135 CID-niveau over en weer informatie werd uitgewisseld – en die van spoor 2 niet, werd, openlijk althans, niet als een probleem opgevoerd. En naar het schijnt leidden de bezoeken van spoor 1 aan de BVD om te zien of deze dienst nog informatie had over haar subjecten ook niet tot grote moeilijkheden. Het probleem dat de verhoudingen voor het eerst wel zwaar op de proef stelde, was dat van de uitwisseling van de informatie die de beide teams vergaarden en in het bijzonder de uitwisseling van informatie betreffende de achtergronden van de IRT-affaire. Zwerwer maakte vo or het eerst melding van uiterst geheime contacten met een informant in de vergadering van de teamleidingen d.d. 14 januari 1997. Hij vertelde erbij dat de betrokkene zich eigenlijk had gemeld via de minister of althans het ministerie van Justitie. Deze mededeling riep het hele probleem van de informatie-uitwisseling op. Zo erg zelfs dat er op 24 januari 1997 op verzoek van de leiding van spoor 1 een speciale vergadering werd belegd over “de kwaliteit van de info- uitwisseling tussen het team Argus en het team 96960”. Op deze vergadering riep Noordhoek eerst de afspraken in herinnering die volgens hem in de loop van november en december waren gemaakt: volledige uitwisseling van informatie, regelmatig overleg tussen de teamleidingen et cetera. Vervolgens stelde hij dat “door de teamleiding van Argus aan de hiervoor onder 1. genoemde punten geen goed gevolg wordt gegeven”. Verder verweet hij Zwerwer dat hij de teamleiding van spoor 1 niet de informatie wilde meedelen die naar boven was gekomen in de contacten met de genoemde informant. Zwerwer sprak de algemene aantijging van Noordhoek ronduit tegen en samen met Godlieb maakte hij spoor 1 hetzelfde verwijt. Wat het concrete geval betreft zei hij dat het gesprek met de informant dat hij had bijgewoond, niet had plaatsgevonden “uit hoofde van het onderzoek Argus” en dat de informant trouwens was toegezegd dat de verkregen informatie niet zou worden bekendgemaakt. Na lang praten stelden beide partijen tenslotte niettemin vast dat zij zich zouden houden aan de gemaakte afspraken. Erg overtuigend was dit besluit echter niet want uit de notulen kan worden opgemaakt dat er tot het laatste moment verschil van mening bleef bestaan over het antwoord op de vraag of alle informatie in beginsel moest worden uitgewisseld.242 In het periodieke overleg van 7 februari 1997 met Holthuis kwam dit fundamentele conflict als zodanig niet op tafel. De vraag van Holthuis of de betrokken informant relevante informatie kon verschaffen voor het onderzoek KL 2601 en/of 060 beantwoordde Zwerwer wel. Hij deelde mee dat er in de toekomst mogelijk ook gesprekken konden worden gevoerd tussen de informant en CID’ers en dat de informatie daarna mogelijk exploitabel kon worden gemaakt.243 De enige keer dat Holthuis trouwens echt zijn ongenoegen over de gang van zaken liet blijken was naar aanleiding van de demarche van Zwerwer op 26 februari 1997 in de richting van Docters van Leeuwen. In de notulen werd opgetekend dat hij meedeelde244: “(…) dat hij als hoofdofficier van justitie van het LBOM de verantwoordelijkheid draagt voor het onderzoek 060 en KL 2601. Hij benadrukt dat het niet verstandig is om regelmatig de leden van het college van procureurs-generaal te bezoeken voor dergelijke zaakinhoudelijke aspecten en extra terugkoppelingen. Raadzamer is het om op bepaalde momenten het college duidelijk in te lichten over de resultaten respectievelijk de voortgang van het onderzoek.” Voor het overige beperkte hij zich bij (dreigende) geschillen van inzicht tussen de teamleidingen meestal tot het beklemtonen van het grote belang van de wederzijdse afstemming van de 242 Verslag overleg teamleiding van onderzoek Argus en 96060 d.d. 24 januari 1997 (C9). 243 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 7 februari 1997 (C9). 244 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).
150 wederrechtelijke pad”, van groot belang was allereerst de “huidige stand van zaken” met betrekking tot de onderscheiden subjecten “goed op het netvlies te krijgen”.297 Uitgaande van de eerder gemaakte keuzes werd in het verlengde van dit uitgangspunt de veronderstelling geopperd dat de kans heel groot was dat J. wederrechtelijk actief was “en als zodanig een te realiseren prooi”. Het vertrekpunt hierbij was dat deze, “wanneer hij in de knoei komt, zowel strafrechtelijk als financieel middels ontneming, zal willen praten over het IRT-gebeuren”. Dezelfde veronderstelling werd opgeschreven ten aanzien van Van V. Vervolgens werd voor deze beide personen – in bijlagen – gedetailleerd uitgewerkt welke informatie over hun handel en wandel zou moeten worden verzameld. Bij de andere subjecten werd volstaan met een algemene aanduiding van de te vergaren informatie. Op grond van een aantal bronnen kan betrekkelijk gemakkelijk worden gereconstrueerd welke onderzoeksactiviteiten door leden van het betrokken team in het algemeen werden ontplooid om de bedoelde gegevens te verzamelen. Het betreft hier met name de mutaties in het journaal, de verslagen van de teambesprekingen en die van het overleg van de leiding van de beide teams.298 Hieruit blijkt dat de volgende activiteiten centraal hebben gestaan: — de vervaardiging van een mediascan betreffende de voornaamste subjecten; — en het opmaken van een analyse van de bedrijven rond de verdachte en van diens reisbewegingen. Verder werd er contact gezocht met diverse diensten om te bezien of zij beschikten over informatie die zou passen in het projectplan dat het team voor ogen stond. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan overleg met de FIOD, de CRI, de BVD en het Prisma-team in Haaglanden. Zij bleken allen bereid om te onderzoeken of er zich in hun systemen relevante gegevens bevonden. Begin juni 1997 werd vastgesteld dat er – mede door de problemen met het gebruik van de verklaringen die in het Fort-onderzoek waren afgelegd – nog onvoldoende grond was om de betreffende subjecten de status van verdachte ex artikel 27 Sv. te geven.299 Maar de situatie werd desondanks bepaald niet als hopeloos beschouwd. In afwachting van komende berichten van de CRI, de BVD en de CID werd in de betrokken nota aangegeven hoe naar aanleiding van deze berichten een proces-verbaal zou kunnen worden opgesteld dat – tezamen met gegevens uit andere bronnen – wel zou kunnen dienen als grondslag voor de toekenning van deze status. In een nota van de teamleider uit dezelfde tijd werd een soortgelijke koers uitgezet.300 Hierin werd meer concreet voorgesteld om aan de hand van open en gesloten bronnen – en zonder gerechtelijk vooronderzoekbevoegdheden – een soort van “nulmeting’ aangaande de onderhavige subjecten te organiseren. Op 26 juni 1997 werd ten aanzien van J. reeds daadwerkelijk hiertoe overgegaan.301 Deze ontwikkeling werd door Snijders overigens met lede ogen bekeken. Hij vond haar er vanuit strategisch oogpunt helemaal naast302: “Het LRT stond op de startbaan, maar is nooit op vlieghoogte gekomen. Zij, Noordhoek nam daarin het voortouw, redeneerden vanuit de gedachte dat het Fort-materiaal besmet was en je alleen met een nieuwe zaak iets zou kunnen. Die werkwijze was bepaald niet de opdracht van 060.” 297 Het betreffende document is getiteld “Gedachten voor de tweede fase contra J., Van V. e.a.” d.d. 28 april 1997 (C3). 298 Het journaal bevindt zich in F23, de verslagen van de teambesprekingen in F25, en die van het overleg tussen de leidingen van de beide teams in F13. 299 Notitie A. Pol d.d. 10 juni 1997 aan de teamleden 96060 (C3). 300 Notitie P. Entken d.d. 10 juni 1997 aan W. van Gemert (C3). 301 Zie het journaal van P. Entken op de genoemde datum (F24). 302 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.
198 9.4.3 Discussie omtrent inzage in de veiligheidsanalyse Ondanks het hierboven geschetste verschil van inzicht bereikten Snijders en Noordhoek reeds spoedig overeenstemming over het horen van de getuige door een rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Maar er deed zich al spoedig een tweede conflict voor. Men was het erover eens dat de beide getuigen als bedreigde getuigen anoniem zouden moeten worden gehoord. Noordhoek en Snijders verschilden echter van mening over de betrokkenheid van eerstgenoemde bij het getuigenverhoor en bij het informeren van de rechter-commissaris over de aard en achtergronden van de bedreigingen. Noordhoek stelde zich op het standpunt dat hij als zaaksofficier op de hoogte moest worden gesteld van de meest relevante achtergronden van de dreigingen, op basis waarvan de getuige als bedreigde getuige kon worden aangemerkt. In het interview verwoordde hij dat aldus421: “Ik ging er op zichzelf wel mee akkoord dat hij werd verhoord door de rechter-commissaris. Ook met het feit dat het verhoor zou plaatsvinden op een geheime plek, zonder dat ik daarbij aanwezig zou zijn, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen J., was ik akkoord. Op de laatste voorwaarde die Snijders stelde, liep het uiteindelijk toch stuk. Uit oogpunt van bronbeveiliging wilde Snijders als CID-officier alleen de besprekingen met de rechter- commissaris voeren. Ook de zogeheten veiligheidsanalyse zou alleen de rechter- commissaris mogen inzien. Ik kon daar niet mee instemmen. Ik vond dat ik als zaaksofficier inhoudelijk op de hoogte moest zijn van de informatie waarop de rechter-commissaris het verhoor zou baseren. Ik heb nooit gesteld dat ik van alle achtergronden van de getuige op de hoogte moest zijn. Ik ben nadrukkelijk akkoord gegaan met het feit dat ik de identiteit van de getuige niet zou vernemen.” Snijders wilde met de eis van Noordhoek om inzage te verkrijgen in de veiligheidsanalyse niet akkoord gaan. Hij was van mening dat hij uitsluitend de rechter-commissaris, en dus niet de zaaksofficier, mondeling en schriftelijk behoorde in te lichten over dergelijke omstandigheden. In een memo aan zijn hoofdofficier lichtte hij zijn standpunt toe door er op te wijzen dat een veiligheidsanalyse slechts bedoeld is ter voorlichting van de rechter-commissaris en dat een zaaksofficier op voorsprong wordt geplaatst ten opzichte van de verdediging als ook hij wordt geïnformeerd over de inhoud ervan.422 Teeven plaatste de hierboven genoemde controverse in een breder perspectief door te wijzen op de uiteenlopende opvattingen die er in het land bestaan over de verhouding tussen de CID-officier en de zaaksofficier423: “Er bestaan op dit punt twee doctrines. Aan de ene kant de Haarlem-doctrine zogezegd, waarbij men vindt dat de CID-officier en de zaaksofficier helemaal gescheiden moeten worden en aan de andere kant de Amsterdam-doctrine, waarin men juist het tegendeel aanhangt. De zaaksofficier moet in mijn ogen eigenlijk alles weten over de CID. De consequentie daarvan is natuurlijk wel dat hij in grote zaken constant in hoger beroepszaken als getuige moet optreden, maar dat vind ik op zichzelf geen enkel probleem. Als je natuurlijk de beide rollen vervult, staat daar tegenover dat je in de rechtbank op het scherpst van de snede moet opereren om het afbreukrisico zo veel mogelijk te beperken, door bepaalde vragen van advocaten bijvoorbeeld tegen te houden of door heel goed op te letten wanneer politiemensen verklaringen afleggen. Dat betekent wel een beetje onmin in de rechtszaal, in 421 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 422 Memo van J. Snijders d.d. 12 juni 1999 aan H. van Brummen (B2). 423 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001.
De Zaak Bosio bezien na de IRT-enquete
Gepubliceerd in Kleintje Muurkrant, januari 1996
(& geweigerd door onder andere Vrij Nederland,
wegens verregaand Bosio-moeheid in de media.) lees meer
De Zaak Bosio bezien na de IRT-enquete
Gepubliceerd in Kleintje Muurkrant, januari 1996
(& geweigerd door onder andere Vrij Nederland,
wegens verregaand Bosio-moeheid in de media.)
Vanuit Ghana is een container kokosnoten onderweg naar Nederland. Achter een dubbele wand zit 650 kilo marihuana verborgen. Bedoeld voor drugshandelaren uit Amsterdam. Het transport is georganiseerd door de Antilliaan H.P. Als officiële bestemming voor de container gebruikt hij een lege bv van een oude zakenrelatie uit Arnhem. De eigenaar van de bv -de fransman M.B.- is niet op de hoogte van de ware aard van de lading. De Antilliaan stuurt de afnemers van de container bij de Fransman langs om samen bij de bank het losgeld voor de container te betalen.
Konfrontatie
“Wat mij ook verbaasd heeft – maar je moet daar, geloof ik, voor zijn – is dat de Rijksrechercheverslagen openbaar zijn op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Zo hebben wij allen een rapport gekregen, waarin voluit geciteerd wordt uit verslagen van de Rijksrecherche. Het zal allemaal in juridische zin wel kloppen, maar ik vind het merkwaardig dat zoiets kan, ook met het oog op de privacy van de mensen waarvan de namen in de stukken worden genoemd.” lees meer
Uit: Konfrontatie, 11 november 1992, buro Jansen & Janssen.
door Eveline Lubbers
“Wat mij ook verbaasd heeft – maar je moet daar, geloof ik, voor zijn – is dat de Rijksrechercheverslagen openbaar zijn op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Zo hebben wij allen een rapport gekregen, waarin voluit geciteerd wordt uit verslagen van de Rijksrecherche. Het zal allemaal in juridische zin wel kloppen, maar ik vind het merkwaardig dat zoiets kan, ook met het oog op de privacy van de mensen waarvan de namen in de stukken worden genoemd.”
Rekonstruktie van de container-affaire
Persverklaring van buro Jansen & Janssen op 11 september 1992.
Onderzoekscommissie stopt Bosio-affaire in de doofpot. Verslag aan de Tweede Kamer verzwijgt belangrijke feiten.
Volgende week staat in de Tweede Kamer het Verslag van de speciale Onderzoekscommissie naar de Bosio-affaire op de agenda. De opdracht van de Onderzoekscommissie was kort geformuleerd:
“Het instellen van een fact-finding onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met het bedrijf van Bosio in het algemeen en de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid in het bijzonder.”
De Onderzoekscommissie concludeert in haar eindverslag aan de Tweede kamer dat er geen aanwijzingen zijn van een relatie tussen het inbeslagnemen van een container drugs in Antwerpen en het bedrijf Stairco van Bosio.
“De relatie tussen Bosio en de drugscontainer ligt uitsluitend in het feit dat een voormalige zakenrelatie hem heeft gevraagd het adres van Russel Inc. in Kleve te gebruiken.”
Onderzoekscommissie stopt Bosio-affaire in de doofpot. Verslag aan de Tweede Kamer verzwijgt belangrijke feiten.
Volgende week staat in de Tweede Kamer het Verslag van de speciale Onderzoekscommissie naar de Bosio-affaire op de agenda. De opdracht van de Onderzoekscommissie was kort geformuleerd:
“Het instellen van een fact-finding onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met het bedrijf van Bosio in het algemeen en de relatie Bosio – Container met marihuana – Overheid in het bijzonder.” lees meer
