• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 11.3 Inventarisatie van opsporingsmethoden in Duitsland

    11.3 Inventarisatie van opsporingsmethoden in
    Duitsland

    11.3.1 De georganiseerde misdaad in Duitsland


    Op 22 september 1992 is in werking getreden de Gesetz zur
    Bekmpfung des illegalen Rauschgifthandels und anderer
    Erscheinungsformen der Organisierten Kriminalitt
    (OrgKG). De
    OrgKG voorziet niet in een definitie van de georganiseerde misdaad.
    Noot Hij geeft aan op welk soort delicten (bijzondere)
    opsporingsmiddelen kunnen worden toegepast.

    Aan de huidige OrgKG ligt een definitie ten grondslag die
    afkomstig is van de in 1990 door de ministers van Binnenlandse
    Zaken en Justitie ingestelde Gemeinsame Arbeitsgruppe
    Justiz/Polizei zur Strafverfolgung Organisierter Kriminalitt. Deze
    beschreef de georganiseerde misdaad als het planmatig plegen van
    strafbare feiten om winst en macht te behalen; deze strafbare
    feiten zijn op zichzelf of samen van grote betekenis; de feiten
    worden voor langere of onbepaalde tijd gepleegd door meer dan twee
    deelnemers door gebruik te maken van beroeps- of bedrijfsmatige
    structuren, door gebruik te maken van geweld of intimidatie, en
    door invloed uit te oefenen op de politiek, de media, het openbaar
    bestuur, justitie en de economie. Noot Deze definitie
    munt uit in onduidelijkheid en is moeilijk om te zetten in
    delictsomschrijvingen. De werkgroep realiseerde zich dit en
    beperkte de definitie van de georganiseerde misdaad tot twee
    kenmerken, namelijk de organisatiestructuur en typische vormen van
    criminaliteit.

    Voor zover het de organisatiestructuur betreft wordt veelal
    verondersteld dat criminele organisaties de faade van een legale
    onderneming aannemen.
    De illegale activiteiten worden gelegaliseerd door een vorm van
    sociale integratie. De constructie draagt eraan bij dat illegale
    activiteiten ongehinderd kunnen worden uitgevoerd. Verondersteld
    wordt dat de georganiseerde misdaad zich bedient van
    afschottingsmechanismen, die zowel naar binnen als naar buiten
    gericht zijn. Interne afschotting wordt versterkt door
    bijvoorbeeld een hirarchische groepsstructuur en een professionele
    logistiek, terwijl externe afschotting plaatsvindt door middel
    van
    corruptie en bedreiging van getuigen. Niet elke
    organisatiestructuur heeft een even sterke groepsbinding. Op het
    onderste, zwakste niveau vindt men de bendecriminaliteit, op het
    middelste de criminele netwerken en op het bovenste de criminele
    organisaties.
    Als typische delictsvormen worden eigenlijk alle
    ernstige, grootschalige en op winst gerichte vormen van
    criminaliteit genoemd.

    Voorbeelden zijn de drughandel, wapenhandel, georganiseerde
    prostitutie, mensenhandel, gokindustrie, afpersing, het illegaal in
    dienst hebben van werknemers, illegale smokkel van buitenlanders,
    merkenpiraterij, goudsmokkel, fraude, valsemunterij, benadeling van
    de verzekeringsmaatschappijen en illegale transfer van technologie.
    Sommige van deze delicten, zoals merkenpiraterij, worden in
    Nederland zelden genoemd als een typisch delict voor georganiseerde
    criminaliteit. Duitsland heeft met de vertaling van deze
    indicatoren door het Bundeskriminalamt een grote invloed gehad op
    de analyse van de georganiseerde misdaad in andere landen. Noot

    Over het algemeen wordt aangenomen dat de georganiseerde misdaad
    de laatste jaren is toegenomen mede als gevolg van de val van de
    Berlijnse Muur en de groei van het aantal buitenlanders. Het
    aandeel buitenlandse verdachten in complexe zaken schommelt rond de
    50%. Na een analyse van de dadergroepen is gebleken dat de grootste
    groep (14,8%) bestond uit Turken; Italiaanse, ex-Joegoslavische en
    Poolse staatsburgers zijn ieder goed voor zo’n 5% van deze uit het
    buitenland afkomstige verdachten. Noot Dit aandeel ligt
    hoger dan bij de totale criminaliteit. De plaats van de misdrijven
    lag en ligt in verschillende landen, waaronder vooral Nederland,
    Oostenrijk, Zwitserland, Itali, Polen en Turkije.

    11.3.2 Het Duitse strafproces

    In Duitsland ligt de wetgevingsbevoegdheid op het terrein van
    het straf(proces)recht zowel bij de federatie als bij de deelstaten
    (artikel 74, eerste lid, Grundgesetz). Indien de Bond
    regelend is opgetreden zijn de deelstaten niet meer bevoegd. Het
    federale Wetboek van Strafvordering (Strafprozessordnung,
    StPO) bestrijkt een zeer breed terrein, zodat weinig wetgeving op
    deelstaatniveau bestaat. Andere federale wetten met bepalingen van
    strafvorderlijke aard zijn de Grondwet (Grundgesetz), de
    Goedkeuringswet 1953 bij het Europees verdrag van de rechten van de
    mens, de Wet op de verdovende middelen (Betubungsmittelgesetz), het
    Wetboek van Strafrecht (Strafgesetzbuch; StGB), de Wet op het
    jeugdrecht (Jugendgerichtsgesetz) en de Overtredingwet
    (Ordnungswidrigkeitsgesetz; OWiG).
    Noot Het Duitse
    strafproces heeft een accusatoir karakter. Het is gebaseerd op een
    aantal grondbeginselen, zoals het monopoliebeginsel, het
    instructiebeginsel, het legaliteitsbeginsel en het
    proportionaliteitsbeginsel. Het opsporingsonderzoek is in beginsel
    geheim en schriftelijk. Van alle onderzoekshandelingen (inclusief
    het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden) dient proces-verbaal
    te worden opgemaakt.
    Duitsland kent een directe toepassing van het
    onmiddellijkheidsprincipe. Dit betekent dat getuigen tijdens de
    rechtszitting moeten verklaren. Niet kan worden volstaan met de
    auditu-verklaringen. Noot Dit is van belang voor het
    gebied van bijzondere opsporingsmethoden, aangezien tipgevers,
    informanten en infiltranten wiens informatie als bewijs wordt
    gehanteerd, ook daadwerkelijk in de rechtszaal moeten getuigen. Het
    voorbereidend onderzoek (Vorverfahren) gaat vooraf aan een
    openbare terechtzitting. Het gerechtelijk vooronderzoek is
    afgeschaft in 1974. Het vooronderzoek bestaat eigenlijk alleen nog
    maar uit een opsporingsonderzoek (Ermittlungsverfahren).
    Noot Het openbaar ministerie draagt de formele leiding
    over het opsporingsonderzoek, maar mengt zich niet in het beheer
    van politiezaken. Het beheer ligt bij de ministeries van
    Binnenlandse Zaken. De politie staat bij de uitvoering van
    strafrechtelijke taken onder direct toezicht van de officier van
    justitie (Staatsanwalt). Deze kan aanwijzingen geven aan de
    hulpofficier van het openbaar ministerie (Hilfsbeamte der
    Staatsanwaltschaft
    ), die in bepaalde gevallen als het optreden
    van de officier niet kan worden afgewacht zelfstandig kan optreden,
    al dan niet met goedkeuring achteraf. Voor bepaalde dwangmiddelen
    is een bevel van de onderzoeksrechter (Ermittlungsrichter)
    vereist. Dit is het geval indien inbreuken op rechten en vrijheden
    van burgers zullen worden gemaakt.

    De officier van justitie kan bepalen dat bepaalde
    ambtshandelingen door een rechterlijk functionaris
    (Ermittlungsrichter) moeten worden uitgevoerd. Hij doet daartoe een
    vordering bij het kantongerecht in zijn rechtsgebied. Het openbaar
    ministerie moet zoeken naar zowel ontlastend als belastend
    bewijsmateriaal. Het openbaar ministerie ziet toe op de zorg
    waarmee het onderzoek wordt verricht en op de betrouwbaarheid van
    de resultaten. De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie
    zijn vastgelegd in de StPO en in de Richtlinien fr das
    Strafverfahren und das Bussgeldverfahren
    . Noot Een
    opsporingsonderzoek vangt aan na ambtelijke waarneming van een
    strafbaar feit, aangifte of een verzoek om strafvervolging. In deze
    gevallen moet sprake zijn van een vermoeden dat een strafbaar feit
    is gepleegd. Noot

    Het bestaan van enkel subjectieve vermoedens is niet voldoende.
    Het begrip Verdacht (verdenking) is nauwelijks gespecificeerd in
    de wetgeving, jurisprudentie en literatuur. Allerlei termen
    dwarrelen in de literatuur rond. Indien een zekere mate van
    waarschijnlijkheid (Verdacht of Tatverdacht) bestaat dat iemand een
    strafbaar feit heeft begaan, dan wordt gesproken van een
    Verdchtiger. Wanneer deze voorwerp gaat vormen van een
    opsporingsonderzoek, dan wordt deze Beschuldigter genoemd. Na de
    indiening van de openbare aanklacht tegen deze persoon wordt hij
    een Angeschuldigter. In de StPO wordt onderscheid gemaakt naar de
    mate van verdenking:

    toereikende feitelijke aanknopingspunten.
    – de eenvoudige verdenking (einfacher Verdacht of Anfangsverdacht)
    kan tot vervolging leiden en vereist

    • de verdenking op grond van bepaalde feiten
      (Verfahrenstrchtiger Verdacht)
    • de afdoende verdenking (hinreichender Verdacht)
    • de dringende verdenking (dringender Verdacht).
      Noot
      Bij de verwachting dat een strafbaar feit gepleegd zal gaan worden,
      bevindt de opsporing zich in het zogeheten Vorfeld.
      Toereikende feitelijke aanknopingspunten voor de waarschijnlijkheid
      van het toekomstige feit (Anfangsverdacht) brengen de
      verplichting voor het openbaar ministerie en politie mee om een
      opsporingsonderzoek in te stellen. Op basis van artikel 152, tweede
      lid StPO kan in het kader van opsporing van georganiseerde
      criminaliteit al in een vroeger stadium worden opgetreden. Critici
      beweren dat verwarring ontstaat door zowel het begrippenpaar
      Anfangsverdacht / Vorfeld als door de uitzonderingen op deze
      voorwaarden voor politieel optreden. Enerzijds ontstaat
      contourverlies tussen de begrippen concreet gevaar en begin van een
      verdenking, anderzijds dreigt de duidelijke scheiding tussen
      preventie en strafvordering te verdwijnen. Noot Het
      algemene politierecht staat politieel handelen toe ter voorkoming
      van toekomstige strafbare feiten. Noot Het begrip
      vorbeugende Verbrechensbekmpfung (preventieve
      criminaliteitsbestrijding) versluiert de aanwijzing van een
      bepaalde persoon als verdachte.
      Noot Het begrip
      heeft ingang gevonden in de politiewetten van de deelstaten, soms
      onder de noemer van Gefahrenabwehr. Noot

    Tijdens het opsporingsonderzoek kunnen dwangmiddelen worden
    gehanteerd, zoals huiszoeking en inbeslagneming. Ze dienen ertoe
    bewijs en de aanwezigheid van de verdachte te verzekeren. Het
    verschil tussen dwangmiddelen en (bijzondere) opsporingsmiddelen
    wordt door Kruse zodanig getypeerd dat de eerste groep handelingen
    aan de verdachte bekend zijn, en de tweede groep handelingen geheim
    zijn voor de verdachte en andere betrokkenen. Noot
    Overigens is het bij geheime opsporingshandelingen wel zo dat het
    gebruik daarvan achteraf aan de verdachte bekend wordt
    gemaakt. Het gebruik van dwangmiddelen tegen een niet-verdachte is
    legitiem, zolang daar een materile verdenking van een strafbaar
    feit aan ten grondslag ligt.
    Noot
    In de literatuur wordt wel gesignaleerd dat de zwaarte van
    opsporingsmiddelen steeds minder vaak wordt afgewogen tegen de
    belasting voor de burger of de maatschappij. Dit zou kunnen
    betekenen dat geen of minder toetsing plaatsvindt van het
    proportionaliteitsbeginsel. Bij dwangmiddelen wordt ingrijpen in de
    grondwettelijke positie van de verdachte of andere procesdeelnemer
    wl gerelateerd aan de zwaarte van het tenlastegelegde feit. Het
    probleem met het gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen is
    dat de eigenlijke strafvervolging (legitiem) kan worden uitgesteld
    ten behoeve van verdergaande bijzondere opsporingsstrategien.

    Noot

    Bewijs kan ontoelaatbaar worden verklaard. De waarheid kan niet
    worden achterhaald met elk middel. De StPO sluit uitdrukkelijk
    bewijs uit dat verkregen is in strijd met bepaalde grondwettelijke
    beginselen, zoals door middel van marteling, uitputting,
    bedreiging, misleiding of hypnose (artikel 136a StPO). Echter, bij
    bewijsgaring met overtreding van procedurevoorschriften hoeft het
    resultaat daarvan niet noodzakelijk te worden uitgesloten van de
    bewijsvoering.

    Het Bundesverfassungsgericht heeft bepaald dat slechts
    wanneer deze verzuimen een zeer ernstig, beslissend gevolg hebben
    voor de positie van de verdachte, het bewijs ontoelaatbaar moet
    worden verklaard. Op deze rechtspraak is zware kritiek geweest,
    omdat geen criteria voor het vaststellen van het ernstig,
    beslissend gevolg zouden bestaan en omdat het moeilijk te begrijpen
    zou zijn waarom zulke procedurefouten de rechters zouden moeten
    weerhouden van het gebruik van bewijs.
    Noot

    Het openbaar ministerie is verplicht alle hem bekend geworden
    strafbare feiten te vervolgen. De politie is op haar beurt
    verplicht tot opsporing. De wet laat slechts enkele uitzonderingen
    toe. Feitelijk maakt de politie wel een selectie.
    Noot

    11.3.3 De organisatie van de politie

    De zestien deelstaten in Duitsland zijn bevoegd inzake alles dat
    niet door de Grondwet aan de bond is opgedragen. De meeste
    regelgeving op het gebied van de politie is van de deelstaten
    afkomstig. Zo heeft elke deelstaat zijn eigen politiewet, waarin de
    organisatie en (een deel van de) bevoegdheden zijn geregeld.
    Noot Zodoende bestaan in de Bondsrepubliek zestien
    verschillende deelstaatpolities, die onderling verschillen in
    structuur en organisatie. Ook de politiebevoegdheden lopen
    uiteen.

    De ministers van Binnenlandse Zaken hebben in 1972 aan de
    bezwaren tegen de verschillen willen tegemoetkomen met het
    Musterentwurf eines einheitlichen Polizeigesetzes. De
    gezamenlijke Duitse politiediensten telden in 1992 in totaal bijna
    250.000 opsporingsambtenaren, waarvan 218.000 werkzaam waren bij de
    politie in de deelstaten en 2600 respectievelijk 28.000 bij de
    federale politiediensten Bundeskriminalamt (
    BKA) en
    Bundesgrenzschutz.
    Noot

    De opsporingsdiensten in de deelstaten vallen onder de
    ministeries van Binnenlandse Zaken, behalve in de stadsdeelstaten
    Berlijn, Hamburg en Bremen, waar de desbetreffende Senator het
    bevoegd gezag is. In elke deelstaat is de politie opgedeeld in vier
    diensten. De eerste is de Schutzpolizei of Schupo en heeft een
    surveillancetaak. Dit is de reguliere politie met
    opsporingsbevoegdheid. Zij heeft in totaal ongeveer 188.000
    ambtenaren. Deze dienst heeft voornamelijk een preventieve taak bij
    de handhaving van de publieke orde en handelt minder ernstige
    strafbare feiten af. De tweede is de Kriminalpolizei of de Kripo,
    met ongeveer 42.075 ambtenaren. Dit is de recherchedienst, die is
    onderverdeeld in gespecialiseerde eenheden (
    fraude,
    prostitutie, algemene misdaad en criminele recherche). De derde
    dienst is de Bereitschaftspolizei of Bepo, met zo’n 25.000
    ambtenaren. Deze dienst ondersteunt politile operaties wanneer een
    zichtbare aanwezigheid wenselijk is, bijvoorbeeld bij
    demonstraties. Hij fungeert als mobiele eenheid. Verder speelt hij
    een belangrijke rol in politie-training. De bondsregering kan via
    de onder direct toezicht van de bondsminister van Binnenlandse
    Zaken staande Inspekteur der Bereitschaftspolizeien der Lnder in
    principe beschikken over een zonder vertraging inzetbare
    politiemacht.
    Noot Tenslotte is er nog de
    Wasserschutzpolizei, die op de rivieren en in de kustgebieden
    patrouilleert.

    Op federaal niveau zijn te onderscheiden het reeds genoemde
    Bundeskriminalamt (BKA), de Bundesgrenzschutz, en de
    Bundesverfassungsschutz.
    Het BKA in Wiesbaden is de federale recherchedienst en valt onder
    het gezag van de federale minister van Binnenlandse Zaken. Het is
    het centrum voor de samenwerking tussen de federale politie en de
    deelstaatpolitie. Bij deze dienst worden informatie en documentatie
    verzameld over criminaliteit. Voorts is hij belast met de opsporing
    van ernstige criminaliteit, zoals terrorisme, drugzaken,
    valsemunterij, en wapenhandel. Het nationaal centraal bureau van
    Interpol is ondergebracht bij het BKA. De taken van het BKA lijken
    op die
    van de Nederlandse CRI, maar het heeft een aantal operationele
    taken, waardoor het beter vergeleken kan worden met de Amerikaanse
    FBI (Federal Bureau of Investigation).
    Ambtenaren van het BKA hebben zelfstandig de bevoegdheid
    opsporingshandelingen te verrichten bij deelstaatoverschrijdende
    criminaliteit en in geval van ernstige strafbare feiten, met welker
    opsporing zij zijn belast. Noot

    Auteurs betwijfelen of het BKA over de wettelijke bevoegdheid
    beschikt om in de proactieve fase werkzaam te zijn. Noot
    In ieder geval kent de wet tot oprichting van het BKA geen regeling
    voor het afluisteren in de proactieve fase. Het BKA voert jaarlijks
    ongeveer 70 undercover operaties uit. Noot De
    Bundesgrenzschutz valt onder het federale ministerie van
    Binnenlandse Zaken. De dienst is paramilitair van karakter en is
    verantwoordelijk voor het bewaken van de buitengrenzen van de
    Bondsrepubliek. De dienst vervult ook de taak van spoorwegpolitie.
    In veel grensstreken wordt de feitelijke grensbewaking uitgevoerd
    door douaniers (Zllner) of een speciale grenspolitie, zoals in
    Beieren.

    Tenslotte de Bundesverfassungsschutz, de federale dienst voor
    de bescherming van de constitutie. Deze dienst legt zich toe op het
    verzamelen van informatie. Deze instantie mag – in bepaalde
    omschreven gevallengesprekken afluisteren en opnemen in woningen
    (artikel 9 lid 2 en 3 Bundesverfassungsschutzgesetz).

    In de deelstaten bestaan recherchediensten op verschillende
    niveaus. Op het hoogste niveau heten zij Landeskriminalmter
    (LKA). Zij hebben tot opdracht de politile samenwerking tussen de
    deelstaten onderling en tussen de deelstaten en de federatie te
    bevorderen. Zij oefenen daarbij professioneel toezicht uit op
    lokale recherche-eenheden.

    Bij de LKA’s zijn de gespecialiseerde herkennings-, analyse- en
    adviesdiensten en laboratoria ondergebracht. Door het BKA wordt aan
    de LKA’s wel bijstand verleend met behulp van specialisten en
    speciale apparatuur. Het komt voor dat het BKA een onderzoek
    overneemt van het LKA of de deelstaatpolitie op verzoek of in
    opdracht van de autoriteiten in een deelstaat, van de bondsminister
    van Binnenlandse Zaken of van de federale procureur-generaal
    (Generalbundesanwalt). De politile autoriteiten van de deelstaat
    zijn in deze gevallen gebonden aan de aanwijzingen van het

    BKA. Noot Bij de LKA’s zijn medewerkers van de
    Kriminalpolizei gestationeerd. De LKA’s voeren zelfstandig
    opsporingsonderzoeken uit naar ernstige strafbare feiten, zoals
    delicten die liggen in de sfeer van radio-activiteit,
    springstoffen, valsemunterij, staatsveiligheid, drugs en zware
    economische en milieucriminaliteit.

    Het aantal eenheden ter bestrijding van de georganiseerde
    misdaad is aanzienlijk toegenomen sinds 1984. Deze eenheden zijn
    gecreerd op federaal en deelstaatniveau en zijn bedoeld om
    proactieve strategien te ontwikkelen. Binnen deze
    recherche-eenheden worden alle criminele informatie en bijzondere
    opsporingsmethoden geconcentreerd n gecombineerd. Noot
    Wetenschappers zien een trend in de richting van covert
    policing
    en stellen dat een eenheid voor de georganiseerde
    misdaad opzettelijk arrestaties kan uitstellen met het doel een
    meer zwaarwegend strafbaar feit te voorkomen of op te sporen.
    Noot De activiteiten zijn veelal gescheiden van het
    reguliere traject van de tactische recherche. De eenheden hebben
    geen verantwoordelijkheid voor specifieke delicten, zodat zij
    doelen kunnen stellen op basis van hun eigen criteria. In de
    praktijk houden zij zich vooral bezig met drugdelicten,
    prostitutie, illegale gokspelen en georganiseerde diefstal en
    heling. Ze hebben echter geen competentie op het terrein van de
    witteboordencriminaliteit en milieudelicten, aangezien het gebruik
    van bijzondere opsporingsmethoden bij deze delicten niet is
    toegestaan (niet opgenomen in de limitatieve opsomming in het
    Wetboek van Strafvordering). Sommige eenheden hebben
    contactambtenaren in andere recherche-afdelingen om de
    informatiestroom te garanderen (zij geven zelf geen informatie aan
    tactische recherche-eenheden). De eenheden voor de bestrijding van
    de georganiseerde misdaad beschikken over speciale geautomatiseerde
    informatie-systemen. Noot

    Deze organisatorisch-institutionele ontwikkeling van de
    opsporingsdiensten wordt weerspiegeld bij het openbaar ministerie,
    in de vorm van een afdelingsbegeleider of een Staatsanwalt die nauw
    samenwerkt met de Kriminalpolizei. Noot

    Tussen politie en openbaar ministerie bestaat een spanningsveld,
    Noot aangezien de politie (naar de wil van de wetgever)
    een zelfstandig orgaan van de strafrechtspleging is. De bevoegdheid
    van het openbaar ministerie om opdrachten te geven aan de politie
    is beperkt tot de strafprocessuele politietaak. Deze strekt zich
    niet uit over preventie en openbare orde. Noot Aangezien
    de proactieve opsporing veelal gerangschikt wordt onder de
    preventieve politietaak heeft het openbaar ministerie daar weinig
    zicht op. Bovendien is de politie primair genteresseerd in
    strategische informatie-vergaring, terwijl het openbaar ministerie
    gericht is op bewijsvoering.

    11.3.4 Opsporingsmethoden

    In de visie van de Duitse politie is de georganiseerde misdaad
    slachtofferloos en in geringe mate zichtbaar. De ware
    dimensies van de georganiseerde misdaad worden bepaald met behulp
    van kleine stukjes informatie die aan elkaar geregen worden. De
    strijd tegen de georganiseerde misdaad past, volgens de politie,
    niet langer in een reactief model van politieel optreden. De
    opsporing van de georganiseerde misdaad begint met de vaststelling
    van een verdachte of verdachte situatie waarvan wordt aangenomen
    dat een delict is gepleegd of gepleegd zal worden. Bovendien
    concentreert de politie bij de opsporing van de georganiseerde
    misdaad zich niet uitsluitend op een concreet strafbaar feit, maar
    zij probeert zicht te krijgen op de organisatiestructuren. Deze
    opsporingsstrategie heeft in Duitsland vaste voet gekregen in de al
    eerder genoemde wet op de georganiseerde misdaad.
    Noot

    Deze is gentegreerd in het Duitse Wetboek van Strafvordering.
    Noot De wet legaliseert een reeks bijzondere
    opsporingsmethoden. Voorheen waren deze methoden opgenomen in
    richtlijnen van het landelijk openbaar ministerie, die een aantal
    jaren later voor een deel gentegreerd werden in de politiewetten
    van de deelstaten. Noot

    Het StPO biedt een wettelijk geregeld instrumentarium voor het
    gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Tussen de federale
    wetgeving (OrgK en StPO) en de politiewetten bestaan overlappende
    competenties en discrepanties. Noot

    Een voorbeeld is dat in het politierecht van de deelstaten
    informatie onbeperkt mag worden verkregen door middel van
    technische middelen in woningen, terwijl een minder zwaar
    opsporingsmiddel – observatie met behulp van technische middelen in
    openbare ruimten – in de federale wet door artikel 100a StPO
    beperkt is tot een aantal delicten. Noot Ook tussen de
    politiewetten van de deelstaten onderling bestaan aanzienlijke
    verschillen op het gebied van de preventieve bestrijding van de
    georganiseerde misdaad. Noot Bovendien verschillen per
    deelstaat de procedurele waarborgen voor het inzetten van
    bijzondere opsporingsmethoden. Zo berust in Berlijn de machtiging
    voor de langdurige inzet van een infiltrant bij de
    politiecommissaris, terwijl in Hessen een rechterlijke machtiging
    vereist is. Noot De aanvullende richtlijnen verschillen
    eveneens per deelstaat.

    De grenzen aan het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden
    zijn onder meer vastgelegd in de Grondwet (het vrijheidsrecht en
    het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer). In
    de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht is het
    recht op de informationelle Selbstbestimmung als grondrecht
    van de artikelen 1 en 2 Grondwet afgeleid. In het
    Volkstellings-arrest oordeelt het Bundesverfassungsgericht
    dat een inbreuk op dit recht slechts geoorloofd is op basis van een
    wettelijke regeling. Noot In de literatuur wordt veel
    geklaagd over de onduidelijkheid aangaande het plegen van strafbare
    feiten door opsporingsambtenaren. Busch en Funk bekritiseren de
    eerdergenoemde OrgKG omdat de wet geen duidelijke richtlijnen
    aanreikt voor het plegen van strafbare feiten door
    undercover agenten. Noot Problemen ontstaan
    veelal bij langdurige infiltratie: infiltranten worden vanwege hun
    aangenomen identiteit vaak gedwongen strafbare feiten te plegen. En
    politile ex-infiltrant gaf toe in zijn carrire tussen de 100 en 200
    strafbare feiten te hebben gepleegd die samen goed zouden zijn voor
    ongeveer 420 jaar gevangenisstraf. Noot

    Op basis van jurisprudentie van het Bundesgerichtshof aan
    het begin van de jaren ’80 komt Sieg tot de conclusie dat:
    deze persoon van een reeds gepleegd strafbaar feit of de geplande
    uitvoering verdacht is; – uitlokking van een persoon tot het plegen
    van strafbare feiten door staatsorganen slechts toelaatbaar is
    indien daarenboven als schulduitsluitingsgrond;

    – indien de uitlokking als ontoelaatbaar wordt beschouwd, wordt
    dit opgevat als proceshindernis en zonder uitlokking begaan
    zou zijn. Elke twijfel hierover is in het voordeel van de
    verdachte. – het uitgelokte strafbare feit slechts bestraft wordt
    indien de daad of een daaraan vergelijkbare daad ook Ten aanzien
    van drugdelicten geldt dat strafbare feiten uitgelokt mogen worden
    met het doel drugs uit de circulatie te nemen. De belangen van de
    gemeenschap op het veiligstellen van drugs rechtvaardigen
    uitlokking als strafrechtelijke handeling. Noot

    Observeren en volgen

    In de literatuur wordt wel het onderscheid gemaakt tussen
    preventieve en repressieve (of reactieve) observatie
    enerzijds en statische en dynamische observatie anderzijds.
    Noot In de wet zijn alleen de incidentele politile
    controle, het politieel toezicht en de (reactieve) observatie met
    behulp van technische middelen geregeld. Het Wetboek van
    Strafvordering kent geen regeling van de observatie voor zover
    daarbij geen gebruik wordt gemaakt van technische middelen.In 1978
    werd naar aanleiding van terroristische aanslagen artikel 111 StPO
    van kracht. Deze bepaling geeft de rechter en in spoedeisende
    gevallen de officier van justitie of de politie, de bevoegdheid om
    na ernstige misdrijven op incidentele basis checkpoints
    (Kontrolstellen) te installeren. Elke persoon die een checkpoint
    passeert mag worden onderzocht zonder concrete verdenking.
    Politieel toezicht (Polizeiliche Beobachtung) is geregeld in
    het Wetboek van Strafvordering. Met de invoering van de OrgKG is
    artikel 163e StPO gewijzigd. Voorwaarden voor het gebruik van
    politieel toezicht op de verdachte zijn een eenvoudige verdenking
    (Anfangsverdacht) van een ernstig strafbaar feit
    (Straftaten von erheblicher Bedeutung) en dat het
    vaststellen van de feiten of het achterhalen van de verblijfplaats
    van de verdachte op andere wijze minder resultaat zal opleveren of
    aanzienlijk bemoeilijkt zal worden. De maatregel kan onder bepaalde
    voorwaarden ook tegen derden worden ingezet op de grond van een
    bestaande of toekomstige relatie met de verdachte.

    Vanwege de mogelijke inbreuk van het politietoezicht op de
    grondrechten van de verdachte kan de maatregel alleen door de
    rechter – en in geval van spoed door de officier van justitie –
    worden bevolen. Het bevel heeft een geldingsduur van een jaar, het
    door de officier van justitie gegeven bevel moet binnen drie dagen
    door de rechter zijn bekrachtigd. De wet geeft geen indicatieve of
    limitatieve opsomming van delicten waarvoor observatie kan worden
    toegepast. Sinds de inwerkingtreding van de OrgKG in september 1992
    tot 1994 werd door het BKA in 99 gevallen gebruik gemaakt van het
    politieel toezicht. Noot Op deelstaatniveau is het
    politieel toezicht meestal in de politiewetten geregeld. De
    machtigingsprocedures variren.

    In de politiewetten van Niedersachsen, Schleswig-Holstein en
    Brandenburg moet een rechterlijke machtiging worden verkregen,
    terwijl in andere deelstaten toestemming van de korpschef voldoende
    is. De looptijd van de machtiging is gewoonlijk een jaar en kan met
    een jaar worden verlengd. In Brandenburg moet na een half jaar
    worden bekeken of het middel nog langer gerechtvaardigd is.
    Noot In Nordrhein-Westfalen biedt artikel 21 NWPolG een
    wettelijke grondslag voor politieel toezicht in de proactieve fase:
    personalia en autokentekens kunnen in een databestand worden
    opgenomen, indien op grond van de persoon en diens strafrechtelijk
    verleden de verwachting bestaat dat deze in de nabije toekomst
    strafbare feiten zal begaan. Het doel van het politieel toezicht is
    strafbare feiten te voorkomen.

    Van het politieel toezicht en de observatie met behulp van
    technische middelen wordt onderscheiden de langdurige
    observatie. Langdurige observatie vindt 24 uur per dag plaats en
    wordt planmatig uitgevoerd met de nodige organisatie, personeel en
    middelen. Doel van een langdurige observatie is de levensgewoonten
    van een verdacht persoon vast te leggen, vooral met de bedoeling
    samenhangen en dwarsverbanden vast te leggen in diens persoonlijke
    kring. Observatie vindt vaak plaats in combinatie met elektronische
    gegevensvergelijking of het gebruik van technische middelen.

    Een echte wettelijke regeling voor langdurige observatie bestaat
    niet op federaal niveau. Hierin was wel voorzien in een
    wetsontwerp. Noot Een wettelijke regeling voor de
    langdurige observatie staat nu in de politiewetgevingen van de
    deelstaten. De Politiewet Nordrhein-Westfalen voorziet in
    kortdurende en langdurende observatie. De kortdurende observatie
    kan alleen plaatsvinden wanneer de verzameling van gegevens over
    personen nodig is met het doel gevaar te voorkomen (artikel 1,
    eerste lid NWPolG). Langdurige observaties, die langer dan 24 uur
    ononderbroken of gedurende meer dan twee dagen duren, zijn
    geoorloofd met betrekking tot een persoon, ten aanzien van wie uit
    feiten en omstandigheden het vermoeden voortvloeit, dat hij
    ernstige strafbare feiten wil (gaan) plegen. Deze observaties
    kunnen ook betrekking hebben op diegenen die deze persoon
    begeleiden of contact met hem hebben, mits die observatie
    noodzakelijk is voor het voorkomen van dat strafbare feit. De
    korpschef moet goedkeuring verlenen (artikel 16, tweede lid
    NWPolG). Op Bondsniveau schijnt geen inzicht te bestaan in de
    jaarlijkse aantallen uitgevoerde langdurige observaties. Noot In
    1974 werden naar aanleiding van de Innenministerkonferenz
    (IMK) speciale observatie-eenheden op het niveau van de federatie
    opgericht. Noot Uit cijfers van het
    Informationssystem der Polizei (INPOL) over 1991 en 1992
    blijkt dat het grootste aandeel kortdurende observaties besteed
    wordt aan de observatie van vervoer. Ook wordt observatie vaak
    gebruikt ter opsporing van drugdelicten. Noot

    Inbeslagneming van brieven, poststukken en
    telegrammen

    Artikel 10 Grondwet garandeert het brief-, post- en
    telefoongeheim, waarop bij wet beperkingen zijn
    toegestaan. De inbeslagneming van brieven en telegrammen zijn in
    het Wetboek van Strafvordering geregelde dwangmiddelen (artikelen
    99 en 100 StPO). Omdat een grondrecht in het geding is, is
    voorafgaande rechterlijke machtiging vereist. In spoedgevallen
    (Gefahr im Verzug) waarbij de beslissing van de rechter niet
    kan worden afgewacht, kan de officier van justitie voor ten hoogste
    drie dagen een machtiging geven. Het bevel dient bevestigd te
    worden door de rechter, anders verliest de machtiging automatisch
    effect (artikel 99 StPO). Aan de verdachte gerichte brieven en
    telegrammen mogen op het postkantoor in beslag worden genomen.
    Inbeslaggenomen post moet door de officier van justitie ongeopend
    in oorspronkelijke staat aan de rechter worden gezonden (artikel 97
    StPO). Deze regeling brengt mee dat proactief geen gegevens mogen
    worden verzameld door middel van beslaglegging op brieven en
    poststukken.

    Aftappen van telecommunicatie

    Vanwege artikel 10 Grondwet inzake de onschendbaarheid van het
    telecommunicatie-geheim is de telefoontap sinds 1968 wettelijk
    geregeld in artikel 100a StPO voor de opsporing en in de G10-wet
    voor de geheime diensten. Nadien zijn ook op het niveau van de
    deelstaten wetten ingevoerd voor de telefoontap. Noot Op
    grond van artikel 100a StPO kunnen ook andere vormen van
    telecommunicatie worden afgetapt. De politiewet van
    NordrheinWestfalen geeft niet de bevoegdheid om faxen en telexen af
    te tappen. De telefoontap wordt alleen gebruikt bij ernstige
    strafbare feiten. Deze misdrijven zijn opgesomd in artikel 100a
    StPO en betreft politieke delicten zoals hoogverraad en zware
    misdaden zoals moord, mensenhandel, gijzeling. Tijdens de
    telefoontap opgevangen informatie over andere strafbare feiten dan
    die in de lijst van strafbare feiten (Straftatenkatalog)
    zijn opgenomen, kan niet worden gebruikt. Noot Bij de
    invoering van de OrgKG is deze lijst van delicten uitgebreid met
    voor de georganiseerde criminaliteit typische delicten. In de lijst
    is het proportionaliteitsbeginsel tot uitdrukking gebracht. Ook het
    subsidiariteitsbeginsel wordt in de wet uitgedrukt: een verdenking
    is op zichzelf niet voldoende, tevens moet aannemelijk zijn dat de
    opsporing van het feit of de vaststelling van de verblijfplaats van
    de verdachte anders dan door middel van het onderscheppen van
    telecommunicatie niet mogelijk zou zijn of aanzienlijk bemoeilijkt
    zou worden (artikel 100a, vierde lid StPO).

    Zowel de verdachte als personen die ervan worden verdacht met de
    verdachte samen te werken kunnen worden getapt. Een rechterlijke
    machtiging is noodzakelijk voor het onderscheppen van
    telecommunicatie. In spoedgevallen mag de officier van justitie de
    machtiging geven, waarbij binnen drie dagen de rechter deze dient
    te bevestigen (artikel 100b StPO). Een rechterlijke machtiging
    heeft een duur van drie maanden en kan telkenmale met dezelfde
    termijn worden verlengd indien de grond van het dwangmiddel blijft
    bestaan. De machtiging is schriftelijk, bevat naam en adres van de
    degene wiens telefoon getapt gaat worden (tenzij de identiteit nog
    niet vaststaat) en de aard, omvang en duur van de maatregel. De
    telefoontap wordt als een probaat middel gezien voor de inwinning
    van informatie, zelfs wanneer de informatie geen directe
    bewijswaarde heeft. Het middel wordt dus CID-matig interessant
    geacht, omdat het de bewegingen en de relaties van een verdachte
    bloot kan leggen.

    Tussen 1985 en 1990 nam het aantal door het BKA uitgevoerde taps
    toe van 98 tot 173. De deelstaten voeren nog veel meer taps uit: in
    Baden-Wrttemberg alleen al liep het aantal op van 182 in 1984 tot
    520 in 1992. Noot Het totaal aantal machtigingen dat gedurende 1992
    werd verleend lag op 3.499 – hoger dan in de Verenigde Staten. In
    1993 nam dit aantal nog toe tot 3.964, maar gedurende 1994 zakte
    dit aantal weer tot 3.730. Noot Afhankelijk van de
    omvang en duur van een telefoontap kunnen de kosten van een
    dergelijke actie oplopen tot 500.000 DM. Noot Vooral het
    telefonisch tappen van buitenlandse groepen is zeer arbeids- en
    tijdsintensief en kostbaar. Noot

    Ter terechtzitting kunnen de opgenomen gesprekken worden
    afgedraaid, door de rechter zelf worden waargenomen en als bewijs
    worden gebruikt. Onder toeziend oog van het openbaar ministerie
    worden banden en processen-verbaal met transcripten vernietigd. Van
    deze vernietiging wordt een proces-verbaal opgemaakt. Betrokkenen
    worden van de onderschepping (het afluisteren) op de hoogte
    gebracht als dit geen gevaar meer oplevert voor de strafvordering –
    meestal worden de betrokkenen genformeerd na sluiting van het
    vooronderzoek. Noot

    De Duitse Bundespost is verplicht op eerste vordering
    informatie over post-, telefoon- en telefax-verkeer te verstrekken.
    Bovendien moet de Bundespost het onderscheppen van postzendingen en
    het aftappen en opnemen van telefoongesprekken mogelijk maken.
    Noot

    Recentelijk (4 mei 1995) heeft het Duitse kabinet zijn
    goedkeuring gegeven aan een wetsvoorstel voor het afluisteren van
    mobiele telefoons. Het wetsvoorstel verplicht
    telefoonmaatschappijen hun telefooncentrales
    zodanig te veranderen dat gesprekken die per draagbare telefoon
    worden gevoerd, kunnen worden afgeluisterd. Noot Het afluisteren
    van mobiele telefoongesprekken zou vooraf moeten worden goedgekeurd
    door de rechter. De telefoonmaatschappijen hebben grote bezwaren
    aangetekend tegen het wetsvoorstel, aangezien aanpassing van de
    centrales 40 miljoen DM zou gaan kosten.

    De federale Binnenlandse veiligheidsdienst
    (Bundesnachrichtendienst, BND) luistert op grote schaal
    telefoongesprekken met het buitenland af. Deze worden automatisch
    vertaald. Het Duitse equivalent van de Registratiekamer heeft
    protest aangetekend tegen deze praktijk. Noot Gebleken
    is dat de BND vooral gesprekken van de kleine mensen afluistert, en
    dat het tegen de georganiseerde misdaad nauwelijks kans heeft. De
    voorzitter van de Duitse Registratiekamer, Joachim Jacobs, meldde
    dat volgens insiders dagelijks ongeveer 4000 gesprekken nader
    uitgewerkt worden. Jaarlijks komt het aantal door de BND
    geregistreerde gesprekken op minstens 36 miljoen, waarvan er 1.46
    miljoen nader worden uitgewerkt. Noot In een arrest van
    het Bundesgerichtshof van 8 november 1993 werd beslist dat
    een politiefunctionaris met toestemming van n van de deelnemers een
    telefoongesprek mag afluisteren. Het BGH legde hiermee de grondslag
    voor het onderscheid tussen meeluisteren en afluisteren (voor het
    laatse is een uitdrukkelijke wettelijke grondslag vereist). Deze
    beslissing betekent dat gesprekken tussen vertrouwenspersonen en
    derden meegeluisterd kunnen worden. Noot

    Fotograferen en video-opnamen

    Het maken van beeldopnamen in de strafvorderlijke fase valt
    onder de inzet van (optische) technische middelen en is geregeld in
    artikel 100c eerste lid onder 1a StPO. Zonder medeweten van de
    betrokkenen kunnen foto’s, films en video-opnamen worden gemaakt
    met inachtneming van het subsidiariteitsvereiste. In afwijking van
    de toepassing van andere technische middelen, zoals het afluisteren
    van gesprekken, kan de politie opnamen maken zodra tegen een
    persoon een verdenking bestaat van enig strafbaar feit
    ongeacht de ernst daarvan. De wet voorziet niet in
    bekendmaking achteraf aan de betrokkenen dat zij heimelijk zijn
    gefotografeerd of gefilmd.

    Voor beeldopnamen in of uit een woning, die door middel van
    geheime technische middelen verkregen worden is een machtiging
    benodigd van de rechter, met in geval van onverwijlde spoed de
    mogelijkheid dat de officier van justitie een voorlopige machtiging
    geeft. Artikel 16 NW PolG legt vast wanneer beeldmateriaal waarop
    derden staan geregistreerd mag worden opgeslagen en in welke
    gevallen deze derden op de hoogte dienen te worden gebracht.
    Video-opnamen worden op grote schaal gemaakt door de
    Bundesnachrichtendienst. Noot

    Betreden van plaatsen (inkijkoperaties)

    De onschendbaarheid van de woning is gegarandeerd in artikel 13
    Grondwet. Schending kan alleen als aan de in het derde lid genoemde
    voorwaarden is voldaan. Het betreden van plaatsen wordt als
    dwangmiddel (reactief) alleen toegepast op bevel van de rechter
    (artikel 105 StPO). Alleen in geval van onverwijlde spoed mag het
    openbaar ministerie of de politie dit bevel zelf uitvaardigen. Dit
    laatste is de regel in de praktijk. Noot Een
    systematische doorzoeking van de woning levert het dwangmiddel van
    huiszoeking op. Noot Bewoners moeten van betreding – ook
    door een infiltrant – op de hoogte worden gebracht zodra dit
    mogelijk is (artikel 110d StPO). Om aan deze verplichting te kunnen
    voldoen, moet de politie-infiltrant zorgvuldig aantekening houden
    van de woningen die hij in die hoedanigheid betreden heeft, maar in
    praktijk lijken de uitzonderingen op deze verplichting veelal ertoe
    te leiden dat de verdachte onbekend blijft met het optreden van een
    politie-infiltrant. Daarbij komt dat de wet geen termijn stelt
    waarbinnen personen wier woning betreden is daarvan op de hoogte
    moeten worden gesteld. Buiten de sfeer van de dwangmiddelen mag een
    woning worden betreden door een infiltrant, maar alleen met
    toestemming van de eigenaar. De controle op de aanwezigheid van
    bepaalde goederen of het openen van de situatie ter plekke, is niet
    een bevoegdheid die zonder meer uit de wet voortvloeit. Proactieve
    betreding kan slechts onder zeer strikte voorwaarden. In de NWPolG
    is vastgelegd dat een observatie alleen buiten de woning kan
    plaatsvinden. Het heimelijk binnentreden in een woning om daar te
    observeren is niet toegestaan. Het heimelijk maken van beeld- of
    gespreksopnamen in of uit een woning is alleen geoorloofd indien
    dit nodig is om een concreet gevaar voor het leven, de vrijheid of
    lichamelijke integriteit af te weren (artikel 17 lid 2 en 18 lid 2
    NW PolG).

    Observatie met behulp van afluister- en
    plaatsbepalingsapparatuur

    In Duitsland valt dit middel onder de rubriek Inzet van technische
    middelen. Hieronder is zowel het gebruik van optische als van
    akoestische middelen begrepen. Het gebruik van deze technische
    middelen heeft een wettelijke grondslag in artikelen 100c-101 StPO
    en kan alleen bij verdenking van specifieke delicten worden
    toegepast.(Straftatenkatalog; artikel 100a StPO). De
    vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn
    uitdrukkelijk in de wet vastgelegd. Een rechterlijke machting is
    vereist. In geval van spoed kan de officier van justitie of
    hulpofficier van justitie hiervoor toestemming verlenen. Binnen
    drie dagen dient deze toestemming bekrachtigd te worden door de
    rechter. Voor het gebruik van afluisterapparatuur in een woning
    geldt hetzelfde als hiervoor is gezegd over het betreden van
    woningen.

    De duur van woningobservatie met behulp van technische middelen
    varieert van n tot drie maanden. Privacy-overwegingen en
    geheimhouding zijn belangrijke criteria. Bugging – het elders
    installeren van een microfoon – is niet toegestaan onder de
    wettelijke regeling op de
    telefoontap. De betrokkene dient
    op grond van artikel 101 StPO te worden ingelicht, behalve wanneer
    het onderzoeksdoel daarmee wordt gehinderd, of wanneer de
    binnenlandse veiligheid, lijf of leven van een persoon in het
    geding komen.
    Bij het ontwerp van de OrgKG werd gediscussieerd
    over het codificeren van woningobservatie met behulp van technische
    middelen, maar dit werd later op de plank gezet. Pogingen het
    gericht afluisteren in woningen en andere besloten ruimten
    (grosse Lauschangriff) op te nemen in de StPO zijn tot nog
    toe afgeketst op verzet van de FDP. Noot Eenduidige
    strafprocedurele regels bestaan derhalve niet voor gericht
    afluisteren in woningen. In de politiewetten van de deelstaten
    wordt het gebruik van verborgen microfoons geregeld.
    Noot Het gebruik van peil- of richtzenders is geregeld
    in artikel 100c, eerste lid onder 1b StPO. Deze technische middelen
    kunnen alleen worden ingezet bij een verdenking van een ernstig
    strafbaar feit. De politiewet van Nordrhein-Westfalen heeft geen
    regeling voor andere technische middelen dan waarmee beeld- en
    geluidsopnamen kunnen worden gemaakt.

    Het feitelijk gebruik van technische middelen is niet met
    absolute zekerheid vast te stellen. Naar verwachting worden zij
    gebruikt bij woningen, hotelkamers en openbare vergaderingen (in
    het bijzonder richtmicrofoons en peilzenders, maar ook
    infrarood-camera’s en verborgen afluisterapparatuur). Ook worden
    meer conventionele middelen zoals fotocamera’s en
    geluidsopnameapparatuur binnen ruimten gebruikt.

    Informanten en anonieme getuigen

    Een informant is een persoon die incidenteel – onder garantie
    van geheimhouding – vertrouwelijke informatie geeft aan
    opsporingsambtenaren. Deze garantie geldt slechts indien de
    informatie zware en georganiseerde criminaliteit, alsmede illegale
    drug- en wapenhandel, valsemunterij en delicten tegen de veiligheid
    van de staat betreft, en wanneer de informant aanzienlijk gevaar
    loopt bij het bekend worden van de samenwerking met justitie. Bij
    minder ernstige delicten kan bij wijze van uitzondering
    vertrouwelijkheid en geheimhouding worden toegezegd. Bij de kleine
    criminaliteit is het uitgesloten. Een informant wordt alleen
    ingeschakeld wanneer de opheldering van een strafbaar feit anders
    uitzichtloos of zwaar bemoeilijkt wordt (subsidiariteit).
    Noot In de gemeenschappelijke richtlijnen van de
    ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van de
    Bondsrepubliek – die door alle deelstaten worden toegepast – zijn
    de gevallen bepaald waarin het gebruik van informanten is
    toegelaten, evenals de regels inzake het recruteren en runnen van
    informanten. Noot Definities van vertrouwenspersonen
    variren tussen de deelstaten, evenals hun institutionele binding.
    Vaak is de informant een zogenaamde vertrouwenspersoon (V-Mann). De
    definitie van de vertrouwenspersoon varieert: meestal betekent het
    informant, maar soms is het een undercover agent die zich met
    diepte-infiltratie bezighoudt. Noot Vertrouwenspersonen
    (V-Leute) worden in het algemeen onderscheiden van gewone
    informanten, omdat ze een langdurige, betaalde en gestuurde relatie
    hebben met de politie. Als zodanig hebben zij een structurele
    verbintenis met de politie en zijn zij geen gelegenheidsinformant.
    Vertrouwenspersonen zijn meestal mensen uit het criminele circuit
    die informatie verstrekken aan de politie in ruil voor een beloning
    of strafvermindering. Noot Vertrouwenspersonen
    onderscheiden zich van infiltranten (Verdeckte Ermittler) doordat
    het in het laatste geval gaat om speciaal geselecteerde
    opsporingsambtenaren die onder een geheime identiteit contacten
    leggen met het criminele milieu met het doel aanknopingspunten te
    vinden voor strafvervolgingsmaatregelen. Uit de literatuur blijkt
    een buitensporige aandacht voor het fenomeen vertrouwenspersoon.
    V-Leute zijn razend populair binnen het milieu van de bijzondere
    opsporing. Voordat de OrgKG werd ingevoerd bestond veel discussie
    over de basisbeginselen die voor het gebruik van
    vertrouwenspersonen zouden moeten worden ingevoerd.
    Noot

    Het Wetboek van Strafvordering bevat geen regeling voor
    vertrouwenspersonen. Sinds 1 januari 1994 zijn de
    gemeenschappelijke richtlijnen voor de inzet van informanten,
    vertrouwenspersonen (V-Leute) en undercover agenten van kracht.
    Noot De samenwerking tussen politie en
    vertrouwenspersonen is in de meeste politiewetten van de deelstaten
    geregeld, behalve in Baden-Wrttemberg en Sachsen, waar het geregeld
    is in richtlijnen, en
    Beieren. Noot
    In Nordrhein-Westfalen is de informatiegaring door het gebruik van
    een persoon wiens samenwerking met de politie niet aan derden
    bekend is, geregeld in artikel 19 NW PolG. Een vertrouwenspersoon
    kan worden ingezet wanneer op grond van informatie de stelling
    gerechtvaardigd is dat personen zich aan ernstige strafbare feiten
    schuldig zullen maken, alsmede ten aanzien van personen die in hun
    gezelschap verkeren of die met hen contact hebben, mits de
    informatie ter preventieve bestrijding van deze strafbare feiten
    nodig is. Het inzetten van informanten / vertrouwenspersonen mag
    slechts geschieden op bevel van de korpschef of een door hem
    daartoe schriftelijk per delegatie aangewezen
    politiefunctionaris.

    In enkele deelstaten worden de vertrouwenspersonen centraal
    geregistreerd bij het Landeskriminalamt (bijv. Hessen,
    Nordrhein-Westfalen). In sommige deelstaten is hun inzet sterk
    verbonden met dat van infiltranten, in andere deelstaten zijn deze
    circuits sterk van elkaar gescheiden. Vertrouwenspersonen zijn een
    wezenlijk instrument voor het binnendringen in buitenlandse
    criminele groepen, ten eerste omdat zij de taal spreken en de
    cultuur kennen, ten tweede omdat zij zelf uit het criminele milieu
    stammen en als zodanig in vertrouwen worden genomen door de
    criminele organisatie.

    Uit een onderzoek uitgevoerd in de deelstaat Hessen in het
    midden van de jaren ’80 bleek dat 71% van de vertrouwenspersonen
    ministens eenmaal veroordeeld was, waarvan 40% onder de Duitse
    opiumwet. Meer dan tweederde van de vertrouwenspersonen werd
    ingezet tegen verdenkingen in verband met drugsdelicten. Van de
    vertrouwenspersonen had 37% geen beroep geleerd en 20% had zich
    vrijwillig aangemeld bij de politie. Het motief bleek bijna altijd
    de beloning te zijn. Noot

    Een spijtoptantenregeling (Ttige Reue) is te
    vinden in de artikelen 129, zesde lid en 129a, vijfde lid StGB, 31
    Betubungsmittelgesetz en artikel 153e StPO. Artikel 129a
    bevat een catalogus van strafbare feiten waarop de
    kroongetuigeregeling van toepassing is.

    De maatregel komt op 31 december 1995 te vervallen tenzij
    uiterlijk dan een verlengingswet is goedgekeurd. De maatregel was
    oorspronkelijk (in 1988) bedoeld ter voorkoming van terroristische
    activiteiten of andere staatsgevaarlijke activiteiten.
    Noot

    Volgens de spijtoptantenregeling kan de rechter een dader of
    deelnemer aan een verboden vereniging of een terroristische
    organisatie met een mildere straf bestraffen of schuldig verklaren
    zonder toepassing van straf indien deze alles in het werk heeft
    gesteld om meer strafbare feiten door die verboden vereniging of
    terroristische organisatie tegen te gaan. Noot

    De toepassing van de kroongetuigeregeling is in Duitsland veel
    beperkter dan in Itali. De kroongetuigeregeling is alleen van
    toepassing op de in het kader van artikel 129 StGB begane feiten,
    waarbij ervanuit wordt gegaan dat sprake moet zijn van een
    criminele organisatie, die is opgericht voor een bepaalde duur en
    die een minimum aan structuur moet bezitten. Ook is de regeling
    uitsluitend van toepassing op feiten die in georganiseerd verband
    zijn begaan, voor zover de activiteiten van die criminele
    organisatie gericht zijn op strafbare feiten die met confiscatie
    bestraft kunnen worden, zoals valsemunterij, mensenhandel,
    witwassen en illegale kansspelen. Noot

    Diverse partijen maken zich zorgen over de betrouwbaarheid van
    de uitspraken van kroongetuigen en een groot deel van de
    controverse is hierop gebaseerd.
    Het gevaar van de onbetrouwbaarheid doet zich met name voor aan het
    begin van het opsporingsonderzoek. Noot
    Indien de algemene veiligheid of het leven van een getuige risico
    loopt mag het dossier door de officier van justitie of het hoofd
    van de politie gesloten worden. Zij kunnen weigeren
    undercover-agenten te laten getuigen. Noot

    In Duitsland bestaat een groeiende behoefte aan een
    getuigebeschermingsprogramma. Noot In sommige
    deelstaten bestaan voor dit opsporingsmiddel gezamenlijke
    richtlijnen van politie en justitie. Noot Het is de wens
    van de politie dat de gerechtshoven de mogelijkheden van de
    artikelen 68 en 172 StPO benutten en met de
    getuigebeschermingsdiensten van de politie samenwerken ter
    voorbereiding van de rechtzitting. Tak maakt melding van een
    groeiend aantal deals tussen verdachten en het openbaar
    ministerie. Noot De rechtsgrond hiervoor wordt gezocht
    in de artikelen 153, 153a, 154 en 154a StPO. Deze bepalingen
    bevatten de door de wet toegestane uitzonderingen op het
    legaliteitsbeginsel. Deals leiden ertoe dat zaken niet op de
    terechtzitting worden gebracht, dan wel dat strafvermindering wordt
    geboden in ruil voor bruikbare informatie.

    Gecontroleerde aflevering

    De gecontroleerde aflevering is gereguleerd in richtlijnen.
    Noot Voorwaarden zijn dat een concreet aanwijsbare
    verdachte bestaat en dat de af te leveren goederen niet buiten de
    controle van de politie of de douane geraken. Doorlaten is formeel
    niet toelaatbaar. Het verbod daarop kan vooral worden teruggebracht
    op het legaliteitsbeginsel, dat geen vrijheid geeft om aan het
    licht gekomen strafbare feiten niet op te sporen en te vervolgen.
    De gecontroleerde aflevering wordt opgevat als een specifieke vorm
    van observatie. Noot Daarnaast bestaat geen expliciet
    wettelijke basis voor dit middel. De wet vormt echter geen obstakel
    voor het gebruik van dit opsporingsmiddel.

    Artikel 73 Schengen Uitvoeringsovereenkomst reguleert een
    gecontroleerde aflevering (livraison surveille) in
    internationaal verband, overeenkomstig de Grondwet en de nationale
    rechtsorde. Een
    gecontroleerde aflevering op Duits
    grondgebied in het kader van Schengen moet voorafgegaan worden door
    toestemming van de Duitse autoriteiten. De
    gecontroleerde
    aflevering vindt plaats onder sturing en controle van de Duitse
    autoriteiten en deze zijn te allen tijde bevoegd in te grijpen.
    De
    gecontroleerde aflevering is sinds het midden van de 80er
    jaren voornamelijk door de politie gebruikt in de strijd tegen de
    drughandel. De methode werd en wordt vooral ook door de douane
    gehanteerd op vliegvelden.
    Noot

    Pseudo-koop, Toonkoop, Voorkoop

    De pseudo-koper (Scheinkaufer) onderscheidt zich van een
    infiltrant omdat hij een eenmalige transactie fingeert.
    Noot Vertrouwenspersonen kunnen optreden als
    pseudo-koper. Voor het uitvoeren van een pseudo-koop is vaak
    toongeld nodig. Daarvoor is toestemming benodigd van de officier
    van justitie. Noot De Duitse wet kent geen expliciete
    regels op het gebied van pseudo-koop, maar wel op het gebied van
    infiltratie. Agents provocateurs genieten aanzienlijke vrijheid,
    hoewel hun optreden wordt begrensd door het verbod op uitlokking
    van een strafbaar feit. Noot Op het gebied van
    pseudo-koop bestaat jurisprudentie, in het bijzonder op het vlak
    van agents provocateurs en de uitlokking van strafbare feiten.
    Blijkens de uitspraken van het Bundesgerichtshof is de inzet van
    agents provocateurs voor de bestrijding van drugsmisdrijven
    geoorloofd.
    Noot Indien uit het manifeste handeldrijven en
    de uitingen van de verdachte voldoende blijkt dat hij zich met
    zwaarwegende feiten heeft ingelaten, is geen sprake van uitlokking.
    De pseudo-koper doet zich slechts voor als handelspartner en het
    overige wordt aan de verdachte overgelaten.
    Het
    opsporingsmiddel pseudo-koop wordt weliswaar nog regelmatig
    gebruikt, maar lange-termijn infiltratie geniet de voorkeur
    aangezien het structuren van criminele organisaties blootlegt en
    opsporing van kilo’s in plaats van grammen drugs vergemakkelijkt.
    Noot

    Er bestaat een tussencategorie, de gekwalificeerde pseudo-koper
    of de incidenteel bemiddelende opsporingsambtenaar, die optreedt
    onder een valse identiteit, maar niet, zoals een infiltrant, voor
    langere duur in een criminele organisatie opgaat.

    In Nordrhein-Westfalen bestaat een door de minister van
    Binnenlandse Zaken uitgevaardigde richtlijn inzake de hoogte en het
    gebruik van toongelden en de gelden, benodigd voor pseudo-koop en
    voorkoop. Noot Regionale politie-autoriteiten zijn
    gemachtigd ten hoogste DM 100.000 als toongeld te gebruiken. Het
    Landeskriminalamt heeft een machtiging tot DM 300.000. Beide
    instanties zijn bij een voorkoop gemachtigd een bedrag van ten
    hoogste DM 10.000 te besteden. Na afloop van deze bijzondere
    opsporingshandelingen dienen deze gelden wederom in de staatskas
    terug te vloeien. Gelden mogen niet aan een tussenpersoon ter hand
    worden gesteld, tenzij dit uit opsporings-technische overwegingen
    onontkoombaar is. De genoemde ricthlijnen voorzien in een controle
    op de afgifte van die gelden aan de politie-instanties en in een
    financile verantwoording voor het gebruik van die gelden. Regels
    bestaan voor de boeking van niet-gebruikte, terugverkregen of
    verloren gegane toon- en koopgelden. Als de toongelden in concrete
    gevallen ontoereikend blijken te zijn, dan kunnen deze bedragen
    verhoogd worden met toestemming van de minister-president cq. de
    minister van Binnenlandse Zaken van de deelstaat.

    Infiltratie

    De (federale) wettelijke grondslag voor het gebruik van politile
    infiltranten (Verdeckte Ermittler (VE)) staan in de
    artikelen 110a-110e StPO. In aanmerking voor politile infiltratie
    komen alle ambtenaren van politiediensten, inclusief ambtenaren van
    de douanerecherche, het BKA en de Bundesgrenzschutz. Het
    opsporingsmiddel infiltratie is geregeld in de meeste politiewetten
    van de deelstaten, maar de bepalingen variren onderling.
    Noot De inzet van infiltranten is niet geregeld in de
    deelstaten Niedersachsen en Schlesweig-Holstein.
    Noot

    In Nordrhein-Westfalen is een regeling voor het inzetten van
    politie-infiltranten te vinden in artikel 20 NWPolG.

    Het bepaalt dat een opsporingsambtenaar onder een voor langere duur
    toepasbare valse identiteit ingezet kan worden om inlichtingen te
    verkrijgen over personen, indien dit voor het verhinderen van een
    concreet gevaar voor leven, vrijheid of integriteit van het lichaam
    gewenst is, of indien feiten en omstandigheden het vermoeden
    rechtvaardigen dat ernstige strafbare feiten zullen worden begaan
    en de inzet van een politie-infiltrant noodzakelijk is voor de
    preventieve bestrijding van die strafbare feiten. Een infiltrant
    mag met gebruikmaking van een valse identeit alleen met toestemming
    van de rechthebbende diens woning betreden. Volgens het federale
    Wetboek van Strafvordering is de inzet van infiltranten uitsluitend
    toegestaan bij ernstig strafbare feiten die zijn opgenomen in de
    Straftatenkatalog van artikel 110a, eerste lid StPO
    (verdovende middelen, wapenhandel, valsemunterij, veiligheid van de
    staat, beroeps-, gewoonte- of groepscriminaliteit dan wel andere
    georganiseerde criminaliteit). Infiltratie mag worden ingezet als
    sprake is van een verdenking ter zake van deze strafbare feiten dan
    wel wanneer uit feiten of omstandigheden kan worden afgeleid dat
    gevaar voor herhaling bestaat. De inzet is slechts toegestaan als
    andere middelen uitzichtloos zijn of wezenlijk bezwarend zijn.

    Infiltratie behoeft de voorafgaande toestemming van het openbaar
    ministerie. Als de infiltratie onmiddellijk van start moet gaan –
    in gevallen van onverwijlde spoed (Gefahr im Verzug) dan is de
    politie bevoegd deze methode op eigen gezag toe te passen. Wordt de
    toestemming niet alsnog binnen drie dagen gegeven, dan moet de
    infiltratie-actie worden gestaakt. Bij inzet tegen een bepaalde
    aangeklaagde of bij betreding van een woning is machtiging van de
    rechter vereist, bij onverwijlde spoed moet de machtiging van de
    officier binnen drie dagen zijn bekrachtigd. Degenen die
    verantwoordelijk zijn voor de inzet van de infiltrant – de officier
    van justitie en de rechter die bevoegd zijn toestemming voor de
    inzet van de
    politie-infiltrant te geven kunnen te allen
    tijde verlangen dat de identiteit van deze infiltrant aan hen
    bekend wordt gemaakt (artikel 110b, derde lid StPO).

    Informatie afkomstig van een infiltrant die geen officile
    toestemming heeft gehad van het openbaar ministerie kan niet voor
    het bewijs worden gebruikt. Indien de infiltrant wel met
    toestemming heeft gehandeld mag de door hem verkregen informatie
    over personen ook in andere strafprocedures gebruikt worden, alleen
    voor zover deze informatie nodig is voor de opheldering van
    strafbare feiten waarvoor infiltratie is toegestaan (artikel 110e
    StPO). Deze stukken betreffende de infiltratie blijven buiten het
    strafdossier totdat de betrokkenen van het betreden van hun woning
    op de hoogte zijn gebracht. Dit geldt ook voor de zogenaamde
    Verhandlungen, ofwel het journaal dat is opgemaakt door de
    infiltrant zelf (artikel 163, tweede lid StPO). Na afloop van de
    inzet van een infiltrant wordt zijn identiteit in beginsel onthuld,
    behalve wanneer aanleiding bestaat te veronderstellen dat hierdoor
    het leven, de lichamelijke integriteit of de vrijheid van de
    infiltrant of anderen in gevaar komen, of de politie-infiltrant
    hierdoor niet meer opnieuw kan worden ingezet (artikel 110b, derde
    lid StPO). Daarom geldt voor politile infiltranten een
    anonimiteitsregeling: als zij worden opgeroepen als getuige hoeven
    zij niet hun ware identiteit te onthullen (artikel 68 StPO). Gelet
    op artikel 96 StPO hoeft een infiltrant niet noodzakelijk als
    getuige op te treden. Een infiltrant kan ook onder valse identiteit
    worden gehoord. In een arrest van 26 mei 1981 heeft het
    Bundesverfassungsgericht geoordeeld dat de zittingsrechter de
    rechtmatigheid van de beslissing van de politieleiding om de
    identiteit van de infiltrant geheim te houden (marginaal) kan
    toetsen. In principe is het voldoende dat de rechter moet kunnen
    vaststellen dat de beslissing tot de geheimhouding van de
    identiteit niet berust op willekeur of op ondeugdelijke
    gronden.
    Noot Over de registratie van
    (bijzondere) opsporingsmiddelen in het proces-verbaal is niet veel
    te vinden in de literatuur. Contacten tussen politie en
    informanten/infiltranten zijn vrijwel uitsluitend in handen van de
    politie. Het openbaar ministerie heeft hier weinig controle op.

    Noot De verplichting tot rapportage gaat met zoveel
    clausules gepaard dat het eigenlijk een lege verplichting is. Dit
    zou betekenen dat processen-verbaal vaak onvolledig zijn.

    Noot Daarnaast bestaat het vermoeden dat de politie
    undercover operaties zoveel mogelijk geheim houdt en daarmee weg
    houdt van de terechtzitting.
    Noot

    Voor de proactieve inzet van infiltranten geven de onderscheiden
    politiewetten regelingen. Doorgaans zijn de voorwaarden dezelfde
    als bij langdurige observatie. De inzet van de politile infiltrant
    moet begrensd zijn in tijd.

    Velen zijn van mening dat infiltratie een zeer succesvol middel
    is, hoewel er waarschijnlijk net zo velen zijn die aan de
    effectiviteit twijfelen. Ook zijn er auteurs die beweren dat
    ongeveer een derde van de totale inzet van undercover agenten uit
    de hand loopt. Noot In 1991 deelde de Bondsregering mee
    dat het BKA in 1989/1990.125 centrale en 152 decentrale
    infiltratie-acties had uitgevoerd. In Baden-Wrttemberg leidden
    infiltratie-acties uitgevoerd tussen 1983 en 1990 tot 2547
    arrestaties en de inbeslagneming van waren ter waarde van 814
    miljoen DM. In 1993 werden in dezelfde deelstaat in 73 van de
    processen tegen criminele organisaties 25 infiltratie-acties
    uitgevoerd. In Rheinland-Pfalz werden tussen 1988 en 1990.313 keer
    infiltranten ingezet, waarvan 174 maal tegen verdachten van
    drugcriminaliteit. Noot De cijfermatige overzichten
    van de Landeskriminalmter en het BKA geven geen
    uitsluitsel over eventuele problemen die zich bij
    infiltratie-acties hebben voorgedaan.

    De Duitse wetgever regelt niet welke strafbare feiten de infiltrant
    mag begaan. Noot In beginsel mag hij zich niet schuldig
    maken aan strafbare feiten, zelfs niet aan milieubepaalde delicten.
    Inbreuken op rechten van derden mogen alleen als het binnen
    wettelijke kaders geoorloofd is. Een politie-infiltrant kan ook
    geen algemeen beroep doen op de rechtvaardigingsgrond van
    noodtoestand, tenzij zich uitzonderingssituaties voordoen die tot
    rechtvaardiging van zijn handelen kunnen leiden of tot
    schulduitsluiting. De vrijwaring van straf voor de strafbare feiten
    plegende infiltrant ligt bij het openbaar ministerie dat van
    vervolging afziet. Voor het opzetten van frontstores is van belang
    de bepaling in het Wetboek van Strafvordering dat de infiltrant
    onder dekmantel aan het rechtsverkeer kan deelnemen (artikel 110a,
    tweede lid StPO). Als zodanig kan hij alle privaatrechtelijke
    rechtshandelingen onder valse identiteit verrichten en kan hij
    partij zijn in een civiele procedure. De wet geeft echter niet aan
    op welke juridische grondslag een derde zijn aanspraak op
    schadevergoeding moet baseren. Identiteitspapieren en officile
    stukken kunnen op grond van artikel 110a, derde lid StPO worden
    vervaardigd, veranderd en gebruikt. Voor veranderingen in openbare
    registers is geen regeling.

    Volgens Tak is het bestaan van frontstores of dekmantelfirma’s
    vooral bekend in het kader van de bestrijding van de
    drugcriminaliteit. De politie heeft onder andere transportbedrijven
    en in- en exportfirma’s opgezet met het doel daders te kunnen
    arresteren of om een gecontroleerde aflevering mogelijk te maken.
    Noot Sinds 1972 is het systeem INPOL
    (Informationssystem der Polizei) in gebruik, waarin onder
    andere gegevensbestanden zijn opgenomen inzake processen-verbaal
    (Kriminalaktennachweis: KAN), opsporingsverzoeken inzake
    personen en goederen, de voorlopige hechtenis, vingerafdrukken en
    sporendocumentatie (SPUDOK), strafbare daders en strafbare feiten
    (SSI) en de centrale gegevensverzameling van complexe
    opsporingsonderzoeken (Personen, Institutionen, Objekte und
    Sachen: PIOS
    ), en sinds 1 juli 1986 een specifieke voor
    georganiseerde criminaliteit (PIOS OK of APOK). Noot
    SPUDOK is een systeem voor gerichte onderzoeken.

    De registratiekamers hebben vaak gezegd dat de PIOS en SPUDOK
    databanken gegevens bevatten van personen die aanvankelijk niet
    verdacht waren van het plegen van een strafbaar feit. Volgens
    Kruse
    Noot wordt weinig misbruik gemaakt van de
    (automatische) gegevenskoppeling. Busch en Funk zijn echter
    verontrust.
    Noot Volgens deze auteurs zijn
    speciale crime analysis programma’s voor de verwerking van gegevens
    ontwikkeld.
    Artikel 98a StPO staat de koppeling van bestanden
    en de geautomatiseerde vergelijking van persoonsgegevens toe
    (Rasterfahndung of data-matrixing). Artikel 98c StPO regelt
    de electronische vergelijking van gegevens uit strafrechtelijke
    registers.

    Bepaalde, vermoedelijk op de dader van een strafbaar feit
    betrekking hebbende kenmerken uit het ene databestand mogen worden
    vergeleken met gegevens uit andere ook niet-politile databestanden.
    De electronische vergelijking van strafrechteljke bestanden heeft
    betrekking op tactische gegevens (of gegevens die ontleend zijn aan
    afgeronde strafprocessen) en andere bestanden voor strafvervolging
    of -voltrekking. Enerzijds kent men de methode van positieve
    gegevensvergelijking, wanneer uit overeenstemmende gegevens een
    daderbeeld wordt gecomponeerd. Anderzijds kent men de methode van
    negatieve gegevensvergelijking, wanneer delictstypische daders
    uit een bestand gelicht worden, en vergeleken met gegevens in een
    ander databestand.

    De koppeling met niet-politile registers (electronische
    gegevensvergelijking) behoeft vooraf een rechterlijke machtiging.
    Bij onverwijlde spoed is het openbaar ministerie bevoegd deze
    methode op eigen gezag toe te passen. Indien het bevel niet binnen
    drie dagen door de rechter wordt bekrachtigd treedt deze buiten
    werking. De rechter moet de aanvraag toetsen aan de eisen van
    subsidiariteit en proportionaliteit (artikel 98a eerste lid StPO).
    De methode mag alleen worden toegepast bij verdenking van een in
    artikel 98a, eerste lid StPO opgesomde lijst van ernstig strafbare
    feiten. Bij de Wijzingswet strafvordering 1986 werd de zogeheten
    Schleppnetzfahndung wettelijk geregeld (artikel 163d StPO).
    Deze regeling geeft de opsporingsautoriteiten de bevoegdheid
    algemene persoonsgegevens – bijvoorbeeld bij verkeerscontrole te
    scannen (sleepnet) en te verwerken op basis van zekere
    selectiecriteria ten behoeve van de opsporing. In dit verband is
    van belang het reeds besproken politile toezicht (zie .11.3.4).

    De eenheden voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad
    hebben hun eigen databanken. De opgeslagen gegevens bevatten onder
    meer informatie over de onderlinge relaties tussen personen. Van
    een heimelijk geobserveerde persoon worden alle contacten
    bijgehouden in een dossier (zelfs gegevens van de mensen die als
    passagiers in een trein naast de geobserveerde persoon zitten).
    Noot Automatische gegevenskoppeling wordt gehanteerd
    door het BKA, de Landeskriminalmter en de Verfassungsschutz.
    Zowel

    persoonlijke als openbare gegevens worden gebruikt. Meestal gaat
    het om politile databestanden en de data hierin kunnen weer
    verkregen zijn uit bijzondere opsporingsmethoden. Het
    eerdergenoemde INPOL is een bijzonder omvangrijk systeem en het
    biedt de mogelijkheid om via INPOL toegang te verkrijgen tot het
    centrale verkeersinformatiesysteem van het Kraftfahrtbundesamt
    (ZEVIS), tot het Bundeszentralregister (BZR) en tot het centrale
    register van de vreemdelingendienst (AZR).
    Noot

    De politieregisters, alsmede de opslag, bewerking en
    verstrekking van gegevens, zijn eveneens geregeld in de
    politiewetten van de deelstaten. Persoonsgegevens worden vernietigd
    wanneer gronden bestaan om aan te nemen dat beschermenswaardige
    belangen van de betrokkene in het geding zijn, gegevens ter
    opheffing van het bestaan van een gebrek aan bewijs dringend
    noodzakelijk zijn, en/of het gebruik van de gegevens voor
    wetenschappelijke doeleinden gewenst is. Electronische
    gegevensvergelijking is in Nordrhein-Westfalen (artikel 31 NWPolG)
    mogelijk onder de noemer preventieve
    criminaliteitsbestrijding
    , namelijk ter afweer van een
    onmiddellijk gevaar voor het leven, de vrijheid of lichamelijke
    integriteit van een persoon of ter afweer van een gevaar voor het
    voortbestaan of de veiligheid van de Bond of deelstaat.

    De koppeling kent een ex post controle. Enerzijds door de
    zittingsrechter, die een bevel voor electronische
    gegevensvergelijking kan toetsen op rechtmatigheid. Anderzijds
    omdat de Duitse Registratiekamer in de deelstaten en de betrokkene
    zelf, achteraf dienen te worden ingelicht over de
    gegevensvergelijking (artikel 98b, vierde lid StPO). Iedere
    deelstaat heeft een eigen Datenschutzkommissar. In het reeds
    genoemde Volkstellingsarrest 1983 van het Bundesverfassungsgericht
    (zie .11.3.4) is het recht op de informationelle
    Selbstbestimmung
    een grondrecht, zodat inbreuken daarop een
    wettelijke grondslag moeten hebben. In het Wetboek van
    Strafvordering is daarin voorzien. De informationelle
    Selbstbestimmung
    geldt ten aanzien van de opslag, analyse,
    uitwisseling en koppeling van gegevens, hetgeen burgers zeggenschap
    geeft over de ontsluiting en het gebruik van hun persoonsgegevens.
    Noot


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken