opgezegd. Door de VS is aangegeven dat
dit geen gevolgen zal hebben voor de consulaire bijstand
aan Nederlandse gedetineerden in de VS.
Sybrand van Hulst: ‘Er moet verschil
blijven tussen politie- en inlichtingenwerk’
Door de verruiming van de bevoegdheden van de politie
in het kader van de strijd tegen het terrorisme komt
de politie deels op het terrein van de AIVD. Er moet
echter wel verschil blijven tussen het opsporen van
strafbare feiten door de politie en het inlichtingenwerk
van de AIVD. De waarschuwing om de grenzen tussen beide
taakopdrachten goed in de gaten te houden, komt van
Sybrand van Hulst, hoofd van de Algemene Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst (AIVD). Als de politie te veel
het profiel van een inlichtingendienst zou krijgen,
zou dat volgens Van Hulst ten koste gaan van de rechtstaat
en de rechtszekerheid van burgers. Hij schetst deze
risico’s in de door hem donderdag in het Delftse
Prinsenhof uitgesproken Willem van Oranjelezing, die
jaarlijks wordt gehouden om het gedachtegoed van de
Vader des Vaderlands levend te houden. Thema van deze
dubbellezing over historie en actualiteit was dit jaar
de relatie tussen veiligheid en politiek geweld, onder
verwijzing naar de politieke moordaanslag op Willem
van Oranje, die ruim vierhonderd jaar geleden het leven
kostte aan de grondlegger van de Nederlandse staat.
Volgens Van Hulst is in deze tijd een integere, vakbekwame,
creatieve en soms ook dwarse inlichtingendienst onmisbaar
om de gevaren van terrorisme het hoofd te bieden. Voorwaarde
daarbij is volgens hem ook dat een dergelijke dienst
democratisch is ingebed en politieke dekking van de
minister van Binnenlandse Zaken heeft. In dat verband
noemt hij het door minister Remkes bij herhaling uitgesproken
vertrouwen in de AIVD essentieel, zeker bij het zwijgen
van anderen en als antwoord op vroegtijdige en ongefundeerde
kritiek.
In zijn lezing wijst Van Hulst ook op het spanningsveld
waarin de AIVD verkeert, wanneer het bij terrorismebestrijding
aankomt op het delen van informatie met politie en justitie.
Het kiezen van het juiste moment van overgang van de
inlichtingenfase naar de opsporingsfase stelt de dienst
voor ‘een duivels dilemma’, dat nooit bevredigend
op te lossen is en achteraf altijd vatbaar blijft voor
kritiek. Recentelijk heeft de dienst diverse keren informatie
moeten verstrekken aan Justitie ter legitimatie van
politieoptreden of ten behoeve van de vervolging van
terrorismeverdachten, zonder dat dit uiteindelijk leidde
tot veroordelingen. Deze gang van zaken kent ook nog
andere, minder bekende, aspecten. Zo meldt Van Hulst
dat door deze informatieverstrekking menselijke bronnen
van de AIVD in veiligheid moesten worden gebracht, operationele
werkwijzen bekend raakten en de informatiepositie van
de dienst schade leed.
3 juni 2005 Speciale
eenheden ondergebracht in een overkoepelende dienst
De Ministerraad heeft op voorstel van minister Donner
van Justitie, minister Remkes van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties en minister Kamp van Defensie
besloten dat er een nieuwe overkoepelende dienst komt
voor de daadwerkelijke inzet van speciale eenheden van
politie en defensie bij terreurgerelateerde situaties,
of situaties van grof geweld en in bijzondere gevallen.
De Dienst Speciale Interventies (DSI) is de nieuwe organisatie
waarin alle verschillende eenheden samenwerken. Dat
is de kern van het kabinetsstandpunt over de herziening
van het stelsel van speciale eenheden.
Deze quick scan is het tweede deel van
het onderzoek naar interculturele verhoudingen in het
Amsterdamse onderwijs. Het eerste deel van het onderzoek
is in april 2005 afgerond en heeft de situatie in het
basisonderwijs als onderwerp. In dit tweede deel zijn
de interculturele verhoudingen op het voortgezet- en
middelbaar beroepsonderwijs aan de orde.
Probleemstelling
Wat zijn de interculturele verhoudingen tussen leerlingen
en tussen leerlingen en leerkrachten en wat is de invloed
van nationale en internationale ontwikkelingen hierop?
Beschrijving
De basis voor dit rapport vormen interviews met 46 medewerkers
van Amsterdamse scholen voor voortgezet- en middelbaar
beroepsonderwijs. Met hen is gesproken over de interculturele
verhoudingen tussen leerlingen en over de invloed van
(inter)nationale ontwikkelingen op de verhoudingen tussen
leerlingen en tussen leerlingen en leerkrachten. Ook
is hen gevraagd naar de behoefte van scholen aan externe
ondersteuning op het terrein van interculturele verhoudingen.
Conclusies
• Op 21 van 25 bezochte scholen is sprake van
redelijk tot goede interculturele verhoudingen tussen
leerlingen.
• Op deze scholen zijn de interculturele verhoudingen
de laatste jaren niet gewijzigd of in het geval van
vier scholen zelfs verbeterd.
• Op vier scholen is het beeld minder positief.
• Op drie scholen is met enige regelmaat sprake
van kortstondige spanningen tussen etnische groepen.
• Op één school zijn de interculturele
verhoudingen tussen leerlingen structureel slecht.
• De constatering dat interculturele verhoudingen
tussen leerlingen op de meeste scholen ongewijzigd zijn,
betekent niet dat de (inter)nationale spanningen geen
weerslag hebben op het onderwijsklimaat.
• De aanslagen in New York en de inval in Irak
hebben volgens de onderzoekers nauwelijks invloed gehad
op de omgang tussen leerlingen, maar deze gebeurtenissen
hebben wel een grote impact gehad op de verhouding tussen
Marokkaanse en Turkse moslimleerlingen en leerkrachten
én meer in het algemeen op de band van deze leerlingen
met de samenleving.
Tijdens de eerste termijn van de mondelinge
behandeling van het wetsvoorstel afgeschermde getuigen
op 21 en 27 april jl. is het wetsvoorstel grondig onder
de loep genomen. Mij is daarbij gebleken dat de relatie
tussen dit wetsvoorstel en het wettelijk bewijsstelsel
nog niet geheel helder was. Nu de tweede termijn van
de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel eerst
na het voorjaarsreces kan plaatsvinden, neem ik graag
de gelegenheid te baat bij deze brief in enige verduidelijking
te voorzien. Daarbij besteed ik eveneens aandacht aan
de ingediende amendementen die op het bewijsrecht betrekking
hebben.
Het college van B&W heeft ingestemd
met de eerste voortgangsrapportage van het actieprogramma
Wij Amsterdammers. Het college concludeert
dat de twee hoofddoelstellingen van Wij Amsterdammers,
namelijk terreur bestrijden en radicalisering tegengaan,
en voorkomen van polarisatie door de weerbaarheid van
Amsterdammers te versterken en positieve krachten te
stimuleren, onverkort relevant blijven.
In de combinatie van deze twee hoofddoelstellingen zit
de kracht van het actieplan. De eerste voortgangsrapportage
geeft een overzicht van wat er in het afgelopen half
jaar is gerealiseerd en aan welke acties op dit moment
wordt gewerkt.
Direct na de moord op Theo van Gogh heeft het college
opdracht gegeven om een Actieprogramma Wij Amsterdammers
op te stellen, dat in januari door de gemeenteraad is
vastgesteld. Sindsdien zijn er verschillende (expert)meetings
over het actieprogramma gehouden. Daarin is gebleken
dat de opgestelde analyse op hoofdlijnen wordt gedeeld
en dat het ingezette beleid op brede steun kan rekenen.
De urgentie van het actieprogramma is onverminderd hoog
en de uitvoering blijft de hoogste prioriteit houden.
Het college waarschuwt wel voor onrealistische verwachtingen
over de te behalen resultaten. De integratieproblematiek
en de actuele radicaliseringsvraagstukken hebben een
lange voorgeschiedenis met internationale dimensies
en samenhangen. De indruk mag niet ontstaan dat die
vraagstukken met extra inspanningen vanuit de lokale
overheid op korte termijn kunnen worden opgelost.
Om de uitvoering van het steeds verder uitgroeiende
programma op koers te houden heeft het college besloten
om prioriteiten te stellen in de volgorde van uitvoering.
Speerpunten zijn:
* Versterking van de informatiepositie en coördinatie
van de acties die voortvloeien uit onder meer de projecten
Informatiehuishouding en Bestuurlijk draaiboek Vrede.
* Heroriëntatie van de lopende integratieprogrammas,
met als hoofdthema de keten onderwijs-werk.
* Uitwerken van de wetenschappelijke analyses en aanbevelingen
van deskundigen op het gebied van het voorkomen van
polarisatie en het mobiliseren van positieve krachten.
* Het verder uitwerken van de acties onder de noemer
Intolerant tegen intolerantie.
* Het versterken van de samenwerking met de belangrijkste
lokale mede-actoren via rondes langs de stadsdelen,
het onderwijs en andere maatschappelijke organisaties.
Daarnaast heeft het college een aantal maatregelen genomen
om de projectcoördinatie te versterken en de uitvoering
te versnellen.
De Nederlandse politiekorpsen zijn goed
op weg hun onderlinge communicatie en informatie-uitwisseling
bij landelijke incidenten en calamiteiten te verbeteren.
Er ligt een eenvoudige en heldere structuur: één
nationaal informatieknooppunt (NIK) bij de dienst Nationale
Recherche Informatie (NRI) van het KLPD, 25 regionale
informatieknooppunten (RIKs) bij de regiokorpsen,
en binnen alle korpsen districtelijke informatieknooppunten
(DIKs). De 24-uursparaatheid garandeert dat de
informatieorganisatie in het hele land zonodig binnen
één uur actief is en binnen 12 uur op
topcapaciteit werkt.
Het systeem werkt echter nog niet optimaal. De korpsbeheerders
(burgemeesters van de centrumgemeenten in de politieregios)
zullen nu de regie moeten voeren op deze en aanverwante
ontwikkelingen, om te zorgen voor het daadwerkelijk
adequaat uitwisselen van informatie binnen en tussen
de korpsen. Niet alleen bij calamiteiten, maar in het
algemeen.
Dit schrijft minister Remkes (Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties) aan de Tweede Kamer, in reactie
op een rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid.
Dat rapport heeft Remkes ook naar de Tweede Kamer gestuurd.
De Inspectie vindt dat de informatie-uitwisseling en
communicatie tussen het landelijke en het regionale
niveau zo eenvoudig mogelijk georganiseerd moet zijn,
waarbij er zo min mogelijk gebruik gemaakt moet worden
van verschillende kanalen.
De Raad van Hoofdcommissarissen zal een keuze moeten
maken of de informatieknooppunten voor algemeen gebruik
zijn, of alleen gebruikt worden voor de informatie-uitwisseling
bij calamiteiten en zeer ernstige zaken (zoals oorspronkelijk
bedoeld). Dan moeten er wel criteria daarvoor komen.
Het Inspectierapport gaat niet over de technische ict-voorzieningen.
Maar de Inspectie is wel ernstig verontrust
over de vertraagde oplevering van landelijke ict-voorzieningen
voor de politie. In zijn reactie schrijft minister Remkes
dat de bouw van één basispakket van technische
ict-voorzieningen voor de hele Nederlandse politie met
voorrang resultaten moet opleveren. In dit pakket -
de Politiesuite - zitten applicaties voor
alle besturende, primaire en ondersteunende werkprocessen
bij de politie. Remkes wil verdere vertraging bij de
bouw van dit pakket voorkomen. Daarnaast wil hij bestaande
knelpunten oplossen in de uitwisseling van opsporingsinformatie
tussen de bestaande regionale systemen.
Voor het uitwisselen van informatie gebruiken de regiokorpsen,
de dienst NRI, het Nationaal Coördinatiecentrum
en de Nationaal Coördinator Bewaken en Beveiligen
meestal geen specifiek beveiligd communicatiekanaal.
Meestal gebruiken zij e-mail en telefoon. Minister Remkes
heeft de aanbeveling van de Inspectie overgenomen om
specifiek beleid te ontwikkelen over de beveiliging
en bedrijfszekerheid van de communicatiemiddelen.
Donderdag 24 maart 2005 heeft minister Remkes van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties de Tweede Kamer een brief
gestuurd over de Contraterrorisme Infobox (zie rechterzijde
scherm), alsmede het daarop betrekking hebbende convenant.
Daarmee gaat de CT Infobox, opgericht kort na de aanslagen
in Madrid van 11 maart 2004, ook officieel van start.
Wat is de CT Infobox?
De CT Infobox is een bijzonder samenwerkingsverband
dat onder de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
(AIVD) ressorteert. Aan dit samenwerkingsverband wordt
naast de AIVD deelgenomen door de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), het Korps
Landelijke Politiediensten (KLPD), de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) en het Openbaar Ministerie
(OM).
Doel
De CT Infobox heeft tot doel het leveren van een bijdrage
aan de bestrijding van terrorisme door het op een centraal
punt bij elkaar brengen en vergelijken van informatie
over netwerken en personen die op de een of andere wijze
betrokken zijn bij terrorisme, in het bijzonder islamistisch
terrorisme, en daaraan te relateren radicalisering.
Werkwijze
Via raadpleging, vergelijking en analyse van de gegevens
die door de deelnemende diensten binnen de CT Infobox
zijn ingebracht wordt een snelle, multidisciplinaire
analyse en beoordeling van de beschikbare informatie
mogelijk.
Resultaten en maatregelen
Al naar gelang de resultaten van deze multidisciplinaire
beoordeling wordt duidelijk welke maatregelen er door
de desbetreffende partners mogelijk en wenselijk zijn.
Maatregelen kunnen inlichtingenmatig, strafrechtelijk
of vreemdelingenrechtelijk van aard zijn of in de sfeer
van verstoring liggen.
Wat is de CT Infobox dus níet?
Wat de CT Infobox zeker niet is, is een centraal informatiepunt
voor terrorismebestrijding waar eenieder zich voor informatie
over terrorismebestrijding toe zou kunnen wenden.
Op 10 november 2004 heeft het kabinet
aan de Tweede Kamer een brief geschreven naar aanleiding
van de moord op Theo Van Gogh. De brief schetst een
samenhangende aanpak van de gewelddadige islamitische
radicalisering en de daarmee verbonden terroristische
dreiging waar de Nederlandse samenleving in de afgelopen
jaren mee te maken heeft gekregen (TK 29854 nr. 3).
De aanpak bestaat uit verschillende sporen. In de eerste
plaats is er het spoor van de versterking van de slagkracht
van de overheid in het opsporen en strafrechtelijk vervolgen
van terroristisch geweld. De brief van het kabinet over
de bestrijding van terrorisme van 24 januari j.l. beschrijft
de maatregelen die het kabinet hiervoor heeft genomen
(TK 29754 nr.5). Een ander spoor is erop gericht personen
en groepen die gewelddadig radicalisme verbreiden te
hinderen in hun activiteiten.
Naast deze beleidssporen ontwikkelt de minister voor
V&I als coördinerend bewindspersoon voor integratie,
in samenspraak met andere departementen, een aanpak
die erop is gericht moslimjongeren die gevoelig zijn
voor radicaliseringsinvloeden ervan te weerhouden het
pad naar radicalisering daadwerkelijk te kiezen. Daarvoor
worden actieprogrammas uitgewerkt die tot doel
hebben moslimjongeren bewust te maken van de gevaren
van radicalisering, hun weerbaarheid tegen radicaliseringsinvloeden
te vergroten en personen in hun omgeving zodanig toe
te rusten dat zij tijdig kunnen ingrijpen. Deze nota
geeft nadere informatie over de achtergronden en de
uitwerking van dit beleidsspoor.
De actieprogrammas die in deze nota worden gepresenteerd
maken deel uit van een meer algemeen beleid ten aanzien
van onderscheiden vormen van radicalisme en radicalisering.
Dit omvat niet alleen het moslimradicalisme, maar betreft
ook andere vormen van radicalisme, meer in het bijzonder
het dierenactivisme en het rechtsradicalisme. Een nota
hierover wordt voorbereid door de minister van Justitie.
De hier gepresenteerde aanpak vindt mede zijn basis
in de reactie van het kabinet op het rapport van de
Commissie Blok, de nota Grondrechten in een pluriforme
samenleving en het AIVD-rapport Van Dawa tot Jihad.
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de vaste commissie voor Justitie hebben op 8december
2004 ter voortzetting van het algemeen overleg d.d.
23 september 2004 overleg gevoerd met minister Remkes
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister
Donner van Justitie over:
de brief van de minister van BZK d.d. 9 juli
2004 met laatste projectmatige rapportage Bescherming
Vitale Infrastructuur
(26 643, nr. 56);
de brief van de minister van BZK d.d. 13 juli
2004 inzake uitwisseling van opsporings- en terrorisme-informatie;
schriftelijke beantwoording vragen uit algemeen overleg
op 5 februari 2004 over rapport Algemene Rekenkamer
(28 845, nr. 6);
de brief van de minister van BZK d.d. 14 juli
2004 inzake verhoogde terroristische dreiging (27 925,
nr. 137);
de brief van de minister van BZK d.d. 19 juli
2004 inzake vermeende brief Al-Qaida aan VN (27
925, nr. 138);
de brief van de ministers van Financiën,
van Justitie en van BZK d.d. 14 juli 2004 met nota bestrijding
van misbruik van non-profitorganisaties voor terrorismefinanciering
(27 925, nr. 136);
de brief van de ministers van Justitie en van
BZK, d.d. 10 september 2004 met stappen genomen naar
aanleiding van het ontstane dreigingsbeeld (29 754,
nr. 1);
de brief van de minister voor BVK d.d. 1 juli
2004 inzake vierde voortgangsrapportage «Intensivering
van de samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk
bij de bestrijding van internationaal terrorisme»
(NAAZ 04-18);
de brief van de minister van BZK d.d. 17 november
2004 inzake de rapportages AIVD terrorismebestrijding
(27 925,
nr. 150);
de brief van de minister van BZK d.d. 17 november
2004 over de ontwikkeling van het nationaal alerteringssysteem
(29 754,
nr. 3).
De vaste commissie van Justitie heeft
de volgende vragen over de brief van de ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
inzake terrorismebestrijding (29 754, nr. 5). De regering
heeft deze vragen beantwoord bij brief van .De
vragen en antwoorden zijn hier afgedrukt.
Dames en heren,
U discussieert vandaag over terrorisme vanuit internationaal,
nationaal en lokaal perspectief. Drie territoriale niveaus
die elk hun eigen verantwoordelijkheden, bevoegdheden
en interventie instrumentarium kennen, maar die, idealiter,
een samenhangend en complementair karakter zouden moeten
hebben.
Dat ideaal hebben we nog niet bereikt. We worstelen
met het intrinsiek weerbarstige karakter van de materie,
en de bestuurlijke en operationele complexiteit van
de rechtshandhaving en de crisisbeheersing.
In die context is mij gevraagd antwoord te geven op
de vraag of het lokale bestuur voldoende is voorbereid
op terrorisme.
Dat is een lastige vraag om te beantwoorden, omdat je
uiteindelijk niet weet wat je niet weet. Wat je als
lokaal bestuur kunt doen en moet doen, is je dat bewust
zijn, en tegelijk al het mogelijke doen om je voor te
bereiden.
Inzicht in de visie van Amsterdam
Ik wil mijn bijdrage van vanmiddag benutten om inzicht
te geven in het antwoord op de vraag hoe in Amsterdam
op dit moment wordt aangekeken tegen terrorisme en terreurbestrijding.
Ik wil inzicht geven in de visie die wij in Amsterdam
de afgelopen maanden hebben ontwikkeld op deze thema's.
Wij, dat wil zeggen: de driehoek -feitelijk de vijfhoek,
dus inclusief de brandweer en de regionaal geneeskundig
functionaris-, enerzijds, en het gemeentebestuur- het
College van Burgemeester en Wethouders- anderzijds.
Het belang van het 'lokale' in terreurbestrijding (met
andere woorden het 'lokale element' als kritische succesfactor
in zowel voorkómen van terrorisme als in crisisbeheersing)
zit 'm er in dat we juist op het lokale niveau de waarborgen
kunnen treffen om ons bestuurlijk integraal, maatschappelijk
ongedeeld en maximaal geïnformeerd te wapenen tegen
de terreurdreiging van onze tijd.
Ik wil aan de hand van deze elementen recente Amsterdamse
inzichten schetsen, en tot slot een aantal knelpunten
met u delen.
Het conceptwetsvoorstel bijzondere bevoegdheden
tot opsporing van terroristische misdrijven moet politie
en justitie vergelijkbare bevoegdheden geven als de
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).
Het CBP onderschrijft het feit dat bestrijding van terrorisme
een zeer hoge politieke en maatschappelijke prioriteit
heeft en moet hebben. Niettemin komt het CBP tot het
oordeel dat de onderbouwing voor de voorgestelde uitbreiding
van bevoegdheden voor politie en justitie tekort schiet.
Tevens wordt voorbijgegaan aan de zeer recente uitbreiding
van bevoegdheden van de politie, zonder dat gebleken
is of kan zijn dat deze tekort schieten. Het CBP komt
tot dit oordeel nadat de Minister van Justitie hierover
om advies had gevraagd.
De uitbreiding van bevoegdheden voor politie en justitie
leidt tot een toename van verwerkingen van persoonsgegevens
van onverdachte burgers door verschillende instanties.
Het wetsvoorstel geeft politie en justitie bij aanwijzingen
van terroristische misdrijven verregaande bevoegdheden
zoals afluisteren van telecommunicatie en vertrouwelijke
communicatie, stelselmatige observatie en infiltratie.
Nu mogen politie en justitie deze bevoegdheden alleen
inzetten als er sprake is van een redelijk vermoeden
van schuld.
Het CBP benadrukt dat een belangrijke waarborg voor
een adequate bescherming van persoonsgegevens juist
is gelegen in de scheiding van taken van de AIVD en
de politie. Bij de AIVD is bovendien bijzondere expertise
en ervaring aanwezig die het specialistische werk van
het inlichtingenmatig onderzoeken van aanwijzingen voor
terroristische activiteiten vereist. De aanwezige zachte
informatie wordt in bijzonder hoge mate afgeschermd.
Naar het oordeel van het CBP is controle en onafhankelijk
toezicht op het groeiend aantal afgeschermde verwerkingen
van persoonsgegevens noodzakelijk. Verschillende instanties
lijken hetzelfde inlichtingenwerk te gaan verrichten,
maar vallen onder een andere toezichtregime.
Inleidende opmerkingen
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag
dat de vaste commissie voor Justitie over dit wetsvoorstel
heeft uitgebracht. Het verheugt mij dat de leden van
de meeste van de aan het woord zijnde fracties positief
staan tegenover het voorstel. Terecht merkten de leden
van de fractie van het CDA die tot mijn genoegen
ingenomen bleken te zijn met het wetsvoorstel
op, dat de voorgestelde regeling onderdeel vormt van
een pakket aan maatregelen om een krachtige aanpak van
de bestrijding van terrorisme mogelijk te maken. Met
deze leden ben ik van mening dat Nederland er alles
aan moet doen om terroristische activiteiten te voorkomen.
Dit wetsvoorstel draagt daaraan bij, zoals de leden
van de fracties van de VVD en het lid van de GroepWilders
geheel juist aangaven, doordat voorkomen kan worden
dat in beginsel bruikbare informatie niet voor het bewijs
kan worden gebruikt omdat de betrouwbaarheid daarvan
onvoldoende kan worden onderzocht. Het voorstel voor
een afgeschermde procedure beoogt te bevorderen dat
dergelijk onderzoek wel kan plaatsvinden. Dat de leden
van de VVD-fractie waardering uitspraken voor de snelheid
waarmee dit wetsvoorstel tot stand is gekomen en het
lid van de Groep Wilders de voorgestelde regeling onontbeerlijk
acht, beschouw ik als een ondersteuning van het kabinetsbeleid
inzake terrorismebestrijding. De leden van de fractie
van de PvdA merkten opmet belangstelling te hebben kennis
genomen van de inhoud van het wetsvoorstel, maar nog
enkele vragen te hebben. De leden van de fracties van
de SP en GroenLinks stelden zich terughoudender op.
Zij gaven aan over de voorgestelde regeling vragen te
willen stellen en opmerkingen te maken. Graag maak ik
van de gelegenheid gebruik om in het onderstaande opdeze
vragen en opmerkingen, alsmede op de vragen van de leden
van de fracties van het CDA, de VVD en de GroepWilders,
nader in te gaan.
Hierbij informeer ik u mede namens de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties over de stand van zaken
van de ontwikkeling van de Nationale Sigint (Signals
Intelligence) Organisatie (NSO). In 2002 hebben de ministers
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
Defensie besloten tot de oprichting van een NSO. Deze
organisatie gaat de verwerving van alle verbindingsinlichtingen
voor de AIVD en voor de MIVD ondersteunen. Dit betreft
de interceptie van nietkabelgebonden
telecommunicatie te weten satellietcommunicatie en hoogfrequent
radioverkeer. Ook zal de organisatie de bijbehorende
signaal- en trafficanalyse leveren en wordt er crypto-onderzoek
uitgevoerd. De analyse van het geïntercepteerde
materiaal blijft bij de onderscheiden diensten.
Als startpunt voor de ontwikkeling van de NSO hebben
de AIVD en de MIVD in 2003 een convenant gesloten over
de samenwerking op het terrein van satellietinterceptie.
Op basis van dit convenant wordt de uitbreiding van
de satellietinterceptiecapaciteit ten behoeve van de
AIVD en de MIVD, zoals aangekondigd in het actiepunt
18 van het actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid,
gerealiseerd. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd
bij brief van 30 oktober 2003 (Tweede Kamer, vergaderjaar
20032004, 27 925 nr. 102).
Tevens is een projectorganisatie opgericht die zich
bezighoudt met:
1. de locatiekeuze voor de gewenste uitbreiding van
de satellietinterceptiecapaciteit;
2. de uitbreiding van satellietontvangst- en signaalverwerkingscapaciteit,
en;
3. de oprichting van de Nationale Sigint Organisatie.
Het college van B&W gaat samen met
scholen, sportverenigingen, en horecabezoekers en -uitbaters
gedragsregels opstellen met als doel overlast aan te
pakken en discriminatie tegen te gaan.
Om radicalisering tijdig te onderkennen komt er een
kleine gespecialiseerde eenheid die informatie vanuit
de gemeentelijke organisatie verzamelt en analyseert.
Met werkgeversorganisaties en grote bedrijven wil het
college afspraken maken om uitsluiting en discriminatie
op de arbeidsmarkt terug te dringen.
Er wordt lesmateriaal ontwikkeld dat leerlingen - als
het proces tegen Mohammed B. wordt gevoerd - goed inzicht
geeft in het Nederlandse rechtsstelsel.
Initiatieven van burgers worden ondersteund en het wij-gevoel
wordt onderstreept met een communicatiecampagne.
Dit zijn enkele van de maatregelen die het college op
korte termijn gaat uitvoeren. Deze maatregelen maken
deel uit van het actieplan Wij Amsterdammers,
dat het college heeft vastgesteld.
Daar hebben we alle Amsterdammers bij nodig
Burgemeester Cohen: Wij zijn in dit geval alle
Amsterdammers die geweld afwijzen en de basisregels
van onze samenleving accepteren. Door heldere en duidelijke
regels te stellen over wat in Amsterdam wel en niet
kan, en door extremisme en terreur in de kiem te smoren
en keihard aan te pakken wil het college polarisatie
in de stad tegengaan. En daar hebben we alle Amsterdammers
bij nodig: jongeren, werkgevers, ouders en bestuurders.
De afgelopen maanden heeft Amsterdam heel beheerst gereageerd.
Om dit zo te houden, is deze extra inspanning nodig.
Het actieplan Wij Amsterdammers
Het actieplan Wij Amsterdammers, waarvan
de hoofdlijnen eind vorig jaar door de gemeenteraad
zijn vastgesteld, richt zich op het aanscherpen van
de terreurbestrijding, het tegengaan van radicalisering
en het dichter bij elkaar brengen van de Amsterdammers.
Naast de bovengenoemde korte termijn maatregelen en
de activiteiten van de afgelopen maanden, zal er dit
jaar extra worden geïnvesteerd in de aansluiting
van het onderwijs op de Amsterdamse arbeidsmarkt.
Ook komt er onder andere meer zorg voor risicoleerlingen.
De regelgeving rondom de subsidieverstrekking wordt
verscherpt (wet Bibob), zodat wordt voorkomen dat de
gemeente subsidie verstrekt aan organisaties die mogelijk
terroristische activiteiten ontplooien. De gemeente
gaat samen met externe deskundigen (bijvoorbeeld van
universiteiten) na hoe de vatbaarheid van jongeren voor
extremistisch gedrag kan worden aangepakt.
Voorjaarsnota 2005
Afgelopen december heeft de gemeenteraad bij de vaststelling
van de begroting 2,5 miljoen euro structureel gereserveerd
voor het actieplan Wij Amsterdammers. Het
(indicatieve) budget dat het college nu vraagt, past
daar binnen. Bij de voorjaarsnota 2005 - als de gemeenteraad
op hoofdlijnen over de begroting 2006 spreekt - zal
een definitieve begroting beschikbaar zijn.
Uitbreiden mogelijkheden om radicalisering
tegen te gaan
Het kabinet neemt aanvullende maatregelen om processen
van radicalisering tegen te gaan. Zo komen er permanente
veiligheidsgebieden waar preventief gefouilleerd kan
worden, krijgt de rechter de mogelijkheid een verbod
op te leggen voor bepaalde beroepsmatige activiteiten
en kunnen personen via bestuurlijke weg de verplichting
krijgen zich periodiek te melden danwel een verbod op
het zich bevinden in de nabijheid van bepaalde personen
of objecten. Verder heeft het kabinet voor de komende
vijf jaar meer dan 400 miljoen euro gereserveerd voor
het intensiveren van de aanpak van terrorisme en radicalisering.
Dat blijkt uit een vandaag verschenen brief aan de Tweede
Kamer van de ministers Donner (Justitie) en Remkes (Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens minister
Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie). Er komen
bijna 600 fte bij voor alle betrokken inlichtingen-,
beveiligings- en opsporingsdiensten. De ministerraad
heeft afgelopen vrijdag ingestemd met de voorstellen.
Het kabinet stelt voor om de komende jaren fors te investeren
in het versterken van de capaciteit van de gehele overheid
op het terrein van het tegengaan van radicalisering
en het voorkomen van terrorisme. Voor volgend jaar is
een bedrag gereserveerd van 48 miljoen euro, dat oploopt
tot meer dan 95 miljoen in 2009. In totaal is er ruim
414 miljoen euro. Een groot deel van de investeringen
betreft het aantrekken van extra menskracht. De Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de regionale
inlichtingendiensten krijgen een uitbreiding van 107
fte (naast de maatregelen die door het kabinet genomen
worden als reactie op het rapport van de Commissie Havermans).
De politie en het openbaar ministerie (OM) krijgen een
uitbreiding van 90 fte en de Koninklijke marechaussee
148 fte. Voor het uitvoeren van de groeiende vraag naar
beveiligingsopdrachten voor personen en objecten, op
centraal en decentraal niveau, zal de Dienst Koninklijke
en Diplomatieke Beveiliging worden uitgebreid met 235
fte en de Eenheid Bewaken en Beveiligen met 7 fte.
Interventie
Met de uitbreidingen worden de betrokken diensten in
staat gesteld de informatiepositie optimaal te benutten
en zorg te dragen voor de noodzakelijke analyses en
beveiligingstaken. Deze informatie kan leiden tot verschillende
vormen van ingrijpen. Bij het overtreden van de, inmiddels
verruimde, wet zal het openbaar ministerie de betreffende
persoon of organisatie vervolgen. Ook kan het OM een
organisatie civielrechtelijk laten ontbinden via de
rechter. Daartoe loopt inmiddels de eerste procedure
ten aanzien van een stichting die in verband wordt gebracht
met terroristische activiteiten. Als er sprake is van
een ongewenste tendens van radicalisering, dan kan de
overheid ook andere instrumenten inzetten op het gebied
van verblijfsrecht, financiën en bestuur. Zo kunnen
vreemdelingen ongewenst verklaard worden of visa worden
geweigerd en kan bijvoorbeeld de Belastingdienst verzocht
worden gericht financieel of fiscaal onderzoek te doen
naar de betreffende organisatie. De lokale overheid
kan de voorwaarden voor het verstrekken van subsidies
of vergunningen aanscherpen. Deze vorm van interventie
is inmiddels van kracht en wordt toegepast op organisaties,
stichtingen en evenementen.
Het bestuurlijke instrumentarium wordt uitgebreid. Het
gaat daarbij om de verplichting voor betrokkende zich
periodiek te melden op het politiebureau, dan wel een
verbod zich te bevinden in de nabijheid van personen
of objecten. Deze aanvullingen zijn van toepassing op
personen die op grond van contacten, activiteiten of
andere aanwijzingen in beeld komen, terwijl er op zichzelf
onvoldoende aanwijzingen zijn voor een strafrechtelijk
optreden. Als voorbeeld wordt genoemd het zich op verdachte
wijze ophouden op bepaalde locaties.
Verder worden de mogelijkheden tot een verbod op het
verrichtten van beroepsmatige activiteiten verruimd.
De rechter krijgt de mogelijkheid dit als bijkomende
straf op te leggen in die gevallen waarbij de beroepsmatige
activiteiten worden gebruikt voor het aanzetten tot
haat of geweld.
Tevens is besloten om permanente veiligheidsgebieden
aan te wijzen. Binnen deze gebieden wordt het mogelijk
om preventief te fouilleren. Het gehele luchthaventerrein
van Schiphol wordt aangewezen als gebied waar preventief
gefouilleerd kan worden. Dit geldt binnenkort ook voor
de overige internationale luchthavens binnen Nederland
Eerdere maatregelen
De bewindspersonen hebben een overzicht van de tientallen
eerder genomen maatregelen toegevoegd. Daar onder de
diverse wetswijzigingen, maar ook de organisatorische
maatregelen zoals de instelling van de staf Nationaal
Coördinator Terrorismebestrijding die 1 januari
2005 met een kernbezetting operationeel is. In het bestaande
samenwerkingsverband Contra-Terrorisme infobox worden
al diverse personen onderzocht door verschillende instanties
(AIVD, Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst,
Immigratie- en Naturalisatiedienst, OM en politie).
In de periode na de moord op Van Gogh is een aantal
verdachten aangehouden. Het onderzoek naar hun betrokkenheid
bij terroristische activiteiten loopt. Van de kring
personen rondom verdachte Mohammed B. zijn inmiddels
drie procedures gestart voor een ongewenst verklaring
en is één verblijfsvergunning ingetrokken.
Het aangekondigde alerteringssysteem is in ontwerp gereed
en bevat drie opschalingsfasen met kleurcodes: geel
(lichte dreiging), oranje (matige dreiging) en rood
(hoge dreiging). De codes zijn van belang voor specifieke
sectoren zodat zij de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen
kunnen nemen die gekoppeld zijn aan de betreffende code.
Het systeem wordt in eerste instantie uitgewerkt voor
de sector Spoor, gemeente Rotterdam, Schiphol en de
sectoren drinkwater en electriciteit. Voor deze sectoren
zal het alerteringssysteem naar verwachting 1 maart
dit jaar in werking treden.
Internationaal
In internationaal verband wordt er inmiddels nauw samengewerkt
op zowel het strafrechtelijk terrein, als inlichtingenmatig.
Onder Nederlands voorzitterschap is het Haags
programma vastgesteld met daarin afspraken over
samenwerking op het terrein van terrorismebestrijding
en met name het uitwisselen van gegevens die de staatsveiligheid
betreffen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt aan
een Europees Visum Infomatiesysteem waarin de persoons-
en biometrische gegevens van alle aanvragers voor een
Schengenvisum worden opgeslagen. Tevens komt er een
centrale eenheid die acties ten behoeve van de bewaking
aan de Europese buitengrens gaat coördineren en
vindt er uitwisseling plaats van strafrechtelijke informatie.
1. Inleiding
Conform artikel 78, derde lid, WIV 2002, heeft de Commissie
van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
(hierna: de Commissie) op 8 april 2004 de Minister van
Defensie en de Voorzitter van de Tweede Kamer medegedeeld
dat zij in het kader van haar
toezichthoudende taak, als bedoeld in artikel 64, tweede
lid, onder a, WIV 2002, voornemens is een onderzoek
te verrichten naar de rechtmatigheid van een contra-terrorisme
operatie van de MIVD.
De contra-terrorisme operatie betreft onder meer de
aansturing van een agent door de
Afdeling Human Intelligence (Humint) ten behoeve van
de Afdeling Contra-Inlichtingen en
Veiligheid van de MIVD. De agent participeert in netwerken
die zich mogelijk bezig houden
met het faciliteren van terroristische cellen in West-Europa.
Met belangstelling heb ik kennis genomen
van het toezichtsrapport van de Commissie van Toezicht
over een contra- terrorisme operatie van de MIVD.
Met het rapport en de daarin verwoorde conclusies kan
ik mij vinden. Graag zou ik van de gelegenheid gebruik
willen maken enige opmerkingen te plaatsen.
14 januari 2005
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek
van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming
van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van
terroristische misdrijven
Justitie.nl
In het kort komen de voorstellen op het volgende neer:
een verruiming van de mogelijkheden om in een verkennend
onderzoek informatie te verzamelen;
een verruiming van de mogelijkheden om personen te fouilleren
buiten concrete verdenking van een strafbaar feit;
een verruiming van de toepassingsmogelijkheden van bijzondere
opsporingsbevoegdheden zoals stelselmatige observatie
en telefoontap;
het mogelijk maken van bewaring bij verdenking van een
terroristisch misdrijf, ook buiten het geval van ernstige
bezwaren;
een mogelijkheid tot uitstel van volledige inzage van
processtukken. Uit het artikel 'Cyclopisch Strafrecht' van Ties
Prakke een aantal belangrijke negatieve effecten van
dit voorstel:
De laatste loot aan de stam van de nieuwe terrorismebestrijding
is het wetsvoorstel dat in de brief van de minister
van 10 september 2004 werd aangekondigd en dat begin
november is ingediend en ter consultatie verzonden naar
de gebruikelijke adviesinstanties. Hierin wordt een
groot aantal speciale regels van strafvorderlijke aard
geïntroduceerd voor de opsporing en berechting
van terroristische misdrijven en worden nog enige aanscherpingen
van materiële strafbepalingen voorgesteld. De voorgestelde
maatregelen zijn in een aantal verschillende categorieën
te onderscheiden:
- tal van bijzondere opsporingsmethodes zullen voortaan
mogen worden toegepast op basis van ‘aanwijzingen’,
waar nu nog een redelijk vermoeden nodig is dat een
misdrijf is begaan;
- burgerinfiltranten kunnen worden gebruikt bij de opsporing
van terroristische misdrijven;
- bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen
in de openbare dienst van een vreemde staat voor de
toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met
een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld;
De in deze drie punten geplande uitbreiding van de opsporingsbevoegdheden
en beperking van de mate van objectiviteit op basis
waarvan zij kunnen worden ingezet, geven de politie
de facto bijna dezelfde bevoegdheden als de AIVD heeft.
Dat lijkt overbodige machtsuitbreiding voor de politie,
nu juist ook al in het onder c. genoemde wetsvoorstel
de informatie van de AIVD rechtstreeks in het strafproces
zal kunnen worden gebruikt. De genoemde voorstellen
voor extra bevoegdheden voor de politie zullen van de
desbetreffende afdeling van de KLPD een soort schaduw
geheime dienst maken en dat lijkt nodig noch wenselijk.
- art. 132a Sv komt te luiden:
‘Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek
in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier
van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen.’
Hierdoor wordt het opsporingsbegrip, dat in de wet BOB
al gevoelig was uitgebreid van het onderzoek naar vermoedelijk
gepleegde strafbare feiten naar de beraming van zeer
ernstige misdrijven in georganiseerd verband, praktisch
onbegrensd. Dus ook op grond van aanwijzingen voor wat
voor vage aktiviteiten dan ook, niet eens beperkt tot
terroristische aktiviteiten, mag de politie opsporen
wanneer het parlement niet waakzaam is.
- bij het verkennend onderzoek naar terroristische misdrijven
kunnen databanken gekoppeld worden;
Het verkennend onderzoek van art.126gg Sv, ter voorbereiding
van de eigenlijke maar zelf ook steeds meer naar voren
getrokken opsporing, was in de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden
van 2000 ingevoerd met de bedoeling dat daarmee alleen
een mogelijkheid werd vastgelegd. Hieraan zouden geen
opsporingsbevoegdheden worden gekoppeld, zodat de politie
alleen oren en ogen open mocht hebben zoals altijd.
Het koppelen van bestanden is een vergaande bevoegdheid
die de politie ook weer laat lijken op de AIVD. Wanneer
we de filosofie van gescheiden informatiecircuits voor
politie en geheime diensten serieus nemen – en
er is alle reden om dat te doen – dan is gebruik
voor het bewijs in strafzaken van AIVD informatie bedenkelijk,
maar het verlenen van verstrekkende bevoegdheden aan
de politie voor ‘fishing expeditions’ in
de vermeende terroristische vijver minstens zo aanvechtbaar:
dat is werk voor de inlichtingendiensten.
- voor een bevel tot bewaring zijn bij verdenking van
terroristische misdrijven geen ernstige bezwaren meer
vereist, slechts een verdenking;
- de gevangenhouding, waarvoor nog wel ernstige bezwaren
nodig zijn, kan in die gevallen na de eerste 90 dagen
steeds met drie maanden verlengd worden tot maximaal
twee jaar zonder dat de zaak ter zitting wordt behandeld
en al die tijd hoeft het volledige procesdossier dus
niet aan de verdediging te worden gegeven;
Deze voorgestelde voorlopige hechtenisbepalingen roepen
een horrorbeeld op van geheime politieke processen waaraan
onderzoek van de geheime diensten dan wel de politie
met praktisch onbeperkte bevoegdheden vooraf gaat, waar
de toetsing door de rechter drastisch gereduceerd wordt
en de verdediging buiten spel wordt gezet. Wat moet
men zich voorstellen bij een vooronderzoek met een gedetineerde
verdachte dat twee jaar duurt zonder dat de verdediging
over de stukken beschikt? Als die verdediging dan als
enige mogelijkheid heeft om de AIVD informatie waarop
de hele zaak mogelijk gebaseerd is te toetsen door het
oproepen van afgeschermde getuigen bij de RC, wanneer
moet hij dat dan doen? Na afloop van die twee jaar?
Wanneer inderdaad de belangrijkste functie van het strafrecht
tegen terrorisme is om terroristische aanslagen te voorkomen,
dan valt niet in te zien waarom vervolgens totale rechteloosheid
van de vervolgde verdachte noodzakelijk zou zijn.
- de mogelijkheid van preventief fouilleren wordt uitgebreid
tot niet door de burgemeester maar door de officier
van justitie aan te wijzen gebieden of gevallen;
Volgens de Memorie van Toelichting wil de minister de
mogelijkheid hebben om in gevallen van acute dreiging
bijvoorbeeld op last van de officier van justitie preventief
te kunnen laten fouilleren op een tijdelijke risicoplek.
Daarnaast wil hij een bevoegdheid voor de politie creëren
om op plaatsen die altijd een verhoogd risico opleveren,
zoals stations en luchthavens, ook zonder bevel van
de officier van justitie preventief te fouilleren. Misschien
is de eerste bevoegdheid in acute crisissituaties inderdaad
nodig, maar dan zou het voorkeur verdienen het bevel
daartoe bijvoorbeeld bij de minister zelf te leggen,
die is dan voor zo’n ingrijpende maatregel direct
politiek verantwoordelijk. Wanneer elke officier van
justitie dit mag is het gevaar aanzienlijk dat zo’n
ingrijpende bevoegdheid veel te makkelijk ingezet wordt
en vervolgens marginaal getoetst door het parlement.
De rechter was al bijna uitgeschakeld bij de controle
op het preventief fouilleren. Permanente fouilleerbevoegdheid
voor de politie op bepaalde plekken lijkt onaanvaardbaar
omdat er geen enkele garantie is dat die bevoegdheid
vooral ter opsporing van terrorisme zal worden toegepast,
in tegendeel, zo’n arbitraire bevoegdheid zal
eerder wel dan niet tot misbruik leiden. De minste garantie
zou hiervoor toch een bevel van de officier van justitie
moeten zijn.
- in art. 189 Sr wordt niet alleen degene die iemand
verbergt die veroordeeld is of vervolgd wordt strafbaar,
maar ook degene die iemand verbergt naar wie opsporing
wordt verricht.
Gezien de populariteit van heimelijke opsporing brengt
dit iedereen onder de strafwet die logees heeft waar
de politie belangstelling voor heeft! Wanneer men deze
bepaling serieus zou nemen wordt elke burger die iemand
in zijn huis heeft eigenlijk opgezadeld met het doen
van onderzoek naar mogelijke politiebemoeienis, en tot
het stellen van vragen aan zijn gasten die een normaal
mens niet wenst te stellen. Ook deze bepaling is niet
beperkt tot de opsporing naar terroristische misdrijven,
al is in dat geval een strafverhoging van toepassing.
De staat lijkt de samenleving geheel in dienst te willen
stellen van het veiligheidsconcept van de overheid.
Verklikken wordt een deugd, gastvrijheid en solidariteit
een misdrijf. Ik zal mijn geplande logeerpartijen maar
afzeggen om mijn vrienden niet in de problemen te brengen.
Je weet maar nooit, zeker met de reikwijdte van de opsporing
na inwerkingtreden van het nieuwe art. 132a Sv.
De NVvR heeft met belangstelling kennisgenomen
van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft vanwege de grote
dreiging die van terroristische aanslagen uitgaat, een
afweging gemaakt die anders uitvalt dan in het reguliere
straf(proces)recht. Gesteld wordt dat het belang dat
met het voorkomen (de preventie) van terroristische
misdrijven is gemoeid, een vroegtijdige inzet van strafrechtelijke
bevoegdheden wenselijk maakt. De NVvR begrijpt dat gedoeld
wordt op de afweging tussen een uit art. 2 EVRM voortvloeiende
verplichting van de overheid tot bescherming van het
leven van personen in de samenleving en andere mensenrechten,
waaronder het recht van burgers op privé-leven
(artikel 8 EVRM) en de rechten die voortvloeien uit
artikel 5 EVRM.
Het is de NVvR opgevallen dat in de concept-memorie
van toelichting in het kader van deze afweging niet
wordt verwezen naar het Europees kaderbesluit van 13
juni 2002 inzake terrorismebestrijding, noch naar de
Guidelines of the Committee of Ministers of the Council
of Europe on human rights and the fight against terrorism1.
Genoemde documenten bieden een genuanceerd instrumentarium
voor de afweging die inzake terrorismebestrijding gemaakt
moet worden tussen noodzakelijke restricties ten aanzien
van verdachten en de daarbij minimaal in aanmerking
te nemen rechten van die verdachten.
Voorts merkt de NVvR op dat het onderhavige voorstel
meebrengt dat rechtmatigheidtoetsingen door de rechter(-commissaris)
neerwaarts worden bijgesteld, zodat deze (nog) minder
dan voorheen in staat zal zijn het handelen van opsporingsinstanties
te toetsen. Dit wordt hieronder toegelicht.
In het navolgende zal de NVvR ingaan op de voorgestelde
artikelen in de volgorde van het wetsvoorstel. Vanwege
de korte adviestermijn zal een en ander echter beperkt
moeten blijven tot een bespreking op hoofdlijnen.
21 december 2004
De
recente gebeurtenissen in Nederland in het algemeen
en Laak in het bijzonder
Schriftelijke vraag van de raadslid/leden Dekker (VVD).
S. (raadslid gemeente Den Haag) Bolle (PvdA). M. (raadslid
gemeente Den Haag), Vergadering(en) B&W 2004-12-21
De fracties van PvdA en VVD stellen diverse vragen
naar aanleiding van de recente gebeurtenis in Laak,
waarbij met name wordt ingegaan op de kwestie van
de informatievoorziening.
Het tegengaan van de dreiging
van de radicale islam vereist de brede inzet van
alle bestuursorganen, zowel op internationaal,
nationaal als lokaal niveau. Zij moeten daarvoor
alle beschikbare instrumenten inzetten, uiteenlopend
van het stimuleren van gematigde krachten tot
en met het strafrecht wanneer de wet wordt overtreden.
Dat schrijft minister Remkes in de brief aan de
Tweede Kamer waarmee hij het AIVD-rapport ‘Van
dawa tot jihad, de diverse dreigingen van de radicale
islam tegen de democratische rechtsorde’
aanbiedt. Volgens Remkes is het voorkomen, isoleren
of indammen van radicalisering een belangrijke
manier om terrorisme duurzaam te bestrijden.
Het rapport van de AIVD laat
zien dat de radicale islam bestaat uit een veelheid
van stromingen, bewegingen en groeperingen.
Die beslaan het gehele spectrum van aan de ene
kant ‘jihad’ (in de betekenis van
de gewapende strijd) tegen het Westen tot aan
de andere kant ‘dawa’ (via missionering
uitdragen van radicaal-islamitische ideologie).
Het AIVD-rapport signaleert dat ook vanuit de
meer dawa-georiënteerde vormen van de radicale
islam dreigingen tegen de democratische rechtsorde
kunnen uitgaan. Die diversiteit maakt dat iedere
vorm van radicale islam een aparte tegenstrategie
vereist. Het rapport bevat voor alle betrokken
instanties bouwstenen waarmee zij op maat gesneden
tegenstrategieën kunnen ontwerpen.
Het rapport gaat niet in op de concrete dreiging
die uitgaat van radicaal-islamitische groepen
of netwerken. Het gaat volgens Remkes om een
conceptuele bijdrage zowel aan het onderzoek
naar de radicale islam als aan de ontwikkeling
en uitvoering van een brede tegenstrategie.
Het rapport schetst acht vormen van radicale
islam. Die verschillen in de wijze waarop zij
al dan niet met geweld hun doelstellingen willen
bereiken. Ook de mate waarin zij al dan niet
openlijk te werk gaan maakt verschil uit. Verder
streven sommige stromingen naar een totaal andere
staatsinrichting dan de westerse democratische
rechtsstaat, terwijl andere zich richten op
een totaal andere wijze van samenleven. Deze
laatste vormen gaan veel verder en zijn veel
intoleranter: niet alleen moeten er politieke
veranderingen komen; het hele leven en de intermenselijke
verhoudingen in de samenleving moeten worden
ingericht op basis van de sharia. De stromingen
die dit nastreven worden in het rapport van
de AIVD onder de noemer radicaal-islamitisch
puritanisme beschreven. Vooral de dawa-activiteiten
van deze stromingen dragen momenteel bij aan
de radicalisering van sommige moslimjongeren
in Nederland omdat zij prediken dat de Westerse
samenleving moreel verderfelijk is en een bedreiging
vormt voor de 'zuivere' islam.
Minister Remkes heeft het rapport van de AIVD
als beleidsondersteunend document ook toegezonden
aan de burgemeesters, de Commissarissen der
Koningin, de korpschefs van politie en de Nationaal
Coördinator Terrorismebestrijding.
21 december 2004 Kabinetsreactie
op de motie van het lid Van Heemst inzake
"predikers van de haat" Justitie.nl
In Europees verband is de aandacht voor de
bestrijding van terrorisme onverminderd groot.
Onderdeel hiervan is het voorkomen van de
toegang van personen tot het grondgebied van
Lidstaten dan wel het verhinderen van toegang
in een Schengenlidstaat op het moment dat
een ander Schengenland iemand op grond van
radicale c.q. haatzaaiende uitlatingen, bijvoorbeeld
een extremistische imam, dan wel andere activiteiten
die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale
veiligheid van het eigen grondgebied verwijdert
of de toegang weigert. Het instrument dat
daarvoor ter beschikking staat is het Schengen
Informatie Systeem(SIS). Dit systeem bevat
ondermeer alle namen van personen die door
Schengenlanden op grond van art 96 van de
Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) gesignaleerd
zijn ter fine van toegangsweigering. Het systeem
wordt gevoed door de Schengenstaten (waaronder
ook Noorwegen en IJsland) en vanaf volgend
jaar waarschijnlijk ook door het Verenigd
Koninkrijk.
De heer Van Heemst (PvdA):
Voorzitter. Wij hebben gisteren een algemeen
overleg gevoerd waarvan het motto was: wij
willen geen woorden, woorden, woorden, maar
daden. Dit VAO strekt ertoe om bij een volgend
overleg als motto te nemen: daden, daden,
daden, en weinig woorden. Ik zou heel graag
willen dat de Kamer vandaag de gelegenheid
neemt om concreet aan te geven wat er in de
toegezegde voortgangsrapportage over terrorismebestrijding
moet komen te staan. Er is gisteren veel toegezegd.
Daaronder waren ook veel dingen waarover ik
heel tevreden ben, maar er zijn drie kwesties
waarvan de PvdA-fractie in een motie wil vastleggen
dat de volgende rapportage over terrorisme
daarop daadwerkelijk zal moeten ingaan. De
eerste motie luidt als volgt.
Motie
De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende
dat de ideologie van de politieke islam
in verschillende EU-lidstaten wordt verspreid
door radicale islamisten van buiten de Europese
Unie;
overwegende dat er in verschillende EU-lidstaten
uitzettingen hebben plaatsgevonden van deze
islamisten omdat zij een bedreiging vormden
voor de openbare orde;
constaterende dat er tussen de Europese
overheden nog onvoldoende wordt samengewerkt
in het weren van deze ''predikers van de
haat'';
verzoekt de regering, in samenwerking tussen
de EU-lidstaten een zwarte lijst van radicale
islamisten op te stellen aan wie de toegang
tot de Unie zal worden ontzegd en van de
stand van zaken verslag te doen in de eerstvolgende
rapportage over terrorismebestrijding...........
6 december 2004 Kabinet
plaatst meer terreurgroepen op zwarte
lijst Justitie.nl
Het kabinet heeft besloten om voortaan
de Europese zwarte lijst van terreurorganisaties
te hanteren. Door dat besluit zullen meer
groeperingen in Nederland in de ban worden
gedaan. Dit staat in een wetsvoorstel
van minister Donner, mede namens minister
Bot (BuZa), waarmee de ministerraad heeft
ingestemd. Het kabinet vergroot daarmee
de civiel- en strafrechtelijke mogelijkheden
om internationaal terrorisme te bestrijden.
Organisaties die op terrorismelijsten
staan van de Europese Unie mogen in Nederland
niet meer actief zijn, en deelneming aan
de activiteiten van zo’n organisatie
wordt strafbaar. Dit geldt onder meer
voor de PKK, Hamas, Stichting Al-Aqsa
Nederland, Al-Takfir en de NPA (New Peoples
Army). Zij moeten al hun activiteiten
in Nederland staken. Ook groeperingen
gelieerd aan al-Qaeda en de Taliban worden
verboden. Andere buitenlandse organisaties
kunnen door de rechter in strijd met de
openbare orde worden verklaard. Nu geldt
al dat van organisaties die op EU-terrorismelijsten
staan de bankrekeningen worden bevroren.
Daarmee zijn hun financiële activiteiten
aan banden gelegd. Het kabinetsvoorstel
houdt in dat een dergelijke organisatie
ook niet meer op andere wijze in Nederland
actief mag zijn. Bijvoorbeeld nieuwe leden
werven of bestuurders benoemen. Voor een
verbod is het in de ogen van het kabinet
voldoende als een organisatie voorkomt
op een EU-terrorismelijst. De maatregelen
houden niet in dat de organisaties ontbonden
moeten worden. De leden moeten wel al
hun activiteiten staken. Als ze dat niet
doen, riskeren ze een gevangenisstraf
van een jaar.
Zie voor de lijsten: Gemeenschappelijk
standpunt 2004/500/GBVB van de Raad van
17 mei 2004 inzake de actualisering
van Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB
betreffende de toepassing van specifieke
maatregelen ter bestrijding van het terrorisme
en houdende intrekking van Gemeenschappelijk
standpunt 2004/309/GBVB
Publicatieblad Nr. L 196 van 03/06/2004
blz. 0012 - 0016
Verordening
(EG) nr. 881/2002 en alle veertig wijzigingen
Verordening (EG) nr. 2034/2004 van de
Commissie van 26 november 2004 tot veertigste
wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002
van de Raad tot vaststelling van bepaalde
specifieke beperkende maatregelen tegen
sommige personen en entiteiten die banden
hebben met Usama bin Laden, het Al Qa'ida-netwerk
en de Taliban, en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 467/2001 van de Raad
De ministerraad heeft
er op het voorstel van minister Verdonk
voor Vreemdelingenzaken en Integratie
mee ingestemd om het Nederlanderschap
te ontnemen van personen die onherroepelijk
zijn veroordeeld voor een misdrijf waarbij
ernstige schade is toegebracht aan de
essentiële belangen van de Staat.
Door intrekking van het Nederlanderschap
wordt de betrokkene als vreemdeling
aangemerkt en kan betrokkene worden
uitgezet.
Intrekking is mogelijk bij een veroordeling
wegens misdrijven tegen de veiligheid
van de Staat alsmede wegens terroristische
misdrijven. Ook is intrekking mogelijk
bij veroordeling wegens misdrijven waarbij
samenspanning strafbaar is gesteld,
als ook de samenspanning tot deze misdrijven.
Intrekking van de nationaliteit kan
echter alleen als het geen staatloosheid
tot gevolg heeft. Tot nu toe was intrekking
van het Nederlanderschap alleen mogelijk
als iemand op frauduleuze wijze het
Nederlanderschap heeft verkregen of
zijn verplichting om afstand te doen
van zijn oorspronkelijke nationaliteit
niet nakomt.
Tevens is de ministerraad
akkoord gegaan met het voorstel om
meervoudige nationaliteit te beperken.
Bij naturalisatie tot Nederlander
zullen voortaan ook vreemdelingen
die met een Nederlander getrouwd zijn
en tweede generatiemigranten afstand
moeten doen van hun oorspronkelijke
nationaliteit. Dit geldt niet als
geen afstand kan worden gedaan van
de oorspronkelijke nationaliteit.
Met het bovenstaande wordt uitvoering
gegeven aan de toezegging in de notitie
over de beperking van de dubbele nationaliteit
die op 27 augustus jl. aan de Tweede
Kamer is aangeboden en de brief aan
de Tweede Kamer van 10 november jl.,
om een wetsvoorstel in te dienen waarin
personen met een dubbele nationaliteit
het Nederlanderschap wordt ontnomen,
wanneer zij onherroepelijk veroordeeld
zijn voor een misdrijf waarbij essentiële
belangen van de Staat zijn geschaad.
Het College
van B&W heeft maandag 22
november, onder de titel Wij
Amsterdammers een actieplan
naar de raad gestuurd. Directe
aanleiding voor het plan is
de moord op Theo van Gogh. Wij
zijn alle Amsterdammers die
geweld afwijzen en de basisregels
van onze samenleving accepteren,
schrijft het college.
Het College wil naast het aanscherpen
van terreurbestrijding, samen
met de stadsdelen de verschillende
groepen Amsterdammers weer dichter
tot elkaar brengen. Elk collegelid
neemt daarbij een onderdeel
van het actieplan voor zijn/haar
rekening.
Doel van
het plan
het bestrijden van terreur
in aanvulling op activiteiten
van politie en justitie
het tegengaan van radicalisering
het voorkomen van polarisatie
en mobiliseren van positieve
krachten
Acties die in het plan voorkomen
zijn onder meer het verbeteren
van de informatiepositie door
gebruik te maken van ogen
en oren van het ambtelijke
apparaat en bestanden die
de gemeente al heeft. Ook
zal de zogenaamde Van Traa-methode,
waar mogelijk worden toegepast
bij de aanpak van terrorisme.
Bestaande projecten als Doorzon
(aanpak van criminele bewoning),
Aanpak belhuizen en het onderzoek
naar misbruik van subsidies
worden hierbij betrokken.
Inventarisatiemogelijkheden
uitbreiden
Het college wil meer inzicht
in de vraag op welke wijze
jongeren beïnvloed
kunnen worden voor zaken
als rekrutering. De interventiemogelijkheden
om deze ontwikkelingen tegen
te gaan moeten worden uitgebreid,
aldus het college.
Aanpakken
discriminatie
Het tegengaan van uitsluiting
van groepen in de Amsterdamse
samenleving is een belangrijk
onderdeel van het plan.
Discriminatie moet verder
worden aangepakt en scholing
en werk gefaciliteerd.
Ook de verspreiding van
extremistische propaganda
in moskeeën, op scholen
etc wil de gemeente tegengaan.
Het
geloof in de stad
Amsterdam wil intolerant
zijn voor intolerantie.
Het beleid van de gemeente
Amsterdam en de uitvoering
daarvan worden vanuit
deze invalshoek tegen
het licht gehouden en
waar nodig aangepast.
Het actieplan gaat ook
in op communicatieve
acties die zowel intern
als extern zijn gericht.
Het wij-gevoel en het
geloof in de stad staan
daarbij centraal. Tenslotte
zal er een bestuurlijk/maatschappelijke
pendant van het politiedraaiboek
vrede worden gemaakt.
Dit is gericht op het
voorkomen van maatschappelijke
polarisering en escalatie
na een aanslag.
Conflictpotentieel
Ook heeft het college
kennis genomen van
een eerste analyse
van het conflictpotentieel
in deze stad. Hoewel
Amsterdam na de moord
op 2 november beheerst
heeft gereageerd en
er veel positieve
initiatieven zijn
losgekomen, acht het
college het van belang
relaties tussen groepen
en risicos die
daarbij spelen verder
te doorgronden. Naast
de al eerder gepubliceerde
notitie Uitgangspunten
aanpak terrorisme
is dit een eerste
aanzet tot een analyse
daarvan.
Bij
brief van 10
september 2004
(TK 29754, nr
1) is Uw Kamer
geïnformeerd
over de ontwikkeling
van een systeem
aan de hand
waarvan overheden,
bedrijfsleven
en het publiek
worden geïnformeerd
over actuele
dreigingen en
risico's. Zoals
ook in die brief
is aangekondigd,
zal de functionele
voorbereiding
daarvoor zijn
afgerond op
1 januari 2005.
Via deze brief
breng ik u,
mede namens
mijn ambtgenoot
van Justitie,
op de hoogte
van de stand
van zaken rondom
de ontwikkeling
van het zogenoemde
alerteringssysteem.
In deze brief
wordt tevens
ingegaan op
vragen die door
Uw Kamer zijn
gesteld.
Daaraan
voorafgaand
zou ik allereerst
willen opmerken
dat ik heb
geconstateerd
dat in de
samenleving
de indruk
bestaat dat
in Nederland
een alerteringssysteem
operationeel
zou zijn.
Deze indruk
wil ik nadrukkelijk
wegnemen.
Op dit moment
kennen wij
nog geen alerteringssysteem,
al dan niet
voorzien van
kleurcodes.
De
Commissie
Bestuurlijke
Evaluatie
biedt
op 16
november
2004 aan
minister
Remkes
haar rapport
aan over
het functioneren
van de
Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst.
De Commissie
Bestuurlijke
Evaluatie
AIVD heeft
onderzoek
gedaan
op basis
van drie
hoofdvragen:
1.
Welke
verwachtingen
bestaan
er in
de politiek-bestuurlijke
omgeving
over de
taken
van de
AIVD mede
gezien
de veranderingen
in de
samenleving?
2. Hoe
voert
de AIVD
zijn taken
en verantwoordelijkheden
uit en
welke
verbeteringen
zijn mogelijk?
3. Zijn
de bevoegdheden
en de
kwalitatieve
en kwantitatieve
middelen
(materieel,
personeel
en financiën)
waarover
de AIVD
beschikt
voldoende
om aan
de gestelde
eisen
en verwachtingen
te voldoen?
De
vaste
commissie
voor Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
en de
vaste
commissie
voor Justitie
hebben
op 23
september
2004 overleg
gevoerd
met minister
Remkes
van Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
en minister
Donner
van Justitie
over:
de brief
van de
minister
van BZK
d.d. 9
juli 2004
met laatste
projectmatige
rapportage
Bescherming
Vitale
Infrastructuur
(26 643,
nr. 56);
de brief
van de
minister
van BZK
d.d. 13
juli 2004
inzake
uitwisseling
van opsporings-
en terrorisme-informatie;
schriftelijke
beantwoording
vragen
uit algemeen
overleg
op 5 februari
2004 over
rapport
Algemene
Rekenkamer
(28 845,
nr. 6);
de brief
van de
minister
van BZK
d.d. 14
juli 2004
inzake
verhoogde
terroristische
dreiging
(27 925,
nr. 137);
de brief
van de
minister
van BZK
d.d. 19
juli 2004
inzake
vermeende
brief
Al-Qaida
aan VN
(27 925,
nr. 138);
de brief
van de
ministers
van Financiën,
Justitie
en BZK
d.d. 14
juli 2004
met de
nota bestrijding
van misbruik
van non-profit-0rganisaties
voor terrorismefinanciering
(27 925,
nr. 136);
de brief
van de
ministers
van Justitie
en BZK
d.d. 10
september
2004 met
stappen
genomen
n.a.v.
het ontstane
dreigingsbeeld
(29 754,
nr. 1).
Bijzondere
opsporingsbevoegdheden
als observatie,
infiltratie,
pseudo-koop
en de telefoontap
zijn straks
inzetbaar
bij aanwijzingen
dat een
terroristische
aanslag
wordt voorbereid.
Ook komen
er meer
mogelijkheden
om informatie
in te winnen,
personen
in bewaring
te nemen
en preventief
te fouilleren.
Minister
Donner heeft
daarover
een wetsontwerp
voor advies
naar verschillende
instanties
gestuurd.
De grote
dreiging
van terrorisme
rechtvaardigt
snel en
preventief
overheidsoptreden.
De recente
gebeurtenissen
in Amsterdam
en Den Haag
hebben duidelijk
gemaakt
dat ruimere
bevoegdheden
nodig zijn
om terreur
te voorkomen.
De bewindsman
kondigde
de maatregelen
begin september
aan.Voor
inzet van
bijzondere
opsporingsbevoegdheden
bij terrorisme
is niet
langer een
'redelijk'
vermoeden
van een
strafbaar
feit nodig;
aanwijzingen
zijn voldoende.
Daarvan
is sprake
als feiten
en omstandigheden
duiden op
de voorbereiding
van een
terroristische
aanslag.
Ook dreigingsanalyses
van de AIVD
kunnen aanwijzingen
opleveren.
Het groene
licht voor
gebruik
van een
bijzondere
opsporingsbevoegdheid
komt van
de officier
van justitie.
Daarnaast
mag de officier
van justitie
volgens
het wetsvoorstel
in bepaalde
gebieden
personen
preventief
laten fouilleren,
en voertuigen
en voorwerpen
laten onderzoeken.
Zo kan het
nodig zijn
alle voertuigen
rond een
voetbalstadion
of evenemententerrein
grondig
te bekijken
bij berichten
dat explosieven
zijn aangevoerd
voor een
aanslag.
Zo'n omgeving
is doorgaans
niet voor
lange tijd
doelwit
van terrorisme.
Bij zogeheten
veiligheidsrisicogebieden
zoals luchthavens,
industriecomplexen,
stations
en overheidsgebouwen
kan dat
anders zijn.
Minister
Donner wil
dat de politie
in die veiligheidsrisicogebieden
zonder voorafgaande
toestemming
van de officier
van justitie
personen
preventief
kan fouilleren,
en voertuigen
en voorwerpen
kan onderzoeken
om een terreurdaad
te voorkomen.
Verder komen
er meer
bevoegdheden
om in een
verkennend
onderzoek
informatie
te verzamelen
over groepen
van personen
waarbinnen
mogelijk
een aanslag
wordt beraamd.
De officier
van justitie
kan namen,
adressen,
woonplaatsen,
klantnummers
en bankrekeningnummers
opvragen.
Daarmee
kan hij
verbanden
tussen groepen
personen
en situaties
beter in
kaart brengen.
Ook mogen
bestanden
van private
en publieke
instellingen
en organisaties
met elkaar
vergeleken
worden om
verborgen
patronen
in handelingen
of gebeurtenissen
van personen
boven tafel
te krijgen.
De officier
van justitie
mag deze
bestanden
alleen opvragen
met toestemming
van de rechter-commissaris.
Personen
kunnen
bij een
terreurdreiging
eerder
in bewaring
worden
genomen
dan nu
het geval
is. Niet
langer
zijn bij
een verdenking
van een
terroristisch
misdrijf
ernstige
bezwaren
vereist;
een redelijk
vermoeden
van schuld
is voldoende.
Dit is
nodig
omdat
aan het
begin
van een
onderzoek
naar de
voorbereiding
van een
terroristisch
misdrijf
er soms
slechts
een lichte
verdenking
is, terwijl
de overheid
ingrijpen
niet kan
uitstellen
vanwege
mogelijk
grote
aantallen
slachtoffers.
De officier
van justitie
krijgt
zo meer
tijd om
de verdenking
steviger
te onderbouwen.
Tenslotte
wil minister
Donner
het mogelijk
maken
dat volledige
inzage
van processtukken
van een
terroristisch
misdrijf
wordt
uitgesteld,
als voortijdige
openbaarmaking
de voorbereiding
van de
zaak tegen
een verdachte
bemoeilijkt,
of schadelijk
is voor
de voorbereiding
van strafzaken
tegen
eventuele
medeverdachten.
De dagvaarding
van een
verdachte
bij een
terroristisch
misdrijf
kan dan
maximaal
twee jaar
worden
uitgesteld.
In
deze brief
met bijlagen
willen wij
u informeren
over de
achtergronden
van de aanslag.
Daarbij
zij aangetekend
dat het
strafrechtelijk
onderzoek
naar de
moord gaande
is en dat
daarnaast
het inwinnen
van informatie
over en
onderzoeken
van de gebeurtenissen
waarmee
deze samenhangt,
doorgaat.
Getracht
is evenwel
in deze
brief, binnen
een uitermate
kort tijdsbestek,
een zo volledig
mogelijk
beeld te
biede n,
zodat slechts
een beperkt
een vertrouwelijke
aanvulling
nodig is
in het kader
van de commissie
voor de
Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten.
Zoals u
begrijpt
kan deze
openheid
niet gelden
voor het
lopende
strafrechtelijke
onderzoek.
Wij gaan
in deze
brief in
op de voorlopige
conclusies
die uit
de aanslag
getrokken
moeten worden
en de implicaties
daarvan
voor het
beleid.
Op
zaterdag
25 september
2004 bereikte
de AIVD
uit operationele
bron het
bericht
dat een
persoon
die gerelateerd
is aan een
islamistisch
terroristisch
netwerk
beschikte
over AIVD-informatie.
De volgende
dag heeft
de AIVD
een ambtsbericht
uitgebracht
aan het
Openbaar
Ministerie.
Naar aanleiding
hiervan
werd de
in het ambtsbericht
genoemde
Hassan O.
gearresteerd.
Bij zijn
arrestatie
bleek hij
in het bezit
van AIVD-informatie
betreffende
onderzoek
in de sfeer
van het
islamistisch
terrorisme.
Intern AIVD-onderzoek
duidde er
opdat de
informatie
van een
bepaalde
AIVD-medewerker
afkomstig
zou kunnen
zijn. Hiervan
is direct
aangifte
gedaan bij
de Rijksrecherche,
die betrokkene
heeft gearresteerd
opverdenking
van het
schenden
van staatsgeheimen.
Het justitieel
onderzoek
is thans
nog in volle
gang.
Het document
waarvan
NRC Handelsblad
op9 november
2004 melding
maakte is
van de AIVD
afkomstig.
Er zijn
sterke aanwijzingen
dat het
document
door de
eerder bedoelde
AIVD-medewerker
naar buiten
is gebracht.
Dit wordt
door middel
van een
aanvullende
aangifte
aan de Rijksrecherche
gemeld.
Het in de
media geschetste
beeld dat
er sprake
zou zijn
van een
tweede lek
bij de AIVD
is naar
alle waarschijnlijkheid
onjuist.
De AIVD
is onmiddellijk
na de ontdekking
op25 september
dat informatie
van de dienst
in handen
van onbevoegden
was gekomen
een onderzoek
gestart
om vast
te stellen
wat de schade
is voor
het werk
van de AIVD
en te bezien
hoe verdere
schade kan
worden voorkomen.
uiteraard
hebben lopende
onderzoeken
van de AIVD
schade opgelopen.
De precieze
omvang daarvan
moet nog
worden vastgesteld.
Het bericht
in NRC Handelsblad
van 9 november
jl. dat
AIVD-informatie
in handen
is gekomen
van een
persoon
in de omgeving
van Mohammed
B. was mij
bekend en
bevatte
in dit opzicht
geen nieuwe
informatie.
De commissie
voor de
inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
werd op
29 september
2004 over
de gebeurtenissen
geïnformeerd.
Nadere bijzonderheden
over de
gang van
zaken kunnen
voorshands
uitsluitend
aan deze
commissie
worden gemeld.
Openbare
mededelingen
zouden zowel
het onderzoek
van de AIVD
als dat
van justitie
schaden.
De compromittering
van AIVD-informatie
als gevolg
van het
handelen
van een
eigen medewerker
betreft
een unieke
zaak. De
reeds bestaande
beveiligingsmaatregelen
zullen waar
mogelijk
worden aangescherpt.
Herhaling
moet vanzelfsprekend
worden voorkomen.
De Minister
van Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes
Het
verschaffen
van veiligheid
is van ouds
een van
de kerntaken
van de overheid.
De burgemeester
en het Openbaar
Ministerie
zijn verantwoordelijk
voor de
meest directe
vormen van
veiligheidszorg:
het handhaven
van de openbare
orde en
het vervolgen
van strafbare
feiten.
Beiden voeren
het gezag
over de
politie
voor zover
het handelen
van de politie
hun specifieke
verantwoordelijkheid
betreft.
De politie
is belast
met de feitelijke
uitvoeringstaken.
Afstemming
vindt plaats
in het driehoeksoverleg,
waaraan
deelnemen
de korpsbeheerder,
de hoofdofficier
van justitie
en de korpschef.
n
april
1996 verzocht
het Hoofd
BVD de
Landelijk
OvJ voor
terrorismebestrijding,
tevens
BVD-liaison
naar het
OM, een
werkgroep
te leiden
met als
taak aanbevelingen
te doen
over de
verstrekking
van CID-gegevens
aan de
BVD. Dit
verzoek
vloeide
voort
uit een
onderdeel
van het
project
Hermandad.
Binnen
dit onderdeel
bestond
aandacht
voor de
samenwerking
tussen
de politie
en de
BVD, met
uitzondering
van de
relatie
BVD -
RID. Op
de relatie
BVD -RID
is namelijk
artikel
18 van
de Wet
op de
inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
(WIV)
van toepassing.
Op grond
van dit
artikel
verrichten
RID-medewerkers
werkzaamheden
voor de
BVD, onder
verantwoordelijkheid
van de
minister
van Binnenlandse
Zaken
en overeenkomstig
de aanwijzingen
van het
Hoofd
BVD. Een
belangrijk
deel van
het project
was aan
deze relatie
gewijd.
De werkgroep
richtte
zich op
de informatie-uitwisseling
politie
- BVD
op grond
van de
artikelen
22 lid
11, 12
en 16
lid 11
van de
WIV.
Er
is een
goede
werkverhouding
bereikt
tussen
de Binnenlandse
Veiligheidsdienst
en de
Regionale
Inlichtingendiensten
van de
politie,
die zich
ook in
de praktijk
bewijst.
Binnen
deze relatie
is sprake
van respect
voor en
in achtneming
van de
onderscheiden
verantwoordelijkheden
en bevoegdheden.
Hierdoor
is het
mogelijk
ongewenste
verstrengeling
van belangen
te voorkomen.
Nr.
6 VERSLAG
De vaste
commissie
voor Justitie
belast
met het
voorbereidend
onderzoek
van dit
wetsvoorstel,
heeft
de eer
als volgt
verslag
uit te
brengen.
Onder
het voorbehoud
dat de
hierin
gestelde
vragen
en gemaakte
opmerkingen
tijdig
zullen
zijn beantwoord,
acht de
commissie
de openbare
behandeling
van het
wetsvoorstel
voldoende
voorbereid.
Inhoud:
Inleidende
opmerkingen
1. Algemeen
2. Hoofdlijnen
van het
wetsvoorstel
3. Strafrechtelijk
gebruik
van informatie
van veiligheidsdiensten
4. Beletten
openbaarmaking
bepaalde
gegevens
(Artikel
187d)
5. De
afgeschermde
getuige
(Artikelen
226g-226m)
6. Het
wettelijk
bewijsrecht
(Artikel
344)
7. Artikelsgewijs
Inleidende
opmerkingen
De leden
van de
CDA-fractie
merken
op dat
de strijd
tegen
het terrorisme
in volle
gang is.Regelmatig
vernemen
zij over
aanhoudingen
in binnenen
buitenland.Rechtszaken
worden
aangevangen
en in
verschillende
zaken
wacht
de inhoudelijke
behandeling
of uitspraak
in appèl
danwel
cassatie.De
Wet op
de terroristische
misdrijven
is inmiddels
in werking
getreden.De
Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD)
is en
wordt
versterkt
alsook
de landelijke
recherche.
De brief
van de
ministers
van Justitie
en van
Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
inzake
terrorismebestrijding
van 10
september
2004 (29
754, nr.1)
geeft
ook vele
voorbereidingen
aan van
een goede
en krachtige
aanpak.
De
vaste commissies
voor Justitie
en voor
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
hebben op
3 november
2004 ter
voorbereiding
op een overleg
met de ministers
van Justitie
en Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
de volgende
vragen over
de brief
van 2 november
2004 inzake
de moord
op Th. Van
Gogh (29854,
nr. 1) ter
beantwoording
aan de ministers
voorgelegd.
Inleiding
In de brief
van 2 november
jl. hebben
wij u, mede
namens de
minister
voor Vreemdelingenzaken
en Integratie,
geïnformeerd
over de
tot dan
bekende
feiten rond
de moord
op de heer
Van Gogh.
In deze
brief hebben
wij u toegezegd
u nader
te informeren.
Op dit moment
is dat nog
te vroeg.
Voorkomen
moet worden
dat informatie
verbrokkeld
naar buiten
wordt gebracht.
Bij
de voor
volgende
week voorziene
beantwoording
van de door
de vaste
Kamercommissies
van Justitie
en Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
op 3 november
jl. gestelde
vragen naar
aanleiding
van de moord
op de heer
Van Gogh
zullen wij
u een zo
compleet
mogelijk
en samenhangend
overzicht
geven van
de feiten.
Zonodig
zal de Commissie
voor Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten
separaat
worden geïnformeerd
over operationele
aspecten
rond de
zaak Van
Gogh, die
niet in
breder verband
kunnen worden
gedeeld.
De lokale
driehoek
in Amsterdam
zal, voorzover
het onderzoeksbelang
dit toelaat,
regelmatig
de stand
van zaken
naar buiten
blijven
brengen.
Vanochtend
werd Nederland
opgeschrikt
door de
moord
op de
heer van
Gogh.
Allereerst
wil het
kabinet
via deze
weg haar
afschuw
uitspreken
over deze
daad.
Het kabinet
leeft
intens
mee met
de nabestaanden
van Van
Gogh.
De heer
van Gogh
stond
bekend
vanwege
zijn uitgesproken
opvattingen
en ook
vanwege
zijn zeer
duidelijke
verdediging
van het
recht
van vrijheid
van meningsuiting
in tal
van gevoelige
maatschappelijke
kwesties.
Van Gogh
verdedigde
dat recht
ook voor
zijn tegenstanders.
In de
rechtstaat
is de
vrijheid
van het
debat
een absolute
voorwaarde.
Het kabinet
werpt
het idee
van een
samenleving
waarin
mensen
voor hun
leven
moeten
vrezen
als zij
uitkomen
voor hun
mening,
verre
van zich.
Hoe ontstellend
en schokkend
de moord
ook is,
toch is
alles er
aan gelegen
om op beheerste
wijze te
reageren.
Onze reactie
op deze
daad mag
niet zijn
dat wij
groepen
van mensen
veroordelen
vanwege
deze brute
moord. Daarom
doet het
kabinet
een dringend
beroep op
de samenleving
waardig
te reageren.
In
deze brief
wil het
kabinet
u informeren
over de
thans
bekende
feiten.
Op dit
moment
zijn nog
niet alle
feiten
en omstandigheden
rond deze
criminele
daad bekend.
Het is
dan ook
niet mogelijk
nu reeds
conclusies
te trekken.
Zo snel
een vollediger
beeld
kan worden
gegeven,
zal dit
aan de
Kamer
worden
gezonden.
De
vaste
commissies
voor Justitie
en voor
Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
hebben
op 15september
2004 overleg
gevoerd
met minister
Donner
van Justitie
en minister
Remkes
van Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
over:
de brief
van de
minister
van Justitie
over motie
137 (29
200 VI)
(El Tawheed);
de kabinetsreactie
op AIVD-rapport
inzake
Saoedische
financiering
van moskeeën
(27 925,
nr. 128);
de brief
van de
minister
van Justitie
d.d. 1
juli 2004
inzake
beantwoording
vragen
Al-Haramain
(Aanhangsel,
vergaderjaar
20032004,
nr. 2002).
Hierbij
doe ik
u toekomen
de antwoorden
inzake
een lijst
van vragen
van de
vaste
commissie
voor Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
aangaande
mijn brief
van 29
april
2004 over
het rapport
van de
Commissie
van Toezicht
betreffende
de Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten
van 19
januari
2004 (TK
2003-2004,
28 374,
nr. 26).
Tijdens
het Algemeen
Overleg
van 22
juni 2004
heb ik
u toegezegd
een voortgangsrapportage
implementatie
stelsel
bewaken
en beveiligen
aan te
bieden.
Het stelsel
bewaken
en beveiligen
valt tevens
onder
de verantwoordelijkheid
van mijn
ambtgenoot
van Justitie.
Ik antwoord
dan ook
mede namens
mijn ambtgenoot
van Justitie.
De nota
Bewaken
en Beveiligen
(Kamerstukken
II, 2002-2003,
28 974,
nrs. 1
en 2)
is behandeld
in het
algemeen
overleg
van de
Tweede
kamer
op 3 september
2003.
In de
stelselnota
wordt
gemeld
dat met
het vaststellen
van de
nota het
implementatietraject
nog dient
plaats
te vinden
en dat
dit door
de noodzakelijke
aanpassing
van wetgeving,
organisatorische
veranderingen,
werven
en opleiden
en herinrichten
van de
werkprocessen
de nodige
tijd vergt.
Alle energie
is erop
gericht
om in
2005 het
stelsel
volledig
te hebben
geïmplementeerd.
De aangekondigde
kwantitatieve
evaluatie
die eind
2004 dient
plaats
te vinden
wordt
voorbereid.
De
gemeente,
politie,
brandweer,
GG&GD
en Openbaar
Ministerie
(de zogenaamde
Vijfhoek)stellen
gezamenlijk
alles
in het
werk om
een mogelijke
terroristische
aanslag
te voorkomen,
dan wel
de gevolgen
van een
aanslag
effectief
te bestrijden.
Er is gekozen
voor een
brede, integrale
aanpak.
Hierbij
gaat het
niet alleen
om het opsporen
en vervolgen
van verdachten
en de versterking
van de organisatie
van de crisisbeheersing,
maar ook
om het tegenhouden
van terrorisme.
Zo
moet voorkomen
worden
dat terroristen
in Amsterdam
netwerken
opbouwen,
medestanders
vinden
en plegers
van aanslagen
werven.
Dit staat
in de
notitie
Uitgangspunten
aanpak
terrorisme,
waar het
college
van B&W
vandaag
mee heeft
ingestemd.
De
vaste commissie
voor Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
heeft 38
vragen over
het jaarverslag
2003 van
de AIVD
aan de regering
voorgelegd.
De regering
heeft deze
vragen beantwoord
bij brief
van 27 september
2004.
De
inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
AIVD en
MIVD krijgen
er een taak
bij. Deze
taak vloeit
voort uit
het nieuwe
stelsel
van bewaken
en beveiligen,
waarin de
rijksoverheid
vanwege
het nationaal
belang een
bijzondere
verantwoordelijkheid
heeft voor
de veiligheid
van een
bepaalde
groep personen,
objecten
en diensten.
Het gaat
onder meer
om de leden
van het
Koninklijk
Huis, bewindspersonen,
fractievoorzitters
en lijsttrekkers,
maar ook
ambassadeurs
en ambassades
en bepaalde
internationale
(militaire)
organisaties.
De AIVD
en de MIVD
gaan voor
deze groep
de dreigingen
onderzoeken.
De AIVD
brengt naast
de dreiging
ook de risicos
in kaart,
dat wil
zeggen dat
behalve
de dreiging
ook het
bestaande
beveiligingsniveau
wordt beoordeeld.
Dat staat
in het voorstel
tot wijziging
van de Wet
op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten,
waarmee
de ministerraad
op voorstel
van minister
Remkes van
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
heeft ingestemd
Om de nieuwe
taak naar
behoren
uit te kunnen
voeren,
worden de
onderzoeksbevoegdheden
van de diensten
uitgebreid.
Naast concrete
dreigingen
mogen zij
ook potentiële
dreigingen
onderzoeken.
Bij de onderzoeken
staan zowel
de persoon,
het object
of de dienst
in kwestie
als de bedreiger
centraal.
Bij het
onderzoek
mogen geen
bijzondere
bevoegdheden
als afluisteren,
observeren
of doorzoeken
worden ingezet.
De ministerraad
heeft ermee
ingestemd
dat het
wetsvoorstel
voor advies
aan de Raad
van State
zal worden
gezonden.
De tekst
van het
wetsvoorstel
en van het
advies van
de Raad
van State
worden pas
openbaar
bij indiening
bij de Tweede
Kamer.
13
september
2004
Minister
Donner
dient
wetsvoorstel
in dat
het mogelijk
moet maken
om informatie
van de
AIVD als
bewijsmateriaal
in een
rechtszaak
te kunnen
gebruikenruiken
Na
de ophef
rond de
twee terrorisme
rechtszaken
in Rotterdam
stelde
minister
van Justitie,
Piet Hein
Donner
dat er
meer mogelijkheden
moesten
komen
om informatie
van de
AIVD als
bewijsmateriaal
als bewijsmateriaal
in rechtszaken
te kunnen
gebruiken.
Dit wetsvoorstel
is de
uitwerking
daarvan.
Voorgesteld
wordt
om te
komen
tot een
regeling
waarbij
de ambtsberichten
van de
AIVD nader
getoetst
kunnen
worden
en vervolgens
als wettig
bewijsmateriaal
gebruikt
kunnen
worden.
De twee
uitgangspunten
van het
voorstel
zijn:
a.
de verdediging
houdt
het recht
op ondervraging
van getuigen
b.
een verruiming
van de
mogelijkheid
om rekening
te houden
met het
belang
van de
staatsveiligheid
Als
in het belang
van de staatveiligheid
een getuige
(de AIVD)
niet openbaar
gehoord
kan worden,
krijgt de
verdediging
de mogelijkhied
om vragen
in te dienen
via de rechter-commissaris.
Vervolgens
bepaald
de AIVD
welke stukken
in een proces
verbaal
opgenomen
mogen worden.
Dit proces
verbaal
wodrt door
de rechter
commissaris
opgesteld.
Ook wordt
de regeling
van het
bewijsrecht
dusdanig
aangepast
dat ambtsberichten
van de AIVD
en MIVD
door de
wet voortaan
onder alle
omstandigheden
als volwaardig
worden aangemerkt.
Uit
de Memorie
van Toelichting:
Niet zelden
doen zich
zaken voor
waarin het
belang van
openheid
in het strafproces
zich niet
goed laat
verenigen
met andere
belangen.
Recentelijk
is dat wederom
aan het
licht getreden
in zaken
waarin een
ambtsbericht
van de Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD)tot
het instellen
van een
strafrechtelijk
onderzoek
leidde.
Daarbij
rezen vragen
rond de
bruikbaarheid
van ambtsberichten
als startinformatie
en als bron
van bewijs.
Dit wetsvoorstel
strekt ertoe
deze bruikbaarheid
te verruimen
door de
in het ambtsbericht
van de AIVD
opgenomen
informatie
onderwerp
te laten
zijn van
nader onderzoek
door middel
van het
verhoren
van getuigen.
Daartoe
worden enkele
aanpassingen
voorgesteld
van de regelingen
die betrekking
hebben op
het verhoren
van getuigen.
Voorts bevat
dit wetsvoorstel
een aanpassing
van het
wettelijk
bewijsrecht.
Elk van
de voorgestelde
aanpassingen
draagt eraan
bij dat
de mogelijkheden
om in het
strafproces
gebruik
te maken
van door
de inlichtingenen
veiligheidsdiensten
verstrekte
informatie
worden vergroot.
Tegelijkertijd
dient echter
op voorhand
te worden
vastgesteld
dat de aard
van dergelijke
informatie
alsmede
de wettelijke
taak van
deze diensten
impliceren
dat de bruikbaarheid
van deze
informatie
in het strafproces
ook bij
aanvaarding
en inwerkingtreding
van dit
wetsvoorstel
niet ongelimiteerd
zal zijn.
Het belang
van staatsveiligheid
prevaleert
boven het
belang van
strafvordering,
zo volgt
ook uit
de Wet op
de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
2002. Dat
belang,
en het daarmee
verbonden
belang van
het voorkomen
van ernstige
aanslagen,
moet niet
in gevaar
worden gebracht
doordat
ongeacht
welke prijs
informatie
in een strafzaak
wordt geopenbaard.
De
bestrijding
van terrorisme
wordt
gecoördineert
door de
Natioale
coördinator
terrorismebestrijding,
Joustra.
Bedoeling
is dat
de werkzaamheden
bij de
departementen
van Justitie
en Binnenlandse
Zaken
en Koninkrijksrelaties
worden
samengebracht
binnen
zijn eenheid.
(NCTb)
Voor het
verwerven
combineren,
analyseren,
veredelen
en gebruiken
van
informatie
wordt
een andere
organisatie
opgezet.
Onder
leiding
van het
NCTb wordt
een expertise-
en analysecentrum
gevormd,
waarin
naast
de AIVD
en de
politie,
ook de
MIVD,
de IND,
de Kmar,
de FIOD/ECD,
de Douane
en Buitenlandse
Zaken
en eventuele
andere
partners
participeren.
Dit centrum
gaat
- integrale
(regionale,
nationale
en internationale)
dreigingsanalyses;
- analyses
ten behoeve
van het
Nationaal
Alerteringssysteem;
- analyses
ten aanzien
van Bewaking
en Beveiliging;
- specifieke
analyses
op verzoek
van bijvoorbeeld
gemeenten
(onder
andere
ten behoeve
van evenementen
of andere
soft targets).
Al een
tijd worden
zo'n 100
- 150
mensen
ivm terrorisme
in de
gaten
gehouden.
'Het gaat
daarbij
niet om
personen
die zijn
te typeren
als "hard
core"
terroristen
van wie
een acuut
gevaar
uitgaat
of ten
aanzien
van wie
concrete
vermoedens
bestaan
van betrokkenheid
bij aan
terrorisme
gerelateerde
strafbare
feiten;
het betreft
personen
die in
eerdere
of nog
lopende
onderzoeken
van de
AIVD en
politie,
op enig
moment
naar voren
zijn gekomen
als mogelijke
schakels
in terroristische
netwerken."
In dit
kader
werken
de AIVD,
politie,
OM en
IND nauw
samen.
De MIVD
wil ook
gaan meedoen.
Informatie-uitwisseling
tussen
deze diensten
gaat via
de CT(Contra-Terrorisme)-infobox.
Deze CT-infobox
is een
informatieknooppunt
en analyse-eenheid.
Verschillende
informatiebestanden
worden
zo met
elkaar
gecombineerd.
NAV deze
informatie
wordt
besloten
wat het
traject
is: die
kan bestaan
uit a)
strafrechtelijk
ingrijpen,
b) vreemdelingrechtelijk
optreden,
c) inlichtingenmatig
observeren
of d)
verstoren.
Verstoren
van activiteiten
Eén
van de
opties
die bovenstaande
diensten
kunnen
kiezen
is het
verstoren
van iemands
activiteiten.
Volgens
de regering
kan deze
optie
gekozen
als 'tijdens
het monitoren
aan terrorisme
gerelateerde
activiteiten
worden
geconstateerd,
die niet
tevens
als strafbare
feiten
kunnen
worden
getypeerd'.
De betrokken
persoon
zou vervolgens
'zodanig
"in
de gaten
gehouden
moeten
worden"
dat hem
en zijn
omgeving
duidelijk
wordt
dat hij
onderwerp
is van
enigerlei
vorm van
overheidsoptreden,
zonodig
met gebruikmaking
van andere
wettelijke
bevoegdheden,
zodat
de persoon
feitelijk
geen rol
meer zal
kunnen
spelen
in aan
terrorisme
gerelateerde
zaken.'
Aansturen
verstoringsacties.
De minister
van Justitie
wordt
verantwoordelijk
voor de
algemene
aanpak
bij de
verstoringsacties.
De regering
verwacht
namelijk
dat er
verschillende
diensten
bij betrokken
kunnen
worden
en wil
dat de
acties
wel direct
kunnen
worden
doorgezet.
De KLPD/UTBT
krijgt
een centrale
rol bij
de bewaking
van de
samenhang
van de
verschillende
feitelijke
acties
die in
het kader
een verstoringsactie
worden
ondernomen.
Inzetten
vreemdelingenrecht
Vanaf
het moment
dat iemand
een visum
aanvraagt
moet getoetst
worden
of er
mogelijke
betrokkenheid
is bij
terrorisme.
Hetzelfde
geld voor
asielaanvragen.
Instapcontroles
en gate-checks
door de
KMAR moeten
ook als
extra
controlepunt
gaan dienen.
Uitbreiding
mogelijkheden
Verkennend
onderzoek
Sinds
2001 is
het mogelijk
voor de
politie
om 'verkennend
onderzoek'
te verrichten.
Het is
bv een
scan van
activiteiten
van transportondernemingen
in een
streek
of horecafraude
in een
stad.
Bij zo'n
verkennend
onderzoek
kan de
politie
inzage
krijgen
in andere
openbare
registers.
De regering
wil in
het kader
van onderzoeken
naar terroristische
misdrijven
de politie
ook toegang
geven
tot andere
instanties
dan overheidsinstanties.
Ook zouden
die gegevens
gekoppeld
moeten
kunnen
worden
aan gegevens
die al
bij de
politie
bekend
zijn.
Uitbreiding
Preventief
fouilleren
Nu kan
preventief
fouilleren
worden
toegepast
in van
te voren
vastgelegde
gebieden.
Het kabinet
wil de
wet zodanig
wijzigen
dat het
mogelijk
wordt
'dat in
verband
met een
(dreigende)
terroristische
aanslag
de officier
van justitie
in een
aangewezen
gebied
(bijvoorbeeld
vervoersassen
zoals
een autosnelweg
of een
treintraject)
een ieder
kan laten
fouilleren
en verpakkingen
en vervoersmiddelen
kan laten
doorzoeken'.
Uitbreiding
opsporingsbevoegdheden
(afluisteren,
observeren,
e.d.)
Deze bevoegdheden
zijn voor
de politie
geregeld
in de
Wet Bijzondere
opsporingsbevoegdheden
(BOB)
en voor
de AIVD?MIVD
in de
Wet op
de Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten
(WIV).
De inzet
van bijzondere
opsporingsbevoegdheden
door de
politie
kan als
er sprake
is van
'een georganiseerd
verband'.
Nu wil
het kabinet
uitbreiding
om ook
bij 'onvoldoende
aanwijzingen
van een
dergelijk
verband
onderzoek
naar het
beramen
van ernstige
strafbare
feiten
te kunnen
doen,
waarbij
geen eis
van verdenking
van een
concreet
misdrijf
wordt
gesteld'.
Voorlopige
vrijheidsbeneming
De regering
wil de
mogelijkheid
openen
om verdachten
van terroristische
misdrijven,
ook als
zij in
eerste
instantie
voor betrekkelijk
lichte
vergrijpen
worden
gearresteerd,
voor langere
tijd in
bewaring
te kunnen
stellen
Voor de
rechter
brengen
Momenteel
is wettelijk
geregeld
dat iedereen
binnen
106 dagen
na zijn
of haar
arrestatie
voor de
rechter
moet verschijnen.
De regering
wil deze
termijn
voor van
terrorismeverdachte
personen
verlengen.
Het kabinet
wil deze
regeling
aldus
herzien
'dat het
langer
onvolledig
houden
van de
processtukken
bij terrorisme
mogelijk
wordt'.
Aanpak
ondersteuners
van terrorisme
Onderzocht
worden
de mogelijkheden
een vordering
bij de
rechtbank
tot ontbinding
van een
rechtspersoon
te bewerkstelligen,
een verzoek
tot verbodenverklaring,
een verzoek
aan bestuurders
om inlichtingen
bij ernstige
twijfel
of destatuten
te goeder
trouw
worden
nageleefd
of het
bestuur
naar behoren
wordt
gevoerd
of het
vorderen
van ontslag
van bestuurders
bij wanbeheer.
De
Koninklijke
Marechaussee
gaat (net
als de KLPD
al doet)
technische
ondersteuning
geven aan
de MIVD
en AIVD
De
procedures
voor de
inzet van
bijzondere
bevoegdheden
(afluisteren,
hacken,
observeren,
inzet agenten,
etc.) worden
vereenvoudigd.
Als voorbeeld
noemt Remkes
dat voor
de inzet
van agenten
de minister
nu elke
drie maanden
opnieuw
toestemming
moet geven,
terwijl
de operaties
meestal
langer duren.
De
Nationale
Sigint Organisatie
(NSO), de
afluisterpost
die alles
wat door
de ether
gaat opvangt,
wordt verzelfstandigt.
Nu valt
deze dienst
nog onder
de MIVD.
Aan
de hand
van een
evaluatie
van de Wet
Veiligheidsonderzoeken
wordt gekeken
of er iets
verandert
moet worden
aan de screeningen
Het
ministerie
van Buitenlandse
Zaken kan
ook opdrachten
gaan geven
aan de AIVD/MIVD
in het kader
van hun
inlichtingentaak
buitenland.
Alle
ambtenaren
van de belastingdienst
krijgen
de plicht
gegevens
die van
belang zijn
voor de
AIVD/MIVD
te melden.
Meldingsplicht
voor andere
ambtenaren
wordt onderzocht.
Onderzocht
wordt of
ook bijvoorbeeld
de FIOD
of andere
diensten
kunnen worden
ingezet
bij de technische
ondersteuning
van de AIVD/MIVD
Na
de aanslagen
van 11 september
2001 is
aan het
vraagstukmisbruik
van non-profitorganisaties
en «charities»
(goede doelen
organisaties)
in internationaal
verband
hoge prioriteit
gegeven.
Gebleken
was dat
een aantal
van dergelijke
organisaties
een belangrijke
rol speelden
bij de financiering
van terrorisme.
Een van
de belangrijkste
speciale
aanbevelingen,
die de FATF
(Financial
Action TaskForce
on money
laundring
and terrorismfinancing)
in oktober
2001 uitvaardigde,
was dan
ook dat
landen hun
wet- en
regelgeving
zouden moeten
doorlichten
teneinde
zeker te
stellen,
dat misbruikvia
deze entiteiten
wordt bestreden.
Mede in
antwoord
op deze
internationale
verplichtingen
is door
een werkgroep
van het
Financieel
Expertise
Centrum1,
op verzoekvan
het ministerie
van Financiën,
de Nederlandse
regelgeving
en de implementatie
daarvan
doorgelicht.
Allereerst
was er de
constatering
dat in Nederland
organisaties
betrokken
waren bij
de financiering
van terrorisme
of organisatorisch
zijn gelieerd
aan organisaties
die in internationaal
kader met
terrorisme
in verband
zijn gebracht.
De middelen
van deze
organisaties
zijn bevroren.
De tweede
constatering
was dat,
hoewel zeker
geen misbruik
op grote
schaal is
gebleken,
de Nederlandse
wet- en
regelgeving,
alsmede
de implementatie
daarvan,
bijzonder
summier
is. Hierdoor
kan (ongemerkt)
misbruikop
grotere
schaal niet
worden uitgesloten
en is optreden
daartegen
niet gemakkelijk.
Gesignaleerd
zijn met
name zwakheden
in registratie,
toezicht
en transparantie.
Dit
rapport
schetst
de resultaten
van AIVD-onderzoek
naar de
betaling
van imams,
moskeeën
en islamitische
organisaties
vanuit
Saoedi-Arabië
door de
overheid,
non-gouvernementele
organisaties
en individuen
en de
effecten
daarvan
op radicaliseringsprocessen
onder
kleine
delen
van de
moslimgemeenschap
in Nederland.
De
regering
heeft
de Saoedische
ambassadeur
in Nederland
te kennen
gegeven
zich grote
zorgen
te maken
over de
schadelijke
effecten
van de
salafitische
zendingsactiviteiten
op moslims
in Nederland.
De ambassadeur
heeft
begrip
getoond
voor de
Nederlandse
zorgen
en inmiddels
openheid
betracht
over financieringsactiviteiten
van zijn
ambassade.
Dit is
in lijn
met het
door zijn
regering
in Ryad
na de
bloedige
aanslagen
van 12
mei 2003
sterk
geïntensiveerde
beleid
om extremisme
en terrorisme
in eigen
land te
bestrijden
en de
controle
op de
eigen
instituties
te verstevigen.
Daarbij
wordt
een grote
mate van
bereidheid
tot samenwerking
aan de
dag gelegd,
ook in
de sfeer
van de
veiligheidsdiensten.
Beter
voorbereid
te zijn
op toekomstige
crises:
dat beoogt
het kabinet
met het
beleidsplan
Crisisbeheersing
2004-2007.
De bedoeling
is de effectiviteit
en de kwaliteit
van het
stelsel
van crisisbeheersing
te versterken
en te verbeteren.
Op deze
manier wil
het kabinet
bijdragen
aan een
weerbare,
robuuste
en daardoor
veiliger
samenleving.
Het Beleidsplan
was aangekondigd
in de brief
die het
kabinet
naar de
Tweede Kamer
had gestuurd
naar aanleiding
van de aanslag
in Madrid
op 11 maart
2004.
Belangrijkste
maatregelen
uit het
Beleidsplan:
Om
de sturing
te verbeteren,
wordt de
Raad voor
de Veiligheid
en Rechtsorde
(RvdVR)
de vaste
onderraad
van de ministerraad
voor alle
terreinen
uitgezonderd
terreurbestrijding
- van crisisbeheersing.
Het kabinet
wijst de
minister
van BZK
aan als
coördinerend
minister
voor crisisbeheersing.In
eerste instantie
is een vakminister
vaak
in tandemverband
met de minister
van BZK
verantwoordelijk
van de aanpak
van een
crisis.
Het blijkt
in de praktijk
lastig aan
alle partijen
te communiceren
welke operationele
inzet precies
vereist
is. Daarom
komt er
een eenduidig
landelijk
alerteringssysteem.
Dit systeem
is ook bedoeld
als communicatiemiddel
voor de
burgers.
Om de communicatie
verder te
verbeteren,
besluit
het kabinet
tot de oprichting
van een
Expertisecentrum
voor risico-
en crisiscommunicatie.
Er komen
vaker grootschalige
oefeningen
op politiek-bestuurlijk
niveau om
één
en ander
in de praktijk
te trainen.
Op decentraal
niveau gaan
de veiligheidsregios
het hart
vormen van
de crisisbeheersingsorganisatie.
Het bedrijfsleven
beheert
het overgrote
deel van
de vitale
infrastructuur.
Ze zijn
zelf eerstverantwoordelijk
voor de
crisisbeheersing.
De overheid
ziet hierop
echter scherp
toe en zal
hierbij
ondersteunen,
bijvoorbeeld
door het
delen van
informatie
en het houden
van oefeningen
De
mogelijkheden
om informatie
van de Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD) in
het strafproces
te gebruiken,
worden verruimd.
Ambtenaren
van de dienst
kunnen bij
de rechter-commissaris
uitgebreider
ingaan op
de inhoud
van hun
ambtsberichten.
Daarnaast
wordt een
afgeschermd
getuigenverhoor
mogelijk.
Ook mag
de rechter
ambtsberichten
van de AIVD
rechtstreeks
als bewijs
meewegen.
De ministerraad
heeft daar
op voorstel
van minister
Donner van
Justitie
mee ingestemd.
Het kabinet
wil met
dit voorstel
betere en
duidelijkere
voorwaarden
scheppen
om informatie
van inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
te gebruiken
bij de opsporing
en vervolging
van terroristen.
29
april
2004
Joustra
gaat aanpak
terrorisme
coördineren
Justitie
Minister
Donner heeft
mr. T.H.J.
Joustra
benoemd
tot Coördinator
Terrorismebestrijding.
Joustra
wordt aangesteld
als Voorzitter
van het
Gezamenlijk
Comité
Terreurbestrijding,
het ambtelijk
voorportaal
voor de
nieuwe Onderraad
voor Inlichtingen,
Veiligheid
en Terreurbestrijding.
Joustra
moet ervoor
zorgen dat
de departementen
voldoende
samenwerken
bij de terreurbestrijding.
Het gaat
om een tijdelijke
aanstelling,
voorlopig
tot eind
van dit
jaar.
Joustra
werkte bij
het UWV
en was hij
jarenlang
secretaris-generaal
van het
ministerie
van Landbouw.
Het
Algemeen
Dagblad
vatte het
debat als
volgt samen:
"Het
kabinet
deed toezeggingen
na forse
kritiek
van VVD-fractieleider
Van Aartsen
dat het
'laks en
naief' was
tegenover
het internationaal
terrorisme.
CDA'er Verhagen
steunde
hem daarin
grotendeels."
"Premier
Balkenende
kondigde
aan dat
hij een
onderraad
van de ministerraad
instelt,
die zich
zal bezighouden
met terrorismebestrijding.
Donner zal
dit overleg
coordineren.
Balkenende
zit de vergaderingen
voor. Hiermee
komt het
kabinet
gedeeltelijk
tegemoet
aan een
voorstel
van CDA-fractieleider
Verhagen,
die gisteren
pleitte
voor een
nationale
veiligheidsraad
onder leiding
van de minister-president",
aldus het
AD
Antwoorden
van de minister
van Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
op de schriftelijke
vragen van
het Tweede
Kamerlid
Wilders
(VVD) over
een mogelijke
'Hollandse
link' met
de aanslagen
in Madrid
(ingezonden
18 maart
2004)
Minister
Donner van
Justitie
heeft vandaag
in de Verenigde
Staten nieuwe
afspraken
gemaakt
met zijn
collega
Attorney
General
Ashcroft.
Dit is gebeurd
op het terrein
van drugs-
en terreurbestrijding
en strafrechtelijke
samenwerking.
Het vormt
een aanvulling
op de afspraken
die zijn
gemaakt
tijdens
de besprekingen
in maart
2003 in
Nederland.
De zogenaamde
Agreed Steps.
Op het terrein
van terreurbestrijding
is afgesproken
dat de VS
en Nederland
de contacten
zullen intensiveren.
Het doel
is om te
komen tot
verbeterde
uitwisseling
van gegevens
en inlichtingen.
Het idee
is om op
expert-niveau
kennis en
ervaring
op dit terrein
te delen.
Het kan
gaan om
uitwisseling
in een vroeg
stadium
van nieuwe
onderzoeken.
Daarnaast
zal speciale
aandacht
worden gegeven
aan het
gebruik
van valse
reisdocumenten
en personen
of organisaties
die terroristen
of hun organisaties
ondersteunen.
Minister
Donner heeft
in zijn
gesprek
een toelichting
gegeven
op de nieuwe
wetsvoorstellen
die op dit
moment in
het parlement
liggen.
Het gaat
hier om
de wetsvoorstellen
terroristische
misdrijven
en het strafbaarstellen
van het
rekruteren
van terroristen
en maatregelen
die zijn
voorgesteld
voor het
verbieden
van rechtspersonen
zoals een
terroristische
organisatie.
Minister
Donner heeft
zijn collega's
ook geïnformeerd
over de
verklaring
van de Europese
Raad over
terrorisme
waarin de
EU reageert
op de aanslagen
in Madrid.
Naast het
aanstellen
van een
nieuwe veiligheidscoördinator
is ook een
nieuw Actieplan
terrorisme
vastgesteld.
Precies
twee en
een half
jaar na
de aanslagen
in de Verenigde
Staten is
nu ook Madrid
het slachtoffer
geworden
van zeer
gewelddadige
en bloedige
aanslagen.
Aan het
leven van
190 mensen
is op gruwelijke
wijze een
einde gekomen,
1500 mensen
zijn gewond
en voor
het leven
getekend.
Het kabinet
veroordeelt
deze aanslagen
in de scherpste
bewoordingen.
Niets rechtvaardigt
deze daden.
Het kabinet
spreekt
zijn diepe
medeleven
uit met
de slachtoffers
en hun nabestaanden.
De aanslag
is een aanslag
tegen de
Westerse
samenlevingen.
Nederland
is zo'n
samenleving
en daarom
kan niet
verzekerd
worden dat
Nederland
gevrijwaard
zal blijven
van aanslagen.
Er
komen meer
mogelijkheden
om internationaal
terrorisme
aan te pakken.
Organisaties
die op terrorismelijsten
van de Europese
Unie staan,
kunnen in
Nederland
door de
rechter
worden verboden.
Ook kunnen
activiteiten
worden stopgezet
van buitenlandse
organisaties
die handelen
in strijd
met de openbare
orde in
Nederland.
Deze twee
nieuwe regelingen
staan in
een wetsvoorstel
dat minister
Donner binnenkort
naar de
ministerraad
stuurt.
Het wetsvoorstel
moet de
mogelijkheden
uitbreiden
om binnen
het civiel
recht het
internationaal
terrorisme
te bestrijden.
Voordat
de organisaties
worden aangepakt,
moet de
rechter
verklaren
dat gehandeld
is in strijd
met de openbare
orde. Hiervoor
dient het
Openbaar
Ministerie
eerst een
verzoek
in. De rechter
beoordeelt
hierop het
maatschappelijk
doel en
de werkzaamheden
van de organisatie,
en bepaalt
vervolgens
of ze in
strijd zijn
met de openbare
orde.
Met de plaatsing
op een EU-lijst
zijn automatisch
alle tegoeden
en economische
middelen
bevroren.
Bovendien
is het verboden
om financiële
diensten
te verrichten
voor of
tegoeden
ter beschikking
te stellen
aan dergelijke
organisaties.
Een verbodverklaring
van een
organisatie
is niet
hetzelfde
als een
ontbinding
van de organisatie.
Iemand die
de activiteiten
van een
verboden
organisatie
voortzet,
is wel strafbaar.
Minister
Remkes (Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties)
heeft een
notitie
over potentiële
dan wel
daadwerkelijke
islamistische
terroristen
in Nederland
naar de
Tweede Kamer
gestuurd.
De notitie
is een reactie
op vragen
die mevrouw
mr. N.A.
Kalsbeek
tijdens
het Algemeen
Overleg
Bestrijding
internationaal
terrorisme
van 30 september
2003 aan
minister
Remkes heeft
gesteld.
Mevrouw
Kalsbeek
vroeg om
een schets
van potentiële
dan wel
daadwerkelijke
islamistische
terroristen
in Nederland.
De
vaste commissie
voor Justitie
, belast
met de behandeling
van de brief
van de minister
voor Vreemdelingenzaken
en Integratie
van 3 november
2003 (27925,
nr. 103),
heeft de
eer verslag
uit te brengen
in de vorm
van een
lijst van
vragen.
De vragen
zijn met
de door
de minister
bij brief
van 27 februari
2004 toegezonden
antwoorden
hier afgdrukt.
Het
Financieel
Expertisecentrum
(FEC)* heeft
een quick
scan uitgevoerd
naar de
vraag of
en in welke
mate non-profitorganisaties
kwetsbaar
zijn voor
misbruik,
met name
in het kader
van de bestrijding
van terrorismefinanciering.
Uit het
rapport
blijkt dat
er een te
beperkt
en te gefragmenteerd
beeld is
om eenduidige
conclusies
te trekken
over de
vraag of
er in Nederland
een probleem
bestaat.
De studie
hangt samen
met de aanslagen
van 11 september
2001. Deze
aanslagen
leidden
tot een
internationale
aanbeveling
van de Financial
Action Task
Force on
money laundering
(FATF)**
dat landen
misbruik
van non-profitinstellingen
voor terrorismefinanciering
moeten voorkomen.
De
vaste commissie
voor Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties,
de commissie
voor de
Rijksuitgaven
en de vaste
commissie
voor Justitie
hebben op
5 februari
2004 overleg
gevoerd
met minister
Remkes van
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
over:
- het rapport
van de Algemene
Rekenkamer
Uitwisseling
van opsporings-
en terrorisme-informatie
(28845,
nr. 1);
- de lijst
van vragen
en antwoorden
naar aanleiding
van het
rapport
van de Algemene
Rekenkamer
Uitwisseling
van opsporings-
en terrorisme-informatie
(28845,
nr. 4).
Het
wetsvoorstel
is op 9
december
2003 aangenomen.
PvdA, D66,
VVD, ChristenUnie,
SGP, CDA
en LPF stemden
voor.De
fractie
van de PvdA
is daarbij
aantekening
verleent
voor die
onderdelen
die betrekking
hebben op
het strafbaar
stellen
van samenspanning.
In
NRC Handelsblad
van 24 november
2003 verscheen
een kritisch
artikel
over de
AIVD: 'AIVD
schiet tekort
in uitvoering
van kerntaken.'
Het artikel
zette vraagtekens
bij de waarde
van informatie
van de AIVD
in terrorisme-strafzaken.
Op 3 december
2003 reageerde
minister
Remkes van
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
in dezelfde
krant onder
de kop 'AIVD-informatie
niet bedoeld
voor strafproces'.
De minister
wil zo enkele
misverstanden
over (het
gebruik
van) AIVD-informatie
ontkrachten.
Zolang
de informatie
van de inlichtingendienst
AIVD niet
betrouwbaar
genoeg is,
is het geen
goed idee
met nieuwe
repressieve
wetgeving
op het terrein
van terroristische
misdrijven
te komen,
meent Louis
Sèvéke.
Over
de aansturing
van en de
controle
op de inlichtingendienst
AIVD is
de afgelopen
maanden
weer veel
te doen
geweest.
Helaas is
minder aandacht
uitgegaan
naar de
kernactiviteit
van de dienst:
levert hij
voldoende,
juiste en
betrouwbare
informatie
om het hoofd
te bieden
aan allerhande
bedreigingen
van de staatsveiligheid?
Internationaal
bestaat
er juist
op dat vlak
veel commotie.
Begonnen
de Amerikanen
en de Britten
immers niet
een oorlog
op grond
van onjuiste
of gemanipuleerde
inlichtingen?
In
mei 2003
zond ik
uw Kamer
het aan
mij uitgebrachte
advies "Vreemdelingenbeleid
en terrorismebestrijding"
van de Adviescommissie
voor Vreemdelingenzaken
(ACVZ).
De ACVZ
is een bij
(de Vreemdelingen)wet
ingesteld
adviesorgaan
in de zin
van de kaderwet
adviescolleges,
dat tot
taak heeft
de regering
te adviseren
over het
vreemdelingenrecht
en vreemdelingenbeleid.
In
deze brief
treft uw
Kamer mijn
reactie
op dit advies
aan, mede
namens mijn
ambtsgenoten
van Buitenlandse
Zaken, Justitie,
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
en Defensie.
Hieronder
volgt een
samenvatting
van het
advies,
een korte
algemene
reactie
en de reactie
op de aanbevelingen
uit het
advies.
Tijdens
de eerste
termijn
van het
algemeen
overleg
over de
notitie
'Terrorisme
en de bescherming
van de samenleving'
(Kamerstukken
II 2002/2003,
27 925,
nr. 94)
en enkele
andere stukken
inzake de
bestrijding
van het
internationaal
terrorisme
dat plaatsvond
op 30 september
jl. is mij
verzocht
Uw Kamer
een samenhangende
notitie
te doen
toekomen
over het
gebruik
van informatie
van inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
in het strafproces.
Voorts is
mij verzocht
deze notitie
zo mogelijk
nog voor
de tweede
termijn
van het
algemeen
overleg
aan Uw Kamer
toe te zenden.
Tegen toezending
van een
dergelijke
notitie
binnen de
voorgestelde
tijdspanne
heb ik tijdens
het overleg
ingebracht
dat in dat
geval de
notitie
vooruit
zou lopen
op rechtspraak
waarin het
gebruik
van AIVD-informatie
in het strafproces
aan de orde
is. Uw Kamer
heeft hiervoor
begrip getoond,
maar vroeg
mij wel
om binnen
de gestelde
termijn
een overzicht
te verstrekken
van de onderwerpen
die in de
samenhangende
notitie
worden besproken.
Gaarne voldoe
ik met het
onderstaande
aan dit
verzoek
Proces
visumverlening
functioneert
niet goed
Geen garanties
voor veiligheid;
risico van
illegaal
verblijf
Hoewel er
jaarlijks
rond de
400.000
visa voor
het Schengengebied
bij Nederland
worden aangevraagd,
weet de
overheid
niet hoeveel
vreemdelingen
er jaarlijks
Nederland
en daarmee
het Schengengebied
binnenkomen
en uitgaan.
Dit komt
doordat
de registratiesystemen
tekortschieten.
De behandeling
van aanvragen
en toekenning
van visa,
die voor
95% door
de Nederlandse
ambassades
in het buitenland
gebeurt,
wisselt
sterk in
kwaliteit.
Op dit moment
zijn er
onvoldoende
garanties
voor het
beperken
van veiligheidsrisico's
in verband
met terrorisme
en criminaliteit,
en bestaat
het risico
van illegaal
verblijf.
Dit staat
in het rapport
Visumverlening
in Schengenverband,
dat de Algemene
Rekenkamer
vandaag
publiceert.
Bij de visumverlening
zijn veel
actoren
betrokken.
Voor Nederland
zijn de
belangrijkste
instanties
in deze
zogenoemde
visumketen:
de ambassades
en beleidsdirecties
van het
Ministerie
van Buitenlandse
Zaken, de
Immigratie-
en Naturalisatiedienst
en de Visadienst
van het
Ministerie
van Justitie,
de Vreemdelingendiensten,
de Koninklijke
Marechaussee
en de Zeehavenpolitie.
Gehoord
werden mr.
dr. H.G.
van der
Wilt, UvA,
prof. Y.
Buruma,
KUN, mevr.
dr. B. Bo
hler, advocatenkantoor
Bohler,
Franken,
Koppe en
Wijngaarden,
prof. dr.
mr. E.R.
Muller,
COT.
Met
belangstelling
heb ik kennisgenomen
van het
nader verslag,
vastgesteld
op 12 september
2003. Graag
maak ik
van de gelegenheid
gebruik,
op de in
het verslag
gemaakte
opmerkingen
te reageren
en de gestelde
vragen te
beantwoorden.
De
vaste commissie
voor Justitie1
heeft, na
kennisneming
van de nota
naar aanleiding
van het
verslag
en de tweede
nota van
wijziging
besloten
een nader
verslag
uit te brengen.
De commissie
voert als
reden voor
haarbesluit
aan, dat
de tweede
nota van
wijziging
een tweetal
ingrijpendewijzigingen
bevat ten
opzichte
van het
oorspronkelijke
wetsvoorstel,
namelijk
de voorgestelde
strafbaarstelling
van rekrutering
ten behoeve
van de jihad
en de voorgestelde
strafbaarstelling
van samenspanning
tot bepaalde
terroristische
misdrijven.
De commissie
heeft tegen
die achtergrond
de behoefte
nog enkele
opmerkingen
te maken
en vragen
ter beantwoording
aan de regering
voor te
leggen.
Er
zijn maatregelen
vastgesteld
tegen bepaalde
personen
en entiteiten
met het
oog op de
strijd tegen
het terrorisme.
Deze maatregelen
omvatten
met name
maatregelen
met betrekking
tot het
bevriezen
van tegoeden,
financiële
middelen
en economische
middelen
die in bezit
of eigendom
zijn van
of gehouden
worden door
aangewezen
natuurlijke-
of rechtspersonen,
groepen
of entiteiten.
Aan genoemde
groepen,
entiteiten
of personen
mogen direct
noch indirect
tegoeden,
financiële
middelen
en economische
middelen
ter beschikking
worden gesteld.
Het is verboden
willens
en wetens
deel te
nemen aan
activiteiten
die ertoe
strekken
of tot gevolg
hebben dat
vorenstaande
maatregelen
worden ontdoken.
De nationale
bepalingen
zijn opgenomen
in de Sanctieregeling
terrorisme
2002, Sanctieregeling
terrorisme
2002 II,
Sanctieregeling
terrorisme
2002 III
en de Sanctieregeling
meldplicht
transacties
terrorisme.
Bij
Gemeenschappelijk
Standpunt
2001/931/GBVB
(PbEG L
341 van
28 december
2001) zijn
met ingang
van 27 december
2001 bepalingen
vastgesteld
betreffende
de toepassing
van specifieke
maatregelen
ter bestrijding
van het
terrorisme.
Bij dit
gemeenschappelijk
standpunt
is onder
andere aangegeven
wat onder
terroristische
daden begrepen
moet worden.
In de bijlage
bij dit
standpunt
zijn personen,
groepen
en entiteiten
vermeld
die betrokken
zijn bij
terroristische
daden. Bij
het Gemeenschappelijk
Standpunt
2002/847/GBVB
(PbEG L
295 van
30 oktober
2002) zijn
Jose Maria
Sison en
de New Peoples
Army aan
de bijlage
toegevoegd.
Bij
het Gemeenschappelijk
Standpunt
2003/482/GBVB
(PbEU L
160 van
28 juni
2003) is
een nieuwe
lijst van
personen,
groepen
en entiteiten
vastgesteld;
Gemeenschappelijk
Standpunt
2003/402/GBVB
is daarbij
ingetrokken.
Bij
het Gemeenschappelijk
Standpunt
2003/651/GBVB
(PbEU L
229 van
13 september
2003) is
een nieuwe
lijst van
personen,
groepen
en entiteiten
vastgesteld;
Gemeenschappelijk
Standpunt
2003/482/GBVB
is daarbij
ingetrokken.
Op
24 juni
2003 is
aan de Tweede
Kamer toegezonden
de notitie
`terrorisme
en de bescherming
van de samenleving'
(Kamerstukken
II 2002/03,
27 925,
nr. 94).
In deze
notitie
is aangegeven
welke maatregelen
de regering
nodig acht
om op een
effectieve
wijze terroristische
activiteiten
aan te pakken.
Daartoe
behoren
ook maatregelen
die zien
op verbetering
van een
op terrorismebestrijding
afgestemde
juridische
infrastructuur.
Aangekondigd
wordt een
aanpassing
van het
Wetboek
van Strafrecht,
strekkend
tot strafbaarstelling
van rekrutering
ten behoeve
van de jihad,
alsmede
strafbaarstelling
van samenspanning
tot het
begaan van
terroristische
misdrijven.
In deze
nota van
wijziging
zijn beide
maatregelen
uitgewerkt
en ondergebracht
in het wetsvoorstel
terroristische
misdrijven.
25
juli 2003
Contraterrorisme
in Nederland
drs. E.S.M.
Akerboom,
Directeur
democratische
rechtsorde
Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD)
11
September
heeft op
pijnlijke
wijze duidelijk
gemaakt
dat terrorisme
een bedreiging
van de nationale
veiligheid
vormt. Nationaal
en internationaal
staat terrorismebestrijding
dan ook
hoog op
de politieke
agenda.
Drs. E.S.M.
Akerboom,
directeur
democratische
rechtsorde
van de Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst,
schreef
in het juninummer
van het
Tijdschrift
voor de
Politie
een artikel
over contraterrorisme
in Nederland.
Dit artikel
schetst
(de radicalisering
van) het
islamistisch
terrorisme
in Nederland
en de werkwijze
van de AIVD.
Hierbij
wordt gewezen
op het grote
belang van
een intensieve
samenwerking
tussen de
AIVD en
de politie.
Tot
tweemaal
toe leidde
rechtszaken
tegen vermeende
moslim-terroristen
in Rotterdam,
die gebaseerd
waren op
informatie
van de Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD) tot
vrijspraak
van de verdachten.
Dit deed
de discussie
weer oplaaien
over een
wetswijziging,
die mogelijk
moet maken
dat informatie
van de AIVD
gebruikt
kan worden
in processen
tegen terroristen.
Minister
van Justitie
Donner kondigde
op 20 juni
aan een
wetswijziging
voor te
bereiden.
Glijdt Nederland
alsnog af
naar een
geheime
dienststaat?
Terrorisme
vormt een
bedreiging
voor de
veiligheid
van de samenleving.
Er worden
diverse
instrumenten
ingezet
om daar
in te kunnen
grijpen
waar de
(voorgenomen)
acties kunnen
leiden tot
een doelbewuste
ontwrichting
van de samenleving.
Naast de
bestaande
instrumenten,
stelt het
kabinet
voor enkele
nieuwe maatregelen
te ontwikkelen
Het
hoofd van
de Algemene
inlichtingen-en
veiligheidsdienst
(AIVD) en
de hoofddirecteur
van de Immigratie
en naturalisatiedienst
(IND), Overwegende
dat de AIVD
en de IND
bij de uitvoering
van hun
wettelijke
taken belang
hebben bij
gegevens
waarover
de andere
partij beschikt
en partijen
deze gegevens
aan elkaar
wensen te
verstrekken;
Komen met
inachtneming
van de daarvoor
geldende
wettelijke
bepalingen,
in het bijzonder
de artikelen
17, 36 e.v.
van de Wet
op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
(Wiv 2002),
alsmede
de artikelen
107 en 107a
van de Vreemdelingenwet
2000 (Vw
2000), tot
de volgende
afspraken:
Bij
brief van
17 december
2002 bent
u in kennis
gesteld
van het
standpunt
van het
kabinet
naar aanleiding
van de bevindingen
van de Commissie
feitenonderzoek
inzake de
veiligheid
en beveiliging
van de heer
W.S.P. Fortuyn.
In dit kader
informeren
wij u thans
nader over
de voornemens
met betrekking
tot een
nieuw stelsel
van bewaken
en beveiligen.
De
werkgroep
Terrorismefinanciering
en terrorismebestrijding
bestaat
uit vertegenwoordigers
van de Algemene
Inlichtingen
en Veiligheidsdienst,
de Autoriteit
Financiële
Markten,
Belastingdienst/Amsterdam,
De Nederlandsche
Bank, FIOD-ECD,
Korps Landelijke
Politiediensten,
Meldpunt
Ongebruikelijke
Transacties,
Openbaar
Ministerie,
Pensioen-
& Verzekeringskamer
en Politie
Amsterdam-Amstelland.
In de periode
maart 2002
tot en met
mei 2003
heeft de
werkgroep
de onderhavige
rapportage
geschreven
over de
financiering
van terrorisme.
Deze rapportage
is in het
kader van
de taakstelling
van het
FEC, de
bevordering
van de integriteit
van de financiële
sector,
geschreven
voor de
ministers
van Financiën,
Justitie
en Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties,
de FEC-participanten
en alle
andere instanties
die betrokken
zijn bij
de bestrijding
van terrorisme.
De werkgroep
beoogt met
deze rapportage
de kennis
over de
financiering
van terrorisme
te vergroten
en de taakuitoefening
van de FEC-participanten
te versterken.
De
Acvz heeft
een analyse
gemaakt
van internationale
maatregelen
ter bestrijding
van terrorisme
op het terrein
van het
vreemdelingenbeleid
en ook een
aantal nationale
veiligheidssystemen
op dit gebied
onder de
loep genomen.
Het resultaat
is een serie
concrete
aanbevelingen
om het veiligheidsbeleid
met betrekking
tot vreemdelingen
te verbeteren.
Daarbij
gaat het
niet alleen
om technische
voorzieningen
en wettelijke
maatregelen,
maar ook
om de human
intelligence,
d.w.z. het
optimaal
gebruik
van de ogen
en oren
van degenen
die in een
overheidsfunctie
met vreemdelingen
in aanraking
komen. Daartoe
is nodig
dat zij
allen doordrongen
zijn van
het belang
van alertheid
en het samenwerken
om incidentele
informatie
te bundelen.
Maatregelen
ter preventie
en bestrijding
van terrorisme
mogen nooit
resulteren
in een maatschappij
die vijandig
staat tegenover
vreemdelingen
in het algemeen
of een overheid
die alles
mag.
Dat vraagt
om het vinden
van een
balans tussen
veiligheid,
rechtvaardigheid
en vrijheid.
Die afweging
is de ACVZ
niet uit
de weg gegaan.
De kans
op terroristische
activiteiten
waar ook
ter wereld
is niet
uit te bannen
maar kan
door een
slimme en
efficiënte
inzet van
mensen en
middelen
wel degelijk
worden verkleind.
Daartoe
geeft dit
advies een
aantal bouwstenen.
Het
Kamerlid
Wilders
(VVD) heeft
minister
Remkes van
Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
gevraagd
de Tweede
Kamer een
brief over
het islamistisch
terrorisme
te sturen.
Aanleiding
tot dit
verzoek
vormde een
artikel
in NRC Handelsblad
van 5 april
2003 over
de gevaren
van Al Qa'ida
en andere
islamistische
en extremistische
organisaties.
Op 10 april
2003 heeft
minister
Remkes aan
dit verzoek
voldaan
Bij
de behandeling
van de Wet
bijzondere
opsporingsbevoegdheden
heeft de
Tweede Kamer
een motie
aanvaard,
waarin is
vastgelegd
dat de inzet
van
criminele
burgerinfiltranten
niet is
toegestaan
(Kamerstukken
II, 1998-99,
25
403 en 23
251, nr.
33). De
Kamer kwam
tot dit
besluit
op grond
van de
overwegingen
dat het
werken met
een criminele
burgerinfiltrant
een hoog
processueel
afbreukrisico
kent, het
handelen
van een
criminele
burgerinfiltrant
in het algemeen
slecht controleerbaar
is en omdat
vanwege
het veel
voorkomen
van een
dubbele
agenda
bij een
criminele
burgerinfiltrant
slecht
te controleren
is of deze
niet wordt
uitgelokt
strafbare
feiten te
plegen waarop
zijn opzet
niet al
was gericht
(het zogenaamde
Tallon-criterium).
De aanslag
van 11 september
2001 heeft
de wereld
geconfronteerd
met een
vorm van
misdadigheid,
i.c. het
internationaal
terrorisme,
die ons
ertoe dwingt
alles in
het werk
te stellen
nieuwe aanslagen
te voorkomen.
Dat geldt
met
name als
Nederland
een rol
kan spelen
in een internationaal
lopend
onderzoek.
Mijn ambtvoorganger
heeft de
heroverweging
van de opstelling
ten
opzichte
van de criminele
burgerinfiltrant
reeds aangekondigd
(zie onder
andere Kamerstukken
II, 2001-2002,
28 000 VI,
nr. 20,
p. 1366-1399).
Deze brief
strekt ertoe
hierover
een nadere
standpuntbepaling
te formuleren.
Kort
geleden
heb ik in
een internationaal,
strafrechtelijk
terrorismeonderzoek
moeten besluiten
van het
bestaande
beleid af
te wijken.
Keer
op keer
blijkt dat
er onvoldoende
controle
is op het
handelen
van de binnenlandse
veiligheidsdienst.
Ze kan haar
taakstelling
erg ruim
en creatief
interpreteren.
Het is tijd
voor een
parlementair
onderzoek
en duidelijker
regels.
Onderzoek
van de commissie
Van den
Haak, in
december
2002, toonde
aan dat
de voormalige
Binnenlandse
Veiligheidsdienst
(BVD) bepaald
weinig had
gedaan met
een opdracht
van voormalig
minister
De Vries
van binnenlandse
zaken. De
dienst had
niet de
gewenste
dreigingsanalyse
ten aanzien
van Pim
Fortuyn
verricht.
Deze week
doet zich
het spiegelbeeld
voor. Dezelfde
dienst heeft
in 2000
een soort
van veiligheidsonderzoek
gedaan naar
de gangen
van de destijds
beoogde
huwelijkspartner
van prinses
Margarita,
de heer
De Roy van
Zuydewijn.
Op eigen
initiatief.
De
werkgroep
had tot
taak te
bezien of
op grond
van de bestaande
regelgeving
voldoende
mogelijkheden
tot informatie-uitwisseling
bestaan,
in het bijzonder
op het terrein
van terrorismebestrijding,
en waar
dat niet
het geval
mocht zijn,
voorstellen
te doen
voor verbetering
hiervan.
In het rapport
worden drie
aanbevelingen
gedaan.
In de eerste
plaats wordt
aanbevolen
in de Wet
politieregisters
zogenaamde
themaregisters
in het leven
te roepen.
Met behulp
van themaregisters
kan een
bepaald
strafrechtelijk
relevant
thema worden
onderzocht,
in het bijzonder
terrorisme.
In het themaregister
kunnen gegevens
worden opgeslagen
over groepen
van onverdachte
personen
ten aanzien
van wie
aanknopingspunten
bestaan
dat zij
betrokken
kunnen zijn
bij het
beramen,
voorbereiden
of plegen
van misdrijven
die verband
houden met
het te onderzoeken
thema. Deze
aanbeveling
zal nader
worden uitgewerkt
en een wijziging
van de Wet
politieregisters
zal in voorbereiding
worden genomen.
De tweede
aanbeveling
heeft betrekking
op de gegevensverstrekking
door financiële
toezichthouders
aan de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten.
Er zijn
geen wettelijke
beletselen
om tot informatie-uitwisseling
te komen.
De werkgroep
beveelt
aan te bezien
of de Minister
van Financiën
een rol
zou kunnen
spelen bij
verzoeken
van inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
aan financiële
toezichthouders
tot verstrekking
van gegevens
in situaties
waarin deze
instanties
van mening
verschillen
over de
te maken
belangenafweging.
Daarbij
zou de belangenafweging
tussen enerzijds
een goede
(voortzetting
van de)
taakuitvoering
van de financiële
toezichthouders
en anderzijds
de taakuitvoering
van de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
door hem
kunnen geschieden.
Deze aanbeveling
zal ik in
overleg
met mijn
ambtgenoten
van Financiën
en van Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties
nader bezien.
De derde
aanbeveling
heeft betrekking
op het aftappen
van satellietcommunicatie
voor de
opsporing
van strafbare
feiten.
Onder andere
is informatie
ingewonnen
over de
technische
aspecten
van satellietcommunicatie.
Gelet op
de zeer
specifieke
technische
aard van
deze vorm
van telecommunicatie
en van de
wijzen waarop
deze vorm
van telecommunicatie
kan worden
afgetapt,
beveelt
de werkgroep
aan nader
onderzoek
te doen.
Hierbij
dient aan
de orde
te komen
de technische
mogelijkheden
voor het
gericht
onderscheppen
van satellietcommunicatie,
zowel met
medewerking
van de exploitant
van een
grondstation,
als zonder
dergelijke
medewerking.
Voldoende
inzicht
hierin is
nodig om
te kunnen
vaststellen
of wijziging
van het
Wetboek
van Strafvordering
noodzakelijk
is, om het
aftappen
van deze
vorm van
telecommunicatie
ten behoeve
van de opsporing
mogelijk
te maken.
Volgens
een voorzichtige
schatting
van de Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD) worden
in Nederland
enkele tientallen
jongeren
voorbereid
op deelname
aan de jihad,
de gewelddadige
islamitische
strijd.
De rekrutering
van deze
jongeren
is de uitdrukking
van een
sluipende
worteling
van een
gewelddadig
radicaal-islamitische
(islamistische)
stroming
in de Nederlandse
samenleving.
Volgens
minister
Remkes is
het uitermate
onwenselijk
dat in Nederland
levende
moslims
verstrikt
raken in
het web
van radicale
en gewelddadige
netwerken
en zo betrokken
raken bij
gevechtshandelingen
of terroristische
acties in
binnen-
en en buitenland.
Daarbij
moet volgens
hem voor
alles worden
voorkomen
dat er in
de samenleving
een kloof
ontstaat
tussen moslims
en niet-moslims.
Dit betekent
een brede
benadering,
waarin het
tijdig onderkennen
van rekruteringsactiviteiten
van belang
is, allereerst
in de islamitische
gemeenschap
zelf. Ouders,
imams en
moskeeën
hebben een
belangrijke
verantwoordelijkheid
zelf zo
vroeg mogelijk
op te treden
tegen rekruteringspogingen.
Ook moeten
opsporing
en vervolging
plaatsvinden
en moet
het integratiebeleid
met kracht
worden voortgezet.
Nadere
informatie
over het
actieplan
Terrorismebestrijding
en Veiligheid Bijna
een jaar
na de dramatische
gebeurtenissen
in de Verenigde
Staten lijkt
het ons
een goed
moment uw
Kamer op
de hoogte
te stellen
van de meest
recente
informatie
op het gebied
van de bestrijding
van terrorisme.
Recentelijk
heeft u
uit de media
kunnen vernemen
dat in de
afgelopen
maanden
in Europa
en onlangs
ook in Nederland
aanhoudingen
zijn verricht
van vermoedelijke
Al Qa'ida
terroristen.
Deze berichten,
een jaar
na de schokkende
gebeurtenissen
op 11 september
vorig jaar,
illustreren
dat de bestrijding
van terrorisme
door de
overheid
zeer serieus
wordt genomen.
Het kabinet
zal erop
blijven
toezien
dat alle
reeds ingezette
maatregelen
zoals uiteengezet
in het actieplan
Terrorismebestrijding
en Veiligheid
(5 oktober
2001) ten
behoeve
van de intensivering
van de strijd
tegen het
terrorisme
daadwerkelijk
zullen worden
uitgevoerd.
Indien nodig
zal het
kabinet
niet schromen
aanvullende
maatregelen
te nemen.
Heel
Nederland
kende de
Binnenlandse
Veiligheidsdienst,
de geheime
dienst die
waakte over
de staatsveiligheid.
Maar de
BVD is niet
meer. Sinds
eind mei
is een nieuwe
Wet op de
inlichtingen-
en veiligheidsdiensten
van kracht
en heet
de dienst:
Algemene
Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst
(AIVD).
Theo Bot
is als plaatsvervangend
hoofd de
tweede man
in de top
van de organisatie.
Wat heeft
een voormalig
officier
van justitie
te zoeken
bij de geheimste
afdeling
van het
ministerie
van Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties?
De
ministers
van Financën
en van Justitie
bieden de
Tweede Kamer
het
Typologie
rapport
van de FATF
aan. Dit
rapport
is opgemaakt
naar aanleiding
van de zogenaamde
Typologiebijeenkomst
van de leden
van de FATF
in november
2001 te
Wellington,
Nieuw-Zeeland
en is onlangs
tijdens
de Plenaire
vergadering
van de FATF
te Hong
Kong-China
definitief
vastgesteld.
Het Typologie
rapport
beschrijft
een aantal
trends zoals
die voren
komen bij
de bestrijding
van het
witwassen
en de financiering
van terrorisme.
Naast theoretische
informatie
en aanbevelingen
aan leden
en niet-leden
van de FATF
bevat het
rapport
ruim 20
praktische
voorbeelden
van witwassen
en financiering
van terrorisme.
21
december
2001
Uitgebreid
pakket justitie-wetgeving
tegen terrorisme
Minister
A.H. Korthals
van Justitie
heeft bijna
tien belangrijke
wetswijzigingen
onderhanden
ter bestrijding
van het
internationale
terrorisme.
De wetsvoorstellen
bieden betere
mogelijkheden
om terrorisme
te bestraffen
en op te
sporen.
De
Binnenlandse
Veiligheidsdienst
verricht
in het kader
van zijn
wettelijke
taken ondermeer
onderzoek
naar fenomenen
en maakt
op basis
hiervan
analyses.
Als resultaat
van een
onderzoek
naar het
fenomeen
Takfir Wal
Hijra is
een analyse
vervaardigd.
waarin de
theoretische
basis van
de verschillende
varianten
van deze
stroming
binnen het
radicale
islamisme
wordt uiteengezet.
Bij de totstandkoming
van de studie
is gebruik
gemaakt
van gezaghebbende
openen gesloten
bronnen.
Nota
Integriteit
Financiële
sector en
terrorismebestrijding
Bij
brief van
het kabinet
dd 5 oktober
2001 is
aan de Tweede
kamer het
actieplan
Terrorismebestrijding
en veiligheid
gepresenteerd.
Hoofdstuk
5 van het
actieplan
heeft betrekking
op de integriteit
van de financiële
sector en
terrorismebestrijding.
In dit hoofdstuk
is een dertiental
actiepunten
geïdentificeerd
die bijdragen
aan het
traceren
van relaties
tussen financieringsstromen
en terroristische
activiteiten.
Het laatste
actiepunt
van dit
hoofdstuk
(33) bevat
de toezegging
dat over
de meer
specifieke
uitwerking
van deze
punten op
korte termijn
een nota
“Integriteit
financiële
sector en
terrorismebestrijding”
zal worden
uitgebracht.
Voortgangsrapportage
actieplan
terrorismebestrijding
Een
uitwerking
van het
actieplan
terrorismebestrijding
van 5 oktober.
Veel nadruk
op uitbreiding
van de taken
en midelen
van de BVD,
nauwere
samenwerking
politie
en inlichtingendiensten,
meer grenscontrole,
toepassen
van biometrische
kenmerken.
Een uitgebreide
kritiek
op de plannen
schreef
Ties Prakken
in het NJB
van 2 november
2001
24
oktober
2001
Verslag
van het
algemeen
overleg
van
de vaste
commissie
voor Justitie,
voor Binnenlandse
Zaken en
Koninkrijksrelaties,
voor Defensie
en voor
Financien
over terrorismebestrijding
en veiligheid.
Actieplan
terrorismebestrijding,
Brief aan
de Tweede
Kamer, 5
oktober
2001 In 43
punten geeft
de regring
haar eerste
visie op
de bestridjding
van terrorisme
in Nederland.
BVD en politie
moeten nauw
gaan samenwerken,
essentiele
vrijheden
(zoals vrijheid
van communicatie)
worden opgeschort.
In de BITS
OF FREEDOM
NIEUWSBRIEF
Nr. 4
van
8 oktober
2001 wordt
uitgebreidt
ingegaan
op het actieplan.
Ook Lodewijk
Asscher
schreef
in het NRC
Handelsblad
een kritiek
op uitbreiding
van de BVD