• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 11.5 Inventarisatie van opsporingsmethoden in de Verenigde Staten van Amerika

    11.5 Inventarisatie van opsporingsmethoden in de Verenigde
    Staten van Amerika

    11.5.1 De georganiseerde misdaad in de Verenigde
    Staten

    Het Amerikaanse ministerie van Justitie (US Department of
    Justice
    ) definieert de georganiseerde misdaad als een langdurig
    gestructureerd en gedisciplineerd samenwerkingsverband van
    individun of groepen die financieel winstbejag beogen en dit geheel
    of gedeeltelijk bereiken met behulp van illegale middelen en
    hun
    activiteiten beschermen door middel van corruptie en omkoping.
    Het ministerie gaat daarbij uit van de veel voorkomende, maar niet
    noodzakelijke kenmerken: samenzwering, gebruik van geweld en
    bedreiging daarmee, systematische of hoog gedisciplineerde
    uitvoering van activiteiten, een hirarchische structuur van de
    organisatie waardoor de leiders vaak zelf niet feitelijk de
    strafbare handelingen verrichten, invloed in de handel, de politiek
    en de overheid met behulp van corruptie en omkoping, alsmede
    winstbejag door middel van illegale activiteiten zoals de
    drughandel, gokautomaten, kredietverlening met verhoogde rente en
    het witwassen van geld en investering of deelname in legale
    bedrijven. Noot

    De drughandel is nog steeds het domein waar de grootste winsten
    worden behaald. Noot Vele andere vormen van
    criminaliteit hangen samen met druggebruik en drughandel. In de
    Verenigde Staten wordt de georganiseerde misdaad veelal
    geassocieerd met etnische of immigranten-groepen. Vooral de
    Siciliaanse mafia heeft haar activiteiten door middel van
    familie-banden kunnen uitbreiden binnen de V.S. Noot Ook
    bestaan sterke indicaties dat legale sectoren van de economie,
    zoals de bouwsector, zijn gepenetreerd door de georganiseerde
    misdaad. Noot

    Voor de aanpak van corruptie en verwijtbare betrokkenheid zijn
    remedies ontwikkeld. En daarvan is wederzijdse controle: vanwege
    het pluralistische systeem in de V.S. zijn de uitvoerende,
    wetgevende en juridische instanties in staat elkaar te controleren
    en in te binden. Professionele en openbare controle wordt
    uitgevoerd door instanties zoals de American Bar Association en de
    International Association of Chiefs of Police, de massa-media en
    belangenbehartigingsgroeperingen. Zelf-regulering, hetgeen centraal
    staat in de professionalisering van de politie, is een derde
    remedie. Enerzijds ligt zelf-regulering besloten in selectie,
    opleiding, beleid en supervisie en anderzijds in de dagelijkse
    controle van werkzaamheden. Tegen
    corruptie is op federaal
    niveau een aantal maatregelen genomen, zoals de instelling van een
    publieke integriteitseenheid bij het Justice Department, het
    Federal Witness Relocation Program, het Federal Law Enforcement
    Training Center en de oprichting van kantoren voor Inspectors
    General.
    Van groot belang is ook de Racketeer Influence and
    Corrupt Organizations Act 1970
    (RICO) waarin strafbaar is
    gesteld betrokkenheid bij activiteiten in het kader van een
    criminele onderneming. RICO leidde tot een sterke toename in
    het aantal vervolgingen van zogenaamde white collar crime.
    In het kader van RICO is ook de voordeelsontneming (Pluk
    ze-wetgeving) tot stand gebracht. Noot Dit omvat
    ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen zonder
    compensatie, onttrekking aan het verkeer en verbeurdverklaring. In
    de V.S. is ontneming gebaseerd op de regel dat de overheid eigenaar
    is van een voorwerp vanaf het moment dat een strafbaar feit wordt
    gepleegd. Ten aanzien van het witwassen van geld bestaat een
    wettelijke meldingsplicht voor financile instellingen inzake
    transacties van $ 10.000 of meer. Gegevens die zijn verkregen van
    deze instanties kunnen ook voor strafrechtelijke doeleinden worden
    gebruikt. Noot

    11.5.2. Het Amerikaanse strafproces

    In het hier te geven zeer schetsmatige beeld van het Amerikaanse
    strafproces zijn de talloze, vaak essentile afwijkingen per staat
    onbesproken gelaten. Het betreft derhalve slechts een globaal
    beeld. In de V.S. wordt geen onderscheid gemaakt tussen reactief en
    proactief rechercheren. Noot Het zogeheten
    informatieve vooronderzoek maakt in de Verenigde Staten deel
    uit van het opsporingsonderzoek in meer algemene zin.
    Noot Voor het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden
    moet een verdenking bestaan, die wordt gent op de eis van een
    reasonable suspicion (vergelijkbaar met ons redelijk
    vermoeden), maar meestal op de zwaardere eis van probable
    cause
    (vergelijkbaar met onze ernstige bezwaren). In de Bill
    of Rights
    (1791) is een aantal grondrechten vastgelegd, dat een
    belangrijk uitgangspunt is voor de normering van undercover
    policing
    . Noot In de Amerikaanse grondwet ligt een
    permissieve regel besloten: alles mag, tenzij het in strijd is met
    de wet. In principe is de politie vrij in de keuze van de
    opsporingsmethoden. Bij het gebruik van bijzondere
    opsporingsmethoden geldt het vermoeden van rechtmatigheid, totdat
    het tegendeel blijkt. Noot

    Van belang is onder meer de due process clausule in het
    Veertiende amendement in, hetgeen de verdachte recht op een eerlijk
    proces garandeert. Het Vierde amendement, dat het priv-domein van
    de burger beschermt, biedt onder meer bescherming tegen
    ongerechtvaardigde huiszoeking en inbeslagneming op
    priv-plaatsen.
    Noot In de jurisprudentie van het
    Hooggerechtshof is deze rechtsbescherming verder ontwikkeld.

    Noot Schending kan tot bewijsuitsluiting
    (exclusionary rule) leiden.

    Indien voldoende bewijs voorhanden is, kan de verdachte worden
    gearresteerd. In deze fase speelt de beslissing van de politie een
    aanzienlijke rol. Iemand kan voor een felony (zwaar
    misdrijf) worden gearresteerd
    en vervolgens worden vrijgelaten zonder dat het openbaar ministerie
    hiervan in kennis wordt gesteld. Indien hij niet wordt vrijgelaten,
    dient de verdachte onverwijld voor de rechter te worden geleid
    (initial appearance). Bij deze eerste verschijning stelt de
    rechter een voorlopige aanklacht (complaint) vast. De
    rechter instrueert de verdachte over het aan hem tenlastegelegde
    feit, zijn recht op toegang tot een advocaat en zijn recht om te
    zwijgen. Ook wordt de hoogte van de borg (bail)
    vastgesteld.

    Vervolgens wordt de zaak getoetst door het openbaar ministerie.
    Als de zaak niet haalbaar blijkt te zijn, kan het openbaar
    ministerie afzien van vervolging. In de afweging of een verdachte
    wel of niet moet worden vervolgd kunnen ook politie en rechters
    worden betrokken. Het openbaar ministerie kan de politie niet tot
    nader onderzoek verplichten. De jurisprudentie van het
    Hooggerechtshof (Supreme Court) over de bewijsuitsluitingsregel
    heeft ertoe bijgedragen dat tijdens het opsporingsonderzoek vaak
    tot een feitelijke samenwerking wordt overgegaan tussen openbaar
    ministerie en politie, vooral met betrekking tot gecompliceerde
    juridische vragen.
    Noot

    Indien het OM van mening is dat de verdachte moet worden
    vervolgd, moet deze verschijnen in een eerste zitting
    (preliminary hearing). Deze zitting is van korte duur en
    adversair van karakter, en heeft tot doel te bepalen of tegen de
    verdachte een probable cause bestaat. Tijdens deze zitting
    moet de verdachte zijn procespositie (omtrent hetgeen ten laste is
    gelegd) bepalen.

    Het kan zijn dan het openbaar ministerie en verdachte al tot
    overeenstemming zijn gekomen over de (zwaarte van de)
    tenlastelegging en veelal ook de strafmaat (plea bargaining). In
    dat geval zal de verdachte bekennen (guilty plea) en zal de zitting
    zich beperken tot de vraag van de straftoemeting. Bij een
    ontkennende verdachte of het ontbreken van overeenstemming tussen
    partijen zal een volwaardig onderzoek op de terechtzitting
    plaatsvinden, al dan niet met lekenjury. De overeenkomst tussen
    openbaar ministerie en verdachte leidt meestal tot erkenning van
    een minder ernstig delict, dan waarop in geval van tegenspraak
    vervolgd wordt. In 90% van de strafzaken bekent de verdachte
    schuld. Ongeveer 20 tot 25% van de verdachten die ontkennen en dus
    voor een rechtszitting kiezen worden vrijgesproken.

    Noot Rechters hebben geen rol in het
    opsporingsonderzoek, behalve bij de machtiging voor toepassing van
    een aantal dwangmiddelen, zoals voor het afluisteren van de
    telefoon, het plaatsen van afluisterapparatuur en video-apparatuur
    in privruimten. Deze dwangmiddelen zijn (nader) gereglementeerd in
    de Omnibus Crime Control and Safe Streets Act 1968, welke
    wet ook bindende voorschriften geeft voor de statelijke wetgever.
    De rechter hoeft niet bij alle huiszoekingen en inbeslagnemingen
    een beschikking uit te vaardigen, maar in ieder geval wel als
    betrokkene zich beroept op de bescherming van het Vierde
    amendement, bij routinehuiszoekingen bij niet-verdachten, en in de
    zogeheten stop and frisk gevallen. Het Amerikaanse
    strafproces kent een veel directere toepassing van het
    onmiddellijkheidsbeginsel dan Nederland. Er geldt een verbod op
    hearsay (bewijs afkomstig van derden). Dit betekent dat
    belastend bewijs ter zitting naar voren moet worden gebracht. De
    verdachte heeft het recht op confrontatie met alle getuigen die
    belastende verklaringen afleggen. Indien het openbaar ministerie de
    waarnemingen en bevindingen van een informant of infiltrant ter
    sprake wil brengen tijdens de zitting, dienen deze personen altijd
    te getuigen zodat zij hun anonimiteit verliezen.
    Noot

    11.5.3 De organisatie van de politie

    De Amerikaanse politie heeft een zeer gedecentraliseerde
    structuur. Noot Op federaal niveau bestaat geen
    eenheidspolitie, wel een federale politie in de vorm van het
    Federal Bureau of Investigation (FBI), welke tegen de wil
    van de meerderheid van het Congres werd opgericht door Theodore
    Roosevelt in 1908. De FBI heeft competentie op het gebied van alle
    feiten die op federaal niveau strafbaar zijn gesteld en die niet op
    het werkterrein van andere federale opsporingsinstanties liggen.
    Noot Op federaal niveau kunnen alleen die feiten worden
    vervolgd waarvoor krachtens federale wetgeving strafbepalingen
    gelden. De opsporingsbevoegdheid van de FBI is daaraan gekoppeld.
    De invloed van de federatie wordt groter vanwege een bredere uitleg
    van de Grondwet, in het bijzonder met het oog op de regeling van de
    handel tussen de staten onderling, de opsporing en vervolging van
    drugcriminaliteit en financile delicten. Steeds vaker wordt de
    bestrijding van deze vormen van criminaliteit uitbesteed aan de
    beter uitgeruste federale opsporingsambtenaren. Een voorbeeld is de
    werking van de eerdergenoemde RICO, welke door de opname van de
    door de staten gecreerde strafbaarstellingen de
    opsporingsbevoegdheden van federale agenten tot deze strafbare
    feiten uitbreidt. Noot

    Aanvankelijk zette de FBI bijzondere opsporingsmethoden niet in
    tegen zogeheten vormen van georganiseerde misdaad, maar tegen
    ernstige strafbare feiten zoals ontvoering, afpersing en
    sabotage.
    Het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden werd gaandeweg meer
    populair in de politiek getinte (straf)zaken, zoals tegen
    protestbewegingen. Sinds de zeventiger jaren heeft het gebruik van
    undercover methoden door de FBI een explosieve groei
    doorgemaakt: in 1973 waren er drie FBI-operaties, en tien jaar
    later lag dit aantal al op 400. Sindsdien is dit aantal
    gestabiliseerd.
    Noot Ambtenaren van de zelfstandige
    opsporingsdienst Drug Enforcement Administration (DEA)
    hebben het mandaat binnen de gehele federatie personen aan te
    houden die worden verdacht van overtreding van de federale
    opiumwet. Van de DEA wordt verwacht dat het zijn activiteiten
    cordineert met de andere politiediensten. Deze cordinatie is niet
    bij wet vastgesteld.

    Vaak hebben federale overheden afdelingen die bevoegd zijn voor
    de vervolging van strafbare feiten op hun terrein. Het U.S.
    Treasury Department heeft in 1990 het Financial Crimes
    Enforcement Network (FinCEN) opgericht, dat reguliere
    opsporingsdiensten ondersteuning geeft door middel van analyse van
    gegevens over financile transacties. De opkomst van federale
    politie-eenheden heeft het undercover politie-werk verder
    gestimuleerd. Noot Van grote betekenis voor de opsporing
    zijn ook de samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld tussen lokale,
    statelijke en federale ambtenaren met afgevaardigden van het
    openbaar ministerie op staatsniveau of federaal niveau. Deze
    verbanden zijn meestal informeel en krijgen vaak de naam task
    force.

    11.5.4. Opsporingsmethoden

    De omvang en kwaliteit van bijzondere opsporingsmethoden zijn
    drastisch gewijzigd sinds het begin van de tachtiger jaren.
    Noot
    De meest ingezette methoden betreffen voornamelijk de electronische
    observatie (telefoon en direct afluisteren ), financieel
    rechercheren op basis van RICO, het
    getuigebeschermingsprogramma, het gebruik van infiltranten, de
    mogelijkheid het zwijgrecht (Vijfde amendement) op te heffen voor
    getuigen voor het gerecht of de Grand Jury en de toenemende
    samenwerking van spijtoptanten van de Cosa Nostra met infiltranten,
    hetzij als
    informant, hetzij als kroongetuige.
    Noot

    Opsporingsambtenaren zijn veel meer in teams gaan opereren, zij
    zijn gebruik gaan maken van complexe technologie en
    dekmantel-bedrijven en -instellingen.
    Zij zijn gaan streven naar de aanhouding van meer personen
    tegelijk. In plaats van het aanbieden van smokkelwaar aan de koper
    (buy bust) zijn de opsporingsambtenaren steeds vaker
    smokkelwaar gaan verkopen (sell bust). Bijzondere
    opsporingsmethoden werden na verloop van tijd ook ingezet tegen de
    gebruikers van illegale diensten, terwijl vroeger steeds de
    aanbieders het doelwit waren. De aandacht van de opsporingsdiensten
    richt zich nu meer op netwerken, organisaties en individuen waarvan
    wordt vermoed dat zij betrokken zijn bij de misdaad. Met de
    toepassing van bijzondere opsporingsmethoden ten aanzien van de
    georganiseerde misdaad werd in de tachtiger jaren de enterprise
    theory of investigation populair, die het accent van de opsporing
    legt bij het georganiseerde verband waarbinnen de crimineel te werk
    gaat. Noot Het inwinnen van inlichtingen richt zich
    tegenwoordig meer op het opsporen van omstandigheden die
    faciliterend zijn voor de georganiseerde misdaad en corruptie: de
    vraag is hij corrupt? wordt meer en meer vervangen door
    is hij corrumpeerbaar? Noot

    Instellingen die zich specifiek bezighouden met
    criminaliteitsbestrijding en opsporing worden in het gebruik van
    bijzondere opsporingsmethoden steeds vaker vergezeld van
    instellingen die zich bezighouden met landbouw, huisvesting,
    douane, immigratie, auto’s, bossen en de vrije natuur. Tenslotte is
    ook de relatief duidelijke scheidslijn tussen publieke en private
    criminaliteitsbestrijding verdwenen vanwege toenemende samenwerking
    en uitwisselingen. Noot Ook is er een tendens
    informanten te gebruiken die zich niet bewust zijn van het feit dat
    zij gebruikt worden als informanten. Noot

    Observeren en volgen

    Het Amerikaanse recht maakt geen onderscheid tussen
    korte-termijn en lange-termijn observatie. Noot De
    toetsing van visuele observatie wordt vaak afgeleid van de regels
    die zijn neergelegd in de afluisterwet voor auditieve observatie.
    Leidraad voor de juridische toetsing vormt vooral het Vierde
    amendement van de Amerikaanse grondwet, dat het priv-domein van de
    burger beschermt. Valt de situatie of handeling buiten het bereik
    van het Vierde amendement dan zijn de opsporingsdiensten vrij om
    observaties uit te voeren. Bij inbreuk op het privdomein dient de
    politie voor observatie al dan niet met betreding van een woning of
    erf, een rechterlijke machtiging te hebben. Noot

    Uit de jurisprudentie van het Hooggerechtshof blijkt dat
    gedragingen van burgers in het openbaar, algemeen
    waarneembaar zijn, niet onder de bescherming van het Vierde
    amendement vallen en dus zonder beperking mogen worden waargenomen
    (geobserveerd) door de politie (plain view doctrine).
    Noot Sinds de uitspraak inzake Katz v. U.S. geldt een
    dubbele maatstaf, te weten of de persoon in kwestie heeft laten
    blijken dat hij een bepaalde gebeurtenis kennelijk als priv
    beschouwt, alsmede of het een naar het rechtsgevoel
    privacybeschermingswaardige situatie betreft.
    Noot
    De consequentie is dat de opsporingsambtenaar, die rechtmatig op
    een bepaalde plaats aanwezig is, zonder rechterlijke beschikking
    daar alles mag observeren wat een nieuwsgierige persoon ook had
    kunnen waarnemen. Bij de beoordeling is de plaats van

    observatie van belang, maar niet doorslaggevend.

    Aftappen van telecommunicatie

    Title III van de Omnibus Crime Control and Safe Streets
    Act
    (1968) voorziet in het afluisteren (eavesdropping)
    van telefoongesprekken (wiretapping) en rechtstreeks
    mondeling gevoerde gesprekken (direct afluisteren, ofwel
    bugging). Noot Bij wetswijziging in 1986 is ook
    het aftappen van andere vormen van telecommunicatie mogelijk
    geworden. Noot Onder federaal recht en het recht van 37
    staten kan telefoon, fax- en dataverkeer worden afgetapt en
    afluisterapparatuur worden geplaatst. De rechter moet daarvoor
    voorafgaand een machtiging geven. Noot Title III
    legt een minimale standaard op aan de wetgevers in de staten en
    schrijft oplegging van strafrechtelijke sancties en
    civielrechtelijke schadevergoeding voor bij niet-naleving van de
    regels. Teneinde schending van het Vierde amendement te voorkomen
    moet de rechter bij zijn machtiging bepaalde beperkingen
    opleggen.

    De rechter moet het verzoek toetsen aan een redelijk vermoeden
    van schuld (probable cause) ter zake van het hebben begaan, het
    begaan, op het punt staan te begaan van n van de strafbare feiten
    die zijn opgesomd in .2516. De machtiging heeft een geldingsduur
    van ten hoogste 30 dagen en kan met gelijke termijn worden
    verlengd, doch de termijn mag niet langer zijn dan de periode die
    noodzakelijk is voor het bereiken van het doel. De rechter beslist
    verder bij afzonderlijke beschikking over de bewaring en de
    vernietiging van de gespreksbanden. Over elke tapbeschikking
    rapporteert de rechter aan het Administrative Office of the United
    States Courts. Elk jaar wordt op basis van deze rapportages een
    openbaar verslag gemaakt voor het Congress.
    Noot Per jaar
    zouden in de V.S. zo’n 750 rechterlijke machtigingen worden
    gegeven.
    Noot Een belangrijk verschil in de
    uitvoering van de
    telefoontap tussen Nederland en de V.S. is
    dat bij niet-relevante gesprekken in Amerika de tap afgesloten moet
    worden, terwijl in Nederland de opnamen van de niet-relevante
    gesprekken achteraf worden vernietigd.

    Observatie met behulp van technische middelen

    Observatie, zeker in het openbaar, is doorgaans toelaatbaar
    zonder rechterlijke machtiging. Met de uitspraak van het
    Hooggerechtshof in de zaak Katz (zie hierboven) is
    observatie met behulp van verrekijkers en (video-)camera’s in het
    openbaar en in de woning onder bepaalde voorwaarden toegestaan.
    Noot Lagere federale rechters hebben herhaaldelijk
    geoordeeld dat politiemensen die van buitenaf met een verrekijker
    in iemands huis kijken en dingen zien die niet met het blote oog
    waarneembaar zouden zijn, de verwachting van privacy
    (expectation of privacy) schenden. Noot De andere
    vormen van observatie zijn op federaal niveau eveneens geregeld in
    Title IIIvan de Omnibus Crime Control and Safe Streets
    Act
    van 1968. De voorwaarden zijn in grote lijnen gelijk aan
    die van het aftappen van telecommunicatie. Ook hier dient de
    rechter voorschriften te geven om voor schending van het Vierde
    amendement te waken. Zo moet hij voorschrijven dat de technische
    observatie slechts op bepaalde momenten of binnen een beperkte
    tijdsduur dient plaats te vinden. Ook kan de rechter eisen
    regelmatig te worden ingelicht over de resultaten van het
    afluisteren. De belangrijkste beperking is het
    minimaliseringsgebod, waarbij opsporingsinstanties ertoe worden
    verplicht het afluisteren van relevante gesprekken tot een minimum
    te beperken. Noot Opname van gesprekken met wetenschap
    van n van de gespreksdeelnemers valt onder het begrip consensual
    monitoring
    en is zonder meer toegestaan.

    Observatie met behulp van video-apparatuur

    Hiervoor is al gezegd dat onder omstandigheden het gebruik van
    videocamera’s toelaatbaar is, zeker als niet meer wordt waargenomen
    dan wat elke burger met het blote oog kan zien. Video-apparatuur
    worden veelal gebruikt in combinatie met de inzet van infiltranten
    en informanten. Deze nemen deel aan de geobserveerde handeling(en)
    en hun toestemming voor de video-opname is toereikend voor
    consensual monitoring. Zo kunnen infiltranten een winkel of
    ruimte inrichten, die dan weer gebruikt kan worden voor opslag van
    gestolen of illegale waren of voor verkoop van deze goederen. Deze
    ruimten worden dan van microfoons en
    video-camera’s voorzien om de transacties van de infiltrant met de
    verdachte vast te leggen. Noot Een rechterlijke
    beschikking is nodig wanneer de video-observatie plaatsvindt in een
    privruimte zonder de deelname van een politile infiltrant of
    informant. Er is dan immers geen sprake van consensual
    monitoring
    . Om bij een ex post toetsing te kunnen
    beoordelen of een video-observatie rechtmatig is uitgevoerd wordt
    door de meeste federale gerechten de wet op het afluisteren als
    richtlijn gehanteerd. Aan deze wet worden met name de voorwaarden
    ontleend waaronder een observatie tegemoetkomt aan de bescherming
    van het Vierde amendement. Dit is gebaseerd op de idee dat vormen
    van visuele observatie onder omstandigheden net zo schadelijk
    kunnen zijn voor de privacy van mensen als auditieve
    observatie. In de staat New York is het gebruik van video-camera’s
    geregeld in artikel 700 Wetboek van Strafvordering tezamen met het
    afluisteren van (telefoon-)gesprekken. Noot

    Een verzoek tot machtiging van een video-observatie dient de
    volgende informatie te bevatten: wel waarom zij achterwege zijn
    gebleven (subsidiariteit);

    – of reeds andere opsporingsmethoden gebruikt zijn, en zo ja,
    waarom deze niet tot succes hebben geleid dan video-observatie
    uitsluitsel zal moeten geven;
    – beschrijving van het feit waarop de video-observatie betrekking
    heeft en de strafbare feiten waarover de noodzakelijk zijn teneinde
    het opsporingsdoel te bereiken en mag in ieder geval de 30 dagen
    niet – de termijn waarover de video-observatie zich zou moeten
    uitstrekken (deze termijn mag niet langer dan overschrijden);

    dat opnamen worden gemaakt waartoe geen machtiging is verstrekt.
    Noot In de praktijk komt deze regel erop – binding aan
    het minimimaliseringsbeginsel, hetgeen betekent dat zoveel mogelijk
    moet worden vermeden neer dat in het verzoek wordt aangegeven,
    welke te observeren handelingen relevant zijn voor de
    opsporing.

    Observatie met behulp van
    plaatsbepalingsapparatuur

    Voor het gebruik van peilzenders bestaat geen wettelijke
    regeling. In de jurisprudentie inzake het Vierde amendement wordt
    een onderscheid gemaakt tussen het gebruik van een peilzender ter
    vergemakkelijking van de observatie van handelingen die ook
    zonder apparatuur waargenomen kunnen worden en de inzet van
    apparatuur als noodzakelijke voorwaarde voor de observatie.
    Peilzenders worden hoofdzakelijk gebruikt voor doelgerichte, korte
    operaties, zoals het traceren van een transport.

    Het Hooggerechtshof oordeelde in U.S. v. Karo dat het Vierde
    amendement was overtreden.
    Noot In deze zaak werd
    een
    peilzender bevestigd aan een vat zodat de aanwezigheid
    van het voorwerp in een huis en garage kon worden vastgesteld. Het
    feit dat de zender werd beluisterd in een privruimte werd beschouwd
    als een schending van privacy. In de zaak U.S. v. Knotts keurde het
    Hooggerechtshof een operatie met een
    peilzender echter goed,
    omdat de
    peilzender op een ton met chemicalin werd
    uitgeschakeld nadat het transport over de openbare weg was gevolgd
    en voordat het transport werd voortgezet richting een eenzaam huis
    in een bos.
    Noot Het gebruik van peilapparatuur op openbare
    wegen en open terreinen kan onder omstandigheden schending van
    privacy opleveren.
    Peilzenders kunnen immers zichtbaar maken
    wat voor het blote oog van het publiek niet te zien is.

    Noot

    Observatie met behulp van afluisterapparatuur

    Het afluisteren van gesprekken is alleen mogelijk bij bepaalde
    delicten: de catalogus bevat meer dan honderd als gevaarlijk
    gekwalificeerde delicten, waaronder strafbepalingen betreffende de
    staatsveiligheid en die kenmerkend zijn voor de georganiseerde
    misdaad. Onder deze laatste categorie vallen de federale
    drugdelicten, corruptie en de strafbare feiten, die vallen onder de
    RICO Act. Direct afluisteren wordt het meest toegepast bij
    de opsporing van drugdelicten.

    Auteurs stellen dat Amerikaanse opsporingsambtenaren relatief
    weinig gebruik maken van verborgen microfoons. Noot Bij
    een inventarisatie over het jaar 1978 bleek dat in de gehele V.S.
    (federaal en statelijk) 27 verzoeken voor direct afluisteren werden
    ingediend. In 1990 bleek dit aantal 127 te zijn en in 1992 weer 58
    (waarvan 17 keer in combinatie met de telefoontap). De oorzaak van
    dit relatief geringe gebruik is vermoedelijk dat de plaats van de
    incriminerende gesprekken moeilijk is vast te stellen, alsmede de
    praktische problemen bij de plaatsing. Maar ook gaat de plaatsing
    van microfoons (directe afluisterapparatuur) gepaard met hoge
    (personeels-) kosten.

    Voor richtmicrofoons is niet altijd een machtiging nodig, voor
    gewone afluisterappartuur, zoals bugs wel. Noot Aan het
    direct afluisteren moet een rechterlijke beschikking voorafgaan
    (ex ante controle), behalve in spoedeisende zaken. Een
    beschikking van de Attorney Generalof n van zijn
    plaatsvervangers bij de politie
    kan volstaan, indien het direct afluisteren met onmiddellijke
    ingang moet worden gebruikt. In deze beoordeling vooraf worden
    onder andere het ingrijpende karakter van de methode en het gevaar
    voor misbruik van het middel meegewogen.

    Verzoeken tot het gebruik van afluisterapparatuur dienen een
    hoge ambtenaar bij het openbaar ministerie te passeren, alvorens
    bij een rechter te worden ingediend. Op federaal niveau is dit de
    Attorney General of zijn directe plaatsvervanger. Op deze
    wijze wordt op een centrale plaats door een politiek
    verantwoordelijke persoon de beslissing genomen over directe
    afluisteroperaties. Noot De rechterlijke beschikking
    dient het volgende te bevatten: de plaats waar de apparatuur wordt
    geplaatst, een beschrijving van het soort gesprek en de strafbare
    feiten waarop het gesprek betrekking zal hebben; de instanties die
    het afluisteren uitvoeren en de persoon die het verzoek heeft
    ingediend; de periode waarover het afluisteren zich zal
    uitstrekken; of het afluisteren na het afluisteren van het gesprek
    zal worden stopgezet of juist doorgaat; de identiteit van de
    persoon indien bekend, die het gesprek zal vastleggen. Het komt
    zelden voor dat een verzoek door de rechter afgewezen wordt.
    Noot

    De machtiging voor het gebruik van directe afluisterapparatuur
    geldt voor maximaal 30 dagen, maar kan wel een aantal keren worden
    verlengd. Bij de verlenging moet vermeld worden welke resultaten de
    voorgaande afluisteroperaties hebben opgeleverd, of waarom
    resultaten ontbreken.

    Na beindiging van de observatie-actie met behulp van direct
    afluisteren moeten de geluidsbanden onmiddellijk aan de rechter ter
    beschikking gesteld worden en onder zijn toezicht worden verzegeld.
    Indien dit zegel ontbreekt of onzorgvuldig is aangebracht, dan
    dient de opsporingsambtenaar tijdens de zitting een bevredigende
    verklaring te geven om de inhoud van de afgeluiderde gesprekken
    toch als bewijs te kunnen laten meetellen. Noot

    Alle in de machtiging betrokken partijen dienen op zijn laatst
    90 dagen na het afluisteren in kennis gesteld te worden van de
    operatie.
    Deze kennisgeving moet onder andere bevatten de mededeling dat een
    afluisteroperatie heeft plaatsgevonden, de datum, waarop de
    machtiging van kracht is geworden en de geldigheidsduur daarvan,
    alsmede of gesprekken feitelijk werden afgeluisterd. Uitstel van
    deze kennisgeving is alleen toegestaan wanneer een goede reden
    bestaat (good cause), zoals staatsgevaar of wanneer lopend
    opsporingsonderzoek daardoor zal kunnen worden
    gefrustreerd.

    De machtiging verlenende rechter maakt binnen 30 dagen na
    beindiging van de afluisteroperatie een rapportage, zoals ook voor
    de telefoontap vereist is. Indien de Attorney General de
    machtigende autoriteit is geweest, maakt hij een rapport. De
    onderscheiden griffies gebruiken deze informatie voor hun openbare
    jaarbericht aan het Congress. Noot

    Direct afluisteren werd in het verleden doorgaans niet als een
    schending van de privacy gezien, zolang de politie niet een door
    het Vierde amendement beschermde plaats had betreden
    (trespass)(Goldman v. U.S., 1942). Deze stelregel
    werd enigszins bijgesteld in Silverman v. United States
    (1961), toen het Hooggerechtshof oordeelde dat het aanbrengen van
    een microfoon in de muur van een woning en welke was verbonden met
    een verwarmingsbuis waardoor de gesprekken in het desbetreffende
    huis konden worden afgeluisterd, wel een inbreuk vormde op
    het recht op privacy.

    In Katz v. U.S., toen opsporingsambtenaren een
    telefoongesprek hadden afgeluisterd van iemand in een telefooncel
    door een opname-apparaat aan de wand van de cel te bevestigen,
    maakte het Hooggerechtshof een uitzondering op de trespassdoctrine
    en verklaarde de handelwijze van de ambtenaren in strijd met de
    grondwet omdat de subjectieve expectation of privacy geschonden was
    en omdat ook maatschappelijk (objectief) gesproken sprake was van
    een schending van dat recht.
    Noot Mede op grond
    van deze redenering verklaarde het Hooggerechtshof de nieuwe
    wetgeving van de staat New York op het afluisteren van
    (telefoon-)gesprekken voor ongrondwettig in de zaak Berger v. New
    York. Aldus wordt sindsdien ook gesproken van de Katz-Berger
    doctrine.
    Noot

    Afluisterapparatuur wordt ook vaak in combinatie gebruikt met de
    inzet van een informant of infiltrant. In beginsel is het niet
    onrechtmatig indien een gespreksdeelnemer het gesprek opneemt. In
    de literatuur wordt regelmatig de vraag gesteld of deze bepaling
    ook geldt ten aanzien van informanten en infiltranten (
    consensual monitoring). Het Hooggerechtshof acht dit
    toelaatbaar. Noot In de jaren 1987 en 1988 kwam het bij
    de FBI al 1300 keer voor dat direct afluisteren in combinatie met
    infiltratie werd toegepast. Opnamen via een verborgen
    cassetterecorder kunnen later als bewijs worden gebruikt.
    Informanten worden ook van een verborgen microfoon voorzien om het
    door hen verkregen bewijs geloofwaardiger te maken. Bovendien
    proberen politie en justitie op deze wijze hun afspraken met de
    informant te controleren, zeker als de informant een deal met
    justitie in het vooruitzicht is gesteld. Noot

    Inkijkoperaties

    De inkijkoperatie (covert entry) met het doel
    afluisterapparatuur te plaatsen is een enigszins verzwegen kwestie.
    Het verstoppen van een camera in een woning voor frequente
    observatie is problematisch, niet alleen omdat de privacy
    geschonden wordt, maar ook omdat het gepaard gaat met een betreding
    waaraan geen huiszoekingsbevel ten grondslag ligt. In Dalia v.
    United States
    (1979) bepaalde het Hooggerechtshof dat het van
    een leeg formalisme zou getuigen de rechter bij ieder plaatsing te
    verplichten tot het afgeven van een aparte machtiging tot
    binnentreden. Noot

    Informanten

    Veel jurisprudentie aangaande bijzondere opsporingsmethoden
    heeft betrekking op de inzet van gestuurde informanten en
    infiltranten. Deze komen bij de bespreking van de infiltratie aan
    de orde. Informanten zijn vaak voorzien van afluisterapparatuur. De
    consensual monitoring is veelal de inzet van de rechtsstrijd
    en niet de inzet van de informant als zodanig.

    In de zaak United States v. White (1971) oordeelde het
    Hooggerechtshof dat de verwachting van privacy van de verdachte
    niet in het geding was toen deze met een informant van de politie
    (in een restaurant, zijn eigen huis of zijn eigen auto) voor
    zichzelf belastende gesprekken voerde. Deze gesprekken werden door
    middel van een zendertje bij de informant afgeluisterd. De inhoud
    van de gesprekken kwam terug in verklaringen, die werden gebruikt
    voor het bewijs. De verwachting van een persoon dat zijn
    bondgenoten noch helpers van de politie noch zijn eigen helpers
    worden, en met name dat zij onderling gevoerde gesprekken niet
    doorbrieven aan de politie, is niet gerechtvaardigd.
    Noot

    Kroongetuigen

    De kroongetuige is in Amerika een bekende figuur. De kern is dat
    justitie aan deze persoon in ruil voor zijn getuigeverklaring een
    toezegging doet over de afwikkeling van zijn strafzaak. Als
    tegenprestatie zal het openbaar ministerie de zaak seponeren, een
    lichtere aanklacht indienen of de persoon in een gunstiger
    strafexecutie-regime laten plaatsen. Noot Dit laat zich
    vrij gemakkelijk voegen naar de Amerikaanse procesvorm. De
    bescherming van de kroongetuige is gedetailleerd geregeld.

    Kroongetuigen worden op een openbare terechtzitting aan een
    kruisverhoor onderworpen. Anonieme verklaringen worden niet als
    bewijsmiddel geaccepteerd vanwege het onmiddellijkheidsbeginsel. In
    de V.S. bestaat al sinds 20 jaar een getuigenbeschermingsprogramma
    (Witness Protection Program). Het programma is voortgekomen
    uit de Organized Crime Control Act 1970. Voor die tijd werd
    door de overheid ad hoc bescherming aan kroongetuigen
    aangeboden. Noot

    Het programma is voornamelijk ontstaan vanuit de behoefte
    bedreigde getuigen van een nieuwe identiteit te voorzien. Aan het
    begin van dit programma was de verwachting dat per jaar 25 50 maal
    identiteitswisseling zou worden toegepast. Inmiddels zijn al meer
    dan 6250 getuigen en 7750 familieleden in dit programma opgenomen.
    Elk jaar worden 250 tot 500 nieuwe getuigen in het programma
    opgenomen. Noot De kosten van het programma zijn hoog: $
    73.000 per identiteitswisseling en ongeveer $ 103.000 per gezin. Op
    jaarbasis bedragen de kosten van het programma ongeveer 75 miljoen
    dollar. Noot De huidige wettelijke basis voor het
    getuigenbeschermingsprogramma ligt nu in de Witness Security
    Reform Act 1984
    . Noot Deze wet stelt het programma
    ook open voor andere delicten dan die in het kader van de
    georganiseerde misdaad. Het programma wordt voornamelijk gebruikt
    voor terroristische zaken en drugszaken. Noot

    Om te kunnen worden opgenomen in het
    getuigebeschermingsprogramma moet men aan de volgende voorwaarden
    voldoen:
    vervolging bevinden;
    – de zaak moet op z’n minst in handen zijn van de Grand Jury of
    zich in een vergevorderd stadium van

    • de getuige of zijn familie moeten in gevaar verkeren (niet
      noodzakelijk in levensgevaar);
    • er moeten aanwijzingen zijn dat de bescherming het belang
      van de staat dient.
      Noot Na invoering van het
      getuigebeschermingsprogramma ontstonden een aantal aanzienlijke
      problemen. De meeste getuigen die meedoen in het programma komen
      uit het criminele milieu. Het General Accounting Office stelt
      dat 73% van de bedreigde getuigen een strafblad heeft. Dit getal
      wordt door de U.S. Marshal

      Service hoger ingeschat (95 %). Wanneer de getuige tot het
      programma is toegelaten wordt hij onder de bescherming van de
      Marshal Service geplaatst. De overheid verplicht zich in een
      contract of memorandum of understanding tot bescherming van de
      getuige, hem een nieuwe identiteit te verschaffen en hem te helpen
      met het vinden van een baan. Beschermde getuigen ontliepen hun
      schuldeisers, ontdoken omgangsregelingen, en een kwart van hen werd
      binnen twee jaar na opname in het programma wederom gearresteerd
      (sommigen voor ernstige misdaden zoals moord). Daarnaast ontstonden
      ook problemen vanwege onder meer slecht opgeleide marshals – die
      nauwelijks berekend waren op hun taak en onbetrouwbaar bleken
      (
      corruptie en loslippigheid) -, vertragingen bij de
      verkrijging van nieuwe identiteitspapieren, alsmede het moeilijk
      vinden van een baan door de getuigen. Sinds de Reform Act van 1984
      verplicht de overheid de getuige een regeling te treffen met zijn
      schuldeisers en zijn andere wettelijke verplichtingen na te komen
      voordat hij met het programma begint. Verdere praktische regels
      zijn dat de Marshal Service de getuige tijdig voorziet van
      identiteitsdocumenten.
      Niet zelden (in meer dan een kwart van
      de gevallen) stappen de getuigen vroeg of laat uit het programma.
      De oorzaken hiervan zijn onbekend. Noot

    Naar wordt aangenomen, kan een complete identiteitswisseling, het
    doorbreken van contacten met het thuisfront en de verandering van
    levensgeschiedenis traumatische effecten hebben op de getuigen.
    Ondanks dit aanzienlijke uitsvalspercentage en de eerder beschreven
    schaduwzijden van het programma zijn Amerikaanse
    opsporingsambtenaren nog steeds enthousiast over het
    getuigebeschermingsprogramma, voornamelijk omdat in 75% van de
    zaken waarin een beschermde getuige een verklaring heeft afgelegd,
    de verdachte ook daadwerkelijk werd veroordeeld. Noot

    Het programma staat ook bloot aan kritiek. De beschermde
    getuigen ontlopen een straf voor ernstige strafbare feiten, de
    selectie zou niet altijd even kritisch zijn en voorts zou het
    programma te aantrekkelijk zijn voor langgestraften en daarmee
    onjuiste verklaringen stimuleren. De graagte van de overheid leidt
    mogelijk tot de veroordeling van de verkeerde persoon.
    Noot

    Gecontroleerde aflevering

    In de literatuur wordt relatief weinig gewag gemaakt van de
    opsporingsmethoden gecontroleerde aflevering en doorlating.
    De opsporingsmethode van de gecontroleerde aflevering staat in
    opsporingskringen kennelijk zeer hoog aangeschreven. De methode
    wordt wel als volgt omschreven: to let the drugs walk – that is,
    allow a consigment of illicit drugs they have detected to go
    forward under [their] control and surveillance .. in order to
    secure evidence against the organizers of such illicit drug
    traffic
    . Noot De omvang en de aard van de
    gecontroleerd afgeleverde goederen blijft onduidelijk. Indien de
    aflevering van drugs gepaard gaat met het plegen van strafbare
    feiten moet de zaak ter toetsing worden voorgelegd aan de
    Criminal Undercover Operations Review Committee. Bij de
    beoordeling geldt dat acts which would be criminal when done by
    a private citizen are justifiable and not criminal when done by a
    government agent in the reasonable exercise of law enforcement
    power.
    Het legaliteitsprincipe, genterpreteerd als de noodzaak
    illegale drugs onmiddellijk in beslag te nemen na identificatie van
    hun locatie en ten aanzien van douaneregels, dat alle gemporteerde
    goederen worden aangegeven en ingeklaard, wordt verworpen.
    Noot De DEA is in veel Europese landen actief om
    gecontroleerde afleveringen te cordineren.

    Pseudo-koop

    De pseudo-koop of sting operation is een populaire
    opsporingsmethode. De pseudo-koop wordt wel beschouwd als een
    conventionele vorm van infiltratie die door elke
    opsporingsambtenaar op federaal of statelijk niveau kan worden
    toegepast. Noot Pseudo-kopers zijn volwaardige
    undercover agents. Zij worden meestal ingezet teneinde
    slachtofferloze delicten op te sporen, zoals de drughandel, het
    gebruik van steekpenningen en het illegale gokspel.

    Infiltratie

    De diepte-infiltratie of lange-termijn infiltratie (duur langer
    dan 180 dagen) is eerder uitzondering dan regel en wordt daarom als
    een onconventionele infiltratie beschouwd. Noot
    Diepte-infiltratie wordt vooral op federaal opsporingsniveau
    toegepast. Noot Niet alle opsporingsambtenaren mogen een
    diepte-infiltratie uitvoeren. Het is een misvatting dat DEA-agenten
    24 uur per dag bij undercover activiteiten betrokken zijn.
    Diepte-infiltratie ( deep cover) vindt wel plaats, maar er
    zijn weinig DEA-operaties waarbij een agent meer dan een paar dagen
    undercover moet blijven. Noot
    Voorbeelden van dit soort infiltraties zijn de fencing stings
    (speciaal opgezette garages of winkels voor bijvoorbeeld de
    opsporing van stelers en helers),
    frontstores
    (dekmantelbedrijven die met name gericht zijn op het
    aanbieden van diensten in het kader van onderzoek naar
    witwaspraktijken) en illicit services (waarbij vooral diensten aan
    de criminele organisatie worden aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm
    van transportmiddelen).
    Noot

    Voor de uitvoering van infiltratie bestaat in de Verenigde
    Staten geen uitdrukkelijke wettelijke regeling. Wel bestaan
    bepalingen die de FBI en de DEA bij de inzet van infiltranten
    ontslaan van wettelijke verplichtingen aangaande de besteding van
    overheidsgelden. Noot Wel heeft het ministerie van
    Justitie de Attorney General’s Guidelines on FBI Undercover
    Policing
    uitgegeven.

    Ingevolge de richtlijnen van de Attorney-General mag geen
    uitlokking plaatsvinden. Infiltratie als methode wordt in de
    praktijk alleen ingezet tegen personen die een vooropgezet plan
    hebben om een strafbaar feit te plegen (predisposition). In
    de zaak Jacobson v. United States Noot werd het
    hanteren van de eis van vooropgezetheid van de verdachte iets
    verfijnd: de predispositie moet rechtstreeks in verband staan met
    het door tussenkomst van infiltranten te plegen strafbare feit.
    Hiermee heeft het Hooggerechtshof gesteld dat een redelijk
    vermoeden met betrekking tot het feit vooraf dient te gaan aan een
    undercover operatie. Noot In de Verenigde Staten
    is veel discussie geweest over de vraag hoe hoog de drempel moet
    zijn vooraleer een agent provocateur wordt ingezet om een
    persoon in de situatie te stellen een strafbaar feit te plegen. Met
    andere woorden: hoe zwaar moet de verdenking zijn voordat

    infiltratie als methode kan worden gebruikt? Volgens de
    opvatting van de Courts of Appeal hoefde in bepaalde gevallen geen
    verdenking te bestaan om met hulp van een undercover agent
    opsporingen te verrichten ten aanzien van een bepaalde persoon.

    Noot Dit betekende dat niemand gevrijwaard is van dit
    soort opsporingsmethoden: een redelijk vermoeden van een
    (gepleegd) strafbaar feit is niet vereist.
    Noot

    De normatieve grenzen van de infiltratie worden getrokken in de
    rechtspraak op de verweren ertegen, het entrapment defense
    (uitlokkingsverweer) en het due process defense
    (behoorlijk proces-verweer). Noot Er is sprake
    van uitlokking als de verdachte een feit pleegt dat van tevoren
    door een undercover of informant uitgedacht en gepland werd,
    en dat de aangeklaagde zonder deze list, aandrang en ondersteuning
    van de undercover of informant niet gepleegd zou hebben.
    Noot Dit (subjectieve) criterium werd in 1932 vastgelegd
    door het Hooggerechtshof in Sorrells v. U.S..
    Noot

    In de zaak Sherman v. United States was de verdachte door
    een
    informant van de politie benaderd die hem na verloop van
    tijd om drugs vroeg. De
    informant herhaalde zijn verzoek
    vele malen en de verdachte weigerde steeds. Uiteindelijk gaf de
    verdachte na voortdurend aandringen van de
    informant
    toe. Noot De rechter oordeelde: Human nature
    is weak enough and sufficiently beset by temptations without
    government adding to them and generating crime. Het verweer
    slaagde.

    Enkele andere staten hanteren bij het uitlokkingsverweer de
    objectieve test, waarbij de focus ligt op het gedrag van de
    infiltrant.
    De verdachte kan zich succesvol op het uitlokkingsverweer beroepen
    indien de infiltrant met de gebruikte middelen ook andere personen
    had kunnen uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit.
    Noot In 1973 vernietigde het Hooggerechtshof in
    United States v. Russell de vrijspraak van het Hof van
    Beroep.
    Noot De undercover agent had de verdachte
    100 gram van een stof gegeven die nodig is voor de bereiding van
    speed. De verdediging stelde dat het due process-beginsel (zie
    hieronder) was geschonden omdat de betrokkenheid van de undercover
    agent wezenlijk was geweest in de onderneming. Hoewel het
    Hooggerechtshof vond dat sprake zou kunnen zijn van
    disproportioneel handelen door het openbaar ministerie was het
    Hooggerechtshof desondanks van mening dat voldoende bewijs bestond
    om aan te nemen dat de verdachte vooropgezet (predisposed)
    was.

    De zaak United States v. Russell laat zien hoe de
    objectieve test van de uitlokking bijna naadloos overloopt in het
    verweer dat zich op schending van het eerlijk proces of due
    process
    -principe beroept. Het Hooggerechtshof heeft in recente
    uitspraken aangegeven dat er gevallen zijn waarin het
    uitlokkingsverweer niet opgaat, maar dat er sprake kan zijn van een
    buitengewoon onbehoorlijk gedrag van de infiltrant (outrageous
    and shocking to the sense of justice
    ), waardoor de due
    process-clausule van het vijfde en veertiende Amendement overtreden
    wordt. Noot

    Aanknopingspunten voor het due process-verweer zijn: schending
    van de rechten van niet-deelnemende derde personen; de vorm van de
    criminaliteit, en de omvang van de deelname van de infiltrant aan
    het tenlaste gelegde feit, in het bijzonder of medewerking of
    planning van het feit doorslaggevend is geweest. Het due
    process
    verweer werd in stelling gebracht in de zaak Hampton v.
    United States. Noot Het Hooggerechtshof verwierp het
    verweer dat de politie zich schuldig zou hebben gemaakt aan een
    buitengewoon berispelijk
    optreden, omdat de verdachte had toegegeven predisposed te zijn.
    Het Hooggerechtshof stelt de buitensporigheid van undercover
    praktijken alleen aan de kaak indien geen sprake is geweest van
    vooropgezetheid bij de verdachte. Noot In United States
    v. Twigg Noot werd voor het eerst met succes een beroep
    gedaan op het due processverweer bij een lagere federale rechter.
    Noot De undercover agent was te ver gegaan. Noot

    De grens van de overschrijding van het behoorlijk proces ligt
    hoog. Noot Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat
    indien het beroep op de schending van het due process
    succesvol is, dit leidt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het
    openbaar ministerie. Noot

    In de dagelijkse opsporingspraktijk van federale
    opsporingsinstanties zijn vooral de richtlijnen van het
    Department of Justice van belang, waarin gedetailleerde
    regels zijn opgenomen voor alle undercover operaties waaraan
    FBI-agenten deelnemen (Attorney General’s Guidelines). De
    officile goedkeuring is gelaagd en meerdere instanties van het FBI
    en het Department of Justice zijn bij de
    toestemmingsprocedure betrokken: hoe zwaarder de ingreep, hoe
    breder de consensus dient te zijn; zware ingrepen moeten dan ook
    terug te voeren zijn op politiek verantwoordelijke personen.

    Bij direct gevaar mag een FBI-agent op plaatselijk niveau
    toestemming verlenen tot een infiltratie-actie. Deze toestemming
    dient binnen 48 uur te worden bekrachtigd op hoger niveau. De
    richtlijnen stellen – duidelijker dan in de jurisprudentie – dat
    deelname aan strafbare feiten door de infiltrant uitsluitend
    acceptabel is indien deze strafbare feiten noodzakelijk zijn voor
    de inwinning van informatie of bewijsmiddelen en leiden tot een
    succesvolle opsporing; wanneer de infiltrant zijn geloofwaardigheid
    moet opbouwen of in stand moet houden en wanneer dood of zwaar
    lichamelijk letsel moet worden voorkomen.

    Ten aanzien van de controle op infiltratie kan men tenslotte nog
    een onderscheid maken tussen controle ex ante, tijdens en
    ex post. Noot Deze controle kan worden uitgevoerd
    door verschillende autoriteiten, namelijk politie, justitie en de
    rechterlijke macht. Een controle voorafgaand (ex ante) aan
    een infiltratie betreft de toestemming en eventueel de voorwaarden
    waaronder de infiltratie dient plaats te vinden. Deze controle is
    zowel politieel als rechterlijk. Voor de politile controle die
    voorafgaat aan de diepte-infiltratie moet toestemming worden
    verkregen van een hogere politiefunctionaris, die zelf bepaalt of
    het Criminal Undercover Operations Review Committee in
    kennis dient te worden gesteld. Noot Dit betekent in
    feite dat aan de politie een grote discretionaire bevoegdheid is
    toegekend. Deze commissie dient te allen tijde toestemming te geven
    voor infiltraties die (gepland) langer dan 180 dagen duren of
    (onverwacht) langer zijn gaan duren. Zij controleert vooral de
    procedures, de veiligheidsaspecten, de kosten en dergelijke. Voor
    de juridische toetsing wordt de officier van justitie bij de
    concrete zaak betrokken.

    De infiltrant of undercover agent in het Amerikaanse
    strafproces is mede-verbalisant en hij dient na onthulling van zijn
    eigen identiteit het proces-verbaal met zijn eigen naam te
    ondertekenen. Hij dient als getuige ter zitting te verschijnen en
    indien nodig kan hij daartoe gedwongen worden (gijzeling). Niet
    nakoming van de verplichting tot het afleggen van een verklaring
    kan leiden tot ontslag. Noot Onduidelijk is in hoeveel
    gevallen politieambtenaren na onthulling van de identiteit niet
    meer inzetbaar zijn bij verdere infiltratie- of
    informantenoperaties.Beide opsporingsinstanties moeten bovendien
    het Congress in hun jaarverslag uitvoerig berichten over
    alle uitgevoerde undercover opsporingsoperaties en de
    resultaten daarvan. Elk jaar vindt een openbare zitting plaats in
    het parlement over het jaarbudget en de opsporingsactiviteiten van
    de FBI gedurende het voorgaande jaar alvorens de wet opnieuw wordt
    aangenomen. De uitvoerende macht kan aldus een redelijke ex
    post
    controle uitoefenen op het opsporingswezen, ook al omdat
    ambtenaren van de FBI verplicht zijn op soms zeer gedetailleerde
    vragen van de afgevaardigden in te gaan en hun antwoorden zonodig
    met interne documenten te ondersteunen. Noot Opslag van
    gegevens De namen van geobserveerde personen worden opgeslagen in
    de centrale FBI-computer (National Crime Information Center
    NCIC
    ). Deze computer bevat twaalf soorten gegevens, waaronder
    auto’s, autokentekens, schietwapens, waarde-documenten,
    pleziervaartuigen, arrestatiebevelen tegen gezochte personen,
    vermiste personenen en veroordelingen. Noot Ongeveer
    64.000 politieambtenaren hebben toegang tot deze computer, evenals
    andere instanties op federaal, staat en lokaal niveau (rechters,
    gevangenisbewaarders).

    Uitwisseling van gegevens

    Opsporingsambtenaren zijn aangewezen op de bereidwilligheid van
    andere instanties om aan hen gegevens te verstrekken.
    Gerechtshoven, bepaalde gremia (zoals de onderzoekscommissies van
    het congres, grand juries, en een aantal in de wet
    gespecificeerde autoriteiten) hebben ook het recht zulke gegevens
    op te vragen. Aan een verzoek tot gegevensverstrekking door een
    niet-opsporingsinstantie moet een strafbepaling ten grondslag
    liggen, die betrekking heeft op het weigeren te voldoen aan het
    verzoek om het gevraagde ter inzage geven of
    verstrekken van bepaalde documenten danwel op het optreden als
    getuige. Instanties zoals de Pennsylvania Crime Commission en de
    New York State Organized Crime Task Force
    hebben het recht een
    subpoena te hanteren. Een subpoena is ook noodzakelijk voor een
    verzoek tot computer matching. Noot

    Voor opsporing op basis van dit soort gegevens zijn het het
    kader van het veertiende Amendement – met het oog op due
    process
    – een aantal criteria ontwikkeld voor de bescherming
    van gegevens. Op de uitwisseling van gegevens tussen
    overheidsorganen is de Privacy Act (5 U.S.C. 552 a.) van
    toepassing. De Amerikaanse Privacy Act is onvergelijkbaar met
    veel Europese wetten op de persoonsregistratie, die meestal
    overkoepelend en homogeen van aard zijn.
    Noot De
    wet bevat algemene bepalingen voor opgeslagen gegevens. Het
    algemene principe is het finaliteitsprincipe: gegevens mogen niet
    voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor zij aanvankelijk
    verkregen zijn. Deze wet schijnt echter weinig effect te sorteren
    in de praktijk omdat weinig controle wordt uitgeoefend op de
    naleving.
    Noot Uitvoerende ambtenaren zouden de
    regels van de Privacy Act niet in ogenschouw nemen.

    Noot

    Het Vierde Amendement is echter niet van toepassing op de
    opsporing die plaatsvindt op basis van gegevensanalyse. Als
    persoonsgegevens eenmaal in de computer zijn opgeslagen staan de
    betrokkene weinig remedies ter beschikking. In de literatuur is
    weinig bekend van de wijze waarop gegevens worden samengevoegd en
    geanalyseerd.

    Wel is bekend dat het Financial Crimes Enforcement Network
    van het U.S. Treasury Department (opgericht in 1990)

    ondersteuning verleent aan opsporingsdiensten in de vorm van
    analyse van financile transacties. Dit gebeurt op basis van zowel
    harde gegevens over concrete verdachten als zachte gegevens over
    wat wij in Nederland CID-subjecten en grijze veld-subjecten noemen.
    De gegevens die worden gebruikt door het netwerk worden
    voornamelijk verkregen van financile instanties die een wettelijke
    meldingsplicht hebben aangaande transacties ten bedrage van $
    10.000,- of meer. Noot In de overheidssfeer wordt
    regelmatig gebruik gemaakt van de methode van computer
    matching
    . Deze methode houdt in dat geautomatiseerde databanken
    worden gekoppeld en vergeleken, met het doel personen op te sporen
    die in meerdere databanken voorkomen. De methode wordt bijvoorbeeld
    gebruikt om sociale verzekerings-fraudeurs op het spoor te komen.
    Over het gebruik van deze methode in de strafrechtelijke sfeer zijn
    weinig gegevens beschikbaar en er bestaat ook weinig rechtspraak op
    dit gebied. Het Office of Technology Assessment maakt
    melding van een toename in het gebruik van dit opsporingsmiddel,
    ondere tegen witwassen. Noot

    Een wettelijke basis voor computer matching is gelegen in de
    Tax Reform Act of 1976, Public Law 94-455 en de Department of
    Defense Authorization Act of 1983, Public Law 97-252. Deze
    wettelijk geregelde vormen van computer matching hebben vooral
    betrekking op gegevens die reeds zijn opgeslagen bij
    overheidsdiensten. De Social Security Act (42 U.S.C. .1320b-7)
    heeft een iets uitvoerigere regeling, namelijk dat de staten worden
    verplicht gegevensvergelijkingen uit te voeren en maatregelen te
    nemen die de gegevensvergelijking vereenvoudigen (deze vergelijking
    vindt plaats met behulp van een soort sofi-nummer of
    sociaal-verzekeringsnummer). Deze wet voorziet verder in controle
    op de inkomensgegevens van werknemers elke vier jaar, de toegang
    van federale ambtenaren tot de gegevensbestanden en de toetsing van
    bruikbare gegevens. Gegevens mogen alleen vergeleken worden als een
    bepaalde zekerheid bestaat dat er bevindingen uit komen rollen over
    mensen die geen uitkering horen te ontvangen.
    De Computer
    Matching and Privacy Protection Act
    (Public Law 100-503)
    is slechts een opsomming van vormvoorschriften en heeft alleen
    betrekking op de uitwisseling van gegevens tussen de staat en de
    federatie. Noot

    De wet schrijft voor de betrokken autoriteiten een interne
    controle voor. De betrokken autoriteiten moeten voor de
    vergelijking van gegevens een overeenkomst sluiten. In deze
    overeenkomst moet staan wat het doel is van de
    gegevensvergelijking, het soort gegevens dat worden vergeleken, de
    modaliteiten van omgang met en teruggave van de gegevens en de
    wijze waarop de betrokkene wordt ingelicht. Een copie hiervan moet
    30 dagen tevoren naar een bijzondere commissie van het congres
    gestuurd worden. Bij alle autoriteiten die zich bezighouden met
    computer-matching dient een orgaan te worden ingesteld dat de
    naleving van de wettelijke regels overziet. Aan het einde van het
    jaar moeten de betreffende gremia een verslag indienen van de
    uitgevoerde gegevensvergelijkingen.

    De kritiek op computer-matching richt zich met name op
    het feit dat het op grote schaal wordt toegepast op personen die
    niet verdacht zijn, en dat daardoor veel onschuldige personen als
    potentile daders worden aangemerkt. Noot Ingevolge de
    beslissing U.S. v. Miller is het Vierde Amendement niet van
    toepassing op het
    politile gebruik van gegevensbestanden. Computer-matching valt
    derhalve niet onder de bescherming van het priv-domein.
    Noot
    Instanties zoals de Pennsylvania Crime Commission en de New York
    State Organized Crime Task Force hebben het recht een subpoena te
    hanteren in gevallen van computer matching. De subpoena dient er
    toe het verband tussen de betreffende bewijsmiddelen en de
    opsporing aan te tonen: een concrete samenhang hoeft niet te worden
    bewezen. Geen van beide instanties hebben dit middel gebruikt ter
    bestrijding van de georganiseerde misdaad.
    Noot


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken