• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 5.6. Casus

    5.6. Casus

    5.6.1. RAMOLA (Rabo Money Laundering)

    Een casus ter illustratie van pseudo-koop uitgevoerd
    door
    burgerinfiltranten.

    Feiten en omstandigheden

    Op een dinsdag in september 1991 gaat een man met een sporttas een
    filiaal van de Rabobank in Utrecht binnen. Noot Hij
    stelt zich voor als Soussi en kondigt aan dat hij van plan is
    veelvuldig grote hoeveelheden buitenlands geld, Frans en Belgisch,
    te wisselen. Het bankpersoneel verwijst hem vervolgens naar het
    hoofdkantoor. Daar wordt gevraagd naar de herkomst van het geld in
    de sporttassen die hij inmiddels bijna dagelijks aanbiedt. Soussi,
    die meneer T. blijkt te heten, vertelt dat het geld afkomstig is
    van zijn autohandel en van andere Marokkanen. De bank is voorlopig
    gerustgesteld en verleent haar diensten. In ruim een jaar gaan
    sporttassen met 25 miljoen gulden aan buitenlandse valuta over de
    toonbank. De directie van de bank vraagt op een gegeven moment naar
    een mogelijke relatie met verdovende middelen. De heer T. ontkent
    met klem. Ondanks het feit dat de Wet melding ongebruikelijke
    transacties bij financile dienstverlening (MOT) nog niet van kracht
    is, acht de bank het toch wenselijk melding te maken van deze
    opmerkelijke grote hoeveelheden buitenlandse valuta in sporttassen.
    Het Meldpunt ongebruikelijke transacties bij de CRI ontvangt in
    januari 1993 (na zestien maanden) de eerste melding. De RCID
    Utrecht besluit deze melding na te trekken en ontdekt dat T. zeer
    regelmatig naar Rotterdam rijdt, daar een aantal panden bezoekt en
    direct weer terugrijdt naar Utrecht. Daar wordt een aantal
    sporttassen geleegd bij de bank. Inmiddels doet de bank een
    vervolgmelding aan het meldpunt waarin staat dat inmiddels weer 30
    miljoen is aangeboden aan de bank om te wisselen. De zaak wordt
    overgedragen aan de RCID Rotterdam die reeds informatie blijkt te
    hebben over de panden in relatie tot verdovende middelen. Besloten
    wordt een gerechtelijk vooronderzoek te openen. Ontdekt wordt dat
    de handel in verdovende middelen onder meer plaatsvindt vanuit een
    snackbar en een videotheek. Vanuit de videotheek worden per
    telefoon regelmatig vreemde zaken besteld. Zo wordt gesproken over
    zendingen colberts, spul, jonge varkentjes, zuivere aarde, melk,
    kamers. Bovendien blijkt het mogelijk om halve cassettes en halve
    video-films te bestellen en wordt vaak verzocht om te komen met een
    weegschaal. De bestellingen worden gedaan bij een woning die
    naderhand een safe-house van verdovende middelen blijkt te zijn. In
    de loop der tijd wordt duidelijk dat de organisatie bestaat uit
    twee Marokkaanse families Z. en B. en een groep geldwisselaars die
    in anderhalf jaar tijd 270 miljoen gulden aan buitenlands geld
    hebben gewisseld.

    Politieel en justitieel onderzoek

    Tussen de eerste MOT-melding en de opening van het gerechtelijk
    vooronderzoek wordt proactief onderzoek gedaan. In deze periode
    wordt een aantal vaststellingen gedaan, zoals blijkt uit de
    verklaringen ter terechtzitting. Niet duidelijk wordt op welke
    wijze dit vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Gezien de
    vaststellingen lijkt observatie te zijn gebruikt. Vervolgens wordt
    het onderzoek overgedragen aan het Regionale bureau bovenlokale
    criminaliteit Rotterdam (RBBC). Op 10 juni 1993 wordt een
    gerechtelijk vooronderzoek geopend op de geldwisselaar T. Door
    middel van langdurige observatie en het tappen van
    telefoongesprekken komt de politie onder andere uit bij de twee
    Marokkaanse families (Z. en B.) Bij de observatie in dit onderzoek
    werd gebruik gemaakt van fotocamera’s en videocamera’s. De
    opgenomen telefoongesprekken worden vertaald door tolken. Verder
    worden nog registraties van een aantal autotelefoons opgevraagd met
    een machtiging van de rechter-commissaris. In de doorlichting staat
    dat diverse ATF gesprekken zijn afgeluisterd middels de kolibrie.
    In het requisitoir wordt nadrukkelijk vermeld dat er geen
    autotelefoons zijn afgeluisterd. Noot

    Vooraankopen

    Een informant die zich in het criminele milieu kon bewegen doet
    vier vooraankopen van herone en cocane in opdracht van de RCID
    Rotterdam/Rijnmond.
    Deze informant is in de ogen van officier van justitie De Groot
    geen infiltrant, immers hij bevindt zich al in het criminele milieu
    dus hij hoeft hierin niet meer te infiltreren, noch is er sprake
    van pseudo-koop. Van het begin af aan was het de bedoeling door
    middel van deze aankopen CID-informatie te bemachtigen. Er is geen
    sprake geweest van pseudo-koop. Noot

    Voor deze aankopen wordt vooraf onder andere buitenlandse valuta
    verstrekt door het ministerie van Justitie. Dit geld wordt gemerkt
    teneinde de geldstromen te kunnen volgen. Noot De
    informant krijgt een beloning voor het doen van de aankopen. Dit
    CID-traject loopt parallel met het gerechtelijk vooronderzoek. De
    vooraankopen vinden plaats tussen 1 september 1993 en geruime tijd
    voor 3 oktober 1994 Noot en betreffen hoeveelheden van
    minder dan 100 gram, tussen de 100 en 750 gram of meer dan 750
    gram. Noot Elke aankoop heeft een ander aspect zoals een
    andere hoeveelheid of een andere persoon. Het doel van de aankopen
    is bevestiging te verkrijgen van reeds aanwezige informatie over de
    samenstelling van de organisatie en met name over de safehouses en
    de geldstromen. Het is niet bedoeld om bewijs tegen personen te
    verkrijgen. Daarom worden deze aankopen door het openbaar
    ministerie niet beschouwd als opsporingshandelingen Noot
    omdat ze niet hebben plaatsgevonden in een opsporingsonderzoek en
    niet gericht
    zijn geweest op bewijsgaring. Slechts informatie over het feit dat
    twee panden druggerelateerd zijn is doorgegeven aan het tactisch
    team.
    Het traject kwam tot stand in overleg tussen de RCID en de
    CID-officier van justitie. De informant zat strak aan de regie. De
    informant mag geen mensen uitlokken. De informant heeft zich
    gedragen op de manier waarop een informant zich moet gedragen.
    Noot De hoeveelheden werden vooraf afgesproken. Toen
    zijn geen afspraken gemaakt over het totale aantal voorkopen, noch
    om de operatie buiten het dossier te houden. Deze afweging is later
    gemaakt. Noot De inzet van dit middel werd nodig geacht
    omdat het hier een gesloten familie-organisatie betrof waarin een
    groot aantal familieleden zich bezighield met strafbare feiten en
    het verkrijgen van informatie over deze groep erg moeilijk was. Om
    deze reden werd het ook niet voor mogelijk gehouden om een
    politie-infiltrant in te zetten. Bovendien was reeds een informant
    ingeschreven bij de RCID die informatie over deze groepering kon
    verschaffen.

    De CID-officier van justitie en de zaaksofficieren zijn achteraf
    op de hoogte gehouden van de voorkopen door middel van mondelinge
    verslaggeving en processen-verbaal waarin van elke aankoop het
    tijdstip, de hoeveelheid en de prijs staat vermeld. Noot
    De runners waren niet op de plaats aanwezig waar de aankoop zich
    had afgespeeld en de informant was evenmin in het bezit van
    afluisterapparatuur. Noot De rechtsgrond voor de
    aankopen is onduidelijk. In deze aankopen is niet voorzien in de
    Richtlijn infiltratie 1991.

    De richtlijnen voor pseudo-koop zijn zo gemaakt maar de
    ontwikkelingen gaan wat harder. Ik heb deze affaire besproken met
    de hoofdofficier van justitie. We hebben intern besproken of we van
    de richtlijn af zouden wijken. We vonden de richtlijn achterhaald.
    Noot Het onderzoek ter terechtzitting Processen-verbaal
    van de vooraankopen komen aanvankelijk niet voor in het
    zittingsdossier. Op herhaald verzoek van de rechtbank wordt
    hierover informatie verstrekt door het openbaar ministerie en de
    criminele inlichtingendienst in de vorm van een proces verbaal en
    een getuigenverhoor van de chef CID, het getuigenverhoor van de
    CID-officier van justitie en geanonimiseerde processen-verbaal van
    de vooraankopen. Deze blijken zodanig geanonimiseerd dat niet veel
    duidelijkheid geschapen wordt over de feiten en omstandigheden van
    elke aankoop. De getuigenverhoren van de CID-officier van justitie
    en de CID-chef werpen ook niet meer licht op de zaak en worden
    gekenmerkt door zinsneden als: Ik weet dat wel, maar wil er geen
    uitspraak over doen. en Als ik dat bevestig of ontken, is dat een
    vingerwijzing naar de identiteit. Noot De rechtbank
    verzucht:

    Voorzitter (In ‘t Velt-Meijer): Dat betekent dus dat u nooit
    volledige opening van zaken kan geven zonder de identiteit van de
    informant vrij te geven?
    Getuige RCID-chef (In ‘t Veld): Dat klopt. Dat was ook van tevoren
    voorzien, en het is de afweging geweest die wij hebben gemaakt.
    Noot
    Vervolgens wordt door de officier van justitie de mogelijkheid van
    het opvoeren van de informant/infiltrant als anonieme getuige
    overwogen. Hiervan wordt echter afgezien omdat op dat moment er
    niet voldoende concrete aanwijzingen zijn dat iemand uit de
    Ramola-groepering zich bedreigend naar de informant uitliet
    Noot .

    De officier van justitie vermeldt in zijn requisitoir dat naar
    de mening van het openbaar ministerie de verstrekte informatie
    voldoende mogelijkheden biedt tot toetsing door de rechter van de
    rechtmatigheid van de vooraankopen. De rechtbank denkt hier anders
    over. Tijdens de zitting worden hierover signalen gegeven. (..)
    deelt de voorzitter mede dat de rechtbank geen aanleiding ziet om
    nogmaals om overlegging van de processen-verbaal van pseudo-koop te
    verzoeken, aangezien zij daar reeds eerder om gevraagd heeft en zij
    de processen-verbaal ook toen niet heeft gekregen. Wat de
    consequentie daarvan is zal door de rechtbank worden overwogen.
    Noot

    De verstrekte informatie wordt met name onvoldoende bevonden om
    aan het Tallon-criterium te toetsen. De rechtbank oordeelt als
    volgt:
    Op dit punt is slechts bekend geworden dat er sprake was van een
    groep van personen die reeds in grote hoeveelheden drugs handelde.
    Dit is echter onvoldoende om voor elkeverdachte afzonderlijk te
    kunnen vaststellen of hij reeds in grotere hoeveelhedenharddrugs
    handelde voordat hij door de informant zou kunnen zijn benaderd,
    hetgeen toch minimaal nodig is om ervan te kunnen uitgaan dat de
    opzet van de verdachte met betrekking tot de tenlastegelegde feiten
    niet door het optreden van de informant is gevormd.(..) De
    rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie door de
    beslissing aankopen te laten doen door een informant, zodat zonder
    diens identiteit prijs te geven onvoldoende informatie kan worden
    verstrekt om het gebruik van deze opsporingsmethode te kunnen
    toetsen en op grond waarvan is besloten in het geheel geen melding
    te maken
    van het gebruik van deze methode op zodanige wijze handelt in
    strijd met de goede procesorde dat het de niet-ontvankelijkheid
    over zichzelf afroept.
    Het feit dat door de verdediging wordt aangedragen dat deze
    vooraankopen elke rechtsgrond missen wordt door de rechtbank niet
    als zwaarwegend gezien. Rechter In ‘t Velt-Meijer zegt hierover
    tijdens het openbaar verhoor:

    De heer Vos :
    De heer In ‘t Veld heeft zich afgevraagd of het wel zo
    schokkend was dat aankopen werden gedaan en niet in het
    proces-verbaal terechtkwamen. Die aankopen werden namelijk toch
    niet als bewijs in de zaak gebruikt. Kunt u daarop
    reageren?
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Ja, ik verwijs dan ook weer naar het vonnis. De rechtbank
    heeft daar ook op gereageerd. Van de kant van de verdediging werd
    namelijk naar voren gebracht dat dit op zichzelf al zo erg was dat
    dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. In het vonnis van
    de rechtbank staat dat het een verkeerde inschatting is geweest dat
    het, omdat het niet voor het bewijs gebruikt zou kunnen worden,
    niet nodig was om het te vermelden. Over de gang van zaken en de
    vraag wie er is ingelicht over de beslissing om de
    informant
    in te zetten, hoe vaak dit is gebeurd en of daar voldoende
    controle op is geweest, is ter zitting voor de rechtbank voldoende
    duidelijkheid gekomen. De rechtbank heeft ook gezegd: het enkele
    niet vermelden is voor ons geen reden om te zeggen dat het openbaar
    ministerie niet ontvankelijk is.
    Noot

    Uit het vonnis blijkt dat op een aantal andere punten de rechtbank
    van mening verschilt met het openbaar ministerie. Dit betreft
    ondermeer de vraag wanneer een methode een opsporingsmethode is.
    Het betreft in casu aankopen van verdovende middelen die gedaan
    zijn tijdens een gerechtelijk vooronderzoek en met het doel om ten
    behoeve van dat onderzoek informatie te verkrijgen. Het betreft
    derhalve een opsporingsmethode en wel een die vergaand en
    ingrijpend van aard is. (..) Ongeacht de benaming van deze methode
    (vooraankoop of pseudo-koop) dient een dergelijke gang van zaken
    volledig door de rechter te worden getoetst. Noot

    Een mogelijke interpretatie van dit vonnis is dat het staat voor
    een vertrouwensbreuk tussen de zittende en staande
    magistratuur:

    De heer Gerding:
    Los van de vraag of dit vonnis in hoger beroep stand zal
    houden, vind ik het een vrij dramatisch vonnis, omdat de rechtbank
    tussen de regels door heeft gezegd: officier van justitie, openbaar
    ministerie, wij geloven u niet. De geloofwaardigheid van het OM in
    Rotterdam heeft toen een geduchte knauw gekregen.

    Noot

    De plaatsvervangend hoofdofficier te Rotterdam Gerding voegt
    hieraan toe dat vroeger het woord van de officier van justitie het
    is goed gegaan in de opsporing voldoende was. Nu is dit naar zijn
    mening niet meer zo. Niet iedereen deelt deze mening. CID-officier
    van justitie De Groot acht deze suggestie van vertrouwensbreuk
    begrijpelijk doch niet juist. Dit wordt bevestigd door de
    voorzitter van de strafkamer In ‘t Velt-Meijer. Immers het feit dat
    het openbaar ministerie ter terechtzitting meldt dat de verdachte
    schuldig is aan het plegen van bepaalde strafbare feiten maakt toch
    ook niet dat de rechtbank dit zonder zelfstandige toetsing
    overneemt?

    De heer Vos:
    Ik wil aan de orde stellen dat van de zijde van de officier
    gezegd is: rechtbank, geloof mij nu maar; het is voldoende
    zorgvuldig gegaan. En dat is voor u uiteindelijk toch onvoldoende
    gebleken?
    Mevrouw In ‘t Velt-Meijer:
    Ja, het gaat namelijk om een juridisch oordeel over de vraag
    of er is uitgelokt of niet. Het feit dat het OM zegt dat dit niet
    zo is geweest, vond de rechtbank onvoldoende. Wij wilden dat
    zelfstandig kunnen toetsen. Om de lijn door te trekken: als iemand
    verdacht wordt van moord en de officier zegt dat wij hem maar
    moeten geloven dat diegene dat heeft gedaan, dan nemen wij daar ook
    geen genoegen mee.
    Noot

    In deze zaak is het openbaar ministerie in de vervolging van het
    merendeel van de feiten niet ontvankelijk verklaard. Het OM heeft
    hoger beroep aangetekend. In dit kader is extra informatie over een
    aantal verdachten overhandigd aan de advocaat-generaal.
    Noot Op de vraag welke les het openbaar ministerie uit
    deze zaak heeft getrokken zegt De Groot tijdens het verhoor:

    De heer De Groot:
    De les uit het Ramola-vonnis is wat mij betreft
    getrokken op het moment dat de Hoge Raad zijn oordeel heeft
    geveld.
    Noot

    In hoger beroep komt het gerechtshof te Den Haag tot een andere
    eindconclusie: ten onrechte heeft de rechtbank de officier van
    justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk verklaard.
    Noot Het hof wijst de zaak terug
    naar de rechtbank voor verdere afdoening. Het hof deelt overigens
    de kritiek van de rechtbank op de handelwijze van het openbaar
    ministerie, maar acht de bezwaren in dit specifieke geval in
    onderdelen en tezamen niet z ernstig, dat niet-ontvankelijkheid
    behoort te volgen.

    Het hof onderscheidt twee type bezwaren. Het ene type is dat van
    de integriteit van de strafrechtspleging, een belang dat in een
    meer verwijderd verband van de verdachten staat.
    Het hof acht deze bezwaren groot, maar de omstandigheden van het
    geval voldoende zwaarwichtig om van de infiltratierichtlijnen af te
    wijken. Die omstandigheden zijn gelegen in de uitzonderlijke omvang
    van de geldtransacties, die uit een navenante uitzonderlijke omvang
    van drugshandel zouden kunnen voorkomen, met alle nevengevolgen
    vandien; het gebrekkige resultaat van de reeds ingezette
    opsporingsmiddelen; het kennelijke gebrek aan professionele
    infiltranten; de lange duur van het onderzoek; de wat betreft zijn
    betrouwbaarheid positieve ervaringen die men al met de informant
    had, die bovendien ook zelf de risico’s van zijn handelen op de
    koop zal hebben genomen; het beperkt aantal aankopen dat men heeft
    verricht, de zorgvuldige begeleiding van de informant; en het feit
    dat drugs uit de markt zijn gehaald en vernietigd, welk laatste
    feit de ernst van het door de overheid gepleegde misdrijf
    aanzienlijk relativeert. Het andere type bezwaren betreft de
    controleerbaarheid van gegevens, waartegen de verdachte zich
    moeilijk kan verdedigen. Het hof merkt volledigheidshalve op dat
    geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die tot de conclusie
    zouden moeten leiden dat door de toepassing van de methode
    grondrechten van de verdachte zijn geschonden. Weliswaar is verder
    veel oncontroleerbaar, maar aan de hand van de verklaringen van de
    CID-officier van justitie en de CID-chef is wel controleerbaar dat
    de aankopen niet hebben gestrekt tot het verkrijgen van bewijs.

    Dat betekent, aldus het hof, dat de verdachte wordt aangesproken
    op feiten, die niet direct met die aankopen in verband staan. Hij
    zal zich dus niet hebben te verantwoorden voor andere handelingen
    dan die waartoe hij mogelijkerwijs is uitgelokt of die rechtstreeks
    met die vooraankopen in verband staan. Voor die handelingen wordt,
    tot het tegendeel blijkt, steeds een afzonderlijk wilsbesluit
    verondersteld. De vooraankoop, bezien vanuit het perspectief van de
    mogelijk uitgelokte eerste verkoop, impliceert niet vanzelfsprekend
    dat volgende wilsbesluit. Derhalve moet aannemelijk worden dat de
    verdachte door toedoen van de politie onlosmakelijk in het
    drugsmilieu is beland en dat hij daardoor geen anderekeus had dan
    het feit te begaan, wil zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid een
    kans maken. Dat door de gewraakte handelingen de verdenking kan
    zijn gerezen, acht het hof niet een omstandigheid waarvan gezegd
    kan worden dat jegens de verdachte sprake is geweest van een
    zodanige ernstige schending van procesrecht dat hij niet vervolgd
    kan worden. Ernstig acht het hof dat politie en justitie niet
    onmiddellijk opening van zaken hebben gegeven. Het mag volgens het
    hof, niet zo zijn dat geheel en al van de verdediging afhankelijk
    is of kennis wordt verkregen van een toegepaste opsporingsmethode.
    Het hof verbindt daar in dit geval geen consequenties aan omdat
    volstrekt niet aannemelijk is geworden dat de gegevens achter zijn
    gehouden om de rechter te misleiden, Noot maar dat de
    reden daartoe veeleer gezocht moet worden in het op zichzelf te
    respecteren en niet onbegrijpelijke feit dat men de informant heeft
    willen afschermen. Het achterhouden van processen-verbaal wordt in
    de infiltratierichtlijn mogelijk gemaakt, indien bewijs op andere
    wijze kan worden geleverd, terwijl het in casu niet om bewijs gaat.
    Bovendien is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende –
    voor juist te houden – informatie verstrekt

    5.6.2 CoPa (Colombia-Paramaribo)

    Een casus ter illustratie van een grootschalig
    strafrechtelijk onderzoek waarbij harddrugs worden
    doorgelaten.

    Algemeen

    Het CoPa-onderzoek wordt gestart in 1992 door de politieregio
    Haaglanden en betreft een onderzoek naar de betrokkenheid van het
    voormalige militair gezag in Suriname bij de cocanestroom van
    Suriname naar Nederland. Tevens wordt een grootschalig financieel
    onderzoek gestart naar hiermee gepaard gaande witwastrajecten. Aan
    de start van dit ambitieuze onderzoek is wel wat voorafgegaan, zo
    zegt de zaaksofficier:

    De heer Van der Voort:
    (…) Ik zal proberen om dat kort toe te lichten. De
    onderzoeken tot dan toe hadden geleid tot succesvolle
    verdovende-middelenzaken, waarbij partijen waren onderschept en
    waarbij verdachten waren veroordeeld. Daarnaast werd steeds meer
    informatie gegenereerd, waaruit aanwijzingen kwamen dat het
    voormalige militaire gezag in Suriname, de voormalige legerleiding,
    in feite betrokken was bij, dan wel achter die permanente
    cocanestroom vanuit Nederland naar Suriname zat.
    De voorzitter:
    Inclusief de hoogste baas. (…)
    De heer Van der Voort:
    De voormalige legerleiding, waaronder ook de voormalige
    legerleider.
    De voorzitter:
    Bouterse.
    De heer Van der Voort:
    Bouterse. Er was dus sprake van aanwijzingen.
    Noot Uit onderzoek blijkt dat de cocane in heel- of
    halffabrikaat uit Brazili of Colombia komt en via Suriname naar
    Nederland wordt vervoerd. Dit is veelal verstopt bij de legale
    goederenstroom, zoals vis, hout, groente of rijst. Ook worden de
    halffabrikaten in laboratoria in Suriname verwerkt en vervolgens
    doorgevoerd. Retour naar Suriname gaat een enorme geldstroom van
    tientallen miljoenen dollars. Het doel van het opsporingsonderzoek
    is tweeledig. Ten eerste een strafrechtelijke, dan wel politieke
    uitschakeling van het zogenaamde Paramaribo-kartel in Suriname. Van
    der Voort zegt hierover:
    De heer Van der Voort:
    Dat is een verzameling van personen op hoog niveau, politiek
    en militair, in Suriname met banden met landen die de cocane
    leveren. De cocane komt uiteindelijk niet uit Suriname. Het wordt
    ergens vandaan betrokken. Het gaat om de gezagsdragers daar die op
    de achtergrond verantwoordelijk zouden zijn voor – het wasnog maar
    een aanname, wij hadden er aanwijzingen voor, maar geen bewijzen –
    en betrokken zouden zijn bij de internationale handel in verdovende
    middelen, namelijk cocane.

    Als tweede doelstelling voegt hij hier aan toe:
    De tweede doelstelling, de subdoelstelling was, om in elk geval
    belangrijke tussenhandelaren in cocane strafrechtelijk te
    vervolgen, aan te houden en in Nederland te berechten.
    Noot Financieel onderzoek blijkt een belangrijk middel
    om de verdachte goederenstromen in kaart te brengen. Het
    betalingsverkeer tussen Nederland en Suriname wordt geanalyseerd en
    hieruit blijkt onder meer dat meer bedrijfjes in Nederland
    kapitalen op hun bankrekening hebben staan die door de (officieel)
    opgegeven handel nooit verdiend had kunnen zijn. Noot
    Bovendien wordt duidelijk dat in toenemende mate criminele
    organisaties gebruik maken van het chartale in plaats van het
    girale verkeer zodat de financile papertrail moeilijk is te volgen.
    Ook wordt in de loop van het financile onderzoek een
    smeergeldaffaire ontdekt tussen Nederlandse zakenmensen en de
    Surinaamse top. Het financile onderzoek is mogelijk door de
    informele en vrijwillige verstrekking van financile gegevens door
    financile instellingen aan het CoPa-team. Financieel rechercheren
    is ten tijde van het begin van dit onderzoek nog vrij ongewoon:

    De heer Van der Voort:
    Het was natuurlijk een krankzinnige opdracht. Het was ook
    duidelijk dat, voor zover die opdracht gehaald zou kunnen worden,
    het niet via een klassieke manier van rechercheren zou gaan. Er zou
    op een andere manier moeten worden nagedacht over de aanpak van het
    onderzoek. Het
    financieel rechercheren is nu heel gewoon
    geworden – inmiddels hebben wij de wet
    MOT – maar in die
    tijd, medio 1992, was het nog geen algemeen goed om op die manier
    te rechercheren. Dat is n van de innovatieve dingen die wij in het
    team hebben uitgeprobeerd, in samenwerking met de BFO’s en met
    de
    FIOD. Wij hebben dus op een heel speciale manier
    geprobeerd om financieel onderzoek te bedrijven.

    Noot

    Via een trapsgewijze aanpak wordt getracht bij de top van de
    organisatie uit te komen. De drie hoofdgroepen van
    opsporingsmethoden, te weten observatie, infiltratie en
    informanten, worden gebruikt. Met tappen en observeren doet zich
    een aantal moeilijkheden voor. De verdachten bevinden zich vaak op
    grote afstand, onder andere veel in Suriname en Miami. Er is echter
    voor gekozen om niet met Surinaamse diensten samen te werken. Ook
    worden barrires opgeworpen door de machtspositie van de te
    onderzoeken groep, zowel in politiek als economisch opzicht. Met de
    bronlanden van de drugs, Colombia en Brazili, wordt wel
    samengewerkt. Bovendien wordt ook gezocht naar informanten met deze
    nationaliteiten om het onderzoek verder te helpen. Informanten
    hebben onder meer een rol in de zogenaamde Prismamethode die
    uitgeprobeerd is in dit onderzoek.

    Halverwege 1994 worden op basis van een drietal gerechtelijke
    vooronderzoeken tegen Desi B. en twee handlangers twee maal
    wereldwijd huiszoekingen verricht, die worden gericht op
    financieel-economische achtergronden. De eerste keer gaat het om
    ruim 30 huiszoekingen, de tweede keer betreft het 130 huiszoekingen
    die tegelijkertijd in 12 landen plaatsvinden. De criminele
    groepering is al vanaf het begin goed op de hoogte van het
    CoPa-onderzoek. Er worden zelfs processen-verbaal in Paramaribo
    verkocht. In het gehele CoPa-onderzoek is tactisch, financieel,
    CID- en inlichtingen onderzoek gedaan. In dit kader is contact
    geweest met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Tevens is de
    internationale samenwerking belangrijk gebleken.

    In april 1995 is het afgeronde dossier aangeboden aan de top van
    het openbaar ministerie. Dit wordt

    doorgesproken met de minister waarna er een afweging moet worden
    gemaakt over een eventuele vervolgactie.

    De voorzitter:
    U bent toch nog niet zo succesvol geweest, bijvoorbeeld in
    het grote onderzoek, waar we nu over spreken? Misschien zeer
    succesvol op de deelterreinen, maar niet op de
    hoofddoelstellingen.
    De heer Blok:
    Dat hangt ervan af. Wanneer ik, net als de heer Van der
    Voort, het totale traject bekijk, weet ik dat er in ieder geval
    ruim 2000 kilo cocane in beslag is genomen, en dat er 65 mensen
    zijn veroordeeld. Dat vind ik op zich, met name als ik naar die
    veroordeelden kijk, die meestal straffen kregen van 10 tot 14 of
    meer jaar, en waarbij het ging om belangrijke drugshandelaren, niet
    onsuccesvol.
    Noot

    De vraag of strafvorderlijk zou kunnen worden opgetreden moest
    beantwoord worden aan de hand van aanleiding die de strafdossiers
    daartoe gaven. Noot
    Inmiddels is een nieuw
    rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname afgesloten, waarin
    overigens niets staat over uitlevering. Hierbij is wel van
    Nederlandse zijde bedongen dat alle vragen door de minister
    persoonlijk gefiatteerd dienen te worden.

    Minister Sorgdrager heeft op basis van dat rechtshulpverdrag met
    Suriname op 15 december 1995 haar ambtgenoot ingelicht dat er een
    gerechtelijk vooronderzoek tegen onder meer Desi Bouterse is
    geopend. Parallel aan het opsporingsonderzoek hebben een aantal
    gesloten CID-trajecten gelopen waarin bijzondere opsporingsmethoden
    zijn gehanteerd.

    CID-traject A

    Een informant wordt belast met de afhandeling van partijen
    verdovende middelen die naar Nederland worden gestuurd door de
    drugmafia in Zuid-Amerika. Hij levert aan de CID-Haaglanden
    informatie over een schip met een paar duizend kilo cocane dat
    binnen afzienbare tijd naar West-Europa zal komen. Deze partij is
    bestemd voor drie groeperingen in Nederland. Inmiddels wordt bij
    een politile-actie een grote partij van meer dan duizend kilo
    cocane in beslag genomen en een groot aantal leden van n van deze
    drie groeperingen wordt aangehouden. De Zuidamerikanen komen
    hierdoor in de problemen. Er is geen geld voor het vervoer van een
    gereedstaande partij cocane en zij willen nu eerst de
    betrouwbaarheid van deze nieuwe lijn testen. Er wordt een plan
    gesmeed om enkele duizenden kilo’s marihuana te verzenden, en
    vervolgens van de opbrengst het vervoer van de cocane te betalen.
    Met deze laatste partij zullen ook de Zuidamerikaanse
    hoofdrolspelers overkomen, aldus de informant.

    De CID vat het plan op om een gecontroleerde aflevering van de
    lijntester van softdrugs te doen. Hierna kunnen van criminele zijde
    de financin worden afgehandeld waarna een partij harddrugs zou
    kunnen volgen die vervolgens onderschept zou worden. De Centrale
    toetsingscommissie gaat op 9 februari 1995 niet akkoord met dit
    plan. Deze is er onder meer niet van overtuigd dat een partij
    cocane zou volgen op de doorlevering van marihuana.

    Dit oordeel brengt grote problemen met zich mee. Het blijkt dat
    de liaison officer in Zuid-Amerika de informant runt voor
    Haaglanden en dat de informant er diep inzit en niet meer terug kan
    inzake de partij drugs. Het gaat nu om een proefzending van meer
    dan twintgduizend kilo marihuana. Bovendien ligt de partij cocane
    van meer dan zesduizend kilo klaar ter verscheping met hetzelfde
    schip als de softdrugszending. Dan blijkt ook dat de partijen qua
    financiering toch niet van elkaar afhankelijk zijn. De cocane komt
    toch, en is bestemd voor vijf organisaties in Nederland. Wanneer
    deze partij in Nederland aankomt, zal een aantal kopstukken van
    Zuidamerikaanse kartels overkomen om de partij de inspecteren en te
    splitsen, aldus de informant. De informant komt naar Nederland en
    zal hier gerund worden door de CID. Hij opereert dan als een
    burgerinfiltrant en zal daadwerkelijk een actieve rol gaan spelen.
    De doelstelling is het gecontroleerd doorvoeren van de partij
    marihuana tot zover de Zuidamerikanen van mening zijn dat de lijn
    safe is. Eventueel kan op een gegeven moment een deel bij n van de
    afnemers in beslag worden genomen. Het plan is om in ieder geval de
    partij cocane in beslag te nemen en de kopstukken aan te houden.
    Voor dit traject wordt voorwaardelijke toestemming door de Centrale
    toetsingscommissie gegeven. Aanbevolen wordt dit traject aan de
    minister voor te leggen.

    Bij een latere toetsing wordt gemeld dat de partij marihuana
    zoek is. De infiltrant meldt nu dat de partij eigenlijk al binnen
    is, maar weet niet met welk schip of in welke haven de partij is
    ingevoerd. Onbekend is of deze partij misschien al door een dienst
    ergens geveegd is of niet. Het vervolgtraject schijnt nog wel
    gewoon door te gaan.

    CID-traject B

    Een informant benadert de RCID-Haaglanden met het verhaal dat hij
    door een belangrijke drugscrimineel in Suriname gevraagd is om een
    partij cocane Nederland binnen te brengen. Het is bekend dat deze
    drugcrimineel onder bescherming van de voormalig legerleider
    opereert. Het CoPa-team gaat erop in. De criminele organisatie
    geeft aan eerst een proefzending te willen doen, waarna een grotere
    partij zal volgen. De RCID gaat naar de douane met het verzoek om
    doorlating van de partij. Er wordt een lijntester van meer dan tien
    kilo cocane doorgelaten en het milieu in gevolgd zonder dat wordt
    ingegrepen. De criminele winsten voor dit eerste transport levert
    de informant niet in. Voor latere transporten worden hierover wel
    afspraken gemaakt. Na deze succesvolle lijntester wordt door de
    criminele organisatie een tweede partij afgezonden van meer dan
    honderd kilo cocane naar een Nederlandse haven. Het schip ligt
    reeds voor de rede als de informant gevraagd wordt de partij
    ongezien door de douane te loodsen. Hij geeft dit door aan de
    politie waarna de officier van justitie rechtstreeks contact
    opneemt met de douane. Hier rijst een probleem. De container is
    reeds geselecteerd voor controle en kan dus niet ongezien worden
    doorgelaten. De informant komt in een lastig pakket. Hij moet met
    een smoes terug naar de organisatie en adviseert de organisatie om
    van de partij af te blijven. Later wordt deze partij gecontroleerd
    afgeleverd, alwaar de partij in beslag wordt genomen en er vijf
    aanhoudingen worden verricht.

    De informant heeft voor bewezen diensten een beloning tussen de
    20.000 en 30.000 gulden van justitie ontvangen. De hoofdverdachte
    in dit onderzoek is niet naar Nerderland gekomen. Een andere reeds
    lang nagejaagde Surinaamse drughandelaar is wel voor de partij op
    komen dagen. Deze is in hoger beroep tot een langdurige
    gevangenisstraf en een forse geldboete veroordeeld.

    CID-traject C

    Dit traject is een illustratie van de Prismamethode . Het
    ideaaltype is dat een politie-infiltrant de invoer regelt van een
    beperkte partij cocane die de criminele organisatie als lijntester
    wil gebruiken. Vervolgens wordt bekeken (observatie) waar de partij
    het milieu ingaat. De politie-infiltrant dient de oorspronkelijke
    informant af te dekken. De methode mislukt in deze zaak enigszins
    omdat er uiteindelijk twee lijntesters moeten doorgaan, de
    informant er niet goed uitkomt omdat een politie-infiltrant later
    ook nog zijn bedrijf moet gebruiken voor transport, en er een derde
    partij kwijtgeraakt.

    De heer Koekkoek:
    Is het met doorleveren – lijntesten – voorgekomen dat een
    partij onbedoeld toch verdween, omdat men het zicht erop
    verloor?
    De heer Blok:
    U bedoelt dat het de bedoeling was dat het een
    gecontroleerde aflevering zou worden, en dat de partij
    vervolgens gemist werd?
    De heer Koekkoek:
    Ja.
    De heer Blok:
    Dat is voorgekomen.
    De heer Koekkoek:
    Ook met harddrugs?
    De heer Blok:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Grote hoeveelheden?
    De heer Blok:
    Zeker.
    De heer Koekkoek:
    Honderden kilo’s?
    De heer Blok:
    Ja.
    De voorzitter:
    Is dat dan een observatieteam dat voor een stoplicht
    staat, of is het dan toch weer de positie van de
    informant,
    die er te dicht op zit, waardoor we er niet meer bij kunnen
    komen?
    De heer Blok:
    Nee, het zit meer in de sfeer van puur ongeluk, bijvoorbeeld
    aanrijdingen, of het eenvoudigweg missen. Zo simpel is het ook
    niet: je moet als
    observatieteam vaak op vrij grote afstand
    opereren, juist om de

    informant te beschermen en eruit te kunnen houden. Ook in
    verband met
    contra-observatie moet je soms op vrij grote
    afstand opereren. Dan gaat het wel eens mis. Dan is de bedoeling
    anders, maar de partij komt dan wel op de vrije markt.

    Noot

    5.6.3 De Jehova’s Getuigen-infiltratie-actie Een casus ter
    illustratie van een bijzondere

    politile infiltratie-actie

    De overval op het AH filiaal te Oosterbeek

    Op 14 mei 1990, ‘s ochtends vroeg, dringen mannen het filiaal
    van de Albert Heijn in Oosterbeek binnen. Noot En
    gewapend met een pistool en de ander met een riotgun. Er is reeds
    personeel aanwezig. Zij bevelen dat iedereen moet gaan liggen en
    dat de kluissleutel moet worden ingeleverd. Niemand is echter in
    het bezit van deze sleutel. Na enig geschop en getrap beseffen de
    overvallers uiteindelijk dat de kluis niet open zal gaan.
    Hierop begint een overvaller n voor n de personeelsleden met een
    nekschot te executeren. En van hen ziet dit twee maal gebeuren en
    probeert te vluchten. In zijn vlucht wordt hij twee keer in de rug
    geschoten. Naar aanleiding van enkele getuigenverklaringen en een
    reconstructie van de werkwijze van de daders komt het Recherche
    Bijstands Team (RBT) uit op Ab A. (bijgenaamd Appie) als n van de
    vermoedelijke daders. Hij zou degene met de riotgun zijn geweest
    die de personeelsleden in koelen bloede heeft vermoord c.q.
    verwond. Gezien de werkwijze heeft hij waarschijnlijk ook al
    verschillende bankovervallen in Hilversum en Bussum, een overval op
    een postagentschap in Vreeland en een overval op een AH filiaal in
    Baarn op zijn geweten. Evenals in Oosterbeek waren bij deze
    gelegenheden de overvallers gekleed in overalls en bivakmutsen,
    dreigden zij met een riotgun en een pistool en gebruikten gestolen
    Opels als vluchtauto’s die zij na achterlating besprenkelden met
    ondermeer ammoniak. Noot Al snel is derhalve duidelijk
    dat Appie A. waarschijnlijk betrokken is bij deze zoveelste
    overval, dit keer met dodelijke afloop. Echter, sluitend bewijs kan
    niet worden verkregen met methoden als semascan, het opvragen van
    gegevens bij PTT-Telecom, de inbeslagname van post, videocamera’s,
    direct afluisteren in een Huis van Bewaring, afluisteren van
    telefoongesprekken onder andere met een Kolibrie, opvragen van
    bankgegevens etc. Om in de buurt te kunnen komen van Appie A. wordt
    besloten over te gaan op politile infiltratie.

    Politile infiltratie

    Vanaf april 1992 heeft de ingezette pseudo-koper (A 807) van het
    Amsterdamse infiltratieteam regelmatig contact met Appie A. tijdens
    kerkdiensten van de Jehova’s Getuigen in Bussum. De CID-officier in
    deze zaak, Koers, zegt hierover tijdens zijn openbaar verhoor:

    De heer Koers:
    (…) Het bijzondere in deze situatie was dat de
    hoofdverdachte in die zaak, die het middelpunt was van, zeg maar,
    zo’n zestig kennissen, vrienden om hem heen, slechts op n publiek
    toegankelijke plaats echt kwam. Dat was in die gemeenschap. Toen
    hebben wij ons de vraag gesteld: op welke manier zou het mogelijk
    zijn, iemand in de buurt van die hoofdverdachte te brengen, niet om
    hem te verhoren, maar om aanwezig te zijn? Als de politie, zeg
    maar, in die kring van zestig betrokken of kennissen en vrienden
    met getuigenverklaringen zou beginnen en als het ware steeds
    dichterbij zou komen, dan ontstaat er psychologisch druk, zeker als
    je geweten niet schoon is. En als je dan iemand in de buurt kunt
    hebben die, als er onder die druk een uitlaatklep gezocht wordt,
    aanwezig is om te horen wat er gezegd wordt, zou dat mooi zijn. Die
    vraag hebben wij ons gesteld. Toen hebben wij gezegd: wij
    kunnen/moeten gaan kijken of dat lukt. Vervolgens bleek dat
    eigenlijk de enige plek om mogelijk een contact te laten ontstaan,
    die bijeenkomst was. Toen hadden wij gelijk een groot probleem. Ik
    had een gewetensprobleem; anderen ook: mag je dat doen of mag je
    dat niet doen? Wij hebben daar intern over gepraat, er best lang
    over gepraat. Ik kan mij nog herinneren dat wij toen bij de
    hoofdofficier geweest zijn. Ik weet niet wanneer hij bij de PG
    geweest is, maar er is behoorlijk over gepraat. Wij hebben gezegd:
    als wij nou iemand gewoon daar laten binnenkomen die absoluut geen
    contact zoekt…
    De heer Vos:
    Geen politieman?
    De heer Koers:
    …een politieman die eruit ziet als – en nu zeg ik het even
    zwart-wit – iemand met een crimineel verleden en je brengt hem dus
    in die geloofsgemeenschap waar onze hoofdverdachte aanwezig was
    die, zo zou je kunnen zeggen, het criminele verleden de rug toe
    gekeerd had, gekozen had voor die gemeenschap, maar wel dat
    wereldje nog kende en waarschijnlijk een bekeringsdrang zou
    hebben… En gelijk de eerste keer dat onze politieman zich daar
    vertoonde, gebeurde wat wij gehoopt hadden: de hoofdverdachte zelf
    nam contact met onze man op.
    Noot

    Dit contact komt dus snel tot stand. Appie A. blijkt te weten van
    het (gefingeerde) crimineel verleden van de politie-infiltrant, wat
    het gehoopte gevoel van verwantschap biedt. Tevens gaat het contact
    over woonruimte die Ab zal kunnen regelen voor A 807. Naarmate het
    contact vordert worden de ontmoetingen uitgebreid naar de
    woonadressen van zowel Ab als van A 807, alwaar bij de laatste
    video-opnamen met geluidopname worden gemaakt. Koers verklaart dat
    het tot nu toe verloopt volgens plan:

    De heer Koers:
    En dit is iets wat zo apart is en waar zo zwaar over
    nagedacht is. Ik denk nog steeds na over de vraag: hoe ver mag je
    juist met dat soort dingen gaan? Daarom kan ik het u zo precies
    vertellen. Ik heb dit als
    CID-officier gedaan; ik heb ook
    uiteindelijk gezegd: doen. Ik heb ook heel veel gesprekken gehad
    bij de briefing en de debriefing en de begeleiding daarvan. Toen
    hebben wij gezegd: het is mooi dat dat contact er is, maar er mag
    in die gemeenschap absoluut niets gebeuren.
    De heer De Graaf:
    Wat bedoelt u met niets gebeuren?
    De heer Koers:
    Al te uitgebreide gesprekken. Want het is een
    geloofsgemeenschap. Maar je kunt wel misschien zo ver komen dat de
    hoofdverdachte onze man een keer wou bezoeken. Dat is gebeurd.

    Noot

    Over en weer worden bij deze gelegenheden ontboezemingen gedaan
    over ieders crimineel verleden. Bij n van deze ontmoetingen zou Ab
    verteld hebben over zijn betrokkenheid bij de overval in
    Oosterbeek. Tevens vertelt Ab dat hij wil trouwen met zijn
    Chileense vriendin in Nederland waarna zij willen vertrekken naar
    Chili. Echter, er zijn problemen met de formaliteiten van de
    ondertrouw en hij vertelt geen geld te hebben om samen naar Chili
    te vertrekken. Hij werkt immers als concirge bij een school,
    waarvoor hij f.1500 per maand krijgt. De politie-infiltrant biedt
    hem aan om de tickets naar Chili te betalen, dit voorstellende in
    het kader van een soort ruil voor de woonruimte van Ab waar de
    politie-infiltrant dan in zou kunnen trekken. Zodoende kan er
    controle gehouden worden op de vertrekdatum. Later is er nog het
    plan om samen, Ab en A 807, naar Chili te vluchten omdat het de
    politie-infiltrant ook te heet onder de voeten zou zijn geworden.
    Om onduidelijke redenen verstrekt A 807 aan Ab een bedrag van 2500
    gulden.

    Echter, op een gegeven moment komt Ab niet meer opdagen bij de
    Jehova-diensten en niemand schijnt te weten waar hij is. Later
    blijkt dat de druk van de politie hem te groot is geworden omdat
    personen in zijn omgeving, waaronder zijn vriendin, worden
    aangehouden voor een verhoor over de connectie van Ab met de
    overval te Oosterbeek. Tevens blijkt hij gehoord te hebben dat A
    807 een infiltrant is. In paniek stapt hij op een avond in oktober
    1992 op het vliegtuig naar Chili, zonder zelfs zijn vriendin in te
    lichten. De vogel is gevlogen. Noot

    Het onderzoek ter terechtzitting

    Naar aanleiding van een uitleveringsverzoek van de Nederlands
    overheid aan de Chileense autoriteiten is Appie A. in november 1994
    aan Nederland uitgeleverd. Dit ondanks het feit dat er geen
    uitleveringsverdrag is tussen Nederland en Chili.

    Ter terechtzitting wordt door de voorzitter een brief
    voorgelezen van de hand van Appie A. waarin hij aan de nabestaanden
    zijn spijt betuigt. Hij bekent de overvallen. De verdediging voert
    ondermeer aan dat met betrekking tot de infiltratie-actie
    onregelmatigheden hebben plaatsgevonden waardoor het openbaar
    ministerie niet-ontvankelijk in haar vervolging zal moeten worden
    verklaard. De rechtbank is echter van mening dat met het
    getuigenverhoor van de teamcommandant van het politile
    infiltratieteam en de overlegging van de processen-verbaal van A
    807 genoeg uitsluitsel wordt gegeven over de gang van zaken tijdens
    de infiltratie. Tevens acht zij het recht op een rustig en
    ongestoord verloop van de godsdienstuitoefening niet geschonden.
    Bovendien wordt de op deze manier verzamelde informatie niet als
    bewijs gebruikt. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk
    in haar vervolging van Appie A. Noot

    De rechtbank oordeelt op 18 april 1995 Appie A. schuldig aan
    moord en poging tot moord, dubbele afpersing en een poging tot
    afpersing. Ondanks een psychiatrisch rapport dat Appie A. tijdens
    de misdrijven minder toerekeningsvatbaar was, is levenslange
    gevangenisstraf zijn deel. Noot Het ingestelde hoger
    beroep wordt ingetrokken.

    5.6.4. Export zaak Twente Een illustratie van een
    opsporingsonderzoek waarbij een

    combinatie van methoden wordt ingezet, waaronder
    burgerinfiltratie

    Feiten en omstandigheden

    In Twente houden de heren M., C. en B. zich bezig met criminele
    zaken. Al geruime tijd gaan er in Twente geruchten over de aard van
    deze zaken. Zij zouden zich bezig houden met mensensmokkel uit
    India en Pakistan naar Nederland en Engeland. Tevens zouden zij
    betrokken zijn bij de handel in verdovende middelen. Deze
    informatie bereikt de CID van de Koninklijke Marechaussee (KMar) en
    de RCID van de regiopolitie Twente. De informant van de RCID Twente
    is geclassificeerd meestal betrouwbaar, en de informatie
    gehoord/niet bevestigd. Noot

    Een proactief onderzoek wordt gestart. In dit onderzoek komt
    wederom CID-informatie over de criminele organisatie van de
    informant maar nu met betrekking tot een concrete container,
    vermoedelijk met verdovende middelen. De politie besluit deze zaak
    nader te onderzoeken en richt een opsporingsteam op in januari 1994
    onder de naam Exportteam. De KMar, in verband met de vermeende
    mensensmokkel, en de politie Twente zijn hierin vertegenwoordigd.
    Doel is om de criminele organisatie op te rollen en het
    wederrechtelijk verkregen vermogen te ontnemen. Noot In
    de loop van het onderzoek blijkt inderdaad dat de organisatie zich
    bezighoudt met de smokkel van mensen (Sikhs) en verdovende
    middelen, zowel hard- als softdrugs. Het betreft eigenlijk twee
    deelorganisaties met enkele dwarsverbindingen. Beide opereren wel
    onder de leiding van B. en C. Deze Twentse organisatie is een
    zijtak van een criminele organisatie die opereert in het westen des
    lands. De opsporing richt zich op beide deelorganisaties. Deze
    casus richt zich met name op het onderzoek naar die tak
    van de organisatie die zich bezighoudt met de handel in verdovende
    middelen. Dit vanwege de inzet van het middel
    burgerinfiltratie.

    Politieel en justitieel onderzoek

    De RCID Twente doet vanaf eind 1992 proactief onderzoek naar
    deze bende. Een observatieteam wordt ingezet en video-apparatuur
    wordt geplaatst. Tevens worden informanten gerund. Tijdens deze
    proactieve fase nemen andere opsporingsinstanties partijen
    verdovende middelen, die vervoerd worden in containers, in beslag
    die bestemd zijn voor de criminele organisatie in kwestie. Dit zijn
    drie partijen verdovende middelen. Deze acties leveren niet veel
    duidelijkheid op over de criminele organisatie. In de loop van het
    proactieve onderzoek kan de verkregen CID- informatie over de
    criminele activiteiten onvoldoende bevestigd worden. In januari
    1994 besluit de RCID Twente om een container gecontroleerd door te
    laten teneinde uitsluitsel te krijgen over de vraag of de zaak zich
    nu leent voor ontmanteling door opsporing of niet. De politie
    observeert de container die naar een bedrijf in Geesteren gaat.
    Hierbij komen M. en B. in zicht. Het spul gaat zonder tussenkomst
    van de politie het milieu in. Noot De doorlating
    bevestigt de reeds aanwezige RCID informatie. Duidelijk wordt dat
    een opsporingsonderzoek kan worden opgestart.

    Burgerinfiltratie

    In januari 1994 wordt het Exportteam opgericht dat onderzoek
    gaat doen op basis van RCID-informatie en een analyserapport. Het
    blijkt dat er nog onvoldoende uitsluitsel is over de betrokkenheid
    van individuele leden van de criminele organisatie zowel bij de
    smokkel van verdovende middelen, als bij de mensensmokkel. Verder
    is er nog geen duidelijkheid over de lokatie van de opslagplaatsen
    van de verdovende middelen en de financile stand van zaken. De RCID
    besluit in januari 1994 tot de inzet van de eerder vermelde
    informant als burgerinfiltrant. Deze wordt door een andere RCID
    overgedragen. De introductie van een politie-infiltrant wordt niet
    mogelijk geacht gezien het gesloten familiekarakter van de
    criminele organisatie. De burgerinfiltrant moet duidelijkheid
    scheppen over de daadwerkelijke handel in verdovende middelen.
    Incidenteel mag hij strafbare feiten plegen teneinde zijn rol
    binnen de criminele organisatie op geloofwaardige wijze te
    vervullen. Hij heeft deelgenomen aan diverse transporten. De
    infiltratie-actie duurt ongeveer acht maanden. In deze periode
    wordt de infiltrant afgeluisterd en geobserveerd teneinde te
    checken of de verstrekte informatie klopt. Er worden geen
    processen-verbaal opgemaakt van de activiteiten van de infiltrant.
    Noot De infiltrant verdient aan zijn activiteiten voor
    de criminele organisatie. De afspraak is dat hij alle verdiensten
    inlevert bij de RCID. Dit is tot eind 1995 echter nog niet gebeurt.
    Er is hem een tipgeld van f.10.000,- in het vooruitzicht gesteld.
    Noot In het kader van dit opsporingsonderzoek worden
    zestien gerechtelijke vooronderzoeken geopend waarin een aantal
    opsporingsmethoden wordt ingezet, te weten het tappen van faxen en
    (auto)telefoons, al dan niet met een kolibrie, het parallel
    schakelen van semafoons en het opvragen van (historische)
    printgegevens. Tevens worden er acht strafrechtelijk financile
    onderzoeken geopend.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken