• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 6.3 Juridische grondslag

    6.3 Juridische grondslag

    Voor informatie-inwinning door de politie bestaat geen
    expliciete wettelijke regeling. Er wordt wel vanuit gegaan dat het
    de politie vrijstaat aan een ieder vragen te stellen, maar niet
    iedereen is het daar ongeclausuleerd mee eens.

    De heer Willems :
    Ik heb daar wel vraagtekens bij. Ik heb begrepen dat er vrij
    intensief onderzoek is gedaan bij banken. Ik meen dat dit niet
    zonder meer vrij kan staan. Je kunt beginnen met de formulering,
    dat de politie mag wat een burger mag. U zegt terecht dat de
    politie toch niet de gewone burger is. Als de politie het doet,
    gebeurt dat op een manier en een schaal, waaraan je nooit toekomt
    in de gedachte van wat de burger mag. U moet mij niet vragen hoe ik
    dat precies moet definiren.
    Noot

    Wat daar ook van zij, aannemelijk is dat het hier om
    opsporingsmethodieken gaat, die gemeld moeten worden in een
    proces-verbaal (art. 152 Sv).

    De voorzitter:
    Nog een vraag over de zaak-Z wat betreft het verbaliseren.
    Ons is gebleken – wij hebben er ook een ambtsbericht over gekregen
    van de officier van justitie Valente – dat er ook onderzoek is
    gedaan bij bankinstellingen, deels tijdens de pro-actieve fase. Dat
    staat niet gemeld in het proces-verbaal van de heer Woelders.
    Brengt dat u tot andere gedachten? Had dat gemeld moeten worden? Is
    dat een opsporingsmethodiek of niet?
    De heer Willems:
    (..) Het is een activiteit in het kader van opsporing,
    gericht op de verdenking en de verdachte. De politie moet van de
    ambtshandelingen in dat verband proces-verbaal opmaken. Dat had
    gemeld moeten worden.
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Was Z. verdacht toen u die financile informatie
    inwon?
    De heer Valente:
    Zeker.
    De heer Koekkoek:
    Maar toch niet van het feit waarvoor u die informatie nodig
    had?
    De heer Valente:
    Z. Was verdachte van handel in verdovende middelen.
    De heer Koekkoek:
    Maar u had het nodig voor verdenking ingevolge artikel 140
    inzake criminele organisaties.
    De heer Valente:
    Dat was iets anders. Er lopen twee situaties door elkaar. Er
    loopt een onderzoek in de pro-actieve fase, om maar een afgezaagd
    woord te gebruiken, met betrekking tot verdenking van het deelnemen
    aan een criminele organisatie. Daarnaast is er iemand verdacht van
    handel in verdovende middelen.
    De voorzitter:
    Dat is toch ontzettend onhelder?
    De heer Valente:
    Het is niet onhelder, voorzitter. Stelt u zich voor dat A.,
    B., C. en D. stuk voor stuk verdachten zijn van handel in
    verdovende middelen. Stelt u zich vervolgens voor dat de melding
    binnenkomt dat A., B., C. en D. met elkaar een akkoord hebben
    gesloten en dat ze gezamenlijk op grote schaal verdovende middelen
    gaan exporteren naar Canada. Ze zijn dus verdachten. Artikel 27 van
    het Wetboek van Strafvordering is van toepassing. Maar je hebt ook
    een
    CID-subject in dezelfde verdachten. Een subject van het
    deelnemen aan een criminele organisatie. Er zijn dus twee zaken die
    door elkaar heen lopen.
    De voorzitter:
    Het punt is dat wij proberen enige helderheid in iets te
    scheppen over wanneer iets wel kan en wanneer iets niet kan.
    (…)
    De heer Valente:
    Neen, er zijn vier gevallen. In een geval is men naar een
    bank gegaan. Er is uitgelegd wat het team deed en de bank is
    gevraagd of er in zijn algemeenheid over informatie gesproken zou
    kunnen worden. Er is geen informatie gegeven. Er is alleen om
    gevraagd. Het team is gepresenteerd; er is een soort

    presentatie gegeven. Vervolgens is in drie gevallen met drie
    banken gepraat. Het eerste geval daarvan betreft een onderzoek bij
    het kadaster…

    De heer De Graaf:
    Met uw goedvinden, zou ik daar nu niet al te uitgebreid op
    willen ingaan, ook gelet op de tijd.
    De heer Valente:
    Ja, maar dan blijft het in de lucht hangen.
    De voorzitter:
    Maakt u dan maar kort af wat er toen is gebeurd.
    De heer Valente:
    Men is dus bij het kadaster geweest en men constateert dat
    de verdachte in de zaak in grote weelde woont. Men gaat onderzoeken
    wie de eigenaar is van de desbetreffende woning. En tot grote
    verrassing blijkt dat niet de verdachte eigenaar is maar dat er een
    hypotheekgever is die iemand anders is. De hypotheeknemer is de
    ABN. Dus wordt de ABN gevraagd hoe dat zit. Dus de vraag is of Z.
    in dezen een beroep kan doen op een geschonden belang, hij is geen
    eigenaar van de woning.
    De voorzitter:
    Het punt is het volgende. Eerder heeft de leider van het
    Landelijk Rechercheteam die ook aan de zaak Z. heeft meegewerkt het
    volgende gezegd; er is de formele regeling met betrekking tot het
    verkrijgen van informatie die eventueel een bank niet wil geven en
    die daartoe uiteindelijk verplicht kan worden; wat je nu doet is
    van tevoren met de bank afspraken te maken of ze die eventueel
    verder zal geven en hoe. Dus je creert een voortraject ter zake
    waarvan in de wet duidelijk staat hoe men de informatie kan
    afdwingen.
    De heer Valente:
    Laat u mij mijn verhaal eerst afmaken. Alles moet in de
    juiste proporties bezien worden. Wij moeten naar de werkelijkheid
    kijken. IN het geval waarover ik het net had, is verder niets meer
    gedaan. In het kader van een strafrechtelijk-financieel onderzoek
    zijn de stukken opgehaald. De informatie van de bank is alleen
    geweest dat er een miljoen gulden borg openstond. Vervolgens is er
    met betrekking tot een bedrijf bij de Kamer van koophandel bekeken
    uit wie de directie van dat bedrijf bestond. Uit dat onderzoek
    bleek dat dit bedrijf een bankrekening bij een bepaalde bank had.
    Men is langs die bank gegaan om te vragen of dat klopte.
    De voorzitter:
    Maar dat zijn vragen waarop u wel een antwoord krijgt en als
    wij die vragen stellen niet. Dat is het verschil.
    De heer Valente:
    Neen, dat is niet waar. Op dat ogenblik was er sprake van
    een verdenking. Zou er geen sprake zijn van een verdenking dan mag
    de politie alles doen wat een burger kan doen. De banken kunnen
    gewoon informatie weigeren, hetgeen ze in veel gevallen hebben
    gedaan.
    De heer De Graaf:
    Het gaat ons hier niet om de vraag of het nu mocht of niet;
    het gaat ons erom waarom u, terwijl u zelf opsporingsmethoden
    definieert in uw ambtsbericht als werkwijzen en technieken die niet
    in de wet zijn geregeld en die doorgaans in de pro-actieve fase
    worden toegepast, dit gegeven niet in het proces-verbaal heeft
    opgenomen.
    De heer Valente:
    Omdat het mij op dat moment niet opviel als een werkmethode.
    Heel simpel. Ik denk dat als ik er vandaag mee geconfronteerd zou
    worden, ik het ook nog niet zou doen. Ik vind niet dat het een
    werkmethode was. Bovendien was dezelfde informatie allang in
    circulatie. Het had mij geen moeite gekost om die informatie op
    tafel te leggen. (…)
    De heer Valente:
    Het is vastgelegd in dagjournaals en dagrapporten, maar niet
    in het proces-verbaal van de strafzaak zelf. Overigens, ik zeg dit
    zonder dat ik het geverifieerd heb. Zoals ik ook stelde in mijn
    ambtsbericht, er is een zevental ordners inzake het financieel
    onderzoek en ik heb ze niet allemaal doorlopen. Ik heb ook niet
    paraat of de contacten daarin zijn vastgelegd. Misschien ben ik
    voorbarig als ik zeg dat ze niet vastgelegd zijn, terwijl het best
    zou kunnen zijn dat er in genoemde ordners wel iets over
    staat.
    De voorzitter:
    Ik wil dit onderdeel afsluiten met de conclusie dat van de
    kant van de wet- en regelgever meer duidelijkheid niet ongelegen
    zou komen, in ieder geval wat ons betreft.
    Noot

    Er doen zich vervolgens twee problemen voor. Ten eerste is het de
    vraag of degene aan wie de vraag wordt gesteld, het recht heeft te
    weigeren de vraag te beantwoorden; ten tweede is het de vraag wat
    de politie met eventueel verkregen gegevens mag doen.

    In beginsel staat het ieder vrij om een vraag van de politile of
    justitile autoriteiten niet te beantwoorden. Dat wordt pas anders
    als betrokkene wordt opgeroepen als getuige (artt. 221 en 289 Sv),
    of een bevel tot uitlevering van stukken wordt uitgevaardigd; maar
    op die problematiek wordt hier nu niet ingegaan. Het kan zijn dat
    degene aan wie de politie vragen stelt bijvoorbeeld een financile
    instelling, een transportbedrijf, of een notariskantoor – zich op
    grond van een wettelijke zwijgplicht of op andere (dikwijls aan het
    recht op privacy van degene over wie informatie wordt gevraagd
    ontleende) overwegingen genoopt ziet die vragen niet te
    beantwoorden. In het bijzonder gegevens die worden gevraagd uit
    persoonsregistraties, staan voor degene die door de politie wordt
    benaderd onder bescherming van de Wet persoonsregistraties (WPR).
    Voor het verstrekken aan een derde – een persoon of instantie
    buiten de organisatie van de houder, dat is dus ook de politie –
    geldt voor alle persoonsregistraties de volgende hoofdregel:
    Gegevens mogen slechts aan een
    derde worden verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel
    van de registratie of wordt vereist ingevolge een wettelijk
    voorschrift danwel met toestemming van de geregistreerde (art. 11
    lid 1 WPR). Buiten deze gevallen kunnen gegevens alleen op verzoek
    aan een derde worden verstrekt op grond van een dringende en
    gewichtige reden of ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek,
    mits de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde daardoor
    niet onevenredig wordt geschaad (art. 11 lid 2 WPR). Deze
    belangenafweging moet gemaakt worden door de houder van het
    register.

    Het doel van de registratie is zelden de opsporing en vervolging
    van strafbare feiten (met uitzondering van de registraties van de
    bijzondere opsporingsdiensten). Een algemeen wettelijk voorschrift
    gegevens te verstrekken wordt niet vaak aangetroffen.

    Een voorbeeld is de vordering ex art. 125f Sv van de officier
    van justitie of, tijdens een gerechtelijk vooronderzoek, de
    rechter-commissaris, danwel het bevel van uitlevering van stukken,
    gegeven door een opsporingsambtenaar, in het kader van een
    strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126a Sv). Wanneer nu de
    politie in het kader van een concreet opsporingsonderzoek een
    vliegtuigmaatschappij vraagt om vluchtgegevens met betrekking tot
    een bepaalde persoon, zal deze bevraging niet spoedig vallen onder
    de in art. 11, eerste lid WPR genoemde gevallen. Resteert de
    dringende en gewichtige reden. Naar de woorden van de minister ten
    tijde van de totstandkoming van de WPR zal de politieman een
    spoedeisend belang moeten hebben dat op zichzelf genomen van
    voldoende betekenis is. De minister bezigde daarbij de voorbeelden
    camaliteiten en noodgevallen. Noot

    Dat het in de rechtspraak wel mee valt met het vereiste van een
    spoedeisend belang blijkt bijvoorbeeld uit het arrest van de Hoge
    Raad van 8.november 1994 Noot:
    Ook voor zover het middel bedoelt te betogen dat het verstrekken
    van inlichtingen over telefoonnummers en tenaamstellingen van
    telefoonnummers moet gelden als een inbreuk op het private life in
    de zin van het eerste lid van art. 8 EVRM welke niet is in
    accordance with the law and (…) necessary (…) in the interests
    of (..) public safety or (…) for the prevention of disorder or
    crime (…) in de zin van het tweede lid van art. 8 EVRM, en om die
    reden onrechtmatig is, faalt het. Ingevolge art. 11 tweede lid van
    de Wet persoonsregistraties (WPR) kan de PTT de gevraagde
    inlichtingen verschaffen indien daartoe een dringende en gewichtige
    reden bestaat. ‘s Hofs oordeel dat een redelijke verdenking dat een
    misdrijf voorzien in de Opiumwet is gepleegd zodanige dringende en
    gewichtige reden oplevert en het verschaffen van de bedoelde
    inlichtingen rechtvaardigt, is juist.

    Of sprake is van een dringende en gewichtige reden indien door
    de politie aan een bank inlichtingen worden gevraagd als het spoor
    van een witwasoperatie wordt gevolgd is de vraag: er doen zich dan
    immers vragen voor waarbij in elk geval een verdenking jegens de
    (onbekende) personen over wie gegevens worden gevraagd niet is hard
    te maken.

    Feitelijk gaat het dan bijvoorbeeld over een rekening met een
    nep-tenaamstelling, waarop vermoedelijk crimineel geld is gestort;
    vanaf die rekening worden vier bedragen overgemaakt op vier
    rekeningnummers en de politie wil van de bank vernemen hoe deze
    nummers zijn tenaamgesteld. Dat kunnen vier gewone – als
    fatsoenlijk ingeschatte – klanten van de bank zijn. Moet de bank nu
    deze namen doorgeven en zo ja moet de bank dan de politie inzage
    geven in de overboekingen van deze vier klanten (van wie er een in
    het witwastraject zit, maar de andere drie niet? Die afweging wordt
    de bank geacht te maken aan de hand van de dringende en gewichtige
    reden alsmede de persoonlijke levenssfeer.

    Dezelfde vraag kan worden opgeworpen met betrekking tot de
    verstrekking van persoonsgegevens ten behoeve van een
    fenomeenonderzoek.
    De beoordeling door de houder wordt niet vergemakkelijkt doordat in
    de regel het politieonderzoek in welk verband de gegevens nodig
    zijn, in heimelijkheid plaatsvindt. Uit recherche-tactisch oogpunt
    is het dan doorgaans onwenselijk om de geregistreerde om
    toestemming te vragen en hem of haar vroegtijdig op de hoogte te
    brengen van de gang van het onderzoek: er ligt dus geen toestemming
    van de geregistreerde. Maar bovendien zal om dezelfde reden ook
    terughoudendheid worden betracht in het geven van inzicht aan de
    registratiehouder over het doel van de vraag. De afweging tussen
    het belang dat de politie met verstrekking van die gegevens heeft
    en het belang van de geregistreerde dat zijn persoonlijke
    levenssfeer niet onevenredig wordt geschaad, zal door de houder
    vaak slechts marginaal (zeer abstract) kunnen geschieden. Ook
    andere factoren die normaliter een rol spelen bij de beoordeling
    van een verzoek om inzage kunnen nauwelijks worden ingeschat:
    bijvoorbeeld het toekomstig gebruik van de informatie en de andere
    mogelijkheden van de politie om de informatie te verkrijgen.

    De problemen aan de zijde van de houder om zijn wettelijke
    plicht tot afweging na te komen, zou de politie of het OM kunnen
    hebben gebracht tot het inbouwen van garanties zodat geen onnodige
    vragen zullen worden
    gesteld. Dat is niet systematisch gebeurd. De officier van justitie
    Valente, met betrekking tot het gevolgde financile traject in de
    zaak Z., hechtte aan deze factoren kennelijk weinig waarde: Reeds
    gelet op de omstandigheid dat die instellingen de vrijheid hadden
    om geen antwoord te geven op de gestelde vragen en in sommige
    gevallen ook geen antwoord hebben gegeven, kan geen sprake zijn van
    een onderzoeksactiviteit waarvan aanstonds gezegd kan worden dat
    daardoor door de opsporingsambtenaren rechten en vrijheden van
    burgers geschonden zijn. Noot

    Maar dat betekent niet dat het OM in het ressort Amsterdam
    grenzeloze mogelijkheden ziet om aan informatie-inwinning via
    derden te doen.

    De voorzitter:
    Wij hebben hier al eerder gesproken over het vragen van
    informatie bij banken. Moet je daar verdachte voor zijn?
    De heer Vrakking:
    Ja. Noot In elk geval wordt bij de
    onderzoeken van de kernteams steeds overleg gevoerd met betrekking
    tot aan derden te stellen vragen.
    De heer De Graaf:
    Er wordt wel eerst met u doorgenomen of er zo’n vraag wordt
    gesteld aan de KLM of een bank?
    Mevrouw Gonzales:
    Daar hebben wij het in het algeheel overleg over. Het wordt
    inderdaad doorgenomen.
    Noot Het is evenwel de vraag
    – gehoord diverse politiefunctionarissen – of deze door
    vertegenwoordigers van het OM genoemde criteria (verdenking en
    toestemming OM) in de reguliere politiepraktijk worden gehanteerd.
    Op dit moment wordt door het OM in samenwerking met de Nederlandse
    Vereniging van Banken gewerkt aan een Richtlijn voor het openbaar
    ministerie inzake de medewerking van banken Noot aan
    onderzoeken. Dit om vrijwillige gegevensverstrekking van banken –
    dus anders dan het voldoen aan een bevel tot uitlevering van
    stukken op strafvorderlijke titel – een duidelijke basis te geven.
    Slechts in bepaalde situaties zal op verzoek van de officier van
    justitie vrijwillig informatie worden verstrekt. In een dergelijk
    verzoek moet aangegeven worden, dat de aard van het onderzoek van
    zo’n zwaarwegend maatschappelijk belang is, dat het gewenst is dat
    verstrekt wordt. Een dergelijke motivering zal in veel gevallen,
    als gevolg van geheimhouding uit recherche-tactisch oogpunt,
    slechts in zeer algemene bewoording kunnen plaatsvinden. Voor
    verstrekking van gegevens uit een registratie van een (semi)
    publieke sector aan een persoon of instantie met een
    publiekrechtelijke taak geldt naast de genoemde hoofdregel een
    ruimer verstrekkingsregime. Een dringende en gewichtige reden is in
    dat geval niet vereist en verstrekking is desgevraagd mogelijk voor
    zover de vrager deze gegevens nodig heeft voor de uitvoering van
    zijn taak en de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig door de
    verstrekking wordt geschaad (art. 18 lid 3 WPR). Wederom bestaat er
    geen plicht tot verstrekking en is het de houder die de
    belangenafweging maakt. In het kader van informatie-inwinning door
    de politie bij derden kan in het bijzonder gedacht worden aan
    politile bevraging van de registers van de bijzondere
    opsporingsdiensten. De belangenafweging draait dan met name om de
    aard van de betrokken taken en de wijze waarop deze zich tot elkaar
    verhouden, de aard van de betrokken gegevens en de wijze waarop
    deze verkregen zijn, en tenslotte om de vraag in hoeverre andere
    mogelijkheden aanwezig zijn om in de informatiebehoefte van de
    vragende instantie te voorzien. Noot De verstrekking van
    gegevens blijft, ondanks de hoofdregel en haar
    verruimingsmogelijkheid, achterwege voor zover uit hoofde van ambt,
    beroep of wettelijk voorschrift geheimhouding is geboden (art. 11
    lid 3 WPR). In overeenstemming met art. 272 Sv kan gedacht worden
    aan bijvoorbeeld een ambtenaar, accountant, notaris en arts. Een
    oplossing voor het spanningsveld tussen de wettelijke fiscale
    geheimhoudingsplicht van de belastingdienst en het opsporingsbelang
    wordt gevonden in de ontheffingsmogelijkheid van de
    staatssecretaris van Financin. In het Voorschrift
    Informatieverstrekking 1993 Noot wordt bepaald dat voor
    verstrekking aan opsporingsinstanties het hoofd van de eenheid,
    respectievelijk de teamleider van de FIOD het belang van de
    belastingplichtige bij geheimhouding afweegt tegen het
    maatschappelijk belang van bekendmaking aan de
    opsporingsinstanties. Wanneer deze weging ten gunste van de
    opsporing uitvalt, kunnen gegevens verstrekt worden. Andere
    kwesties over informatieverstrekking aan opsporingsinstanties en
    -diensten worden voorgelegd aan het hoofd van de FIOD. Indien deze
    tot informatieverstrekking besluit, is degene die over de
    informatie beschikt van zijn geheimhoudingsplicht ontheven. Een
    bijzonder soort verstrekking is de koppeling. De wet spreekt in dit
    verband slechts van eventuele verbanden tussen de registratie en
    enige andere gegevensverzameling (art. 20 lid 2 sub h WPR). Dan
    worden twee of meer bestanden systematisch (en doorgaans
    automatisch) vergeleken met als doel individuen te vinden
    die in meer dan n bestand voorkomen (de zogenaamde
    Rasterfahndung). Al naar gelang het doel van de

    verstrekking kan onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waaruit
    sterke aanwijzingen van wetsovertreding naar voren komen en
    gevallen waarin slechts risico-groepen worden gedentificeerd. In
    het eerste geval (het zogenaamde computermatching) worden bestanden
    gekoppeld, waar individuen redelijkerwijs niet gelijktijdig in
    kunnen zijn opgenomen. Dat gebeurt als bijvoorbeeld verdachten van
    fraude worden gezocht door registraties van de Sociale Dienst (GSD)
    te koppelen aan die van de Informatiseringsbank
    (studiefinanciering). Staat een persoon in beide bestanden te boek
    als ontvanger van overheidsgelden (enerzijds een uitkering en
    anderzijds een studiefinanciering) dan levert dit sterke
    aanwijzingen op voor fraude. In het tweede geval gaat het om een
    procedure die ook wel als computerprofiling bekend staat. Zo kunnen
    bijvoorbeeld mogelijke thuiskappers met een uitkering gevonden
    worden door het GSD-bestand te koppelen aan huishoudens met een
    extreem hoog waterverbruik; of aldus daadwerkelijk thuiskappers met
    een uitkering worden gevonden vergt echter nader onderzoek.

    Wil koppeling met bestanden van derden toegepast kunnen worden
    dan dient het toepasselijke reglement een regeling hieromtrent te
    bevatten (art 18 lid 3 juncto art. 20 lid 2 sub h WPR).
    Inhoudelijke beperkingen aan de politie om al dan niet tot
    koppeling met bij haarzelf berustende registers over te gaan zijn
    niet aangetroffen: ook grijze-veldregisters en registers van
    contacten kunnen onbeperkt worden gekoppeld. Koppeling vindt
    bijvoorbeeld dagelijks plaats bij vergelijking van de
    CID-subjectenindex en de binnengekomen meldingen van
    ongebruikelijke transacties (art. 12 lid 1 sub b juncto art. 14 lid
    2 BPolR). Met betrekking tot het financieel rechercheren dient nog
    opgemerkt te worden dat het register van het MOT geldt als
    politieregister, ondanks het feit dat het register geen betrekking
    heeft op de traditionele politietaak. Verstrekkingen daaruit kunnen
    plaatsvinden ten behoeve van de opneming in een CID-register of als
    uit de gegevens blijkt dat een redelijk vermoeden voortvloeit dat
    een bepaalde persoon een misdrijf heeft begaan. Als de politie
    eenmaal over informatie beschikt, zal zij deze zelf opslaan.
    Uitgebreider wordt hierop ingegaan in Hoofdstuk 8,
    Informatiehuishouding. Hier kan worden volstaan met de betekenis
    van de Wet politieregisters (WPolR) voor de drie in dit hoofdstuk
    behandelde onderwerpen.

    Een politieregister mag slechts worden aangelegd voor een
    bepaald doel en alleen voor zover dit noodzakelijk is voor de goede
    uitvoering van de politietaak. De taak van de politie is (in
    ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met
    de geldende rechtsregels) zorg te dragen voor de daadwerkelijke
    handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die
    deze behoeven (art. 2 Politiewet 1993). De handhaving van de
    rechtsorde valt uiteen in de strafrechtelijke handhaving en de
    handhaving van de openbare orde.

    Ten aanzien van sommige vormen van fenomeenonderzoek,
    bijvoorbeeld een doorlichting van de horeca in een bepaalde stad,
    lijkt het niet onmiddellijk zeker dat daarbij sprake is van
    uitoefening van de politietaak, hetgeen van betekenis is voor het
    registerregime: indien het onderzoek niet is aan te merken als
    uitoefening van deze politietaak is de Wet persoonsregistraties en
    niet de Wet politieregisters van toepassing. In de praktijk wordt
    in het kader van fenomeenonderzoek gebruik gemaakt van tijdelijke
    registers.

    De heer Rouvoet:
    Voor de helderheid: het ging niet om verdachten, het ging
    ook lang niet altijd om
    CID-subjecten of zelfs maar om
    grijze velders. Het ging in feite om een branchedoorlichting,
    waarbij u over allerlei kantoren en familie en personen die daarbij
    een rol speelden, informatie verzamelde. Wat deed u met die
    informatie van degenen waar u niet mee verder ging?
    De heer Van Gemert:
    Bij mijn weten is van die informatie een tijdelijk register
    opgemaakt. Nadat duidelijk was dat het onderzoek zich zou richten
    op een aantal daders, is alleen naar die daders gekeken. Die
    informatie – dat was afhankelijk van de aard van die informatie –
    was voor een belangrijk deel informatie uit open bronnen, zoals van
    Kamers van koophandel. Bij mijn weten zijn de uittreksels van de
    Kamer van koophandel wel nog voorhanden. Op die andere informatie
    hebben wij ons verder niet gericht. Wij zijn alleen met die vijf
    kantoren verder gegaan.

    A. Patijn heeft bepleit om ten behoeve van de opslag van gegevens
    voor fenomeenonderzoek een bijzondere procedure in het leven te
    roepen.
    Het gaat daarbij immers mogelijk om personen die geen verdachten
    zijn, geen CID-subjecten, laat staan deelnemen aan georganiseerde
    criminaliteit. Evenmin lijkt het mij in overeenstemming met de
    bedoeling van het grijze-veldregister om deze personen daarin op te
    nemen, daar het immers niet gaat om tips ten aanzien van
    individuele personen (…). De Wet politieregisters eist dat een
    registratie slechts wordt aangelegd voor zover dit noodzakelijke is
    voor de taakuitoefening van de politie. Daar er gegevens worden
    opgeslagen omtrent personen die misschien niets met de onderzochte
    vorm van criminaliteit te maken hebben, kunnen dergelijke
    registraties een gevoelig karakter hebben (…) Het is daarbij niet
    relevant of de gegevens afkomstig zijn uit open
    bronnen, zoals het telefoonboek of het handelsregister. Dergelijke
    persoonsregistraties lijken nog het meest op een tijdelijk register
    in de zin van art. 13 van de WPolR. Het beperkte
    verstrekkingsregime dat voor deze registers geldt, zou ook voor die
    inzake een fenomeenonderzoek moeten worden aangewend.
    Noot Het is niet altijd duidelijk of de gegevens van een
    fenomeenonderzoek in een tijdelijk register na zes maanden worden
    vernietigd, zoals de bedoeling is.

    De heer Rouvoet:
    De overige informatie is de versnipperaar in
    gegaan?
    De heer Van Gemert:
    Ik weet niet of dat ook daadwerkelijk is gebeurd.
    De voorzitter:
    Wat is er dan met het tijdelijk register gebeurd?
    De heer Van Gemert:
    Dat weet ik niet. Noot In een politieregister
    mogen alleen gegevens worden opgenomen die rechtmatig zijn
    verkregen en noodzakelijk zijn voor het doel (art. 4 WPolR). Uit
    een taakomschrijving kan vaak ook het doel worden gehaald,
    bijvoorbeeld de CID-en hebben tot taak het bevorderen van de
    opsporing en het voorkomen van misdrijven die gezien hun ernst of
    frequentie, danwel het georganiseerd verband waarin ze worden
    gepleegd een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Ook het
    verrichten van misdaadanalyse en het inwinnen van financile
    gegevens van CID-subjecten behoren tot de CID-taak. Tijdelijke
    registers kunnen ook worden aangelegd ten behoeve van
    misdaadanalyse en financieel rechercheren . Een voordeel hiervan is
    dat de reglementsplicht voor bepaalde tijd, in eerste instantie
    voor zes maanden, kan worden opgeschort en de daaraan verbonden
    bekendmaking (nog) niet plaatsvindt, zodat eventuele verdachten
    niet vroegtijdig op de hoogte wordt gesteld (art. 13 WPolR juncto
    art. 8 BpolR). Tot slot van deze paragraaf is het zinvol voormelde
    bevindingen van juridische aard in het perspectief te plaatsen van
    de zeer uitgesproken, negatieve stellingname van de
    Registratiekamer: De inzet van dit soort onderzoeksmethoden kan om
    diverse redenen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op de
    persoonlijke levenssfeer. Het is allereerst de vraag of voor
    dergelijk onderzoek een voldoende wettelijke grondslag bestaat. De
    grenzen van het Wetboek van Strafvordering en de Politiewet worden
    aanzienlijk opgerekt of wellicht zelfs overschreden. Ook in een
    ander opzicht plaatst de Registratiekamer vraagtekens bij
    dergelijke verkennende onderzoeken. Informatie wordt verzameld uit
    ongelijksoortige bronnen, waardoor de vergelijkbaarheid beperkt is.
    De betrouwbaarheid van de onderzoeksopzet staat vaak onvoldoende
    vast. De vervolgonderzoeken betekenen vaak diep graven in het
    priv-leven van personen ten aanzien van wie nog geen verdenking
    bestaat van een strafbaar feit. De uitkomst is meestal dat hooguit
    ten aanzien van een klein deel van de onderzochte personen
    werkelijk een rele verdenking ontstaat. Ten aanzien van de overigen
    is echter ingrijpend onderzoek verricht en blijven resultaten
    hiervan veelal bewaard. Stigmatisering van personen in een bepaalde
    sector of branche of met andere gemeenschappelijke kenmerken, zoals
    het hebben van een uitkering of het deelnemen aan de
    effectenhandel, kan het gevolg zijn van dergelijke
    onderzoeksmethoden. Noot


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken