• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De AIVD en het leveren van bewijs voor rechtszaken.

    Bij de bestrijding van het terrorisme neemt de AIVD een belangrijke positie in. De regering heeft er in de actieplannen Terrorismebestrijding en in de nota ‘Terrorisme en de bescherming van de samenleving’ voor gekozen om de AIVD een leidende rol te geven in bestrijding van terrorisme.

    Tegelijkertijd werkt de Unit Terrorisme en Bijzondere Taken van het Korps Landelijke Politediensten en de Nationale Recherche aan de bestrijding van terrorisme.

    De AIVD voert haar taken uit onder bepalingen van de Wet op de Inlichtingen en veiligheidsdiensten. De politie heeft zich te houden aan de bepalingen uit de poliitewet en de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden.

    Als liaison tussen de AIVD en de politie fungeert de landelijke officier terrorismebestrijding, momenteel mevr. van der Molen

    Zowel de AIVD als de politie verzamelt dus informatie over mogelijke terroristen. In de nota Gegevensuitwisseling en terrorismebestrijding uit januari 2003 staat uitgelegd waar de knelpunten liggen.

    Informatie van de AIVD/BVD is in de loop der jaren vaak doorgeven aan de politie en heeft op die manier een rol gespeeld in diverse opsporingsonderzoeken.
    In het boek ‘Snuffelstaat, Nederland en de BVD‘ staan een aantal voorbeelden genoemd: de Amsterdamse Taxi-oorlog en de taarters van Fortuyn, maar ook in de zaak tegen Langendoen en Vondel lag een BVD Ambtsbericht aan de basis van het politie-onderzoek.

    Dat het hier overigens geen nieuwe problematiek betreft, blijkt uit de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer dd. 28 februari 1992 (IIe Kamerstuk 22 463, nr. 4), getiteld “Bewijskracht in het strafproces van informatie en technisch materiaal verkregen door de BVD”. In deze brief worden in de paragrafen 2. en 3. de bevoegdheden van de veiligheidsdienst en van het OM, c.q. de politie en de gebruikmaking in een strafrechtelijke procedure van gegevens afkomstig van de veiligheidsdienst uiteengezet. Ook de parlementaire enquetecommissie Opsporingsmethoden heeft aan de verhouding veiligheidsdienst versus opsporing en vervolging van strafbare feiten aandacht besteed (Hoofdstuk 8 van Bijlage VI bij het rapport, IIe Kamerstuk 24 072, nr. 15).

    De discussie over het gebruik van AIVD-informatie door de politie kwam aan het rollen door twee zaken tegen van terrorisme verdachte personen.

    De eerste zaak ging vooral over het feit of AIVD informatie aanleiding mocht zijn voor een verdenking. De Rotterdamse rechtbank oordeelde op 18 december 2002 dat daar gen wettelijke basis voor was. De uitspraak van de rechtbank is hier te vinden.
    In Hoger Beroep oordeelde het Gerechtshof van ‘S Gravenhage anders: AIVD-informatie mag wel degelijk leiden tot een verdenking. De uitspraak is hier te vinden.

    De tweede ‘terrorismezaak’ kende een grotere betrokkenheid van de AIVD bij het onderzoek. Niet alleen was de AIVD gebruikt als aanleding voor het onderzoek, ook leverde de AIVD bewijsmateriaal via ambtsberichten.
    Naar aanleding van de uitspraak in de eerste zaak vroegen de advocaten in deze tweede zaak op 31 december 2002 vrijlating aan van de verdachten bij de Rotterdamse Raadkamer.
    Deze beslisde de voorlopig hechtenis niet te heffen, volgens de Raadkamer was de basis informatie an de AIVD voldoende getoet door de landelijke officier van justitie en wordtook het verdenkingscriterium tegenwoordig ruim geinterpreteerd

    http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/frameset.asp?ljn=AF2579

    http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/frameset.asp?ljn=AF2580

    http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/frameset.asp?ljn=AF2581

     


     

    Op 18 december 2002 bepaalde de rechtbank dat 4 van terrorisme verdachte personen te Rotterdam moesten worden vrijgelaten wegens het onrechtmatig aanleveren van het bewijs door het Openbaar Ministerie. De uitspraak van de rechtbank is hier te vinden.

    In deze zaak had de BVD in twee ambtsberichten aan het openbaar ministerie informatie doorgegeven.

     

    Uit de uitspraak;

    Dat het hier overigens geen nieuwe problematiek betreft, blijkt uit de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer dd. 28 februari 1992 (IIe Kamerstuk 22 463, nr. 4), getiteld “Bewijskracht in het strafproces van informatie en technisch materiaal verkregen door de BVD”. In deze brief worden in de paragrafen 2. en 3. de bevoegdheden van de veiligheidsdienst en van het OM, c.q. de politie en de gebruikmaking in een strafrechtelijke procedure van gegevens afkomstig van de veiligheidsdienst uiteengezet. Ook de parlementaire enqu�tecommissie Opsporingsmethoden heeft aan de verhouding veiligheidsdienst versus opsporing en vervolging van strafbare feiten aandacht besteed (Hoofdstuk 8 van Bijlage VI bij het rapport, IIe Kamerstuk 24 072, nr. 15).

     

    In ons laatste boek, de Snuffelstaat, Nederland en de BVD gaan we uitgebreid in op de samenwerking tussen de BVD en de politie, hier een gedeelte over de ambtsberichten