• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage I – 6.2 Het verloop van de verhoren

    6.2 Het verloop van de verhoren

    6.2.1 Aanvang verhoren

    De commissie besloot voorafgaand aan iedere verhoordag in de
    persoon van de voorzitter een persbriefing te geven. Tijdens deze
    briefing konden vragen worden gesteld over de voorafgaande dag en
    werden de getuigen van de volgende verhoordag en de met hen te
    bespreken onderwerpen gentroduceerd. Op woensdag 6 september 1995
    om 10.00 uur werd in de plenaire vergaderzaal van de Eerste Kamer
    een aanvang gemaakt met de openbare verhoren. Als eerste werd
    verhoord prof. dr C. Fijnaut, leider van de onderzoeksgroep die in
    opdracht van de commissie onderzoek deed naar de aard, omvang en
    ernst van de zware, georganiseerde criminaliteit in Nederland.

    Conform de door de commissie gekozen opbouw van de verhoren,
    stond de eerste week van verhoren vooral in het teken van het
    eerste hoofdthema: de ernst, aard en omvang van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. De getuige prof. dr F. Bovenkerk
    veroorzaakte met zijn verklaring over de omvang van de
    drugcriminaliteit in de Turkse etnische groep zo’n commotie dat de
    commissie het verstandig vond hem voor een tweede keer op te
    roepen, opdat hij zijn verklaring nader zou toelichten. Dit tweede
    verhoor vond plaats op 25 september 1995. Hij was de eerste van
    acht personen die in de loop van de verhoren voor een tweede keer
    voor de commissie moest verschijnen.

    Op de tweede verhoordag werd de commissie geconfronteerd met
    mogelijk tegenstrijdige verklaringen. Prof. dr G.J.M. Corstens,
    hoogleraar strafrecht aan de Katholieke universiteit Nijmegen, die
    op 7 september 1995 voor de commissie verscheen, reageerde op de
    verklaring de dag daarvoor van mr R.A. Gonsalves,
    procureur-generaal bij het Hof te ‘s Hertogenbosch, dat de
    gecontroleerde doorlevering van drugs nooit in het vergadering van
    procureurs-generaal aan de orde was geweest. Corstens wees op de
    circulaire, vastgesteld in
    de vergadering van de procureurs-generaal van 20 februari 1991,
    waarin melding wordt gemaakt van een actieve rol van een infiltrant
    in een drugtransport, wat naar zijn gevoel ook gecontroleerde
    doorlevering inhoudt. Bij brief van 3 november 1995 werd Gonsalves
    door de commissie verzocht te reageren op de verklaring van
    Corstens over de betekenis van gecontroleerde aflevering in de
    richtlijnen Infiltratie. Op 5 december 1995 ontving de commissie de
    gevraagde reactie.

    Op 11 september 1995 werd mr H.P. Wooldrik, hoofd Directie
    politie van het ministerie van Justitie, tezamen met mr G.P. van de
    Beek, eveneens werkzaam bij genoemd ministerie, verhoord. De
    Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden kwam niet aan de orde,
    hetgeen de commissie noodzaakte Wooldrik aan het einde van het
    verhoor mede te delen dat hij op een later tijdstip weer voor de
    commissie zou moeten verschijnen. Dat verhoor vond op 23 oktober
    1995 plaats.

    6.2.2 Veiligheidsmaatregelen verhoren

    In de daarop volgende weken kwam voornamelijk het tweede
    hoofdthema methoden en organisatie van de opsporing aan de orde. In
    het kader van dit hoofdthema werden vier personen gehoord ten
    aanzien van wie specifieke veiligheidsmaatregelen zijn getroffen.
    Het ging daarbij om getuigen die vanwege hun functie niet herkend
    mochten worden; herkenning zou de belangen van de opsporing van
    strafbare feiten ernstige schade toebrengen. Over de
    veiligheidsmaatregelen vond steeds overleg plaats tussen de
    betrokken getuige, de betrokken minister en de commissie. De
    volgende veiligheidsmaatregelen werden getroffen:

    • betrokkenen verschenen in vermomming;
    • van betrokkenen mochten geen close-up televisie-opnamen worden
      gemaakt;
    • van twee betrokkenen mochten televisie-opnamen alleen de rug
      tonen;
    • van betrokkenen mochten foto-opnamen alleen de rug
      tonen;
    • in n geval werd een stemvervormer gebruikt.

    Op maandag 25 september 1995 om 12.00 uur zou de getuige R.
    Karstens, hoofd van de Afdeling nationale cordinatie politile
    infiltratie van de Divisie centrale recherche informatie, door de
    commissie worden verhoord. De commissie had tevoren veelvuldig met
    het ministerie van Justitie overleg gevoerd over de voorwaarden
    waaronder de getuige voor de commissie zou verschijnen. Op 22
    september 1995, de vrijdag voor het verhoor, bereikten de
    commissie, vertegenwoordigd door de ondervoorzitter en de
    directeur-generaal, mr H.A. van Brummen, overeenstemming over die
    voorwaarden. Op maandag 25 september 1995 rond 11.15 uur, tijdens
    een verhoor, ontving de commissie een brief van de minister van
    Justitie waarin zij aan het verschijnen van Karstens de voorwaarde
    stelde dat de te maken televisie- of foto-opnamen alleen de rug van
    Karstens mochten tonen. Indien niet aan deze voorwaarde zou worden
    voldaan, zou sprake zijn van strijd met het belang van de staat en
    zou zij de getuige instrueren niet voor de commissie te
    verschijnen. Het was voor de commissie niet mogelijk op dat moment,
    zo vlak voor het voorziene verhoor, andere maatregelen te treffen
    dan die, welke op vrijdag 22 september waren overeengekomen. Om
    12.00 uur heropende de voorzitter de vergadering om die enkele
    minuten later, na het omroepen van de naam van de getuige, te
    schorsen. Nadat de griffier zich op verzoek van de voorzitter ervan
    had vergewist dat Karstens niet aanwezig was, heropende de
    voorzitter de vergadering. Hij stelde de aanwezigen op de hoogte
    van het bestaan van de brief van de minister van Justitie en deelde
    mee dat de commissie zich zou beraden op de vraag of het tot een
    dagvaarding van Karstens moest komen. Van het niet verschijnen van
    Karstens werd proces-verbaal opgemaakt. Op diezelfde dag gaf de
    commissie de minister van Justitie in een brief te kennen in
    overleg te willen treden over de ontstane situatie. In die brief
    wees de commissie op het feit dat het ministerie bij de
    verschillende overleggen over de voorwaarden waaronder het verhoor
    van Karstens zou plaatsvinden, geen aparte condities had gesteld
    over beperkingen van televisie- en fotoregistraties. Voorts meldde
    de commissie dat het haar niet duidelijk was of de minister al aan
    de getuige de instructie had geven niet voor de commissie te
    verschijnen met een beroep op het belang van de staat. In het
    besloten overleg dat hierop volgde, werd overeenstemming bereikt
    over de aanvullende voorwaarden voor de verschijning van de
    getuige: de opstelling van de televisiecamera’s zou zodanig zijn
    dat herkenning uitgesloten zou zijn; close-up opnames waren niet
    mogelijk en het maken van foto-opnamen werd ook beperkt. Om
    herhaling van de rond deze getuige ontstane situatie te voorkomen,
    werd tevens afgesproken dat de minister ten laatste op de donderdag
    voorafgaand aan de verhoren van de komende week de enqutecommissie
    in kennis zou stellen van mogelijke condities die volgens haar
    noodzakelijk waren. De commissie zou dan overwegen welke gevolgen
    aan een dergelijk verzoek gegeven moesten worden. Om hieraan gevolg
    te kunnen geven werd eveneens afgesproken dat de commissie tijdig
    aan de minister zou laten weten welke getuigen zij voornemens was
    uit te nodigen. Op maandag 2 oktober 1995 verscheen Karstens alsnog
    voor de commissie voor zijn verhoor.

    6.2.3 Een incident

    Op 25 oktober 1995 werd bekend dat de getuige mr R.J.C. graaf
    van Randwijck, procureur-generaal bij het Hof te Amsterdam, zijn
    ontslag zou nemen. De leden Koekkoek en Rabbae gaven commentaar op
    dit ontslag. Dat strookte niet met de in de commissie gemaakte
    afspraak dat de leden naar buiten terughoudend zouden zijn bij de
    behandeling van zaken die verband houden met het werk van de
    commissie. De voorzitter heeft daarop via een persbericht laten
    weten dat de commissie geen commentaar had op de ontslagaanvrage en
    dat de uitspraken van leden van de commissie niet namens de
    commissie waren gedaan. De commissie heeft in een vergadering over
    deze kwestie gesproken. De commissie meende dat het geven van
    commentaar door leden naar aanleiding van de verklaring van een
    getuige onverstandig was en niet meer diende voor te komen. De
    voorzitter heeft tijdens de eerst daaropvolgende persbriefing
    daarvan mededeling gedaan.

    6.2.4 Tweede oproep voor verhoor

    Naast de hierboven genoemde personen die twee keer voor de
    commissie moesten getuigen, werden ook de volgende getuigen voor
    een tweede maal ontvangen.
    Mr. J. Koers, officier van justitie te Arnhem, werd na zijn verhoor
    op 18 september 1995, andermaal voor een verhoor opgeroepen.
    Tijdens dit tweede verhoor, dat op 27 oktober werd afgenomen,
    kwamen vooral de grote infiltratieprojecten waarbij Koers betrokken
    was aan de orde, in het bijzonder de zaak 4M.De getuige mr L.A.J.M.
    de Wit, hoofdofficier van Justitie te Rotterdam, werd voor het
    eerst op 25 september 1995 gehoord. Tijdens het verhoor bleek dat
    de getuige op een aantal vragen over de discussie die ten grondslag
    lag aan het rapport van de werkgroep-De Wit inzake infiltratie geen
    antwoord kon geven, omdat zijn geheugen hem in de steek liet.
    Aangezien het voor haar onderzoek was noodzakelijk dat de commissie
    inzicht zou krijgen in de gevoerde discussie, werd De Wit op 2
    november 1995 wederom door de commissie verhoord. Tegenstrijdige
    verklaringen waren de reden dat twee getuigen voor een tweede keer
    voor de commissie moesten verschijnen. Op de elfde verhoordag,
    woensdag 4 oktober 1995, werden de verhoren van mr J.M. Valente,
    officier van justitie te Middelburg, voorheen te Amsterdam, en F.
    van der Putten, hoofd van de criminele inlichtingendienst Gooi en
    Vechtstreek, afgenomen. Tijdens zijn verhoor had Valente verklaard
    dat onder zijn gezag geen infiltratietrajecten zijn ingezet,
    conform de door het openbaar ministerie te Amsterdam uitgestippelde
    lijn. Echter, enkele uren later werd hij tegengesproken door Van
    der Putten die verklaarde dat hij nog wel in 1995 van de heer
    Valente toestemming had gekregen infiltranten te gebruiken. Van de
    telefoongesprekken, waaruit de vermeende toestemming moest blijken,
    had Van der Putten bandopnames gemaakt.

    De geconstateerde tegenstrijdigheid noodzaakte de commissie
    beide getuigen voor een tweede keer op te roepen. Ten behoeve van
    het verhoor werden de bewuste banden, die in het bezit waren van de
    korpsleiding van Gooi en Vechtstreek, door deze aan de commissie
    ter beschikking gesteld. Op grond van de analyse van de opgenomen
    gesprekken kwam de commissie tot de voorlopige conclusie dat er
    voor Van der Putten niet geen reden was te menen dat Valente
    uiteindelijk toestemming had gegeven voor het infiltratietraject.
    Op 27 oktober 1995 werden Van der Putten en Valente voor een tweede
    verhoor ontvangen. Het verhoor van Van der Putten was voor de
    commissie geen aanleiding haar conclusie te herzien.

    Tijdens het verhoor op 9 oktober 1995 van K.P. Langendoen,
    projectleider/vervangend teamleider kernteam Randstad Noord en
    Midden, voorheen chef regionale criminele inlichtingendienst
    Kennemerland, bleek dat hij beschikte over een financile
    verantwoording van ontvangen criminele gelden uit de periode dat
    hij chef van de regionale criminele inlichtingendienst Kennemerland
    was. Op de vraag van de commissie of hij bereid was haar inzage te
    verlenen in deze financile verantwoording, gaf de heer Langendoen
    een positief antwoord. In een tweede verhoor op 2 november 1995
    kwamen de financile verantwoording alsmede een aantal onderwerpen
    die in het eerste verhoor waren blijven liggen, aan de orde.

    Ook J. van Vondel, voormalig informantenrunner van de regionale
    criminele inlichtingendienst Kennemerland, werd twee keer verhoord
    – de eerste keer op 9 oktober 1995 en de tweede keer op 2 november
    1995. De reden dat Van Vondel terug moest komen, was dat niet alle
    onderwerpen die de commissie wilde aansnijden in het eerste verhoor
    aan bod waren gekomen.

    6.2.5 Nadere informatie

    Een aantal getuigen werd naar aanleiding van hun verhoor
    verzocht bepaalde stukken aan de commissie te doen toekomen dan wel
    vragen die waren blijven liggen schriftelijk te beantwoorden. B.N.
    Barendregt en H.C.J.M. Theeuwes, respectievelijk hoofd en
    plaatsvervangend hoofd van de Afdeling cordinatie criminele
    inlichtingen van de Divisie centrale recherche informatie (CRI),
    stuurden naar aanleiding
    van hun gezamenlijke verhoor op 14 september 1995 het stuk getiteld
    CID-Methoden en -Technieken, opgesteld door de CRI, aan de
    commissie toe. Mede naar aanleiding van dit stuk werd Barendregt
    vervolgens door de commissie voor een gesprek uitgenodigd.

    Mr O.R. Dros, teamleider kernteam Randstad Noord en Midden, en
    mr I.E.W. Gonzales, kernteam-officier van kernteam Randstad Noord
    en Midden, werd verzocht hun verklaringen, afgelegd op 28 september
    1995, dat er aanwijzingen zijn dat criminelen dan wel criminele
    organisaties bewust journalisten manipuleren teneinde criminele
    doeleinden te dienen, te onderbouwen. Daartoe deden zij een map met
    aanwijzingen aan de commissie toekomen.

    Tijdens zijn verhoor op 14 september 1995 stelde de commissie
    aan A.A.M. Hellemons, waarnemend hoofd van de Divisie ondersteuning
    van het Korps landelijke politiediensten, enkele vragen waarop hij
    op dat moment geen antwoord wist te geven. Aan het eind van het
    verhoor werd afgesproken dat hij die vragen schriftelijk zou
    beantwoorden. Na ontvangst daarvan bleek echter dat niet op alle
    punten duidelijkheid was geschapen, waarna de commissie Hellemons
    verzocht de ontbrekende informatie alsnog aan haar te doen
    toekomen.

    6.2.6 Tegenstrijdige verklaringen

    In de eerste helft van oktober maakte de commissie een begin met
    het verhoren van getuigen in het kader van het derde hoofdthema:
    controle op en sturing van de opsporing.
    Een tweede geval van tegenstrijdige verklaringen deed zich eind
    november voor. Tijdens zijn verhoor op 2 november verklaarde mr
    J.A. Blok, hoofdofficier van justitie te Den Haag, dat hij in 1994
    de toenmalige procureur-generaal te Den Haag (en de huidige
    minister van Justitie), mr W. Sorgdrager, op de hoogte had gesteld
    van de doorlevering van vele kilo’s cocane in het kader van het
    COPA-onderzoek. Dit cocanetraject was door haar voorganger, de
    waarnemend procureur-generaal mr Addens, goedgekeurd. Sorgdrager
    verklaarde echter ten overstaan van de commissie op 9 november 1995
    dat zij zich daar niets van herinnerde. Zij meende met aan
    zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen stellen dat Blok
    haar niet in kennis had gesteld van het bedoelde cocanetraject. De
    commissie besloot deze tegenstrijdigheid, die op de laatste
    verhoordag aan het licht kwam, in gesprekken aan de orde te stellen
    en verder uit te zoeken. In haar eindrapport komt de commissie
    hierop terug.

    6.2.7 Afsluiting verhoren

    Drie getuigen, te weten drs E. van Thijn, oud-minister van
    Binnenlandse Zaken en oud-burgemeester van Amsterdam, Sorgdrager en
    H. Dijkstal, minister van Binnenlandse Zaken, verbeterden
    schriftelijk de verklaring die zij tijdens hun verhoor hadden
    afgelegd. In alle gevallen gebeurde dat vlak na het verhoor. Op
    donderdag 9 november 1995 vond het laatste verhoor plaats, dat van
    Dijkstal. De voorzitter van de commissie sloot de vergadering om
    18.44 uur. In totaal werden er 93 verhoren afgenomen, met 88
    getuigen. Bij vier verhoren werden twee getuigen tezamen
    ondervraagd. De openbare verhoren namen 23 verhoordagen in beslag,
    verspreid over tien weken.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken