• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_71

    135 CID-niveau   over   en   weer   informatie   werd   uitgewisseld   –   en   die   van   spoor   2   niet,   werd,   openlijk althans,  niet  als  een  probleem  opgevoerd.  En  naar  het  schijnt  leidden  de  bezoeken  van  spoor  1  aan de   BVD   om   te   zien   of   deze   dienst   nog   informatie   had   over   haar   subjecten   ook   niet   tot   grote moeilijkheden. Het probleem dat  de  verhoudingen  voor  het  eerst  wel  zwaar  op  de  proef  stelde,  was  dat  van  de uitwisseling  van  de  informatie  die  de  beide  teams  vergaarden  en  in  het  bijzonder  de  uitwisseling  van informatie betreffende de achtergronden van de IRT-affaire. Zwerwer  maakte  vo or  het  eerst  melding  van  uiterst  geheime  contacten  met  een  informant  in  de vergadering  van  de  teamleidingen  d.d.  14  januari  1997.  Hij  vertelde  erbij  dat  de  betrokkene  zich eigenlijk  had  gemeld  via  de  minister  of  althans  het  ministerie  van  Justitie.  Deze  mededeling  riep  het hele probleem van de informatie-uitwisseling op. Zo erg zelfs dat er op 24 januari 1997 op verzoek van de   leiding   van   spoor   1   een   speciale   vergadering   werd   belegd   over   “de   kwaliteit   van   de   info- uitwisseling tussen het team Argus en het team 96960”. Op deze vergadering riep Noordhoek eerst de afspraken  in  herinnering  die  volgens  hem  in  de  loop  van  november  en  december  waren  gemaakt: volledige    uitwisseling    van    informatie,    regelmatig    overleg    tussen    de    teamleidingen    et    cetera. Vervolgens stelde hij dat “door de teamleiding van Argus aan de hiervoor onder 1. genoemde punten geen goed gevolg wordt gegeven”. Verder verweet hij Zwerwer dat hij de teamleiding van spoor 1 niet de   informatie   wilde   meedelen   die   naar   boven   was   gekomen   in   de   contacten   met   de   genoemde informant.   Zwerwer   sprak   de   algemene   aantijging   van   Noordhoek   ronduit   tegen   en   samen   met Godlieb maakte hij spoor 1 hetzelfde verwijt. Wat het concrete geval betreft zei hij dat het gesprek met de  informant  dat  hij  had  bijgewoond,  niet  had  plaatsgevonden  “uit  hoofde  van  het  onderzoek  Argus” en    dat    de    informant    trouwens    was    toegezegd    dat    de    verkregen    informatie    niet    zou    worden bekendgemaakt.  Na  lang  praten  stelden  beide  partijen  tenslotte  niettemin  vast  dat  zij  zich  zouden houden  aan  de  gemaakte  afspraken.  Erg  overtuigend  was  dit  besluit  echter  niet  want  uit  de  notulen kan  worden  opgemaakt  dat  er  tot  het  laatste  moment  verschil  van  mening  bleef  bestaan  over  het antwoord  op  de  vraag  of  alle  informatie  in  beginsel  moest  worden  uitgewisseld.242  In  het  periodieke overleg van 7 februari 1997 met Holthuis kwam dit fundamentele conflict als zodanig niet op tafel. De vraag van Holthuis of de betrokken informant  relevante  informatie  kon  verschaffen  voor  het  onderzoek  KL  2601  en/of  060  beantwoordde Zwerwer wel. Hij deelde mee dat er in de toekomst mogelijk ook gesprekken konden worden gevoerd tussen   de   informant   en   CID’ers   en   dat   de   informatie   daarna   mogelijk   exploitabel   kon   worden gemaakt.243 De  enige  keer  dat  Holthuis  trouwens  echt  zijn  ongenoegen  over  de  gang  van  zaken  liet  blijken was naar aanleiding van de demarche van Zwerwer op 26 februari 1997 in de richting van Docters van Leeuwen. In de notulen werd opgetekend dat hij meedeelde244: “(…)  dat  hij  als  hoofdofficier  van  justitie  van  het  LBOM  de  verantwoordelijkheid  draagt  voor het  onderzoek  060  en  KL  2601.  Hij  benadrukt  dat  het  niet  verstandig  is  om  regelmatig  de leden van het college van procureurs-generaal te bezoeken voor dergelijke zaakinhoudelijke aspecten  en  extra  terugkoppelingen.  Raadzamer  is  het  om  op  bepaalde  momenten  het college   duidelijk   in   te   lichten   over   de   resultaten   respectievelijk   de   voortgang   van   het onderzoek.” Voor  het  overige  beperkte  hij  zich  bij  (dreigende)  geschillen  van  inzicht  tussen  de  teamleidingen meestal    tot    het    beklemtonen    van    het    grote    belang    van    de    wederzijdse    afstemming    van    de                                                 242 Verslag overleg teamleiding van onderzoek Argus en 96060 d.d. 24 januari 1997 (C9). 243 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 7 februari 1997 (C9). 244 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).

    fort2_86

    150 wederrechtelijke pad”, van groot belang was allereerst de “huidige stand van zaken” met betrekking tot de onderscheiden subjecten “goed op het netvlies te krijgen”.297 Uitgaande   van   de   eerder   gemaakte   keuzes   werd   in   het     verlengde   van   dit   uitgangspunt   de veronderstelling geopperd dat de kans heel groot was dat J. wederrechtelijk actief was “en als zodanig een  te  realiseren  prooi”.  Het  vertrekpunt  hierbij  was  dat  deze,  “wanneer  hij  in  de  knoei  komt,  zowel strafrechtelijk  als  financieel  middels  ontneming,  zal  willen  praten  over  het  IRT-gebeuren”.  Dezelfde veronderstelling   werd   opgeschreven   ten   aanzien   van   Van   V.   Vervolgens   werd   voor   deze   beide personen  –  in  bijlagen  –  gedetailleerd  uitgewerkt  welke  informatie  over  hun  handel  en  wandel  zou moeten worden verzameld. Bij de andere subjecten werd volstaan met een algemene aanduiding van de te vergaren informatie. Op  grond  van  een  aantal  bronnen  kan  betrekkelijk  gemakkelijk  worden  gereconstrueerd  welke onderzoeksactiviteiten  door  leden  van  het  betrokken  team  in  het  algemeen  werden  ontplooid  om  de bedoelde   gegevens   te   verzamelen.   Het   betreft   hier   met   name   de   mutaties   in   het   journaal,   de verslagen  van  de  teambesprekingen  en  die  van  het  overleg  van  de  leiding  van  de  beide  teams.298 Hieruit blijkt dat de volgende activiteiten centraal hebben gestaan: — de vervaardiging van een mediascan betreffende de voornaamste subjecten; — en    het    opmaken    van    een    analyse    van    de    bedrijven    rond    de    verdachte    en    van    diens reisbewegingen. Verder werd er contact gezocht met diverse diensten om te bezien of zij beschikten over informatie die zou  passen  in  het  projectplan  dat  het  team  voor  ogen  stond.  Hierbij  moet  in  het  bijzonder  worden gedacht  aan  overleg  met  de  FIOD,  de  CRI,  de  BVD  en  het  Prisma-team  in  Haaglanden.  Zij  bleken allen bereid om te onderzoeken of er zich in hun systemen relevante gegevens bevonden. Begin  juni  1997  werd  vastgesteld  dat  er  –  mede  door  de  problemen  met  het  gebruik  van  de verklaringen   die   in   het   Fort-onderzoek   waren   afgelegd   –   nog   onvoldoende   grond   was   om   de betreffende  subjecten  de  status  van  verdachte  ex  artikel  27  Sv.  te  geven.299  Maar  de  situatie  werd desondanks bepaald niet als hopeloos beschouwd. In afwachting van komende berichten van de CRI, de  BVD  en  de  CID  werd  in  de  betrokken  nota  aangegeven  hoe  naar  aanleiding  van  deze  berichten een proces-verbaal zou kunnen worden opgesteld dat – tezamen met gegevens uit andere bronnen – wel   zou   kunnen   dienen   als   grondslag   voor   de   toekenning   van   deze   status.   In   een   nota   van   de teamleider   uit   dezelfde   tijd   werd   een   soortgelijke   koers   uitgezet.300   Hierin   werd   meer   concreet voorgesteld    om    aan    de    hand    van    open    en    gesloten    bronnen    –    en    zonder    gerechtelijk vooronderzoekbevoegdheden  –  een  soort  van  “nulmeting’  aangaande  de  onderhavige  subjecten  te organiseren.  Op  26  juni  1997  werd  ten  aanzien  van  J.  reeds  daadwerkelijk  hiertoe  overgegaan.301 Deze  ontwikkeling  werd  door  Snijders  overigens  met  lede  ogen  bekeken.  Hij  vond  haar  er  vanuit strategisch oogpunt helemaal naast302: “Het LRT stond op de startbaan, maar is nooit op vlieghoogte gekomen. Zij, Noordhoek nam daarin het voortouw, redeneerden vanuit de gedachte dat het Fort-materiaal besmet was en je alleen met een nieuwe zaak iets zou kunnen. Die werkwijze was bepaald niet de opdracht van 060.”                                                 297 Het betreffende document is getiteld “Gedachten voor de tweede fase contra J., Van V. e.a.” d.d. 28 april 1997 (C3). 298 Het  journaal  bevindt  zich  in  F23,  de  verslagen  van  de  teambesprekingen  in  F25,  en  die  van  het  overleg  tussen  de leidingen van de beide teams in F13. 299 Notitie A. Pol d.d. 10 juni 1997 aan de teamleden 96060 (C3). 300 Notitie P. Entken d.d. 10 juni 1997 aan W. van Gemert (C3). 301 Zie het journaal van P. Entken op de genoemde datum (F24). 302 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.

    fort3_10

    198 9.4.3 Discussie omtrent inzage in de veiligheidsanalyse Ondanks   het   hierboven   geschetste   verschil   van   inzicht   bereikten   Snijders   en   Noordhoek   reeds spoedig  overeenstemming  over  het  horen  van  de  getuige  door  een  rechter-commissaris  in  het  kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Maar er deed zich al spoedig een tweede conflict voor. Men was het   erover   eens   dat   de   beide   getuigen   als   bedreigde   getuigen   anoniem   zouden   moeten   worden gehoord.   Noordhoek   en   Snijders   verschilden   echter   van   mening   over      de   betrokkenheid   van eerstgenoemde bij het getuigenverhoor en bij het informeren van de rechter-commissaris over de aard en   achtergronden   van   de   bedreigingen.   Noordhoek   stelde   zich   op   het   standpunt   dat   hij   als zaaksofficier  op  de  hoogte  moest  worden  gesteld  van  de  meest  relevante  achtergronden  van  de dreigingen,   op   basis   waarvan   de   getuige   als   bedreigde   getuige   kon   worden   aangemerkt.   In   het interview verwoordde hij dat aldus421: “Ik  ging  er  op  zichzelf  wel  mee  akkoord  dat  hij  werd  verhoord  door  de  rechter-commissaris. Ook met het feit dat het verhoor zou plaatsvinden op een geheime plek, zonder dat ik daarbij aanwezig zou zijn, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen J., was ik akkoord. Op de laatste voorwaarde die Snijders stelde, liep het uiteindelijk toch stuk. Uit oogpunt van bronbeveiliging   wilde   Snijders   als   CID-officier   alleen   de   besprekingen   met   de   rechter- commissaris    voeren.    Ook    de    zogeheten    veiligheidsanalyse    zou    alleen    de    rechter- commissaris mogen inzien. Ik kon daar niet mee instemmen. Ik vond dat ik als zaaksofficier inhoudelijk  op  de  hoogte  moest  zijn  van  de  informatie  waarop  de  rechter-commissaris  het verhoor  zou  baseren.  Ik  heb  nooit  gesteld  dat  ik  van  alle  achtergronden  van  de  getuige  op de hoogte moest zijn. Ik ben nadrukkelijk akkoord gegaan met het feit dat ik de identiteit van de getuige niet zou vernemen.” Snijders wilde met de eis van Noordhoek om inzage te verkrijgen in de veiligheidsanalyse niet akkoord gaan.  Hij  was  van  mening  dat  hij  uitsluitend  de  rechter-commissaris,  en  dus  niet  de  zaaksofficier, mondeling en schriftelijk behoorde in te lichten over dergelijke omstandigheden. In een memo aan zijn hoofdofficier  lichtte  hij  zijn  standpunt  toe  door  er  op  te  wijzen  dat  een  veiligheidsanalyse  slechts bedoeld  is  ter  voorlichting  van  de  rechter-commissaris  en  dat  een  zaaksofficier  op  voorsprong  wordt geplaatst ten opzichte van de verdediging als ook hij wordt geïnformeerd over de inhoud ervan.422 Teeven plaatste de hierboven genoemde controverse in een breder perspectief door te wijzen op de uiteenlopende opvattingen die er in het land bestaan over de verhouding tussen de CID-officier en de zaaksofficier423: “Er  bestaan  op  dit  punt  twee  doctrines.  Aan  de  ene  kant  de  Haarlem-doctrine  zogezegd, waarbij   men   vindt   dat   de   CID-officier   en   de   zaaksofficier   helemaal   gescheiden   moeten worden  en  aan  de  andere  kant  de  Amsterdam-doctrine,  waarin  men  juist  het  tegendeel aanhangt.   De   zaaksofficier   moet   in   mijn   ogen   eigenlijk   alles   weten   over   de   CID.   De consequentie daarvan is natuurlijk wel dat hij in grote zaken constant in hoger beroepszaken als getuige moet optreden, maar dat vind ik op zichzelf geen enkel probleem. Als je natuurlijk de  beide  rollen  vervult,  staat  daar  tegenover  dat  je  in  de  rechtbank  op  het  scherpst  van  de snede  moet  opereren  om  het  afbreukrisico  zo  veel  mogelijk  te  beperken,  door  bepaalde vragen van advocaten bijvoorbeeld tegen te houden of door heel goed op te letten wanneer politiemensen verklaringen afleggen. Dat betekent wel een beetje onmin in de rechtszaal, in                                                 421 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 422 Memo van J. Snijders d.d. 12 juni 1999 aan H. van Brummen (B2). 423 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001.

    Wat van Traa vergeten is…

    De Zaak Bosio bezien na de IRT-enquete
    Gepubliceerd in Kleintje Muurkrant, januari 1996
    (& geweigerd door onder andere Vrij Nederland,
    wegens verregaand Bosio-moeheid in de media.) lees meer

    Wat van Traa vergeten is…

    De Zaak Bosio bezien na de IRT-enquete

    Gepubliceerd in Kleintje Muurkrant, januari 1996
    (& geweigerd door onder andere Vrij Nederland,
    wegens verregaand Bosio-moeheid in de media.)

    Vanuit Ghana is een container kokosnoten onderweg naar Nederland. Achter een dubbele wand zit 650 kilo marihuana verborgen. Bedoeld voor drugshandelaren uit Amsterdam. Het transport is georganiseerd door de Antilliaan H.P. Als officiële bestemming voor de container gebruikt hij een lege bv van een oude zakenrelatie uit Arnhem. De eigenaar van de bv -de fransman M.B.- is niet op de hoogte van de ware aard van de lading. De Antilliaan stuurt de afnemers van de container bij de Fransman langs om samen bij de bank het losgeld voor de container te betalen.

    lees meer

    De zaak Bosio de doofpot in

    Konfrontatie
    “Wat mij ook verbaasd heeft – maar je moet daar, geloof ik, voor zijn – is dat de Rijksrechercheverslagen openbaar zijn op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Zo hebben wij allen een rapport gekregen, waarin voluit geciteerd wordt uit verslagen van de Rijksrecherche. Het zal allemaal in juridische zin wel kloppen, maar ik vind het merkwaardig dat zoiets kan, ook met het oog op de privacy van de mensen waarvan de namen in de stukken worden genoemd.” lees meer

    De zaak Bosio de doofpot in

    Uit: Konfrontatie, 11 november 1992, buro Jansen & Janssen.

    door Eveline Lubbers

    “Wat mij ook verbaasd heeft – maar je moet daar, geloof ik, voor zijn – is dat de Rijksrechercheverslagen openbaar zijn op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Zo hebben wij allen een rapport gekregen, waarin voluit geciteerd wordt uit verslagen van de Rijksrecherche. Het zal allemaal in juridische zin wel kloppen, maar ik vind het merkwaardig dat zoiets kan, ook met het oog op de privacy van de mensen waarvan de namen in de stukken worden genoemd.”

    lees meer

    Bosio, de container affaire en de DEA in Nederland

    Rekonstruktie van de container-affaire

    Persverklaring van buro Jansen & Janssen op 11 september 1992.

    Onderzoekscommissie stopt Bosio-affaire in de doofpot. Verslag aan de Tweede Kamer verzwijgt belangrijke feiten.

    Volgende week staat in de Tweede Kamer het Verslag van de speciale Onderzoekscommissie naar de Bosio-affaire op de agenda. De opdracht van de Onderzoekscommissie was kort geformuleerd:

    “Het instellen van een fact-finding onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met het bedrijf van Bosio in het algemeen en de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid in het bijzonder.”

    De Onderzoekscommissie concludeert in haar eindverslag aan de Tweede kamer dat er geen aanwijzingen zijn van een relatie tussen het inbeslagnemen van een container drugs in Antwerpen en het bedrijf Stairco van Bosio.
    “De relatie tussen Bosio en de drugscontainer ligt uitsluitend in het feit dat een voormalige zakenrelatie hem heeft gevraagd het adres van Russel Inc. in Kleve te gebruiken.”

    lees meer

    Rekonstruktie van de container-affaire

    Onderzoekscommissie stopt Bosio-affaire in de doofpot. Verslag aan de Tweede Kamer verzwijgt belangrijke feiten.
    Volgende week staat in de Tweede Kamer het Verslag van de speciale Onderzoekscommissie naar de Bosio-affaire op de agenda. De opdracht van de Onderzoekscommissie was kort geformuleerd:
    “Het instellen van een fact-finding onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met het bedrijf van Bosio in het algemeen en de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid in het bijzonder.” lees meer

      nieuwere artikelen >>