• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 5.3 Juridische grondslag

    5.3 Juridische grondslag

    Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet
    in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. Hoewel art. 1
    Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij
    de wet voorzien, heeft deze bepaling tot nu toe in de rechtspraak
    niet in de weg gestaan aan de toepassing van infiltratie. In de
    jurisprudentie is sedert het Tallonarrest (HR 4 december 1979, NJ
    1980, 356 m.nt ThWvV) infiltratie als opsporingsmethode erkend.
    Reeds in dit arrest kwam de mogelijkheid aan de orde dat de
    infiltrant strafbare feiten (mede)pleegt.

    In enkele internationale verdragen waar Nederland zich aan heeft
    gebonden, komt een van de vooromschreven varianten van infiltratie
    wel voor. Zowel art. 11 van het VN-verdrag tegen de sluikhandel in
    verdovende middelen en psychotrope stoffen als art. 73 van de
    Schengen-uitvoeringsovereenkomst 1990 verplicht de lidstaten ertoe
    dat gecontroleerde aflevering bij illegale handel in verdovende
    middelen en psychotrope stoffen kan worden toegepast. Het
    VN-verdrag clausuleert dit met de woorden indien zulks geoorloofd
    is volgens de grondbeginselen van hun nationale rechtsstelsel; de
    Schengen-uitvoeringsovereenkomst stipuleert dat de
    overeenkomstsluitende partijen deze verbintenis op zich nemen
    overeenkomstig hun Grondwet en hun nationale rechtsorde. Art. 11,
    derde lid VN-verdrag luidt: Illegale zendingen waarvoor
    gecontroleerde aflevering is overeengekomen, kunnen, wanneer de
    betrokken partijen hiermee instemmen, worden onderschept en
    vervolgens worden doorgelaten, waarbij de verdovende middelen of
    psychotrope stoffen onaangeroerd blijven dan wel geheel of
    gedeeltelijk worden verwijderd of vervangen. Tot andere vormen van
    infiltratie dan gecontroleerde aflevering heeft Nederland zich niet
    verplicht. De internationale regelgeving roept reeds de vraag op of
    infiltratie geoorloofd is volgens de grondbeginselen van ons
    nationale rechtsstelsel. In de rechtspraak is de in dit licht
    relevante vraag aan de orde gesteld of en zo ja in hoeverre
    infiltratie een inbreuk kan betekenen op de grondrechten van de
    betrokken burgers/verdachten, in het bijzonder het recht op privacy
    en het recht op een eerlijk proces.

    Wat betreft het recht op privacy stelde het Europese Hof voor de
    Rechten van de Mens (EHRM) dat in de zaak Ldi het gebruik van een
    undercover agent did not, either alone or in combination with the
    telephone interception, affect private life within the meaning of
    art. 8. Noot Uit dit Ldi-arrest blijkt dat van schending
    van de mensenrechten door infiltratie volgens de Europese
    jurisprudentie zeker niet steeds sprake is. Toch houden sommige
    auteurs (bijvoorbeeld advocaat-generaal Myer) rekening met de
    mogelijkheid dat infiltratie onder
    omstandigheden wel in strijd met het recht op privacy zal komen.
    Daarbij valt ook te denken aan de betekenis van art. 10 lid 1
    Grondwet waarin gesteld wordt dat ieder recht heeft op eerbiediging
    van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de
    wet te stellen beperkingen.

    Denkbaar is dat zulks het geval is wanneer een
    politie-infiltrant onder aangenomen identiteit zich mengt in een
    geloofsgemeenschap – hetgeen vanwege die aangenomen identiteit als
    infiltratie is aan te merken. Daar immers zal de betrokkene geacht
    kunnen worden ondanks het dikwijls publieke karakter van
    geloofsbijeenkomst toch onbevangen zichzelf te kunnen zijn.

    De heer Koers:
    (…..) Het bijzondere in deze situatie was dat de
    hoofdverdachte in die zaak, die het middelpunt was van, zeg maar,
    zo’n zestig kennissen, vrienden om hem heen, slechts op n publiek
    toegankelijke plaats echt kwam. Dat was in die geloofsgemeenschap.
    (…) En gelijk de eerste keer dat onze politieman zich daar
    vertoonde, gebeurde wat wij gehoopt hadden: de hoofdverdachte zelf
    nam contact met onze man op. (..) Toen hebben wij gezegd: het is
    mooi dat dat contact er is, maar er mag in die gemeenschap absoluut
    niets gebeuren.
    De heer De Graaf:
    Wat bedoelt u met niets gebeuren?
    De heer Koers:
    Al te uitgebreide gesprekken. Want het is een
    geloofsgemeenschap. Maar je kunt wel misschien zo ver komen dat de
    hoofdverdachte onze man een keer wou bezoeken. Dat is gebeurd. Keer
    op keer heb ik erop aangedrongen en hebben de begeleiders erop
    aangedrongen: je mag absoluut geen sturende vragen stellen, er mag
    never een verhoorsituatie ontstaan. Dat is een absolute eis die ik
    gesteld heb. Dat is keer op keer gezegd. Je mag alln proberen
    vertrouwen te wekken in de hoop dat er spontaan een verhaal zou
    komen (..) Van alle bezoeken in de caravan, waar onze infiltrant
    toen woonde, en in het appartement waar hij later woonde, zijn
    video-opnames met geluidopnames gemaakt om dit risico, deze
    discussie uit te sluiten. En van het begin af aan is gezegd: alles
    moet vastgelegd worden; dit moet heel clean, heel zuiver aan de
    rechter voorgelegd kunnen worden. Het onderzoek liep niet goed;
    deze dadergroep kwam op basis van een heel goede analyse in beeld,
    eigenlijk het allerlaatste wat wij konden doen. Er was veel te
    weinig technisch bewijs om ooit via technisch bewijs bij die daders
    te komen. En toen hebben wij gezegd: in deze zaak, afwegend wat er
    gebeurd is, welke schending van privacy of privleven van iemand,
    dus dat tegen elkaar afwegend, is het verantwoord onder de
    voorwaarden die ik net aangaf.
    De heer Rouvoet:
    Vindt u infiltratie in geloofsgemeenschappen
    acceptabel?
    De heer Koers:
    In zijn algemeenheid niet. Noot Wat betreft
    het recht op een eerlijk proces verdienen in verband met de
    infiltratie twee aspecten nadere aandacht. Het Europese Hof voor de
    Rechten van de Mens stelde in de zaak Edwards dat the prosecuting
    authorities disclose to the defense all material evidence for or
    against the accused and that the failure to do so in the present
    case gave rise to a defect in the trial proceedings.
    Noot Dit roept de – nog niet definitief beantwoorde –
    vraag op of het toelaatbaar is met het oog op een eerlijk proces
    dat het openbaar ministerie ten tijde van de terechtzitting
    beschikt over verslaglegging van infiltranten waarover de
    verdediging niet beschikt; aangenomen wordt dat voorafgaand aan de
    zitting wel bepaalde politietactieken en methodes geheim kunnen
    blijven. Het is ten tweede zinvol erop te wijzen dat de infiltrant
    – en zeker de burgerinfiltrant – doorgaans niet bereid is ter
    zitting of bij de rechter-commissaris te worden gehoord.
    Infiltratie zal dan ook in veel gevallen gepaard gaan met anonieme
    getuigenverklaringen, waarop in hoofdstuk 4 Informanten
    reeds is ingegaan vanuit mensenrechtelijk oogpunt.

    Met betrekking tot de vraag of infiltratie geoorloofd is volgens de
    grondbeginselen van ons nationale recht, dient met het oog op
    mogelijke wetgeving ook onder ogen te worden gezien of het
    gerechtvaardigd is dat de overheid personen – al dan niet met een
    criminele achtergrond – (onrechtmatige) handelingen laat
    verrichten. Het Wetboek van Strafvordering kent ten dezen geen
    algemene bepalingen. Wanneer de overheid anderen van hun vrijheid
    berooft, inbreuk maakt op hun recht op huisvrede, of goederen
    afneemt, worden deze potentieel strafbare gedragingen (vergelijk
    artt. 282, 138 en 310 Sr) gerechtvaardigd indien de overheid
    bijvoorbeeld op grond van wettelijke strafprocessuele bevoegdheden
    tot deze handelingen besluit. Dergelijke rechtvaardigende artikelen
    bestaan niet ten aanzien van bijvoorbeeld het kopen van drugs (in
    het kader van een pseudo-koop), het rijden van een drugstransport
    (in het kader van koerierswerk bij een gecontroleerde aflevering)
    of zelfs maar de levering van een loods (in het kader van de
    medeplichtigheid aan de deelnemers van een criminele organisatie).

    Het Wetboek van Strafrecht kent ook geen afzonderlijke
    strafuitsluitingsgrond, met betrekking tot door de overheid
    gepleegde strafbare feiten (zie hoofdstuk 2 Juridisch
    kader)
    . Dit impliceert dat het geldende materile strafrecht
    geen afdoende regeling kent met betrekking tot strafbare feiten die
    door infiltranten worden
    gepleegd.
    Deze lacune staat er niet aan in de weg dat het
    opportuniteitsbeginsel (art. 167 Sv) aan het openbaar ministerie de
    ruimte laat om van vervolging af te zien op gronden aan het
    algemeen belang ontleend – of, naar de heersende interpretatie van
    genoemd artikel, dat het openbaar ministerie slechts tot vervolging
    zal overgaan indien zulks in het algemeen belang is. Het openbaar
    ministerie kan de infiltrant een zogenaamde vrijwaring van
    vervolging geven. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de
    vervolgingsbeslissing wordt geleid door de beginselen van een goede
    procesorde. Dat heeft als consequentie dat de infiltrant die
    optreedt onder regie van politie en openbaar ministerie naar alle
    waarschijnlijkheid met succes een beroep kan doen op het bij hem
    gewekte vertrouwen dat hij niet zal worden vervolgd.

    Uiteraard zal de beslissing van het openbaar ministerie in hoge
    mate afhangen van de vraag of respectievelijk in welke mate de
    infiltrant zich heeft gehouden aan de door het openbaar ministerie
    terzake infiltratie gestelde regels. In de Richtlijnen infiltratie,
    vastgesteld in de vergadering van procureurs-generaal d.d. 20
    februari 1991 worden voorwaarden, werkmethoden, de rechtspositie
    van de infiltrant, het centraal voorwaardenscheppend orgaan, de
    gecontroleerde aflevering en de internationale samenwerking
    geregeld. De richtlijn noemt vier voorwaarden:

    1. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte niet
    brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet te voren reeds was
    gericht. Dit verbod van uitlokking wordt aangeduid als het
    Tallon-criterium, naar de naam van het arrest waarin het werd
    geformuleerd.

    De heer Corstens:
    De Hoge Raad heeft gezegd dat het middel gehanteerd mag
    worden, als het maar niet zo is dat de verdachte wordt gebracht tot
    iets waarop zijn opzet niet gericht was. Opzet moet je hier
    verstaan als algemene intentie, algemene bereidheid. Het mag niet
    zo zijn dat je iemand die, bijvoorbeeld, in financile moeilijkheden
    verkeert over de streep trekt. Iemand die in het geheel nog niet
    was ingevoerd in het criminele drugsmilieu houdt de politie voor
    dat hij, als infiltrant, in korte tijd veel geld kan verdienen door
    aan een drugstransport mee te werken. Dat is door de Hoge Raad
    verboden. Als je dat doet, mag het aldus verkregen bewijsmateriaal
    niet tot bewijs meewerken. Dat is een voorwaarde (…).

    Noot

    2. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na
    goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de
    recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van
    justitie. Volgens het Amsterdamse Hof 4 februari 1993, NJ 1994, 113
    brengt geen rechtsregel met zich mee dat de officier van justitie
    belast is met de dagelijkse leiding van een pseudo-koop-actie en
    dat hij bij voortduring en ononderbroken op de hoogte zou moeten
    worden gebracht, indien die activiteiten haar normale en voorziene
    gang gaan. Inmiddels heeft de Vergadering van procureurs-generaal
    in december 1994 besloten dat de meeste infiltratie-acties ter
    toetsing moeten worden voorgelegd aan de Centrale
    toetsingscommissie (zie hierna).

    3. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de eisen van
    proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De aard van
    de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen en andere
    meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten onvoldoende
    effectief geacht kunnen worden. De HR 4 januari 1994, NJ 1994, 294
    stelde dat bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van
    proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van
    belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve
    van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het
    criminele milieu.

    Wat de subsidiariteit betreft: infiltratie wordt beschouwd als
    ultimum remedium, maar dit punt is in de rechtspraak nog weinig aan
    de orde geweest. Er wordt – zoals gebruikelijk – in dezen van
    rechtmatig politie-optreden uitgegaan en het is uiteraard voor de
    verdediging heel moeilijk aan te voeren welke andere methoden
    gebruikt hadden kunnen worden. Het Hof Den Bosch heeft eenmaal het
    openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard omdat het een
    infiltratie niet vond voldoen aan de eis van subsidiariteit.
    Noot 4. Als infiltrant dient bij voorkeur alleen een
    speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris te worden ingezet.
    Reeds in het arrest van HR 1 november 1983, NJ 1984, 586 mn GEM
    werd de burger-infiltrant toelaatbaar geacht; zie ook Hof Amsterdam
    27 november 1984, NJ 1985, 256 en HR 17 januari 1989, NJ 1989, 575
    m.nt ‘tH.

    In de rechtspraak ligt de meeste nadruk op het eerste en derde
    criterium. De Hoge Raad achtte het niet van belang of de verdachte
    op het moment van de inzet van een infiltrant reeds tot de kring
    der verdachten behoort (HR 4 december 1990, NJ 1991, 327) en of de
    verdachte naar het buitenland is gelokt (HR (civiele kamer) 9
    september 1994, NJ 1995, 44) Noot. Zoals reeds
    opgemerkt, staat het verbod op uitlokking doorgaans in de weg aan
    een eventuele pseudo-verkoop.

    Met de doorlating van partijen drugs, zodat deze bewust op de markt
    zouden komen, is de Vergadering van procureurs-generaal zich pas
    actief gaan bemoeien na de IRT-affaire. Spraakverwarring met
    betrekking tot de termen gecontroleerd af- en doorlevering en
    doorlating leverde de volgende situatie op:

    De voorzitter:
    Heeft u in het verleden methodes als gecontroleerde
    aflevering en doorlevering in detail in de vergadering van
    procureurs-generaal besproken, met name waar het gaat om de
    operationele kanten van die kwesties?
    De heer Gonsalves:
    Het plegen van strafbare feiten door in te zetten
    infiltranten staat in de infiltratierichtlijnen. Die kwestie is dus
    ook uitgebreid aan de orde gekomen. Er is ook gesproken over

    gecontroleerde aflevering, maar dat is een veel beperkter
    begrip. Het begrip gecontroleerde doorlevering is van heel recente
    tijd. In onze ogen gaat het bij
    gecontroleerde aflevering om
    een heel duidelijke zaak, want dan volg je een partij tot de plaats
    van bestemming. Dan ga je tot aanhouding en inbeslagneming over.
    Dan laat je zo’n partij een tijdje volgen, totdat die van de plaats
    van invoer de plaats van bestemming bereikt, zodat je ook het
    afnemersnetwerk kunt aanpakken. Mits dat goed is georganiseerd en
    van voldoende veiligheidsgaranties is voorzien, zitten daar naar
    mijn mening weinig risico’s aan. Dat is iets wat regelmatig is
    gebeurd en nog steeds gebeurt. De gecontroleerde
    doorlevering…
    De voorzitter:
    Zoals wij het doorlaten nu noemen.
    De heer Gonsalves:
    …houdt in het doorlaten met het risico dat niet op de
    plaats van bestemming tot inbeslagneming wordt overgegaan. Dat doe
    je, omdat je hoopt daardoor op den duur informatie te krijgen die
    leidt tot de aanhouding van de gehele groep. Dat is naar mijn
    mening de definitie van gecontroleerde doorlevering. Daarvan hebben
    wij gezegd dat dit alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag.
    Daarbij doet zich weer die afweging van proportionaliteit voor. Het
    mag alleen met toestemming van het
    College van

    procureurs-generaal.

    De voorzitter:
    Heeft u in de afgelopen jaren die speciale casus besproken
    waarbij dat is toegepast? Heeft u daar toestemming voor
    gegeven?
    De heer Gonsalves:
    Neen, want dat wisten wij niet.
    De voorzitter:
    Dat wist u niet?
    De heer Gonsalves:
    Neen. Noot
    De heer Corstens:
    Ik heb het misschien verkeerd verstaan, dat zou kunnen. Wij
    weten dat waarnemen moeilijk is. Toen mijnheer Gonsalves hier
    gisteren zat, zei hij dat er geen sprake zou zijn van gecontroleerd
    doorleveren, althans dat het op het PG-niveau niet aan de orde zou
    zijn geweest. Ik heb mij verbaasd afgevraagd of de
    procureur-generaal, mijnheer Gonsalves, niet de circulaire van 20
    februari 1991 kent, die dit impliceert naar mijn gevoel. Maar ik
    kan het verkeerd begrepen hebben.
    Noot

    De Vergadering van procureurs-generaal heeft op 6 december 1994
    besloten dat infiltratie-acties vooraf ter toetsing aan de Centrale
    toetsingscommissie (CTC) (zie ook 5.5) moeten worden voorgelegd, te
    weten: zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op
    inbeslagneming (welke laatste moet worden – alle (inter-)nationale
    (projectmatige) infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of
    kortlopende acties aangemeld ter registratie aan de CTC);

    van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het
    openbaar ministerie en politie strafbare feiten – alle vormen van –
    al dan niet langdurige – infiltratieoperaties waarbij gebruik wordt
    gemaakt van informatie (blijven) plegen;

    coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel
    waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in – alle zogenaamde
    frontstore-operaties waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of
    exploiteren van een de vorm van goederen of diensten aan criminele
    groeperingen of organisaties wordt aangeboden; De CTC houdt zich
    dus eigenlijk bezig met alle in dit hoofdstuk behandelde methoden,
    behoudens de – alle infiltratie-operaties, waarbij gebruik gemaakt
    wordt van niet criminele burgerinfiltranten. Noot eenvoudige
    gevallen van pseudo-koop en gecontroleerde aflevering. Tot 28
    november 1995 zijn door de CTC 72 acties getoetst, waarvan 50 in
    verband met infiltratie (zie ook 5.5.4). Niet alle 72 aangemelde
    zaken leidden tot daadwerkelijke toetsing, dit als gevolg van
    bijvoorbeeld het feit dat het hier geen zaak voor de CTC betrof of
    dat gesproken moest worden van een informant en nog niet van een
    infiltrant.

    Tabel 1:
    Politie-infiltratie aangemeld bij de CTC Zaak
                1. Handel in verdovende
    middelen
    Toetsingsverzoek          
      Inzet Nederlandse en buitenlandse politie-infiltranten en
    plegen
    strafbare feiten (pseudo-koop, vervoer van en investering in
    drugs). Duur             anderhalf
    jaar Voorleggen aan rechter          
      ja Toestemming en oordeel CTC        
        Ja. Goede psychosociale begeleiding van een
    medewerker van het PIT en handelen conform de Nederlandse
    richtlijnen infiltratie . Schriftelijke afspraken met buitenlandse
    autoriteiten voor vrijwaring en via rogatoire commissie.
    Investering conform Tip-, toon- en voorkoop, aansturen op maximaal
    aantal kilo’s in transport. Voorleggen aan minister. Zaak  
              2. Handel in XTC en organiseren
    house party’s.
    Toetsingsverzoek        
        Politie-infiltratie met pseudo-koop. Duur  
              twee maanden Voorleggen aan
    rechter             nee Toestemming
    en oordeel CTC             Ja, als
    niet wordt afgeweken van aard en duur inzet. Zaak    
            3. Handel in verdovende middelen.

    Toetsingsverzoek Inzet Duitse pseudokoper in Nederland. Duur
    Voorleggen aan rechter            
    ja, operatie is vooraf getoetst door Duitse RC. Toestemming en
    oordeel CTC             Ja, als niet
    wordt afgeweken van aard en duur inzet Zaak      
          4. Criminele organisatie: o.a. verdovende
    middelen, moord,
    fraude, corruptie.
    Toetsingsverzoek             Inzet
    politie-infiltrant Duur            
    ongeveer half jaar Voorleggen aan rechter      
          ja, per proces-verbaal in zaaksdossier.
    Toestemming en oordeel CTC          
      Nee, eerst meer informatie. Zaak      
          5. Handel in verdovende middelen en

    fraude. Toetsingsverzoek          
      Inzet politie-infiltrant Duur        
        ongeveer half jaar Voorleggen aan rechter  
              Ja, in procesverbaal.
    Toestemming en oordeel CTC          
      Ja, als tot daadwerkelijke infiltratie wordt overgegaan dan
    terugkoppeling. Zaak            
    6. Handel in wapens en springstof.
    Toetsingsverzoek  
              Duitse politie-infiltrant die
    eventueel vooraankopen moet doen. Duur        
        Nog niet bekend of opsporingsmethode tot vervolgbare
    zaak zal leiden.
    Voorleggen aan rechter            
    Ja, het traject kan worden opgestart. Toestemming en oordeel CTC
                Wanneer strafbare
    handelingen gaan worden verricht moet nieuwe toetsing plaatsvinden.
    Zaak             7. Criminele
    organisatie: o.a. handel in verdovende middelen en vuurwapens,

    fraude, geweld. Toetsingsverzoek        
        Inzet politie-infiltrant. In dit kader opzetten
    frontstore en direct afluisteren in combinatie met video. Duur
                vijf maanden Voorleggen
    aan rechter             In principe
    via infiltratie-proces-verbaal naar rechter. Toestemming en oordeel
    CTC             Toetsing achteraf van
    een niet succesvolle aktie. Inzet PIT is goed bevonden. Echter het
    voornemen tot direct afluisteren had de CTC afgekeurd. Geen
    gevolgen omdat aktie zonder resultaat gestopt is. Zaak  
              8. Criminele organisatie: o.a.
    handel in verdovende middelen,
    fraude en
    corruptie. Toetsingsverzoek        
        Inzet politie-infiltranten caf-infiltratie met een
    frontstore. Duur Voorleggen aan rechter        
        Ja Toestemming en oordeel CTC      
          Toetsing achteraf. PIT-actie is, hoewel
    onsuccesvol, wel terecht geweest. Zaak      
          9. Criminele organisatie o.a. gericht op
    verspreiding kinderporno.
    Toetsingsverzoek      
          Politie-ambtenaar wordt onder pseudoniem
    donateur van een Bulletin Board System (porno). Duur    
            zes tot acht weken Voorleggen aan
    rechter             Indien nodig
    Toestemming en oordeel CTC          
      Ja,maar gelet moet worden op risico van uitlokking en
    aantasting privacy, indien besloten wordt externe bestanden aan te
    bieden. Zaak             10.
    Criminele organisatie: o.a. handel verdovende middelen en
    vuurwapens, geweld,
    corruptie en prostitutie.
    Toetsingsverzoek            
    Politie-infiltrant Duur            
    voorlopig drie maanden Voorleggen aan rechter      
          Ja Toestemming en oordeel CTC    
            Ja inzake de orinterende
    informatiefase. Wanneer contact ontstaat, dan opnieuw ter toetsing
    voorleggen. Zaak             11.
    Handel verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek    
            Inzet Nederlandse en buitenlandse
    politie-infiltranten. Twee doorlatingen. Duur      
          bijna een jaar Voorleggen aan rechter  
              nee Toestemming en oordeel CTC
                Toetsing achteraf.
    Gunstig oordeel over doorlatingen, gezien het grote belang van de
    zaak uit maatschappelijk en crimineel-politiek oogpunt, voorgelegd
    aan PG-vergadering. Zaak          
      12. Grootscheepse handel in gestolen goederen

    Toetsingsverzoek             Inzet
    politie-infiltrant en bewijsaankopen. Duur      
          ongeveer zes weken Voorleggen aan rechter
                ja Toestemming en oordeel
    CTC             Ja. Zaak  
              13. Handel in verdovende
    middelen
    Toetsingsverzoek          
      Inzet politie-infiltrant Duur        
        anderhalf jaar Voorleggen aan rechter    
            ja Toestemming en oordeel CTC  
              Voorlopige toestemming tot een
    concreet scenario voor de werkzaamheden van de infiltrant
    beschikbaar is. Zaak            
    14. Handel in verdovende middelen, diefstal en geweld.

    Toetsingsverzoek            
    Politie-infiltratie en frontstore(transport) Duur Voorleggen aan
    rechter             ja Toestemming en
    oordeel CTC             Toetsing
    achteraf. Zaak             15.
    Handel in verdovende middelen, smokkel van grondstoffen voor
    vervaardiging,
    witwassen en geweld. Toetsingsverzoek
                Politie-infiltranten en
    frontstore. Strafbare feiten denkbaar i.d.v.v aankopen harddrugs of
    transport. Duur             een jaar
    Voorleggen aan rechter             ja
    Toestemming en oordeel CTC          
      Nee, zaak opnieuw voorleggen met concreter scenario. Zaak
                16. Criminele
    organisatie: handel in verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek
                Politie-infiltrant Duur
                9 maanden Voorleggen aan
    rechter             ja Toestemming en
    oordeel CTC             Nee, er is
    vooralsnog geen duidelijk scenario en de onderliggende CID-info is
    verouderd. Tevens is vastgesteld dat zowel de zaaksofficier als de
    tactische chefs onvoldoende op de hoogte zijn. Dit
    wordt als klassiek en achterhaald beschouwd door de CTC. Zaak
                17. Handel in XTC.

    Toetsingsverzoek            
    Politie-infiltrant en vooraankopen Duur        
        2 maanden Voorleggen aan rechter      
          Beslissing hangt af van wel/niet vervolgbare
    zaak. Toestemming en oordeel CTC          
      Ja, maar denk aan uitlokking en goede vastlegging. Zaak
                18. Handel in verdovende
    middelen en
    witwassen. Toetsingsverzoek    
            Inzet politie-infiltrant met
    (financile) frontstore. Duur          
      3 maanden Voorleggen aan rechter        
        ja Toestemming en oordeel CTC      
          Nee, afbreukrisico zowel voor de infiltrant
    als politiek te groot. Zaak          
      19. Criminele organisatie in de handel synthetische drugs in
    GB en NL.
    Toetsingsverzoek          
      Inzet Nederlandse en Britse politie-infiltranten in NL
    (transport) en gecontroleerde aflevering. Duur      
          4 maanden Voorleggen aan rechter    
            ja Toestemming en oordeel CTC  
              Ja, als alle afspraken met de
    Engelse autoriteiten schriftelijk worden vastgelegd.
    Tabel 2:
    Burgerinfiltratie aangemeld ter toetsing aan de CTC
    Zaak             1. Handel in
    verdovende middelen
    Toetsingsverzoek      
          Burgerinfiltratie met een gecontroleerde
    aflevering Duur             een maand
    Voorleggen aan rechter             In
    beginsel niet Toestemming en oordeel CTC Ja, als niet wordt
    afgeweken van aard en duur inzet. Zaak      
          2. Handel in verdovende middelen

    Toetsingsverzoek            
    Burgerinfiltratie en het plegen van strafbare feiten (vervoer
    drugs). Duur             een dag
    Voorleggen aan rechter            
    Bij zaaksdossier wordt CID-proces-verbaal over de aard van de
    gebruikte methode gevoegd. Toestemming en oordeel CTC Ja. Melden
    als omvang en/of gedeelte van transport dat niet kan worden
    onderschept bekend is. Zaak          
      3. Handel in verdovende middelen
    Toetsingsverzoek  
              Inzet niet criminele
    burgerinfiltrant en het plegen van strafbare feiten. Duur  
              drie maanden
    Voorleggen aan rechter            
    Een operationeel CID-proces-verbaal wordt bij zaaksdossier gevoegd.
    Toestemming en oordeel CTC Ja. Activiteiten infiltrant mogen niet
    in het buitenland. Afspraken schriftelijk vastleggen en informant
    waarschuwen voor consequenties als afspraken worden geschonden.
    Zaak             4. Platte
    politieambtenaar met nevenactiviteit drugshandel.

    Burgerinfiltratie en plegen strafbare feiten. Duur  
              zes weken Voorleggen aan rechter
                Indien noodzakelijk
    Toestemming en oordeel CTC Ja, als niet wordt afgeweken van aard en
    duur inzet. Zaak             5.
    Handel in verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek    
            Burgerinfiltratie met doorlaten. Duur
    Voorleggen aan rechter            
    nee Toestemming en oordeel CTC Nee. Observatie van deze partij is
    niet verzekerd. Tevens is niet zeker of de volgende partij wel
    komt. Zaak             6. Handel
    in verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek      
          Inzet buitenlandse burgerinfiltrant met
    doorlaten. Duur Voorleggen aan rechter        
        Ja. Toestemming en oordeel CTC Test door gesprekken
    betrouwbaarheid en stel plan van aanpak op. Zaak    
            7. Handel in verdovende middelen.

    Toetsingsverzoek             Inzet
    buitenlandse burgerinfiltrant met doorlaten. Duur Voorleggen aan
    rechter             ja Toestemming en
    oordeel CTC Ja. Goede afspraken maken met buitenlandse autoriteiten
    en deze vastleggen. Zaak          
      8. Handel in verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek
                Burgerinfiltratie met
    doorlaten. Duur Voorleggen aan rechter        
        nee Toestemming en oordeel CTC Ja, als omvang
    transport niet groter wordt dan gemeld.
    Zaak             9. Handel in
    verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek      
          Burgerinfiltratie met doorlaten in kader
    frontstore. Duur Voorleggen aan rechter Toestemming en oordeel CTC
    Oordeel opgeschort. Zaak          
      10. Ontmantelen XTC-laboratoria.
    Toetsingsverzoek  
              Burgerinfiltratie met strafbare
    feiten. Duur             twee maanden
    Voorleggen aan rechter            
    nee Toestemming en oordeel CTC Ja, als aard en duur operatie niet
    veranderen. Zaak             11.
    Handel in XTC-pillen.
    Toetsingsverzoek      
          Burgerinfiltrant en een strafbare feit
    (chauffeur) Duur             een paar
    dagen Voorleggen aan rechter          
      nee Toestemming en oordeel CTC Ja, als aard en duur operatie
    niet veranderen. Afspraken schriftelijk vastleggen en op
    consequenties wijzen bij schending. Zaak      
          12. Grote criminele organisatie: o.a. handel
    drugs,
    fraude, corruptie. Toetsingsverzoek  
              Burgerinfiltratie en plegen
    strafbare feiten (transport) Duur        
        drie maanden Voorleggen aan rechter    
            nee Toestemming en oordeel CTC Ja, als
    gelet wordt op afbreukrisico infiltrant en politiek. Alle afspraken
    schriftelijk vastleggen en wijzen op consequenties bij schending.
    Verdiensten afdragen. Zaak          
      13. Handel in harddrugs
    Burgerinfiltrant
    Toetsingsverzoek Duur Voorleggen aan rechter      
          nee Toestemming en oordeel CTC Ja,
    terugkoppeling als meer bekend wordt over omvang partij en het
    Nederlandse traject. Zaak          
      14. Criminele organisatie: o.a. XTC-laboratorium, geweld en
    vuurwapens.
    Toetsingsverzoek          
      Burgerinfiltrant en strafbare feiten Duur    
            drie maanden Voorleggen aan rechter
                nee Toestemming en
    oordeel CTC
    Oordeel opgeschort. Later niet meer nodig. Zaak    
            15. Handel in verdovende middelen

    Toetsingsverzoek             Inzet
    burgerinfiltrant Duur            
    twee en een halve maand Voorleggen aan rechter Toestemming en
    oordeel CTC Ja, afspraken schriftelijk vastleggen en wijzen op
    consequenties bij schending. Zaak        
        16. Criminele organisatie: o.a. verdovende middelen,
    vuurwapens, geweld.
    Toetsingsverzoek      
          Inzet burgerinfiltrant en plegen strafbare
    feiten. Duur Voorleggen aan rechter        
        nee Toestemming en oordeel CTC Ja, schriftelijke
    vastlegging afspraken en gewezen moet worden op consequenties bij
    schending. Zaak             17.
    Criminele organisatie: verdovende middelen,
    fraude,
    geweld,
    corruptie. Toetsingsverzoek      
          Inzet burgerinfiltrant en gecontroleerde
    aflevering. Duur             een jaar
    Voorleggen aan rechter            
    nee Toestemming en oordeel CTC Toetsing achteraf Zaak  
              18. Handel in verdovende
    middelen.
    Toetsingsverzoek          
      Inzet niet criminele burgerinfiltrant. Duur Voorleggen aan
    rechter             nee Toestemming
    en oordeel CTC Ja. Zaak          
      19. Criminele organisatie: o.a. mensenhandel en verdovende
    middelen.
    Toetsingsverzoek          
      Inzet burgerinfiltrant en strafbare feiten. Duur  
              een jaar Voorleggen aan rechter
                nee Toestemming en
    oordeel CTC Toetsing achteraf. CTC is van mening dat infiltrant
    verdiensten had moeten afstaan. Afbreukrisico is ook erg groot.
    Advies om zaak niet voor de rechter te brengen. Zaak  
              20. Handel verdovende
    middelen.
    Toetsingsverzoek          
      Inzet burgerinfiltrant en strafbare feiten (financier en
    bewaker
    drugshandel) Duur Voorleggen aan rechter      
          nee Toestemming en oordeel CTC Ja, gezien de
    relatief korte duur en lichte vorm van de aktie, de betrouwbaarheid
    van de infiltrant, het feit dat in detentie dit transport is
    voorbereid en de partij gepakt zal worden. Wel moet aandacht
    besteed worden aan het afbreukrisico. Zaak      
          21. Handel in verdovende middelen.

    Toetsingsverzoek             Aktie
    niet criminele burgerinfiltrant van de DEA, leidt waarschijnlijk
    tot gecontroleerd aflevering in transito. Duur      
          twee maanden Voorleggen aan rechter  
              ja, indien buitenlands onderzoek
    tot bewijzen tegen Nederlandse verdachten leidt. Toestemming en
    oordeel CTC Ja, omstotelijk moet vaststaan dat er geen sprake was
    van uitlokking, DEA contact op NL bodem onder Nederlandse
    pol./just.-regie en primair gericht op bewijsvergaring van NL
    verdachten, partij moet in VS in beslag worden genomen en landelijk
    officier inlichten. Zaak          
      22. Handel in verdovende middelen, geweld,
    corruptie
    en zedendelicten. Toetsingsverzoek      
          Burgerinfiltrant en doorlaten. Duur Voorleggen
    aan rechter             nee
    Toestemming en oordeel CTC Toetsing achteraf. Gunstig oordeel over
    hoeveelheden doorgelaten harddrugs voorgelegd aan PG-college.
    Zaak             23. Handel in
    verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek      
          DEA burgerinfiltrant en doorlaten Duur  
              een jaar Voorleggen aan rechter
                nee Toestemming en
    oordeel CTC Toetsing achteraf. Gunstig oordeel over hoeveelheden
    doorgelaten drugs voorgelegd aan PG-vergadering. Zaak  
              24. Produceren van synthetische
    hardrugs.
    Toetsingsverzoek          
      Burgerinfiltrant die reparatiewerkzaamheden verricht
    aan amfetaminelaboratorium. Duur Voorleggen aan rechter  
              nee Toestemming en oordeel CTC
    Zaak is ingetrokken door meningsverschil politie en hoofdofficier.
    Zaak             25. Handel in
    verdovende middelen en diefstal en export van auto’s.

    Toetsingsverzoek            
    Burgerinfiltrant en doorlaten (vervoer gestolen auto’s) Duur
    Voorleggen aan rechter            
    nee Toestemming en oordeel CTC Ja. Zaak      
          26. Handel in verdovende middelen en
    geweldsdelicten.
    Toetsingsverzoek        
        Niet-criminele burgerinfiltrant en strafbare feiten.
    Duur             een maand Voorleggen
    aan rechter             ja
    Toestemming en oordeel CTC Geen toestemming. Er moet een ander
    scenario bedacht worden. Zaak          
      27. Handel in verdovende middelen en
    corruptie.
    Toetsingsverzoek            
    Niet-criminele burgerinfiltrant en strafbare feiten(transport) Duur
                een twee maanden
    Voorleggen aan rechter            
    nee Toestemming en oordeel CTC Ja, criminele verdiensten afdragen
    in ruil voor justitile beloning. Zaak      
          28. Handel in verdovende middelen en

    witwassen. Toetsingsverzoek        
        Inzet burgerinformant (!) voor aankoop monsters. Duur
                anderhalf jaar Voorleggen
    aan rechter             in principe
    niet Toestemming en oordeel CTC Toetsing achteraf. Geen oordeel
    bekend. Zaak             29.
    Handel in verdovende middelen.
    Toetsingsverzoek    
            Inzet gestuurde burgerinformant die
    geen strafbare handelingen verricht. Duur      
          drie maanden Voorleggen aan rechter  
              nee Toestemming en oordeel CTC
    Toetsing wanneer informant burgerinfiltrant wordt. Zaak  
              30. Handel in verdovende
    middelen,
    fraude en corruptie.
    Toetsingsverzoek             Inzet
    niet-criminele burgerinfiltrant en plegen strafbare feiten en deals
    met criminelen. Duur Voorleggen aan rechter      
          nee Toestemming en oordeel CTC Eerste toetsing
    geen toestemming. Getwijfeld wordt over de stuurbaarheid van de
    burgerinfiltrant . Tweede toetsing nog geen toestemming.
    Kwetsbaarheid infiltrant te groot. Derde keer wel toestemming onder
    voorwaarden: schriftelijke vastlegging afspraken informant, runners
    moeten hem wijzen op eigen verantwoordelijkheid. Zaak  
              31. Handel in verdovende
    middelen
    Toetsingsverzoek          
      Informant adviseert voor opzetten frontstore: legaal im- en
    exportbedrijf Duur             drie
    maanden Voorleggen aan rechter          
      nee Toestemming en oordeel CTC Nog geen toestemming nodig.
    Pas als strafbare feiten worden verricht. Verder snel een OvJ
    betrekken. Op grond van de toetsingen kan een interpretatie worden
    gegeven van de wijze van inhoudelijke beoordeling door de CTC van
    infiltratie-activiteiten.
    De heer Vos:
    Welke criteria legt u aan? Er is geen wettelijke basis
    en dus moeten die criteria ergens vandaag worden gehaald. Waaraan
    ontleent u uw criteria?
    De heer Jansen:
    U bedoelt toetsingscriteria?
    De heer Vos:
    Ja.
    De heer Jansen:
    Voor een aantal zaken zijn er geen wettelijke
    regelingen. Wel zijn er zaken zoals
    infiltratie, waarvoor er
    een richtlijn bestaat. Die richtlijn geeft een aantal criteria aan.
    Dat zijn ook de criteria die in de rechtspraak hun weg hebben
    gevonden. Ik noem de uitgangspunten van proportionaliteit en
    subsidiariteit. Is wat je wil in verhouding met de zaak? Kan het
    beoogde resultaat niet met andere, minder vrstrekkende middelen
    worden bereikt? Erg belangrijk is ook het principe dat voorkomen
    wordt dat men in uitlokkingssituaties terechtkomt. Dit criterium
    gaat ook wel door voor het Tallon-criterium, genoemd naar een zaak
    die door de Hoge Raad is behandeld. Men mag de verdachte niet
    brengen tot handelingen die hij niet uit zichzelf zou willen
    plegen. Voorts kijken wij ook naar de behoorlijkheid en de
    controleerbaarheid van het traject, de regie die wordt gevoerd en
    de risico’s die men een infiltrant laat lopen. Daarbij kan het gaan
    om zijn veiligheid maar ook om de vraag of niet te gemakkelijk
    tegen een infiltrant is gezegd: je gaat wel onder onze regie
    strafbare feiten plegen maar maak je geen zorgen want we houden je
    straks wel buiten de zaak. Dat wordt soms wat t gemakkelijk gezegd
    en het is onze taak om te toetsen of dit inderdaad zonder
    kleerscheuren kan. Een ander punt waaraan wij absoluut stringent
    toetsen, is de kwestie van de
    verdiensten van de infiltrant.
    Daarin zijn wij zeer rigoureus. Wij vinden het niet acceptabel dat
    een infiltrant criminele
    verdiensten uit zijn activiteiten
    krijgt. Het is een duidelijke eis onzerzijds dat dit niet gebeurt
    en dat er wordt gezorgd voor een passende beloning in het kader van
    de tipgeldregeling. Met betrekking tot het maken van afspraken met
    infiltranten hameren wij op het vastleggen van die afspraken. Daar
    gaan wij vrij ver mee. Wij verlangen ook wel dat die afspraken niet
    alleen schriftelijk worden vastgelegd maar ook worden getoond aan
    de
    CTC. Noot

    In het afgelopen jaar is de meeste melding gemaakt van de
    (voorgenomen) inzet van burgerinfiltratie, te weten 31 keer.
    Hierbij zitten zowel Nederlandse als buitenlandse
    burgerinfiltranten, meestal gepaard gaande met het
    plegen van strafbare feiten zoals het doen van vooraankopen en
    transport van verdovende middelen. De duur van de inzet varieert
    van een dag tot anderhalf jaar. Er zijn vier niet criminele
    burgerinfiltranten aangemeld. De voorwaarden die aan de inzet van
    burgerinfiltranten gesteld worden zijn onder meer: stellen;

    – er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de
    inzet zonder de CTC hiervan op de hoogte te (o.a. aanhouding) bij
    schending hiervan;
    – afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de infiltrant
    moet gewezen worden op de consequenties

    • criminele verdiensten moeten worden afgedragen in ruil voor een
      beloning van justitie;
    • aandacht moet worden besteed aan het beperken van het
      afbreukrisico, zowel voor de infiltrant als politiek.
    • de Nederlandse infiltrant mag doorgaans geen activiteiten in
      het buitenland verrichten. Bij buitenlandse infiltranten moeten
      goede schriftelijke afspraken worden gemaakt met de buitenlandse
      autoriteiten en gelet moet worden dat er absoluut geen sprake is
      van uitlokking;

    middelen gemeld worden, inclusief het deel wat eventueel
    uiteindelijk het milieu ingaat; – bij gecontroleerde aflevering of
    doorlating moet de uiteindelijke omvang van een transport
    verdovende Naast burgerinfiltranten wordt ook de inzet van
    politie-infiltranten gemeld ter toetsing, te weten 19 zaken.
    Nederlandse infiltranten behoren tot een Politieel infiltratie team
    (PIT). In vijf zaken zijn buitenlandse politie-infiltranten gemeld,
    al dan niet in combinatie met Nederlandse infiltranten. Incidenteel
    is er sprake van een combinatie met een frontstore of direct
    afluisteren. De duur van inzet varieert van zes weken tot anderhalf
    jaar. De voorwaarden aan de inzet van politie-infiltranten wijken
    niet veel af van die voor burgerinfiltratie. Een tweetal afwijkende
    voorwaarden zijn:

    • goede psycho-sociale begeleiding van de
      politie-infiltrant;
    • in geval van een buitenlandse infiltrant: handelen conform
      Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken met buitenlandse
      autoriteiten onder meer over vrijwaring als sprake is van het
      plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire
      commissie.

    In het merendeel van de gevallen wordt er toestemming gegeven,
    waarbij de CTC specifieke voorwaarden stelt. In een enkel geval
    worden deze voorwaarden niet nagekomen.

    De voorzitter:
    Ik stel u deze vraag omdat wij enkele gevallen kennen waarin
    u voorwaardelijk toestemming heeft gegeven. In een bepaald traject
    zegt u: misschien is doorlevering mogelijk maar daar moet even mee
    worden gewacht omdat wij nadere informatie willen hebben.
    Vervolgens komt men zes maanden later bij u terug en dan is het al
    gebeurd. Ik doel nu op een zaak waarin het weer gaat om het
    doorlaten van enkele duizenden kilo’s softdrugs, met de bedoeling
    een eventuele harddrugslijn uit te testen. Zo is het gegaan en ik
    vraag mij af, wat nu die toestemming waard is.
    De heer Jansen:
    Het geval waarover u nu spreekt, is bijzonder specifiek. Het
    betrof de methodiek die wel vaker voorkomt. Er komt een
    proefzending van een organisatie die wil nagaan of de afzetlijn
    naar Nederland betrouwbaar is. Men stuurt een partij softdrugs –
    geen grote hoeveelheid; enkele duizenden kilo’s – met de bedoeling
    om, als dat traject goed blijkt te functioneren, later een grotere
    zending harddrugs langs dezelfde lijn binnen te brengen. In het
    geval waarover u nu spreekt, vonden wij de beoogde lijntest niet
    verantwoord.
    De voorzitter:
    Maar het gebeurde tch. Later komt men bij u terug met de
    mededeling: we konden niet anders. Wat is nu het gevolg van het
    feit dat u het (nog) niet verantwoord vond?
    De heer Jansen:
    Het is nadien niet gebeurd onder de regie van politie en
    OM.
    De voorzitter:
    Dan is er toch sprake van onstuurbaarheid? U zegt dat het
    niet moet gebeuren maar het gebeurt toch. Later komt men bij u
    terug met de vraag of men nog verder kan gaan met de

    informant.
    De heer Jansen:
    Wij hebben gezegd dat die lijntest niet verantwoord was. Wij
    hadden problemen met het Tallon-criterium. Wij vonden niet dat het
    OM daaraan kon meewerken. Vervolgens hebben politie en OM hun
    handen van dat proefzendingstraject afgetrokken.
    De voorzitter:
    Maar dan weten OM en politie later toch niet dat het tch is
    gebeurd? Dan doen ze er verder niets meer mee.
    De heer Koekkoek:
    Bovendien hadden ze de partij dan in beslag moeten
    nemen.
    De heer Jansen:
    Maar men wist bij benadering niet wanneer de partij zou
    binnenkomen.
    De voorzitter:
    Later komt men bij u terug met de mededeling dat men met die
    figuur wil verder werken en dat de proefzending al heeft
    plaatsgevonden. Dan blijkt toch dat er nietaan uw voorwaarden is
    voldaan? De vraag is nu niet of u de hele casus wilt doorlopen. De
    vraag is wat voor effect dit heeft.
    De heer Jansen:
    Het is een wat ongelukkige casus. Het OM heeft zich bij onze
    beslissing neergelegd maar de proefzending kwam er toch, zij het
    niet onder regie van politie en OM.
    Noot

    De CTC is tevens gevraagd enkele methoden achteraf te toetsen. De
    methoden waren dan al toegepast.

    De voorzitter:
    In een paar gevallen wordt u gevraagd om achteraf te
    toetsen. Welke zin heeft dat eigenlijk?
    De heer Jansen:
    Ik heb zoven al gezegd dat ik het toetsen achteraf
    problematisch vind. Het ligt ook duidelijk anders dan het toetsen
    vooraf. Enkele trajecten waarin wij achteraf hebben getoetst, waren
    trajecten waarin in de OM-lijn, hoofdofficier en PG, was ingestemd
    met het te lopen traject. Het belang van de toetsing achteraf door
    ons zou kunnen zijn dat wij in een bepaald traject zulke grote
    risico’s zien – dat heeft zich niet voorgedaan – of vinden dat men
    zo volstrekt ernaast heeft gezeten dat wij de mensen die nog met de
    zaak bezig zijn ontraden om dat voort te zetten. Dat is ook in een
    geval gebeurd.
    De voorzitter:
    In een geval is dat gebeurd. In welk geval is dat
    gebeurd?
    De heer Jansen:
    Dat was een geval waarin het probleem zat – het is al even
    aan de orde geweest – van de vrijwaring van de infiltrant. Men had
    gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel
    aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in
    die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de
    problemen en stuurde toen aan op het maken van een
    vormfout.
    De voorzitter:
    Een welbewuste vormfout?
    De heer Jansen:
    Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar
    vinden.
    De voorzitter:
    Heeft men toen naar u geluisterd?
    De heer Jansen:
    Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei:
    wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het
    beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden.
    De voorzitter:
    Toen heeft de portefeuillehouder wie gelijk
    gegeven?
    De heer Jansen:
    De portefeuillehouder heeft gezegd: ik vind het
    buitenproportioneel om de hele zaak af te blazen nu je zover bent,
    maar leg je probleem aan de rechter voor; laat de rechter uitmaken
    wat hij ervan vindt en wat hij eventueel…
    De voorzitter:
    Uiteindelijk is die weg van de vormfout dus niet
    gekozen?
    De heer Jansen:
    Dat klopt. Noot Een vraagpunt is overigens
    nog of in geval er een lange termijn infiltratie reeds door het CTC
    is goedgekeurd, ook een in dat kader verrichte gecontroleerde
    aflevering, doorlevering of doorlating opnieuw moet worden
    voorgelegd (om toestemming of ter registratie). Dit punt geldt
    overigens mutatis mutandis eveneens in gevallen waarin de officier
    van justitie toestemming voor bijvoorbeeld een pseudo-koop heeft
    gegeven: men kan zich afvragen hoe vaak de politie in zo’n geval
    mag blijven proberen voordat opnieuw toestemming van de officier
    moet worden gevraagd. Wat betreft de mogelijkheden tot toetsing
    achteraf moet nog gewezen worden op art. 152 Sv. Volgens dit
    artikel maken opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal op
    van een door hen opgespoord strafbaar feit of van hetgeen door hen
    tot opsporing is verricht of bevonden. Het relaas van infiltratie
    in een proces-verbaal is in de jurisprudentie diverse malen aan de
    orde geweest. Volgens Hof Den Bosch 26 juli 1990, NJ 1990, 787
    droeg de afwezigheid van een proces-verbaal inzake pseudo-koop in
    geval van valsemunterij bij aan de niet-ontvankelijkheid van het
    openbaar ministerie. Dat neemt niet weg dat het Hof Amsterdam 4
    februari 1993, NJ 1994, 113 in verband met pseudo-koop stelde: In
    zijn algemeenheid vindt in het recht geen steun het standpunt dat
    opsporingsambtenaren gehouden zijn tot het opmaken van een
    proces-verbaal van iedere verrichting of bevinding in het kader van
    de opsporing van – mogelijk gepleegde – strafbare feiten op straffe
    van niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. (…)
    Weliswaar is het uiteindelijk niet aan de opsporingsambtenaren
    bedoeld om de bedoelde relevantie te bepalen, doch dat neemt niet
    weg dat dezen zich in de eerste plaats daarover een oordeel hebben
    te vormen.
    De voorzitter:
    Maar vindt u dat pseudo-koop ook kan worden toegepast
    als het niet in het proces-verbaal komt, als er niet vervolgd
    wordt?
    De heer De Wit:
    Als pseudo-koop wordt toegepast, vind ik dat die
    actie in het proces-verbaal moet worden opgenomen en ter toetsing
    beschikbaar moet zijn bij de behandeling van een zaak op de
    zitting. Deze vraagstelling wordt wat bemoeilijkt door het wat
    geforceerde onderscheid dat langzamerhand ontstaan is tussen wat
    als de pro-actieve, uitgebouwde CID-fase wordt aangeduid en het
    tactisch onderzoek.
    De voorzitter:
    Het is toch heel simpel? Het betekent dat het in het
    proces-verbaal moet komen en niet zomaar in het CID-traject mag
    worden gestopt.
    De heer De Wit:
    Ja. Noot In het voorgaande is enige relevante
    rechtspraak naar voren gebracht. Het is op deze plaats wellicht
    goed nog eens te benadrukken, dat de rechterlijke toetsing
    noodzakelijkerwijs een beperkte is. Bij afwezigheid van nadere
    wettelijke bepalingen is de rechter slechts in staat te toetsen aan
    grondrechten en aan ongeschreven beginselen van een goede
    procesorde. Wat de laatste betreft zal daarbij in aanmerking moeten
    worden genomen of en in hoeverre de verdediging door het gelaakte
    overheidsoptreden in haar belangen is geschaad. Factoren zoals de
    veiligheid van de infiltrant, de risico’s voor de integriteit van
    het politie-optreden en – meer algemeen – de belangen van derden,
    kunnen door de strafrechter niet of nauwelijks in diens beoordeling
    van een concrete strafzaak worden betrokken. Uit de rechtspraak
    blijkt voorts dat de strafrechter het feit dat door infiltranten
    strafbare feiten zijn gepleegd niet pers (dat wil zeggen anders dan
    in verband met het onder 1-3 van de Richtlijn gestelde) van
    doorslaggevend gewicht acht bij de beoordeling van een concrete
    strafzaak.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken