• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 5.5 Controle en samenwerking

    5.5 Controle en samenwerking

    5.5.1 De politie

    De organisatie van de politile infiltratie is in handen van de
    ANCPI en de PIT’s. Een politile infiltrant wordt tijdens zijn
    optreden bijgestaan door een begeleidingsteam dat bestaat uit twee
    of meer begeleiders. Deze begeleiding geschiedt onder
    verantwoordelijkheid van de chef van het PIT en niet van het
    kernteam of het regionale korps dat om de infiltratie heeft
    verzocht.

    De divisiechef zware georganiseerde criminaliteit voor wie het
    PIT op dat moment werkzaam is, ziet bij teambijeenkomsten de
    teamleider, de begeleiders en de infiltranten. Dat betekent niet
    dat hij van alle
    activiteiten met infiltranten op de hoogte wordt gesteld.
    De rol van de informant in de zaak Bever is slechts in
    hoofdlijnen doorgesproken met de
    tactische recherche. Er is
    geen overleg geweest met de ZwaCri-commissaris Jansen. Alles vond
    plaats in het overleg tussen de uiteindelijke Rotterdamse runner,
    kernteamchef Hagen en CID-/kernteamofficier van justitie De
    Groot.
    De korpsleiding is volgens de Richtlijn infiltratie bij
    de infiltratieprojecten niet betrokken. Slechts bij uitzondering
    vindt die betrokkenheid desalniettemin plaats (bijvoorbeeld bij een
    operatie, waarbij een Nederlandse politie-ambtenaar in Canada
    infiltreerde). Er wordt wel gesteld dat de korpsleiding zeker voor
    grote CID-operaties vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het
    personeel betrokken hoort te zijn bij de gang van zaken. Het
    openbaar ministerie is hierbij niet de juiste trait d’union daar
    het openbaar ministerie geneigd is op zaaksniveau te oordelen.

    De regionale organisatie van de politile infiltratie levert
    (afgezien van de selectie, opleiding en de rol van de CTC)
    afschermingsproblemen op, terwijl ook de (hoge) kosten op dit
    moment in de niet-westelijke regio’s waar de PIT’s nu zijn
    gevestigd op bezwaren stuiten. Ook al vanwege de gewenste
    consistentie in beleid en omdat het middel vaak
    regio-overschrijdend is, zien sommigen de beslissingen terzake
    infiltratie gaarne centraal geregeld.

    5.5.2. Het openbaar ministerie

    Infiltratie wordt tot nu toe beschouwd als ultimum remedium.
    Zoals hiervoor bleek, vergt infiltratie volgens de Richtlijn
    infiltratie 1991 steeds schriftelijk toestemming van de officier
    van justitie en moeten alle infiltraties worden getoetst of
    geregistreerd door de Centrale toetsingscommissie. De officier van
    justitie moet volgens de richtlijn goedkeuring verlenen voordat tot
    de inzet van een infiltrant mag worden overgegaan. In beginsel
    heeft de regionale officier van justitie het gezag over het
    feitelijk verloop van de infiltratie en dat kan zowel een
    CID-officier als een zaaksofficier zijn. In de regel gaat het
    evenwel om de CID-officier; zeker tot voor kort kwam de
    zaaksofficier slechts te weten wat aan het papier was
    toevertrouwd.

    In sommige arrondissementen is de CID-officier tevens
    zaaksofficier. Elders – bijvoorbeeld bij het kernteam Randstad
    Noord en Midden – vormen CID- en zaaksofficier een vast koppel. Hoe
    dan ook, de bij de infiltratie betrokkene officier is er voor de
    sturing en de tactische aspecten verantwoordelijk; hij zal slechts
    bij uitzondering met een begeleider spreken en zelden of nooit met
    een infiltrant (zie Bijlage Organisaties hoofdstuk 3
    Criminele inlichtingendiensten).

    De meeste vormen van politie-infiltratie vergen in de praktijk
    de goedkeuring van de hoofdofficier. Dat is overigens anders bij de
    pseudo-koop. Soms – en zeker bij iedere politie-infiltratie waarvan
    de ANCPI vindt dat deze grensverleggende activiteiten betreft –
    wordt de infiltratie ook aan hogere echelons ter kennis gebracht:
    een procureur-generaal of zelfs staatssecretaris of minister. Dit
    was bijvoorbeeld het geval met de lijntesters is het
    CoPa-onderzoek;

    De heer Koekkoek :
    Hoeveel malen is niet alleen aan het begin, maar ook daarna,
    in voortgangsrapportages het hele
    CoPa-onderzoek besproken
    met een procureur-generaal? Is dat frequent geweest?
    De heer Blok:
    In ieder geval als het ging om datgene wat u doorleveringen
    noemt. U weet dat wij spreken over proefzendingen of lijntesters.
    Daar zit toch een zeker verschil in. Die werden altijd met de
    procureur-generaal besproken. De algemene voortgang van het
    onderzoek werd ook regelmatig met de procureur-generaal besproken.
    Elke keer wanneer het met de minister werd besproken, werd tevoren
    dezelfde presentatie aan de procureur-generaal gegeven, zodat hij
    wist, wat wij de minister zouden melden.
    Noot

    In het bijzonder de gecontroleerde aflevering en de doorlating zou
    horen te worden gemeld aan de procureur-generaal, meent de heer
    Gonsalves. In tegenstelling tot vroeger, wordt over de doorlating
    nu per casus in de Vergadering van procureurs-generaal beslist.

    De heer Gonsalves:
    (..) Daarvan hebben wij gezegd dat dit alleen in
    uitzonderlijke omstandigheden mag. Daarbij doet zich weer die
    afweging van proportionaliteit voor. Het mag alleen met toestemming
    van het

    College van procureurs-generaal.

    De voorzitter:
    Heeft u in de afgelopen jaren die speciale casus besproken
    waarbij dat is toegepast? Heeft u daar toestemming voor
    gegeven?
    De heer Gonsalves:
    Neen, want dat wisten wij niet……. Dat heeft ook te maken
    met ons systeem. Door de embargoteams werd een heleboel vitale
    informatie beperkt tot een zeer kleine kring. Het was tot voor kort
    ook bij ons niet bekend dat een methode als de gecontroleerde
    doorlevering op grote schaal werd toegepast.
    De voorzitter:
    Dus er ging nooit een hoofdofficier naar een PG, waarna die
    PG dat in de vergadering bracht.

    Dat is nooit voorgekomen.
    De heer Gonsalves:
    Neen. Bij mijn weten niet. Het zal voor het eerst aan de
    orde zijn gekomen toen werd gesproken over de verwikkelingen rond
    de zogenaamde IRT-affaire…… Toen dat eenmaal naar buiten was
    gekomen, heb ik in de PG-vergadering voorgesteld – ik herinner mij
    dat nog goed – om met elkaar af te spreken dit soort zaken in de
    vergadering te brengen om ze gezamenlijk te bespreken. (…) De

    voorzitter: Is er ooit in de PG-vergadering gesproken
    over het doorlaten van harddrugs?
    De heer Gonsalves:
    Ja. Daar is wel over gesproken.
    De voorzitter:
    Zijn er toen ook besluiten gevallen? Is dat
    toegestaan?
    De heer Gonsalves:
    Het wordt nu anders – over gecontroleerde doorlevering
    moeten wij nu per casus beslissen – maar tot voor kort spraken wij
    daar in de PG-vergadering niet over. Wij zeiden gewoon dat dit de
    verantwoordelijkheid was van de verantwoordelijke
    procureur-generaal, eventueel doorlopend tot en met de minister als
    de zaak ernstig genoeg was. Er is wel in het algemeen besproken of
    zoiets zou mogen. Zo ja, mag dat dan eenmalig? Stel dat je n keer
    vier kilo doorlaat, zodat je de volgende keer 100 kilo pakt en de
    hele organisatie oprolt…
    De voorzitter:
    Dan zegt u ja.
    De heer Gonsalves:
    Dat soort discussies hebben wij gevoerd.
    De voorzitter:
    Het gaat er meer om of u het goed heeft gevonden.
    De heer Gonsalves:
    Die beslissing werd op een ander niveau genomen; door de
    hoofdofficier en de betrokken procureur-generaal. In sommige
    gevallen legde de betrokken PG het voor aan de departementsleiding
    en eventueel aan de minister.
    Noot

    In beginsel acht het ministerie van Justitie (ook buitenlandse)
    infiltraties een zaak voor het openbaar ministerie en de politie.
    De invloed van de minister kan weliswaar bestaan in stopzetting van
    bepaalde acties (waarop dadelijk wordt ingegaan), maar kwam de
    facto tot 1995 niet voor, daar de minister niet was ingelicht.
    Over de toezegging van Hirsch Ballin in het IRT-debat dat geen
    hard drugs zouden zijn doorgelaten zegt de

    heer Blok:
    Die specifieke uitlating van de minister van Justitie dat
    het uitsluitend om doorlatingen ging…
    De voorzitter:
    Voor een goed begrip: in het IRT-geval.
    De heer Blok:
    …van softdrugs en nooit om harddrugs, heb ik voor de
    eerste keer gehoord in mijn voorgesprek van de heer De Graaf.
    Daarvoor is het mij nooit opgevallen.
    Noot

    Het is de vraag of de politie de formele lijn in de praktijk steeds
    heeft aangehouden, in het bijzonder bij burgerinfiltratie. De
    CID-functionarissen plegen maximale inspanning om te zorgen dat hun
    infiltrant anoniem blijft. Zij vinden dat een kwestie van ethiek,
    waarvoor de officier van justitie, de hoofdofficier en de minister
    de verantwoordelijkheid niet kunnen overnemen.

    De voorzitter:
    Voor de grote Delta-zaak is dus nooit toestemming
    gegeven?
    De heer Van Randwijck:
    Juist.
    De heer Koekkoek:
    Vindt u dat u dat had moeten weten?
    De heer Van Randwijck:
    Ja. Noot Volgens het systeem moet de officier
    van justitie toestemming geven in het geval strafbare feiten
    gepleegd (gaan) worden. Soms zal deze toestemming als het ware
    ingebakken zitten in een andere beslissing. Wanneer een frontstore
    wordt opgericht, moeten er noodzakelijkerwijs valse handtekeningen
    worden gezet. Soms ook zal het plegen van een strafbaar feit
    moeilijk te voorkomen zijn, bijvoorbeeld als de infiltrant diep in
    het milieu zit en een monster van een drug aangeboden krijgt. Er
    wordt evenwel van uitgegaan dat de officier over andere strafbare
    feiten steeds opnieuw een beslissing zal moeten nemen. Een
    buitenlandse infiltrant in Nederland werkt onder Nederlandse regie
    en aansturing en volgens de Nederlandse richtlijnen (zie
    hoofdstuk 10
    ). Het wordt onaannemelijk geacht dat buitenlandse
    infiltratie-acties

    op Nederlandse bodem plaatsvinden, waar de landelijke officier van
    justitie niet tevoren in is gekend; dat doet niet af aan het feit
    dat er voorbeelden zijn waarbij de betrokken zaaksofficier van
    justitie pas zeer laat op de hoogte wordt gebracht.

    Overigens ging de HR 17 januari 1984, NJ 1984, 405 m.nt ThWvV
    (V-mann David) ermee accoord dat het openbaar ministerie het
    optreden van de infiltrant, voor zover dat heeft plaatsgevonden
    voordat diens activiteiten door de Nederlandse justitie konden
    worden gecontroleerd, achteraf heeft gedekt, na te hebben
    onderzocht of dat optreden heeft voldaan aan de in Nederland te
    dien aanzien geldende maatstaven.

    5.5.3 Centrale toetsingscommissie

    Zoals onder 5.3 bleek moeten de meeste soorten infiltraties ter
    toetsing worden voorgelegd aan de Centrale toetsingscommissie
    (CTC); ten aanzien van eenvoudige soorten kan worden volstaan met
    het ter registratie aan de CTC voorleggen. Deze commissie bestaat
    uit ervaren leden van het openbaar ministerie; politie-ambtenaren
    hebben een adviserende stem; de zittende magistratuur is er niet in
    vertegenwoordigd. Formeel fungeert de CTC als te consulteren orgaan
    voor het lokaal bevoegde openbaar ministerie; de CTC heeft ook als
    taak het ontwikkelen van richtlijnen.

    Ten behoeve van toetsing en registratie wordt een formulier
    toegezonden aan de CTC. Doorgaans volgt in geval van toetsing ook
    een mondelinge presentatie voor de CTC. Dat geldt zowel voor
    politie- als burgerinfiltratie. De casus wordt daar mondeling
    toegelicht door de teamleider en de CID-officier, hetgeen voor de
    hand ligt daar de aanmeldingsformulieren nogal summier worden
    ingevuld. Ook alle internationale (projectmatige) infiltratiezaken
    moeten worden getoetst door de CTC.

    Binnen de CTC leeft de gedachte dat de CTC een instituut met
    voorbijgaande status is, tenzij naar aanleiding van de
    parlementaire enqute de wetgever het een wettelijke status zou
    verlenen. Zowel vanuit het openbaar ministerie als vanuit de
    politie worden bezwaren geuit tegen dit instituut. Er doen zich
    twee kernproblemen voor. Vooral bij de politie leeft de zorg dat de
    stukken van de CTC (aanmeldingsformulieren en dergelijke) door een
    advocaat ter zitting worden opgevraagd. Men vreest dat de
    rechtbanken dit niet zullen weigeren en dat daardoor grote gevaren
    voor infiltranten en/of informanten ontstaan. Voorts is het de
    vraag of (en zo ja in hoeverre) de rechter ter terechtzitting zich
    zal laten leiden door het oordeel van de CTC. Waarschijnlijk is dat
    de rechtbank zelf zal willen toetsen of de verdachte in zijn
    rechten is geschaad; als dat het geval is dan is aannemelijk dat de
    rechter op zeker moment de stukken van de CTC zal willen inzien. De
    rechter zal immers willen kunnen vaststellen of er geen uitlokking
    heeft plaatsgevonden. Tot nu toe is er nog geen rechterlijke
    uitspraak geweest waarin de positie van de CTC werd getoetst,
    waarbij stukken werden opgevraagd of waarbij de voorzitter als
    getuige werd opgeroepen. Ook na de instelling van de CTC zijn er
    infiltratie-acties geweest waarvan alleen de CID-officier en de
    chef CID op de hoogte waren. Dat was het geval bij het
    Bever-onderzoek, waarbij volgens de CID-officier de hoofdofficier
    in grote lijnen op de hoogte was, maar de procureur-generaal en de
    minister laat staan de korpsbeheerder waren dat niet. Men achtte
    dat niet nodig bij een methode die zo frequent wordt toegepast.
    Voorbeelden van zaken waarvan de minister of de staatssecretaris op
    de hoogte zijn gebracht, is het CoPa-onderzoek en meer in het
    algemeen lijken infiltratie-acties in het buitenland op het hoogste
    niveau te worden doorgesproken (zoals de infiltratie in Canada en
    Turkije).

    De door de CTC gehanteerde normen zijn hiervoor onder 5.3 aan de
    orde gekomen.

    De heer Jansen:
    Ten aanzien van n traject hebben wij de opmerking gemaakt
    dat wij zeker niet akkoord zouden zijn gegaan met het doorleveren
    van een zo grote hoeveelheid. Ten minste hadden wij bedongen dat
    een stap zou zijn ingebouwd. Men had veel kleiner moeten beginnen
    en moeten nagaan wat die kleine stap zou opleveren. Echter, het was
    een gelopen traject waarbij tot en met de hoogste OM-functionaris
    was ingestemd met deze werkwijze.
    De voorzitter:
    Welke functionaris was dat?
    De heer Jansen:
    De PG. (Addens, red.)
    De voorzitter:
    Is bij de presentatie van de trajecten die aan uw commissie
    zijn voorgelegd, gesproken over de vraag of de minister met een en
    ander had ingestemd?
    De heer Jansen:
    Dat is niet aan de orde geweest.
    De voorzitter:
    Heeft u zichzelf de vraag gesteld of dat van belang zou
    kunnen zijn?
    De heer Jansen:
    Ik heb mij die vraag wel gesteld. De zaken hadden allemaal
    te maken met een bepaald onderzoek dat van een dergelijke lading
    was, dat ik er eigenlijk van uitging dat een en ander ook met de
    verantwoordelijke minister was besproken.
    Noot

    Recentelijk heeft de minister een infiltratie-actie stopgezet. In
    dat geval vond de Centrale toetsingscommissie het optreden
    verantwoord.

    De voorzitter:
    U bent met een infiltratietraject bij de Centrale
    toetsingscommissie geweest. Waar ging dat over?
    De heer Paulissen:
    Wij deden een infiltratie in een criminele
    organisatie, die vanuit Nederland internationaal opereert.
    De voorzitter:
    Daarbij is aan de orde geweest dat er eventueel doorgelaten
    moest worden?
    De heer Paulissen:
    Ja. Op een gegeven moment zijn wij voor de keuze gekomen of
    er een gecontroleerde doorvoer moest plaatsvinden. Wij hebben
    gezegd: als wij die niet laten plaatsvinden, dus als wij op de
    eerste partij ingrijpen, dan komen wij naar onze inschatting niet
    tot een ontmanteling. Wij vinden het middel van de

    infiltratie, dat wij gebruikt hebben en dat op dat moment geheel
    blootgelegd zou moeten worden, dan niet

    meer opwegen tegen hetgeen wij bereiken. Daarom vonden wij dat
    wij eenmalig moesten laten doorgaan.

    De voorzitter:
    Het infiltratietraject dat u bij de Centrale
    toetsingscommissie bracht, was een traject met
    politie-infiltratie. Dat heeft voor u het voordeel dat u in
    ieder geval meer in het proces-verbaal krijgt. U kunt het dus beter
    gebruiken dan een burger-infiltratietraject.
    De heer Paulissen:
    En het is controleerbaar. Dat vind ik ook heel belangrijk.
    Ik zei net dat informantenacties niet 100% stuurbaar zijn. In de
    professionele begeleiding die op
    infiltratie plaatsvindt,
    vind ik dat ik daarbij voor mij zelf, als teamleider, een grote
    mate van zekerheid heb dat dingen zo gebeuren zoals wij ze gepland
    hebben.
    De voorzitter:
    In welke orde van grootte wilde u eventueel doorleveren om
    daarna meer succes te hebben?
    De heer Paulissen:
    Wij wilden eenmalig doorleveren. Het is in ieder geval een
    wat grotere partij geweest dan 500 kilo.
    De voorzitter:
    Meer dan 1000 kilo?
    De heer Paulissen:
    Laat ik zeggen: enige duizenden.
    De voorzitter:
    Had u een garantie dat het bij die ene keer zou
    blijven?
    De heer Paulissen:
    Gezien de turbulentie die er op dit moment rond de
    gecontroleerde doorvoer is, hadden wij voor ons zelf gesteld:
    jongens, in deze tijd moeten wij echt een plan maken waarin het
    maar n keer plaatsvindt.
    De voorzitter:
    Maar je kunt dan natuurlijk een situatie hebben waarin je
    zegt: wij moeten het toch twee keer doen.
    De heer Paulissen:
    Die situatie moet je niet uitsluiten. Wij hebben die in dit
    geval wl uitgesloten. Ik denk ook niet – zo helder heb ik het ook
    voor de
    CTC gezegd – dat ik in dit specifieke geval voor een
    tweede keer terug was gegaan met: heren, er is mij iets overkomen
    waarover ik eens met u wil praten.
    De voorzitter:
    De CTC heeft deze werkwijze goedgekeurd. Daarna keurt
    de minister het af.
    De heer Paulissen:
    Dat klopt.
    De voorzitter:
    Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat
    via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?
    De heer Paulissen:
    Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben
    uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort
    briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit
    moment geen toestemming geven.
    De voorzitter:
    Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.
    De heer Paulissen:
    Ja.
    De voorzitter:
    Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is
    er toen gebeurd?
    De heer Paulissen:
    Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de
    gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het
    grotere doel in de
    infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken
    of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren
    om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij
    helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de
    pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te
    stoppen.
    De voorzitter:
    Dus daarmee is deze episode van de baan?
    De heer Paulissen:
    Ja. Noot
    De voorzitter:
    Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het
    jaar van de infiltratie-operatie in het Zuiden zegt die niet meer
    te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode,
    zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van
    het
    kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te
    willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in
    beslag kan nemen.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Als de zaak waar u nu over spreekt, in het zuiden des lands,
    loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie
    kennelijk had vastgesteld.
    De voorzitter:
    Zij vonden het goed!
    Mevrouw Sorgdrager:
    Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde
    kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door
    kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de
    te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch
    vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de
    methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige
    tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak.
    Dat moesten wij dus gewoon niet doen.
    De voorzitter:
    Dat is toch een heel ander soort oordeel, mevrouw
    Sorgdrager, dan toen u op 30 april 1994 door de heer Bleichrodt
    werd genformeerd? Is de reden daarvoor niet de veel meer politieke
    aandacht voor het onderwerp?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Natuurlijk. De heer Bleichrodt geeft mij, als
    procureur-generaal, bepaalde informatie. Dan heb ik wel het
    politieke gevoel om dat aan mijn minister te vertellen. Vervolgens
    gebeurt er natuurlijk een heleboel. Eind april speelt dan de
    Bever-zaak, met alle commotie van dien. In mei komt men met deze
    zaak. Daarvan zeg ik dan: Gut, als je bij mij komt met zo’n verhaal
    en als ik zie wat men daarmee hoopt te bereiken,

    dan vind ik dat het niet moet. Noot

    5.5.4. De rechter

    Veel rechters, maar zij niet alleen, benadrukken het belang van
    wetgeving inzake infiltratie. Zij vragen zich ook af waarop de CTC
    op dit moment haar toetsing kan baseren. Dat neemt niet weg dat ook
    rechters waarschuwen voor pogingen al te uitputtend te zijn. In het
    algemeen gesteld lijkt de cordinerend rechter-commissaris, of enige
    andere rechter nog nauwelijks betrokken te worden bij het
    besluitvormingsproces inzake infiltratie. Een enkele keer komt het
    voor dat een rechter-commissaris op de hoogte wordt gesteld dat het
    in die zaak gebeurt, maar dan meer als achtergrondinformatie dan
    met het oog op toestemming.

    De heer Koers:
    (…) in dit onderzoek, waar er heel intens overleg met
    de
    rechter-commissaris was, vonden wij het niet verstandig
    om de
    rechter-commissaris, die de verantwoordelijkheid voor
    een gerechtelijke vooronderzoek heeft en die de
    verantwoordelijkheid heeft voor het afluisteren van telefoons,
    onkundig te laten van dit (infiltratie-; red.
    )traject, dat
    uiteindelijk toch openbaar zou worden.
    De heer Vos:
    Heeft u daar de cordinerend rechter-commissaris voor
    ingeschakeld en heeft u er enige meerwaarde van ervaren?
    De heer Koers:
    Daar hebben we geen cordinerend rechter-commissaris
    voor ingeschakeld. Die heeft, voor zover ik weet, met deze zaak
    geen enkele bemoeienis gehad. Maar de
    rechter-commissaris
    die al vanaf 1992… de Arnhemse rechter-commissaris die
    bij het onderzoek betrokken was.
    De voorzitter:
    En als hij gezegd had neen, doe dat niet?
    De heer Koers:
    Dan hadden we tegen hem gezegd, dat dit al liep en dat er
    geen neen meer tegen was te zeggen. Dit is iets wat voor onze
    verantwoordelijkheid komt. De zittingsrechter bepaalt straks wel of
    het goed is of niet goed is.
    Noot

    Tot voor kort leken slechts weinig rechters-commissarissen er
    behoefte aan te hebben om ambtshalve navraag te doen over wat zich
    allemaal precies in de infiltratie(fase) had afgespeeld. De enkele
    rechter-commissaris die dat wel wil, heeft daar echter weinig
    mogelijkheden toe: een rechter-commissaris wordt in zijn toetsende
    rol geplaatst voor voldongen feiten en met een beroep op het belang
    van de veiligheid van de informant wordt hem soms essentile
    informatie onthouden.

    Denkbaar is dat de rechter-commissaris of de raadkamer in het
    politieel vooronderzoek een voorafgaande toetsende rol krijgt, al
    wordt benadrukt dat de noodzaak blijft bestaan dat uiterst
    gevoelige informatie kan worden afgeschermd. Zonder wettelijke
    regeling wordt het niet zinvol geacht een rechter-commissaris bij
    de zaak te betrekken; deze levert immers geen garanties ten aanzien
    van het gedrag van de zittingsrechter.

    De heer De Graaf:
    Als een rechter-commissaris in de Ramola-zaak
    had gezegd dat hij dit had getoetst en dat er geen sprake was van
    uitlokking, had de rechtbank daar dan genoegen mee kunnen nemen? Ik
    vraag nu naar uw standpunt op dit moment.
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Ik ben bang van niet.
    De heer De Graaf:
    Dan had u dus toch zelf meer informatie willen hebben. Dan
    is die rol van de
    rechter-commissaris in de voorfase dus
    niet zo vreselijk relevant?
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Neen. Noot Dat de toetsing op dit moment door
    de CTC geschiedt en niet door een rechter-commissaris wordt slechts
    zelden met zoveel woorden ter discussie gesteld. Sommigen zien voor
    de CTC een taak vooraf en voor de rechter-commissaris of de
    raadkamer een taak achteraf weggelegd. Anderen zien in het geheel
    geen rol voor de rechter. Die mening wordt door een aantal rechters
    gedeeld: een rechter-commissaris kan geen grip op een
    infiltratie-actie houden en behoort bovendien afstand te bewaren en
    zelfs tegen toetsing door een rechter wordt met scepsis aangekeken.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken