• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 7.4 Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht

    7.4 Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht

    7.4.1 Inleiding

    Medio 1992 was er contact tussen CID chef Dordrecht Van der
    Putten en CID-chef Haarlem Langendoen, waarbij de problematiek van
    het invoeren van containers met verdovende middelen aan de orde
    kwam. Noot Langendoen zocht een chauffeur om een
    container uit de haven te halen. Van der Putten introduceerde
    chauffeur M. bij Langendoen. Langendoen verklaart dat chauffeur M.
    vanaf 1992 ook daadwerkelijk zijn ingeschreven bij de CID Haarlem.
    De commissie heeft dat niet kunnen vaststellen. M. was behulpzaam
    bij het binnenhalen van containers voor het IRT. Daarmee was de
    Delta-methode voor het IRT begonnen.

    7.4.2 IRT Noord-Holland/Utrecht

    Oprichting

    Vanaf 1987 is begonnen met de vormgeving van interregionale
    samenwerking tussen politiekorpsen ter bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit. De oprichting van het eerste
    interregionale team ging gepaard met de nodige strubbelingen.
    Noot Begin december 1988 kwam een convenant tot stand
    tussen de samenwerkingsorganen van de deelnemende regio’s, het OM
    en het bestuur. Partijen spraken af om een Interregionaal
    Rechercheteam (IRT) op te richten ter bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit. Er kwam een complexe beheersstructuur
    tot stand met verschillende commissies waarin alle betrokkenen een
    stem hadden.

    Mevrouw Schmitz :
    Ik moet zeggen dat de verhoudingen zo ongeveer vanaf het
    eerste uur moeilijk zijn geweest. Terwijl een ieder gehoopt had op
    stevige samenwerking in het belang van de aanpak van de zware
    criminaliteit, hebben wij toch tal van praktische moeilijkheden en
    onderlinge strubbelingen in de samenwerking gehad.

    Noot

    In de beheerscommissie werd nooit gesproken over de
    opsporingsmethoden die door het IRT zouden worden gebruikt. De
    beheerscommissie verdiepte zich niet in hoe het IRT feitelijk
    werkte. Noot Vanaf begin 1989 werd begonnen met de
    opbouw van het IRT. Lith, commissaris te Utrecht, werd aangewezen
    als teamleider voor het IRT. Augusteijn werd chef CID van het IRT.
    Daarbij werd samengewerkt met de CID Kennemerland, vanaf 1991 onder
    leiding van Langendoen. De verhouding tussen de CID Kennemerland en
    de CID van het kernteam was onduidelijk.

    De heer De Graaf:
    Maar de heer Augusteijn was toch niet uw chef?
    De heer Langendoen:
    Normaal gesproken niet omdat dit twee aparte organisaties
    zijn, maar in deze constructie wel.
    De heer De Graaf:
    Is dat ooit zo afgesproken?
    De heer Langendoen:
    Dat is zo afgesproken met de heer Lith. Noot
    Officier van justitie Franken van Bloemendaal werd belast met het
    dagelijkse justitile gezag over het IRT. Hij werd op 21 mei 1992
    opgevolgd door de Alkmaarse officier van justitie Van Riel. In
    december 1992 kreeg de Haarlemse officier van justitie, Van der
    Veen, het gezag over het IRT. Toen werd opening van zaken
    gegeven:
    De heer Koekkoek:
    (…) U heeft zelf als CID-chef van Kennemerland de methode
    besproken met de IRT-officier?
    De heer Langendoen:
    Nee, met de heer Van der Veen, op het moment dat de heer Van
    der Veen kwam. En omdat de heer Van der Veen uit Haarlem kwam, heb
    ik heel nadrukkelijk de methode met alle ins en outs, inclusief de
    namen van de
    informanten met hem besproken. Maar in het
    traject daarvoor hebben de heer Van Riel en de heer Van Bloemendaal
    niet zelf aan dat gesprek deelgenomen.
    Noot

    In de periode 1989-1992 wist het IRT verschillende zaken succesvol
    af te ronden.

    Kolibrie-affaire

    Vanaf eind 1992 volgden opmerkelijke gebeurtenissen elkaar snel
    op. De zogenoemde Kolibrie-affaire belastte de interne verhoudingen
    binnen het IRT en tussen het IRT en de Amsterdamse recherche. Deze
    affaire hield in dat het Amsterdamse parket meende dat
    IRT-teamleider Lith informatie had achtergehouden voor het OM en
    voor het team van de douanerecherche die een onderzoek deden dat
    overlap bleek te hebben met het onderzoek van het IRT.

    De voorzitter:
    …. U heeft het over de zogenaamde
    Kolibrie-affaire?
    De heer Valente:
    Ja.
    De voorzitter:
    Dat speelt begin 1993. Wat is daar volgens u
    misgegaan?
    De heer Valente:
    Je ziet dat daar toch een meningsverschil ontstaat tussen
    twee teams over een grote partij verdovende middelen. Ik laat in
    het midden wie er gelijk had.
    De heer De Graaf:
    Een politieteam en een FIOD-team?
    De heer Valente:
    Ja. Je ziet dat er een gebrek aan communicatie ontstaat. De
    informatie wordt gewoon niet op een gezonde manier van het ene team
    naar het andere team doorgegeven. Daardoor ontstaan er problemen.
    Dat zie ik, ook meer in zijn algemeenheid…
    De heer De Graaf:
    Ook nu nog?
    De heer Valente:
    Ook nu nog is er een gebrekkige communicatie.
    Noot De commissie-Wierenga concludeert dat teamleider
    Lith niets te verwijten viel. De commissie-Wierenga was van oordeel
    dat de positie van de heer Lith langer dan nodig omstreden is
    gebleven, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op het functioneren van
    het IRT in die periode en ook de verdere ontwikkeling nadeling
    heeft benvloed. Noot In een persoonlijke brief
    verwoordde de burgemeester van Haarlem, Schmitz, haar ongenoegen
    met deze gebeurtenissen:Ik vind het uitermate treurig, om niet te
    zeggen schandelijk dat een en ander zo is gelopen. De interne
    gevechten binnen het openbaar ministerie, tussen openbaar
    ministerie en team en ook tussen politie onderling belemmeren op
    deze wijze de bestrijding van de zware criminaliteit en dat in het
    ressort Amsterdam. Noot

    Toestemming procureur-generaal

    Het was onduidelijk wie binnen het OM, boven de IRT-officier van
    justitie, verantwoordelijk was voor het IRT: de hoofdofficier van
    justitie in Haarlem of Amsterdam of de procureur-generaal. IRT
    officier van justitie Van der Veen ging naar de procureur-generaal
    voor toestemming voor het gebruik van een methode. In januari 1993
    gaf procureur-generaal Van Randwijck toestemming voor de invoer van
    130 kilo cocane op voorstel van de IRT-leiding en officier van
    justitie Van der Veen. Het gebruik van deze methode zou
    noodzakelijk zijn om voldoende bewijs tegen een bepaalde doelgroep
    van het IRT (de erven Bruinsma) te verzamelen. Van der Veen zegt
    hierover:

    De voorzitter:
    (…) U gaat naar de procureur-generaal omdat u twijfel
    heeft over het doorlaten van harddrugs.
    De heer Van der Veen:
    Ja, ik wilde aftasten of de politieke dekking goed
    was.
    De voorzitter:
    U had geen twijfel over de juridische haken en ogen
    daaraan?
    De heer Van der Veen:
    Neen. (…)
    De heer Van der Veen:
    Door dit soort ervaringen in de praktijk komen er wat
    piketpalen in je geest te staan.
    Noot De procureur-generaal
    verklaart over deze bijeenkomst:
    De heer Van Randwijck:
    Er is gesproken over – laat ik het zo omschrijven –
    handelingen met betrekking tot 130 kilo. Ik besefte daarbij heel
    goed dat het risico dat het op de vrije markt zou komen meer dan
    gemiddeld aanwezig was.
    De heer Koekkoek:
    Heeft u toen enig verband gelegd met de richtlijn over
    infiltratie?
    De heer Van Randwijck:
    Nee. Dat heb ik niet gedaan.
    De heer Koekkoek:
    Met enige andere richtlijn van het openbaar
    ministerie?
    De heer Van Randwijck:
    Nee. Noot Op deze wijze werd bewust het
    risico genomen dat de partij cocane in het milieu terecht zou
    komen. Van Randwijck lichtte de minister van Justitie hierover niet
    in. De operatie is uiteindelijk niet doorgegaan. Hieronder zal
    blijken dat de toestemming van de procureur-generaal nadrukkelijk
    niet het doorlaten van grote hoeveelheden softdrugs betrof.

    Driehoek Amsterdam

    Vanwege de moeizame beheers- en gezagsverhoudingen ten aanzien van
    het IRT werd in maart 1993 besloten de gezags- en
    beheersverantwoordelijkheid over te hevelen naar de Amsterdamse
    hoofdofficier, korpschef en burgemeester. Noot Vanaf 1
    juni 1993 werd de Amsterdamse driehoek daarmee verantwoordelijk
    voor het functioneren van het IRT. Noot

    De Amsterdamse driehoek was in juni 1993 niet op de hoogte van
    de methode die door het IRT werd gebruikt. De korpschef en de
    hoofdofficier zeggen hierover het volgende:

    De voorzitter:
    (…) Wat wist u op 1 juli? Wat wist u van het onderzoek?
    Wat wist u van de methode? En wat wist u op 23 augustus? Want u was
    wel verantwoordelijk.
    De heer Nordholt:
    Zeker. Op 1 juli wist ik waar het onderzoek over zou gaan,
    namelijk de erven-Bruinsma. Inhoudelijk was ik er dus van op de
    hoogte dat dat onderzoek liep. Op 1 juli was ik niet op de hoogte
    van welke methode dan ook.
    Noot
    De heer Vrakking:
    Ik heb gevraagd wat er speelde. En dat was een onderzoek; en
    dat liep.
    De voorzitter:
    Aan wie heeft u dat toen gevraagd?
    De heer Vrakking:
    Aan de heer Van Capelle, die namens mij daar de teamleider,
    althans de
    kernteam-officier, de IRT-officier, was.
    De voorzitter:
    En aan hem heeft u gevraagd: wat speelt er?
    De heer Vrakking:
    Wat voor onderzoek is het en hoe loopt het? Nou, het was een
    groot onderzoek. Hij heeft mij iets uitgelegd over de bovenlaag en
    de onderlaag en waar zij mee bezig waren. Maar niet wat wij nu
    weten, nee.
    De voorzitter:
    Dat begrijp ik wel, maar wat heeft hij u toen precies
    gezegd?
    De heer Vrakking:
    Hij heeft, zeg maar, de doelgroepen genoemd. Hij heeft ook
    gezegd dat men bezig was met rechercheren.
    De voorzitter:
    En niets over de specifieke methoden?
    De heer Vrakking:
    Nee. Ik had niet eens het duistere vermoeden dat een
    dergelijk specifieke methode bestond. Dat was vrij uniek, zou ik zo
    zeggen.
    Noot

    Met de overheveling naar Amsterdam nam Van Kastel, commissaris te
    Amsterdam, de leiding van het IRT over. Pas eind september 1993
    trad hij aan als full time teamleider. Van een overdacht van
    lopende zaken door Lith aan Van Kastel is geen sprake geweest. De
    verhoudingen tussen deze politiefunctionarissen waren verstoord.
    Van Capelle, officier van justitie te Amsterdam, nam het gezag over
    het team over per 25 juni 1993. Van der Veen lichtte Van Capelle
    wel in over de gehanteerde methode en de positie van de informant
    daarin.

    De voorzitter:
    Mogen wij dan gaan naar 25 juni 1993? Dan heeft u een
    bespreking met de heer Van der Veen. Die legt u de CID-fase van het
    Delta-onderzoek uit. Wat legt de heer Van der Veen u precies uit
    over de werkmethode?
    De heer Van Capelle:
    Wat de heer Van der Veen mij over de methode heeft
    uitgelegd, komt er in essentie op neer dat het betrof de
    constructie waarbij een
    informant door het kunnen aannemen
    van steeds belangrijker opdrachten van een criminele organisatie
    voor die organisatie in belang zou groeien. Daardoor zou hij
    uiteindelijk niet alleen zicht kunnen krijgen op wie er in de top
    van de organisatie zat. In het algemeen, en hier ook, werkt het zo
    dat naarmate de opdrachten belangrijker worden er hogere mensen in
    de criminele organisatie mee belast zijn. Die gaan zich er dan mee
    bemoeien. Het was ook de bedoeling hem zover te laten doorgroeien,
    dat wij door het softdrugstraject heen zouden kunnen groeien, om
    het zo te zeggen, om in de harddrugs terecht te komen.
    De voorzitter:
    Hij heeft u toen al uitgelegd dat dit de bedoeling
    was?
    De heer Van Capelle:
    Ja! Noot De Amsterdamse officier van justitie
    Wortel werd in het voorjaar 1993 verzocht om op te treden als
    zaaksofficier van justitie voor het IRT.
    De heer Wortel:
    (…) Voorts bleek mij dat gekozen was voor – weer iets
    modieus – een methodiek en die methodiek hield in dat als de

    informant kwam met het bericht: ik ben weer benaderd en weet dat
    er weer een partij moet komen, de politie daarvan in kennis werd
    gesteld en in overleg met de leiding van het
    IRT werd bezien
    of het voor het onderzoek van waarde zou zijn als men de bewuste
    hoeveelheid verdovende middelen liet komen en die onder

    observatie hield. Men kon die partij dan eventueel registreren
    en zien wat er verder mee gebeurde. Ik heb toen heel goed begrepen,
    dat het in verband met de veiligheid van de bron in ieder geval
    niet mogelijk zou zijn om rechtstreeks in de omgeving daarvan in te
    grijpen en dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het
    zeer wel denkbaar zou zijn, dat zulke partijen of delen daarvan
    niet in de tweede of derde hand in beslag genomen konden worden en
    dat die dus ongemoeid gelaten zouden moeten
    worden. (…) Devoorzitter:
    Kende u de specifieke rol van de CID-Kennemerland?
    De heer Wortel:
    Nee. Ik weet dat het informatieve contact gerund werd door
    wat toen nog de RCID-Haarlem heette. Van wat verder in de loop van
    de jaren 1994 en 1995 als geruchten of mededelingen met zekerheid
    bekend is geworden, was ik niet op de hoogte.
    De voorzitter:
    Had u dat moeten weten?
    De heer Wortel:
    Ja. Noot De stand van zaken was dat bepaalde
    officieren van justitie wel op de hoogte waren van de hoofdlijnen
    van de methode, maar de leden van de Amsterdamse driehoek niet.

    Methode

    Teamleider Van Kastel ontdekte eind oktober 1993 dat binnen het IRT
    een methode werd gehanteerd waarvoor hij geen verantwoordelijkheid
    wenste te dragen. Op het moment dat Van Kastel van de methode
    hoorde, gaf hij CID-chef Augusteijn de opdracht de methode te doen
    stoppen. In het weekend van 6 en 7 november 1993 lichtte Van Kastel
    het lid van de korpsleiding Amsterdam-Amstelland die belast was met
    recherchezaken, Van Riessen, in. Maandag 8 november informeerden
    Van Kastel en Van Riessen de korpschef van Amsterdam, Nordholt.

    De voorzitter:
    Wat begreep u op dat moment?
    De heer Nordholt:
    Ik begreep dat men in het onderzoek dat door het IRT
    werd verricht een informant/infiltrant
    runde, dat die man kon en moest groeien in het milieu, dat hij
    in dat verband in de gelegenheid werd gesteld, duizenden kilo’s
    softdrugs ons land binnen te brengen, dat er inmiddels een
    bestelling was gedaan voor 5.000 kilo cocane, waarbij een aantal
    partijen eerst zouden komen als proefzendingen die zouden worden
    doorgelaten. Dat was de eerste keer dat ik dat woord hoorde. Ik
    kreeg ook te horen – dat is erg belangrijk, want ik heb die vraag
    gesteld omdat ik het in eerste instantie niet begreep – dat de man
    die dat deed ook de verdienste mocht houden.

    Noot

    Van Kastel schreef diezelfde dag een nota over de gebruikte
    methode. Noot Nordholt en Van Riessen gingen
    onmiddellijk naar hoofdofficier van justitie Vrakking, en later ook
    naar procureur-generaal Van Randwijck, om hen in te lichten over de
    gebruikte methode.

    De heer Van Riessen:
    (…) Wat ik gemeld heb aan de heer Vrakking, is het
    volgende. Er is sprake van een drugslijn waar de politie onder
    regie van het openbaar ministerie leiding aan geeft. U moet dat zo
    zien dat er als het ware een deal is gesloten tussen politie en
    openbaar ministerie en
    informant dan wel informanten,
    met enerzijds de toestemming aan de
    informant vanuit de
    overheid om zijn dan wel haar drugslijn onder dekking van die
    overheid te organiseren dan wel in stand te laten (het kon zijn dat
    die al bestond), en anderzijds als tegenprestatie een
    informant
    die groeit in een organisatie en uiteindelijk de politie
    informatie levert. Als het zo wordt bekeken – zo heb ik het ook
    verteld aan de heer Vrakking – is er op dat moment ook over geld
    gesproken, omdat dit een vast gegeven is. De
    informant mag
    onder regie van de overheid, met de inbouw van een bypass en al die
    dingen die erbij horen, gewoon zijn drugslijn runnen. Die drugslijn
    kan gebruikt worden voor de Delta-operatie, maar ook voor andere
    operaties.
    Noot

    Vrakking en Van Randwijck waren niet op de hoogte van het gebruik
    van deze methode. Hoewel procureur-generaal Van Randwijck in
    januari 1993 toestemming had gegeven voor een vergelijkbare
    methode, namelijk het doorlaten van harddrugs, was toen niet
    gesproken over deze zaak. Met hem was door de IRT-officieren van
    justitie Van der Veen of Van Capelle niet gesproken over het
    doorlaten van softdrugs. Van der Veen en Van Capelle hadden
    zelfstandig toestemming voor deze methode gegeven.

    De heer Koekkoek:
    Het doorlaten van harddrugs in een behoorlijke hoeveelheid
    kon onder omstandigheden. Het was dan zeker mogelijk om behoorlijke
    hoeveelheden softdrugs door te laten. Dat is dan toch uw
    referentiekader?
    De heer Van der Veen:
    Ja, maar de causaliteit die u nu in uw vraagstelling legt,
    vind ik wat te strak. Maar zo werkt het wel een beetje door.

    Noot

    Later die dag werden ook minister van Justitie Hirsch Ballin en
    burgemeester van Amsterdam Van Thijn ingelicht.

    De heer Van Thijn:
    Bij mij vervoegden zich de heren Vrakking en Nordholt. Zij
    zeiden: wij hebben een ernstig probleem, wij runnen een
    druglijn.
    De voorzitter:
    Niet een cokelijn? Een druglijn?
    De heer Van Thijn:
    Wij runnen een druglijn en er is een grote partij cocane
    onderweg. De heer Vrakking zei bij die gelegenheid: daar wens ik
    als bevoegd gezag geen verantwoordelijkheid voor te dragen. De heer
    Nordholt zei: dat geldt ook voor mij.
    Noot

    Naar aanleiding van deze meldingen werd besloten tot een orinterend
    onderzoek door de rijksrecherche, dat enkele dagen later weer werd
    ingetrokken. Op 17 november 1993 had een ressortsvergadering van
    alle hoofdofficieren van justitie in het ressort Amsterdam en de
    procureur-generaal plaats. De hoofdofficieren verschilden van
    mening over de te volgen procedure. De gemoederen liepen hoog op
    tijdens deze vergadering. Vrakking liep boos weg. In de vergadering
    werd niet gesproken over de inhoud van de methode. Vrakking besloot
    de volgende ochtend dat hij niet langer de verantwoordelijkheid
    voor het IRT wenste te dragen. Het IRT maakte gebruik van
    opsporingsmethoden die hij weigerde te aanvaarden. Op 26 november
    1993 liet Van Riessen aan Langendoen weten dat gestopt diende te
    worden met de methode. De Amsterdamse driehoek had daartoe besloten
    in een vergadering van 22 november 1993. Noot

    De heer De Graaf:
    Maar er zijn na 26 november toch nog allerlei containers
    binnengekomen?
    De heer Nordholt:
    Dat zeg ik u: je kunt wel zeggen dat je wilt dat het niet
    meer gebeurt, maar de containers kwamen binnen; enerzijds had je
    het stopzetten van de methode, maar anderzijds kwam de argumentatie
    dat de zaak door moest lopen, omdat anders de
    informanten in
    gevaar zouden komen.
    Noot

    Op 1 december werd op het ministerie van Binnenlandse Zaken een
    bespreking gehouden met de beide ministers om te bezien hoe verder
    te handelen. De uitkomst van deze bespreking is op verschillende
    manieren uitgelegd. Minister van Justitie Hirsch Ballin meende dat
    er een voorstel zou komen voor herstructurering van het IRT. Ook
    Van Randwijck was die mening toegedaan. Minister van Binnenlandse
    Zaken Dales stelde daar dat het team tot de grond toe moet worden
    afgebroken. De Amsterdamse driehoek meende dat besloten was het IRT
    te ontbinden. Noot

    Op 7 december 1993 werd via een persbericht bekend gemaakt dat
    het IRT werd opgeheven. Voor de consternatie die de opheffing van
    het IRT tot gevolg had, verwijst de commissie naar het rapport van
    de commissie-Wierenga. De commissie geeft hier enkele citaten uit
    de openbare verhoren die de problematiek rond de opheffing
    illustreren.

    De heer Koekkoek:
    (…) In een periode waarin u ziek bent, neemt u kennis van
    de opheffing van het
    IRT via het persbericht en het
    krantebericht. Wat was uw eerste reactie daarop?
    Mevrouw Schmitz:
    Via het persbericht, via het krantebericht en het
    telefoontje van de heer Straver dat ik indertijd kreeg. Tijdens de
    weken waarin ik ziek was, heeft hij mij absoluut niet lastig
    gevallen, maar toen was hij dusdanig geschokt dat hij mij wel
    degelijk heeft opgebeld. Ik was ook geschokt. Ik heb daar geen
    ander woord voor. Ik was buitengewoon boos.
    De heer Koekkoek:
    In welke termen uitte u uw boosheid?
    Mevrouw Schmitz:
    Ik weet niet eens of ik mij geuit heb, maar ik heb minstens
    gedacht het is ze toch gelukt. U moet zich dat een beetje
    voorstellen in het licht van jaren lang werken en erin geloven dat
    wij met elkaar de criminaliteit moesten aanpakken. Je ziet dat het
    niet goed van de grond komt. Je hebt dan, na al die strubbelingen,
    een nieuwe koers zien ontstaan. Je gelooft daarin. Je denkt dat het
    nu dan wel goed gaat. En dan hoor je een half jaar later dat het is
    opgeheven, dat het is afgelopen met die zaak. Dan heb je echt het
    gevoel dat je voor niks hebt gewerkt.
    Noot
    De voorzitter:
    Kunt u om de zaak helder te houden even kort, in minder dan
    anderhalve minuut, een aantal dingen verklaren? Wat is er volgens u
    op de beroemde vergadering op 1 december 1993, waar in ieder geval
    geen notulist aanwezig was, gebeurd? Wilt u daarna ingaan op het
    persbericht? Daarna wordt u minister en dan geeft u daar weer een
    oordeel over, namelijk op 26 januari 1994. Wilt u die drie dingen
    op een rij zetten?
    De heer Van Thijn:
    Ja. Ik zal het heel kort doen. Op de vergadering van 1
    december op het departement van Binnenlandse Zaken in Den Haag – er
    was geen notulist – heb ik aan de minister van Justitie gevraagd of
    hij de mening van de hoofdofficier deelde, namelijk dat deze
    methode ontoelaatbaar is. Het antwoord daarop was ja. Dat was in
    tien seconden afgehandeld. Toen zei ik: dan weet ik genoeg. Het
    tweede onderwerp was: als wij de methode stopzetten – en er is
    besloten om de methode stop te zetten – wat betekent dit dan voor
    het
    IRT? De mening van de toenmalige minister van
    Binnenlandse Zaken, die heel dominant aanwezig was, is algemeen
    bekend: afbreken die hap. Wij hebben toen uitdrukkelijk de vraag
    besproken of je die methode kon stopzetten zonder het team op te
    heffen. Dat is uitdrukkelijk besproken. Door de politie werd daarop
    meegedeeld dat dit het enige lopende onderzoek was en dat alles een
    uitvloeisel was van het Delta-onderzoek. Zij deelde mede dat zij de
    mensen, die vanaf die dag werkloos waren, in ieder geval terug
    moest sturen naar de kazernes. Toen legde de heer Nordholt zijn
    plan op tafel voor de aanpak in de toekomst en toen heeft de
    minister van Justitie gezegd: dat wil ik wel eens op papier zien.
    En daar had hij groot gelijk in. Dat is wat er is gebeurd. Ik kan u
    trouwens inmiddels een brief overhandigen die ik tussen de stukken
    vond naar aanleiding van de vergadering op 1 december. Daaruit
    blijkt, dat de opheffing van het team in ieder geval voor
    Binnenlandse Zaken een uitvloeisel was van die vergadering. Wij
    hebben toen zelfs nog even gesproken over de publiciteit: als de
    heer Van Riessen in de komende dagen de mensen van het
    IRT
    meedeelt dat zij per 1 januari terug moeten naar hun korpsen van
    herkomst, dan zullen wij dat toch ook in de publiciteit moeten
    brengen, want er zal een deining ontstaan onder die mensen. Dat was
    de aanleiding om te overwegen. Het is niet die avond beslist, maar
    het was wel een logisch gevolg van de beslissingen die daaraan
    voorafgaan, om een persbericht uit te brengen.
    De heer Koekkoek:
    Als je vraagt om nieuwe voorstellen, is het dan niet
    verstandig om oude schoenen pas weg te gooien als je nieuwe
    hebt?
    De heer Van Thijn:
    Dat is heel verstandig, maar de mensen van het IRT
    moesten genformeerd worden over hetgeen er ging gebeuren. Zij
    moesten namelijk ophouden met werken. Als je nog geen nieuwe
    schoenen hebt midden laten? Je kunt in deze mediatijd toch niet
    verwachten dat de pers het niet merkt als je zo’n ingrijpende – wij
    hadden ze wel, maar de minister wilde de zaken eerst op schrift
    hebben – dan kun je dat toch niet in het beslissing neemt en
    iedereen zo op tilt slaat? Wij hebben dus gemeend, dan maar zelf
    een persbericht te moeten geven.
    De heer Koekkoek:
    Voor de opheffing van het team?
    De heer Van Thijn:
    Ja.
    De voorzitter:
    Dat gebeurt 7 december. De gezagscrisis wordt daarin niet
    genoemd. Dat hebben wij allemaal kunnen zien en dat staat ook in
    het rapport-Wierenga beschreven. Er was natuurlijk wel een
    gezagscrisis.
    De heer Van Thijn:
    Ja. Ik heb mij nooit zo kunnen opwinden over de vraag of het
    nu om een gezagscrisis of om de opsporingsmethode ging.

    Noot
    De heer De Graaf:
    U zegt dat het team had kunnen blijven bestaan, als de
    methode was opgeheven.
    De heer Nordholt:
    Als de methode zou zijn gestopt, als er helderheid zou zijn
    geweest dat wij daarvoor geen verantwoordelijkheid konden nemen,
    als volstrekt helder zou zijn geweest dat de zaak moest worden
    afgebouwd en omgebogen, dan was het team niet ontbonden. Wij zijn
    niet op 8 november naar mijnheer Vrakking gegaan om het team te
    ontbinden. Wij zijn ook niet naar de procureur-generaal gegaan om
    dat te doen. Zelfs in de situatie van 1 december had het nog anders
    gekund als men het anders had gewild.
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Voorzitter, ik stel voor, dat wij overgaan naar begin
    december 1993. Wat was volgens u, mijnheer Wiarda, naar uw huidig
    inzicht de belangrijkste reden voor opheffing van het
    IRT
    Noord-Holland/Utrecht?
    De heer Wiarda:
    De belangrijkste reden… Ik moet u zeggen, dat ik afgelopen
    zondag het rapport Wierenga nog weer eens van voor tot na heb
    gelezen. Het is een vraagstuk dat mij voortdurend heeft
    beziggehouden. Ik ben er niet uit. Ik had mij op deze vraag
    geprepareerd. Ik wil er het volgende over zeggen. Ik denk dat het
    te maken heeft met het falen van de politile en justitile
    organisatie. Het falen in termen van: praat men goed met elkaar;
    bestaat er voldoende vertrouwen in elkaar; weet men elkaar
    voldoende te vinden op momenten dat het moeilijk is en er snel
    moeilijke beslissingen genomen moeten worden. Als u, zoals Wierenga
    het ook beschreven heeft, de historie bekijkt van ons gezamenlijk
    team dan ziet u dat er op dat terrein voortdurend struikelpartijen
    zijn geweest.
    Noot

    Ook ongeveer twee jaar na de opheffing blijkt dat de betrokken
    hoofdrolspelers een verschillende lezing blijven geven van de
    redenen die geleid hebben tot de opheffing van het IRT. Duidelijk
    is dat de gewraakte methode niet zonder meer had hoeven te leiden
    tot de opheffing van het team.

    Methode

    De informatie die op basis van de Delta-methode was verzameld,
    mocht niet meer gebruikt worden. In een ressortsvergadering eind
    1993 – begin 1994 is dat volgens hoofdofficier De Beaufort van
    Haarlem besloten. De procesrisico’s van het gebruik van deze
    informatie werden te groot geacht. Noot

    De heer Dros:
    …. Op enig moment is de knoop doorgehakt in een
    ressortvergadering OM en is gezegd: er wordt gestart met een nieuw
    onderzoek en alle informatie uit het oude Delta-onderzoek is niet
    beschikbaar voor het nieuwe onderzoek.
    De heer De Graaf:
    Dus de boeken zijn dichtgedaan en de dossiers zijn
    weggehaald?
    De heer Dros:
    De boeken zijn dichtgegaan. De dossiers zijn voor een deel
    vernietigd, voor een deel bestaan ze nog.
    Noot
    De heer Vos:
    Ik ben gefrappeerd door het feit dat mijnheer De Beaufort
    nauwelijks weet wat de inhoud van het IRT-archief was. U heeft er
    wel gezamenlijk een besluit over genomen. U heeft ook een

    kernteam gerfd dat weer aan het werk is getogen en mogelijk
    gebruik zou kunnen maken van delen van de informatie. Maar u heeft
    zich niet bemoeid met de inhoud; dat was voor u onbelangrijk. Hoe
    kunt u gezamenlijk met de PG’s een besluit nemen zonder enige
    kennis te dragen van de inhoud?
    De heer De Beaufort:
    Uw vraag ligt voor de hand. Maar het uitgangspunt was dat
    het in zijn totaliteit onbruikbaar was geworden. Dat nieuwe team
    moest echt met een volstrekt schone lei beginnen. Inhoud betekent
    altijd papier: processen-verbaal. Als je daar een proces-verbaal
    uit zou halen en het alleen maar zou lezen, dan word je daarmee
    belast. Het eruit halen en overbrengen naar een nieuw team
    veroorzaakt de problemen waar ik zojuist op wees.
    De voorzitter:
    Waarom was het nu besmet?
    De heer De Beaufort:
    Door de lading die het in zijn totaliteit had gekregen. De
    methodiek was buitengewoon omstreden. Wierenga heeft er weliswaar
    een oordeel over gegeven, maar de methodiek bleef omstreden. Wij
    hebben allemaal gemerkt, ook in zaken die daarna in Amsterdam
    hebben gediend, welke complicaties die veroorzaakte. Getuigen
    moesten komen en dergelijke. Dus: daar maar even niet aan
    komen.
    Noot

    Mogelijk belangrijke informatie over de daders van de moord op de
    drugshandelaar Van der Heiden in Alkmaar
    op 10 april 1993 kon hierdoor niet gebruikt worden.

    De heer De Graaf:
    Betekent dit dat er naar uw oordeel informatie in de
    IRT-archieven zit die, na het opheffen van het
    IRT, dus na
    de beslissing daarover van de ressortsvergadering, niet meer kan
    worden gebruikt, terwijl daarmee potentieel een moord kan worden
    opgelost?
    De heer Van der Veen:
    Ja, dat is de consequentie. Noot

    Corruptiebeschuldigingen Amsterdam

    Vrijwel onmiddelijk na de opheffing van het IRT op 7 december 1993
    werden corruptiebeschuldigingen geuit in de richting van de politie
    van Amsterdam. Er bestond een lijst van achttien
    corruptie-incidenten binnen de Amsterdamse politie, die was
    opgesteld door de CID-chef van het IRT, Augusteijn. In een artikel
    in het NRC Handelsblad van 22 januari 1994 werd gemeld dat
    corruptie binnen de Amsterdams politie de werkelijke reden was voor
    de opheffing van het IRT.

    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Wiarda, op 22 januari 1994 verschijnt er een
    bericht op de voorpagina van NRC Handelsblad. Volgens dat bericht
    zegt u, dat een bepaalde vorm van
    corruptie de ware reden is
    voor de opheffing van het
    IRT. Die vorm van corruptie
    bestaat dan in het lekken uit het Amsterdamse korps naar
    criminele organisaties. Bent u nog steeds die mening toegedaan, dat
    dat de ware reden was? Bent u nog steeds de mening toegedaan dat
    dat de ware reden was?
    De heer Wiarda:
    De publikatie in de NRC is voor rekening van degene die haar
    geschreven heeft. Het was geen interview; ik ben daar niet aan het
    woord op enige manier. Het is informatie die uit het circuit van
    autoriteiten stukje bij beetje is opgebouwd. Ik was nadat men ons
    gezamenlijk team had opgeheven verwoestend kwaad.
    De heer Koekkoek:
    Verwoestend kwaad?
    De heer Wiarda:
    Verwoestend kwaad, ja. Ik moet dat bekennen.
    De heer Koekkoek:
    Dat klinkt erg dreigend.
    De heer Wiarda:
    Ik moet erkennen dat ik zelden in mijn ambtelijke loopbaan
    zo gemotioneerd ben geweest als toen. Na alles wat wij gedaan
    hadden, na alles wat je ook persoonlijk hebt afgezien om het voor
    elkaar te krijgen en waarbij je steeds weer stapjes hebt terug
    gedaan om geen irritaties op te wekken, enzovoorts, enzovoorts, na
    alles wat onze mensen erin hebben gedaan, wat Van Baarle en Lith en
    mevrouw Vos en mevrouw Schmitz daarin hebben gedaan om het hele
    geval goed van de grond te krijgen…)
    De heer Koekkoek:
    Maar u komt wel uit bij de corruptie, h?
    De heer Wiarda:
    Ja, ja. Maar ik wil eerst zeggen waarom ik zo ongelooflijk
    gefrustreerd was daarover. Ik heb mij daar toen geweldig woedend
    over uitgelaten in allerlei richtingen en op allerlei plaatsen.
    Begin januari zijn er de nieuwjaarsrecepties waar allerlei
    gesprekken over actuele toestanden plaatsvinden en ik heb daar
    dingen gezegd als: je houdt het toch niet voor mogelijk dat het nu
    is opgeheven; de methode kan niet de echte reden zijn – dat heb ik
    dus toen gezegd – er moet meer achter zitten; zitten er mensen in
    de klem waarbij mensen dingen van elkaar weten die men graag
    verborgen wil hebben op grond waarvan men het noodzakelijk vind om
    van dat team af te geraken? Het was niet goed van mij dat ik dat zo
    heb opgeroepen, dat ik dergelijke discussies heb opgeroepen. Er
    ging natuurlijk wel enig geruis. Bij de oprichting van het team
    waren lekken een heel belangrijke overweging om tot een gesloten,
    krachtig team te komen. Onderweg heeft dat team een aantal
    belangrijke corruptie-onderzoeken gedaan. Er lag toen in de
    besprekingen die wij onmiddellijk na de opheffing met de vier
    andere korpschefs voerden, een serie indicaties…
    De voorzitter:
    De zogenaamde map van Augusteijn?
    De heer Wiarda:
    Ja, de achttien gevallen. En als je die indicaties gaat
    onderzoeken, dan leidt natuurlijk geen ervan tot een zaak. Je kunt
    dan concluderen dat al die indicaties er niet hadden mogen zijn,
    maar dat bestrijd ik. Die indicaties waren indicaties. Dat je op
    grond van die indicaties niet tot een bewijsconstructie komt, is
    een andere zaak en ik erken dat je op grond daarvan niet in het
    openbaar al te fel te keer mag gaan over wat nu wel de ware reden
    zou kunnen zijn. Ik had dat toen niet zo moeten doen.
    De heer Koekkoek:
    Dus u betreurt het dat u aanleiding hebt gegeven tot die
    publikatie?
    De heer Wiarda:
    Ja, u wrijft het er nog maar weer even verder in. Ja,
    dus!
    Noot Procureur-generaal te Amsterdam Van
    Randwijck kondigde vervolgens een rijksrecherche-onderzoek aan naar
    de corruptiebeschuldigingen. Dit was aanleiding voor een felle
    confrontatie tussen de procureur-generaal en de korpschef in
    Amsterdam.
    De heer Koekkoek:
    Ik wil met u verdergaan over de sturing die het openbaar
    ministerie aan de politie kan geven. Ik wil beginnen met een
    incident uit januari 1994, waarbij u geconfronteerd wordt
    met

    corruptiebeschuldigingen aan het adres van de Amsterdamse
    politie. U wilt een rijksrecherche-onderzoek instellen en heeft
    daarover contact met de heer Nordholt. U heeft zelf gezegd hoe dat
    gesprek verliep. De heer Nordholt zei namelijk dat als u dat zou
    doen, hij naar de minister zou stappen, een persconferentie zou
    geven en hij zei daarnaast, ik citeer: Ik haal je integraal door.
    Was deze wijze van omgaan met u voor u geen aanleiding om naar de
    minister te stappen en te zeggen: hij eruit of ik eruit?

    De heer Van Randwijck:
    Ja. Het probleem was alleen dat de minister niet te bereiken
    was. Ik hem geprobeerd hem te bereiken. Hij zat op dat moment – als
    ik het mij goed herinner – bij een partijcongres in de Veluwe. Ik
    heb hem dus niet kunnen bereiken. Daarnaast is het zo dat het
    onderzoek wel gewoon is doorgegaan.
    De voorzitter:
    U kunt het natuurlijk ook een dag later zeggen.
    De heer Van Randwijck:
    Ja, maar het onderzoek is wel doorgegaan in de richting van
    die beschuldigingen.
    De heer Koekkoek:
    Zeker, zeker. Ik gebruik het als voorbeeld hoe moeilijk het
    kan zijn voor het openbaar ministerie om leiding te geven aan de
    politie als de ondergeschikten, want ook de heer Nordholt is een
    ondergeschikte, zo met het gezag omgaat.
    De heer Van Randwijck:
    Kijk. Ik ben een jaar of tien hoofdofficier in Den Haag
    geweest. Zeker als je op een wat, laat ik zeggen, amicale toon met
    elkaar omgaat…
    De heer Koekkoek:
    Dit was niet amicaal.
    De heer Van Randwijck:
    Nee, laat ik zeggen dat zeker als je normaal met elkaar
    omgaat, je weleens stevige dingen tegen elkaar pleegt te zeggen.
    Dat hoeft overigens geen enkele aanleiding te zijn tot beschadiging
    van de persoonlijke verhoudingen. In dit verband heb ik het
    eigenlijk nogal verbijsterend gevonden. Er gebeurde echter wel wat
    ik wilde: het recherche-onderzoek ging gewoon door.
    De heer Koekkoek:
    U heeft het naast u neergelegd?
    De heer Van Randwijck:
    Ja, ik heb het naast mij neergelegd.
    De heer Rabbae:
    Maar als u de minister toen had kunnen bereiken, zou u dan
    inderdaad gezegd hebben hij eruit of ik eruit?
    De heer Van Randwijck:
    Dat zou ik nooit gezegd hebben, want er zijn belangrijker
    redenen om op te stappen.
    Noot
    De voorzitter:
    (…) U zegt tegen de heer Van Randwijck als hij een
    rijksrechercheonderzoek zou willen instellen: als je dat doet, bel
    ik de minister, dan is het oorlog, ik beleg een persconferentie en
    trek jou integraal door. Zijn die woorden juist?
    De heer Nordholt:
    Nee.
    De voorzitter:
    Die zijn niet juist.
    De heer Nordholt:
    Die zijn niet juist.
    De voorzitter:
    Wat hebt u wel gezegd? (…)
    De heerNordholt:
    Die kwalificaties zou u niet direct uit mijn mond horen. Ik
    ben boos geworden en ik heb tegen hem gezegd: ik vind dat niet
    juist. In de eerste plaats, als iemand weet dat de ontbinding van
    dit team niets met

    corruptie te maken heeft, dan ben jij het wel. Op het moment dat
    iemand ons van
    corruptie beschuldigt en zegt dat de
    ontbinding van het team te maken heeft met
    corruptie tot in
    de hogere regionen van het korps – ik geloof dat daarmee de
    rechercheleiding werd bedoeld – dan vind ik dat een aantijging die
    niet kan. Op het moment dat de procureur-generaal zegt: daar stel
    ik een onderzoek naar in, terwijl hij als een van de
    hoofdrolspelers weet hoe de ontbinding is gegaan, dan vind ik dat
    onjuist. Hij zei toen tegen mij: ik trek mij daar niets van aan,
    dat bericht gaat zo uit. Toen heb ik gezegd: als je dat doet, dan
    moet je ermee rekenen dat ik in ieder geval de minister opbel. Want
    ik vind dat dit bericht niet uit mag gaan op deze manier. Als je
    dat doet, dan zeg ik dat op die persconferentie. Dan komt alle
    stront boven. Zo heb ik het gezegd. Hij heeft waarschijnlijk dat
    woord geassocieerd met doortrekken. (…)

    De voorzitter:
    Eigenlijk betekent dit dat u weinig respect had voor dat
    gezag boven u?
    De heer Nordholt:
    Als u het zo zegt dat gezag dan hebt u gelijk.
    De voorzitter:
    Is het weer goed gekomen met de procureur-generaal?
    De heer Nordholt:
    Ik heb hem daarna niet veel meer gezien.
    De voorzitter:
    Dat vroeg ik niet.
    De heer Nordholt:
    Maar dat is misschien het beste antwoord.
    Noot Het rijksrecherche-onderzoek wees uit dat er geen
    sprake was van corruptie in de genoemde achttien gevallen. De
    commissie heeft evenmin kunnen vaststellen dat deze
    corruptiebeschuldigingen in enigerlei mate gefundeerd waren.

    7.4.3 Delta-methode

    Na dit overzicht van de gebeurtenissen rond de opheffing van het
    IRT wil de commissie zich nu concentreren op de Delta-methode.
    Sommige betrokkenen blijken zich slechts langzaam de volle omvang
    van de methode te zijn gaan realiseren. Het IRT deed onderzoek naar
    de criminele organisatie van Bruinsma. Na de moord op Bruinsma
    richtte het IRT zich op de erven Bruinsma die bestond uit drie
    criminele leiders. Dit drietal was de reden dat het IRT-onderzoek
    de naam Delta kreeg. De criminele organisatie hield zich primair
    bezig met de handel in verdovende middelen, maar ook met handel in
    vuurwapens inclusief explosieven en vermoedelijk met liquidaties.
    De leiding van het IRT verwachtte niet dat met de gebruikelijke
    opsporingsmethoden een causale relatie tussen het driemanschap en
    de deelnemers in het criminele netwerk aangetoond zou kunnen
    worden. Daarom werd nieuw, creatief onderzoek noodzakelijk geacht.
    Noot

    De heer Van der Veen:
    (…) Kijk, u moet goed in de gaten houden wat mijn opdracht
    was. Mijn opdracht was niet om een criminele organisatie een blauw
    oog te slaan, maar om een criminele organisatie knock-out te
    slaan.
    De voorzitter:
    Ja, dat begrijp ik, maar…
    De heer Van der Veen:
    In die context maak ik mijn afwegingen van proportionaliteit
    en subsidiariteit. Voor mij was deze beslissing, zoals ik tegen
    mijn vorige minister heb gezegd, een ABC-tje.
    De voorzitter:
    Een ABC-tje?
    De heer De Graaf:
    ABC-tje staat voor iets wat gebruikelijk is, wat bij
    iedereen bekend is?
    De heer Van der Veen:
    Neen. Met ABC-tje wil ik zeggen dat de afweging van
    proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid, overwegingen
    van redelijkheid en billijkheid die om de hoek komen kijken, in de
    context van mijn opdracht – de criminele organisatie knock-out
    slaan -…
    De voorzitter:
    Van wie had u die opdracht gekregen?
    De heer Van der Veen:
    Dat onderzoek vond plaats onder gezag van de
    ressortsvergadering. Die had die opdracht gegeven.
    De voorzitter:
    Stond er op een briefje: de criminele organisatie knock-out
    slaan?
    De heer Van der Veen:
    Neen.
    De voorzitter:
    Voor de opdracht is een algemeen kader. Dat staat ook bij
    Wierenga beschreven. Maar daar is toch niet uit op te maken dat u
    carte blanche had gekregen om methodieken aan te wenden om de
    organisatie knock-out te slaan?
    De heer Van der Veen:
    In die woorden wordt dat natuurlijk niet opgeschreven, maar
    materieel lag het zo. Vanuit de democratische rechtsorde bekeken,
    ging het om een groepering die uiterst bedreigend was, die nummer n
    in Nederland stond op het lijstje van meest bedreigende
    groeperingen. In die tijd – dat was ook verwoord in de nota De
    georganiseerde criminaliteit in Nederland van de beide
    politieministers, de ministers Hirsch Ballin en Dales,
    Dreigingsbeeld en plan van aanpak -…
    De voorzitter:
    …1992…
    De heer Van der Veen:
    …was dat ook het gevaar waar de nadruk op werd
    gelegd.
    De voorzitter:
    Daarom stelde ik u aan het begin de vraag of u van de
    ministeries de opdracht had gekregen om die organisaties knock-out
    te slaan. Dat kan natuurlijk ook. U had aan het begin ook
    meegewerkt aan die nota, u komt uit het departement, u gaat naar
    het
    IRT, dus ik vroeg aan het begin of iemand op het
    departement had gezegd – de minister of de ministers – dat ga jij
    nu zo aanpakken?
    De heer Van der Veen:
    Neen, dan heb ik uw vraag net niet helemaal goed begrepen.
    Kijk, het klopt, ik heb aan de voorbereiding van die nota meegedaan
    en de nota’s geschreven in de context van het dreigingsbeeld in
    onze democratische rechtsorde. Hoe ga je daar als officier van
    justitie mee om in de dagelijkse praktijk, althans zoals ik het
    doe? Dan zit je natuurlijk in een spanningsveld. Als de opdracht is
    knock-out slaan, zoals ik hem samenvat, dan komen daar natuurlijk
    andere opsporingsmiddelen aan te pas dan wanneer de opdracht is een
    blauw oog slaan of iemand het ziekenhuis in slaan. Dan praat je
    over andere opsporingsmiddelen. En bij deze groepering waar wij
    voor stonden, waren dat heel zware opsporingsmiddelen. Wat voor
    spanning ga je nou tegenkomen op een gegeven moment, althans ik, in
    mijn praktijk? Je gaat je afvragen of de middelen die ingezet
    moeten worden op zichzelf niet een bedreiging voor de democratische
    rechtsorde zouden kunnen opleveren. In dat spanningsveld doe ik dus
    mijn werk; dat is mijn vak. (…) Nee, het was een ontdekkingsreis,
    zo heb ik het tenminste ervaren, zoals Columbus…

    Noot

    In 1991 werd binnen het IRT al gesproken over het doorlaten van
    drugs om een beter zicht te kunnen krijgen op de criminele
    organisatie. De methode is toen in gesprekken tussen de CID en
    officier van justitie Franken van Bloemendaal aan de orde geweest.
    Franken van Bloemendaal heeft dat in 1991 niet door laten gaan. Het
    laten groeien van een informant en het doorlaten van drugs (ook
    naar het buitenland) zou op problemen stuiten bij de minister. Het
    zou gaan om een verboden methode. Noot
    Het IRT-onderzoek naar deze criminele organisatie richtte zich op
    de handel in softdrugs en mogelijk XTC. Het IRT kreeg informatie
    van een informant (verder aan te duiden als informant 1) die
    contacten had met de criminele organisatie. Informant 1 had zich
    gemeld bij de CID te Haarlem. Omdat de CID Haarlem, i.c.
    Langendoen, bekend was met het feit dat het IRT onderzoek deed naar
    de erven Bruinsma, werd de informant door de CID Haarlem gerund ten
    behoeve van het IRT. Al deze informatie kwam via Langendoen en
    CID-rechercheur Van Vondel ter beschikking van het IRT.

    Vanaf juli 1992 werden onder regie van het IRT en met behulp van
    informanten containers met drugs doorgelaten. De eerste containers
    met softdrugs zijn doorgelaten onder gezag van IRT-officier van
    justitie Van Riel. Zijn opvolger Van der Veen heeft de methode
    verder uitgebreid. Van der Veen gaf in 1993 toestemming om deze
    informant te laten groeien zodat hij meer vertrouwen zou krijgen
    van de top van de criminele organisatie. Noot

    De voorzitter:
    Op 11 januari 1993 neemt u de belangrijke beslissing dat,
    terwijl er in het traject voordat u officier bent al is
    doorgelaten, de
    informant opgewaardeerd wordt tot de
    zogenaamde
    groei-informant, dat er meer van hetzelfde gaat
    komen.
    De heer Van der Veen:
    Er moest een principile keus gemaakt worden om van
    betrokken
    informanten gebruik te blijven maken. Bij deze ene
    waar u op doelt, was doorslaggevend, of een belangrijk argument
    voor mij in de context van proportionaliteit, dat deze man het in
    zich had om in krediet en vertrouwen te groeien in de ogen van de
    criminelen.
    De voorzitter:
    Wat heeft u toen verder precies beslist, behalve dat die man
    meer vertrouwen kon gaan wekken bij de criminele
    doelgroepen?
    De heer Van der Veen:
    Het beoogde effect was het verkrijgen van informatief zicht
    op hoe en door wie in het Delta-netwerk de feitelijke opdrachten
    tot criminele activiteiten tot stand kwamen. Met andere woorden:
    wie trokken er aan de touwtjes, hoe zat het precies in elkaar? In
    die context mocht met deze
    informant worden doorgegaan
    zolang dat meerwaarde had in de context van deze doelstelling. Bij
    die beslissing hebben wij, commissaris Lith en ik, toen een aantal
    randvoorwaarden gesteld. De
    informanten moesten
    uitnodigingen vanuit het Delta-netwerk tot het doen van
    bestellingen afwijzen. Met andere woorden: geen uitlokking, geen
    organiserende rol.
    Noot

    Informant 1 hield zich bezig met het regelen van transporten van
    drugs. Hij maakte deel uit van een criminele organisatie die zich
    kenmerkt door het verlenen van faciliteiten aan diverse andere
    criminele organisaties in de zogenaamde Hollandse netwerken.
    Noot Daarvoor kreeg hij van de criminele organisatie de
    bill of lading. In het criminele milieu had informant 1 bekend
    gemaakt dat er sprake was van een corrupte douane-ambtenaar.
    Informant 1 zorgde ervoor dat de containers waarin de drugs zaten
    verstopt in handen van de politie kwamen. De politie zorgde er in
    samenwerking met de douane voor dat deze ladingen bij de invoer in
    Nederland ongemoeid werden gelaten. Vervolgens werd de lading door
    de politie genspecteerd en door de politie afgeleverd op de plaats
    van bestemming. Daar werden de verdovende middelen door de
    Delta-organisatie overgenomen. Noot

    Deze methode, waarvan CID-chef Van der Putten de grondlegger is,
    is waarschijnlijkerwijs uitgewerkt door CID-chef
    Langendoen:

    De voorzitter:
    Bent u nu ook de bedenker van de methodiek?
    De heer Van Vondel:
    Ik ben niet de bedenker, maar ik ben wel de meedenker van de
    methodiek.
    De voorzitter:
    Wie was de bedenker?
    De heer Van Vondel:
    De bedenker was in mijn ogen Klaas Langendoen. Dat is de man
    die met het idee gekomen is. Toen was nog niet het hele model
    klaar. Daar werd over gediscussieerd.
    Noot

    Van der Veen gaf in zijn rapport van januari 1994 aan dat deze
    methode vele voordelen had ten aanzien van de stuurbaarheid en
    controleerbaarheid van de informant.Dankzij deze voor Nederland
    nieuwe werkwijze werd voorzien in een verhoogde controleerbaarheid
    en aanstuurbaarheid van de informant, werd voorzien in het
    verkrijgen van zicht op illegale verdovende middelenstromen, werd
    voorzien in betere aansturingsmogelijkheden in de opsporing en
    waarheidsvinding en werd voorzien in betere toetsingsmogelijkheden
    voor de IRT-officier in diens beslissingen over het al dan niet
    toestaan aan informant tot het plegen van strafbare begunstiging,
    vanwege de betere garanties dat informant niet vervalt in
    mededaderschap omdat zulks direct zichtbaar zou worden. Kortom een
    nieuwe werkwijze in de inlichtingenmethodiek met verbeterde
    controle-mogelijkheden en verbeterde juridische waarborgen.
    Noot Gedurende langere tijd was daar volgens hem
    specifiek op gelet. De commissie heeft niet kunnen vaststellen
    of
    en hoe de betrouwbaarheid, stuurbaarheid en controleerbaarheid van
    de informant door het IRT werd gecontroleerd.
    Van der Veen vermeldt dat bij elke container expliciet door Lith,
    Langendoen, Augusteijn en hemzelf beoordeeld werd of het doorlaten
    van deze container effectief en verantwoord was. Onder verwijzing
    naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over het onderwerp materile
    wederrechtelijkheid is in de toegestane gevallen telkens
    vastgesteld dat de door de informant gepleegde strafbare feiten
    proportioneel, d.w.z. evenredig zijn, aan het hogere doel, dat
    dankzij het verkrijgen van deze strafbare feiten kon worden
    bereikt, namelijk het verkrijgen van zicht op en inzicht in het
    criminele netwerk van Delta, welk zicht en inzicht een conditio
    sine qua non is om tot ontmanteling daarvan te kunnen overgaan. Wat
    betreft de toetsing op het beginsel van subsidiariteit is hierover
    reeds opgemerkt dat zonder de informatie van informanten geen
    mogelijkheden aanwezig waren voor een opsporingsonderzoek naar
    feiten en omstandigheden als grondslag van een verdenking.
    Noot

    Over de termijn waarin de methode kon worden ingezet door het
    IRT bestond geen duidelijkheid.

    De voorzitter:
    Had het jaren kunnen duren?
    De heer Van Vondel:
    Ja, het had jaren kunnen duren. In mijn beleving had het
    zelfs nog wel vier jaar kunnen duren.
    De voorzitter:
    Vier jaar! Vier jaar er doorheen en er doorheen en er
    doorheen?
    De heer Van Vondel:
    U praat alleen maar over er doorheen en er doorheen en er
    doorheen. U vergeet even de organisatie die uiteindelijk de
    doelstelling was. U legt het middel heel zwaar uit. Ik ben het
    volledig met u eens dat het een zwaar middel is. Wij hebben dat
    echter ingezet om een hele zware mafia-organisatie onderuit te
    halen.
    Noot
    De voorzitter:
    Het punt van de hoeveelheden of de duur. Een van de runners,
    de heer Van Vondel, heeft hier eergisteren gezegd: het kon wel vier
    jaar duren. Heeft u over de duur toen iets afgesproken?
    De heer Van der Veen:
    De heer Lith en ik waren verantwoordelijk voor het proces.
    Een van de randvoorwaarden die is afgesproken, is dat er telkens en
    per geval besloten werd. Dus het was heel korte-termijnwerk. Het
    was geen carte blanche, het was geen traject, per geval en telkens
    per geval beoordeling.
    Noot

    7.4.4 Onduidelijkheden rol informant 1

    Over de precieze activiteiten van informant 1 blijven
    onduidelijkheden bestaan. Volgens Lith, Van der Veen en Langendoen
    importeerde informant 1 niet zelfstandig drugs. Hij zou slechts een
    rol gespeeld hebben bij het transport van de binnengekomen
    containers. De commissie heeft geconstateerd dat informant 1 enkele
    malen naar Zuid-Amerika is geweest. Het blijft onduidelijk wat
    informant 1 daar deed. De korpsleiding van de Amsterdamse politie
    stelde dat de informant de levensader van het Delta-onderzoek was.
    Naar het oordeel van de Amsterdamse politie was informant 1
    verantwoordelijk voor:1. de acquisitie van deals in
    Zuid-Amerika,

    2 het vervoer van de partijen verdovende middelen naar
    Nederland,
    3 de invoer in Nederland door de douane,
    4 het stashen/opslag van de partijen,
    5 de distributie van de partijen verdovende middelen in Nederland.
    Noot Volgens hoofdofficier Vrakking en commissaris Van
    Riessen had invoer slechts plaats nadat betrokkene naar
    Zuid-Amerika was geweest en het licht op groen had gezet.
    Noot Van Kastel verwoordde zijn twijfels in een notitie
    aan Van Riessen:In theorie is het mogelijk dat de informant niet
    slechts behulpzaam is bij het verkrijgen van partijen voor anderen
    doch dat hijzelf – onder regie van politie en justitie partijen
    aanschaft en doorverkoopt en zich als belangrijke zelfstandige
    binnen het criminele milieu kan manifesteren. Op die manier is hij
    in staat zijn criminele praktijken te ontplooien en zich daardoor
    te verrijken, volledig gedekt door de autoriteiten. (…) Zou het
    echt zo (kunnen) zijn dat wij politie en justitie – in dit geval
    een stimulerende invloed hebben op de criminaliteit, die wij
    vervolgens weer te vuur en te zwaard bestrijden? Ik zeg niet dat
    het zo is, maar wie overtuigt mij ervan dat het niet zo is?
    Noot CID-chef Kennemerland, Langendoen, verklaart dat de
    informant nooit zelfstandig bestellingen heeft gedaan in
    Zuid-Amerika. Langendoen stelt dat de informant slechts in
    Zuid-Amerika was om zijn rol in het traject van de verdovende
    middelen te kunnen regelen. De acquisitie zou steeds zijn uitgegaan
    van de criminele organisatie. Noot
    Het is voor de commissie onduidelijk gebleven of en in hoeverre
    informant 1 zelf een rol speelde bij de bestelling van drugs in
    Zuid-Amerika. Vanwege de feitelijk geringe controleerbaarheid en
    stuurbaarheid van deze informant valt achteraf niet meer vast te
    stellen welke activiteiten hij heeft verricht.

    De voorzitter:
    Zegt u nu dat in het IRT-traject in feite de informant
    de regie had?
    De heer Snijders:
    Dat zeg ik niet. Als ik er goed naar kijk, neig ik ernaar te
    zeggen dat er een omslagpunt is geweest en dat de
    informanten
    – ik spreek in het meervoud, want voorzover ik heb kunnen
    vaststellen, gaat het om meerdere
    informanten – ons
    aanstuurden. Laat ik volstaan met de kanttekening dat wij niet
    altijd de regie hadden.
    De voorzitter:
    Ik kom er nog op terug hoe u dat precies vaststelt. U moet
    toch iets preciezer zijn. Wat bedoelt u als u zegt: wij zijn de
    sturing kwijtgeraakt?
    De heer Snijders:
    Op het moment dat de informant zegt dat hij het op
    een bepaalde manier wil hebben – ik laat even in het midden hoe,
    want dan zitten wij erg kort op de trajecten en de handelingen die
    hij pleegt – is het al foute boel. Hij mag geen invloed hebben op
    de gebeurtenissen.
    Noot

    7.4.5 Doorgelaten softdrugs

    In totaal zijn via deze methode in de periode juli 1992 tot en
    met 1 juli 1993 vijf zendingen met drugs binnengekomen onder gezag
    van teamleider Lith en de officieren van justitie Van Riel en Van
    der Veen. Noot In totaal zijn daarbij 19.500 kilo
    softdrugs doorgelaten, waarvan 4000 kilo in beslag zijn genomen.
    Noot Na 1 juli 1993 tot en met december 1993 zijn tien
    zendingen binnengekomen. Onder verantwoordelijkheid van officier
    van justitie Van Capelle zijn ongeveer 30.000 kilo drugs op de
    markt terecht gekomen. In totaal zijn ongeveer 45.000 kilo
    softdrugs niet onderschept door het IRT. Een deel van deze 45.000
    kilo is volgens de officieren Van der Veen en Wortel weggetipt aan
    politie in het buitenland onder andere aan Isral, Denemarken en
    Litouwen. Het is onaannemelijk dat deze partijen daar ook
    daadwerkelijk in beslag zijn genomen. Er is geen enkele
    terugmelding van in het buitenland in beslag genomen partijen te
    vinden. De commissie-Wierenga maakt in haar geheime
    aanbiedingsbrief bij de geheime delen van de processen-verbaal
    expliciet melding van deze 45.000 kilo. De ministers en de
    kamercommissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn op
    de hoogte van deze aanbiedingsbrief. In het openbare rapport wordt
    geen melding gemaakt van het doorlaten van softdrugs.

    7.4.6 Harddrugs en groei-informant

    De politile en justitile leiding van het IRT, i.c. Lith en Van
    der Veen, hoopten dat het doorlaten van de partijen softdrugs tot
    gevolg had dat het vertrouwen en aanzien van informant 1 bij de
    leden van de criminele organisatie Delta zou groeien, zodat hij
    contact zou krijgen met de top van de Delta-organisatie. Met het
    doorlaten van de grote hoeveelheden softdrugs is slechts een enkele
    keer zicht geweest op leden van het driemanschap: In januari 1993
    is gesproken over de wenselijkheid om, in het geval dat de
    informant door de top van de organisatie zou worden benaderd om
    medewerking te verlenen aan een door de criminele organisatie
    voorgenomen cocane-invoer, die criminele organisatie te
    ontmantelen, onder meer door de aanhouding van de hoofdverdachten.
    In september 1993 is wederom gesproken over de mogelijkheid van een
    dergelijke situatie, die zich overigens niet eerder dan in de loop
    van 1994 zou voordoen. Noot Op 7 september 1993 werd
    door Van Capelle besloten dat proefzendingen cocane van in totaal
    100 kilo doorgelaten konden worden om zicht te krijgen op een
    mogelijke megazending van 5.000 kilo cocane waardoor de top van de
    organisatie zou kunnen worden aangehouden. Noot

    De voorzitter:
    Maar nu is er op 7 september ook weer een bijeenkomst met in
    ieder geval de heer Augusteijn. Daar wordt gesproken over uw
    toestemming om vier kleinere partijen van honderd kilo door te
    laten gaan.
    De heer Van Capelle:
    Dat is opgenomen in het CID-journaal, met een wat cryptische
    omschrijving. Er staat: afhankelijk van de omstandigheden.
    De voorzitter:
    Als u dat zelf eerder al gezegd heeft, in het gesprek van 25
    juni, als u de zaak overneemt van Van der Veen, in algemene zin en
    niet precies over de details en de uitvoering, dan kon de politie,
    de uitvoerders, er op dat moment toch van uitgaan dat u akkoord was
    gegaan met de proefzending?
    De heer Van Capelle:
    Nee, ik denk dat het anders ligt. De methode waar wij over
    spreken had betrekking op softdrugs. De bedoeling was om de
    organisatie bij wege van de invoering van een grote hoeveelheid
    harddrugs te ontmantelen. Nu hangt het er maar helemaal van af hoe
    je met een proefzending omgaat en waar die uiteindelijk terecht
    komt, of je dat traject kunt voortzetten.

    Ik zal een voorbeeld geven. Het hangt er een beetje van af hoe
    het loopt, maar je zou kunnen denken dat het een vooraankoop is. Je
    kunt de politie er dan tussen schuiven, die dan de partij in de
    markt vangt, zodat die niet het milieu in gaat.

    De voorzitter:
    Wilt u dan zeggen dat de mededeling dat toestemming is
    gegeven om vier kleine partijen van honderd kilo door te laten gaan
    onjuist is?
    De heer Van Capelle:
    Nee, die toestemming is zo niet gegeven. Er is toestemming
    gegeven om de
    informant in gesprek te laten blijven, ook
    waar het gaat om proefzendingen. Afhankelijk van de omstandigheden,
    dus afhankelijk van hoe een en ander in zijn werk gaat en vooral –
    dat staat er niet met zoveel woorden, maar het is wat daar is
    overwogen – om te voorkomen dat het in het milieu terecht kwam, was
    of je het helemaal kon afwerken.
    De voorzitter:
    In het CID-journaal staat: door laten gaan. Dan is het toch
    volstrekt duidelijk waarover het gaat? U zegt zelf dat de
    uitvoering aan de politie moet worden overgelaten en dat u er voor
    de grote lijnen bent.
    De heer Van Capelle:
    Neen, dit is iets anders dan in het voetspoor voortgaan in
    de zin dat je moet terugvallen op de grote lijnen. Dit is een
    grote-lijnbeslissing. Het kan aldus worden samengevat: de

    informant mag van mij met de criminele organisatie in gesprek
    blijven, maar ik wil tot op de laatste centimeter precies weten hoe
    het met de proefzendingen verloopt om te voorkomen dat die het
    milieu ingaan.
    De voorzitter:
    Er is een tweede deel van de bijeenkomst op 7 september
    1993. Blijkbaar was daar de teamleider niet bij, maar wel anderen
    van het team. Er is ook gesproken over 5.000 kilo cocane die
    mogelijk gepakt moeten worden. Om die te kunnen pakken moest er,
    gezien de situatie van de
    informant, een proefzending komen.
    Daarvan zei u dat u dat kon doen.
    De heer Van Capelle:
    Nogmaals, het zal aan mij liggen dat ik dit niet helemaal
    aan u duidelijk kan maken, maar het hangt ervan af hoe je die
    proefzending behandelt. U moet goed begrijpen dat als het gaat om
    het laten doorgaan van softdrugs, er op een andere manier werd
    geopereerd dan gebruikelijk is bij harddrugs. Je spreekt dan over
    een stof met een onaanvaardbaar risico voor de
    volksgezondheid.
    De heer De Graaf:
    Maar de methode was precies dezelfde.
    De heer Van Capelle:
    De methode wel, maar de manier waarop je vervolgens
    controleert waar de drugs blijven, had ik liever anders
    gezien.
    De voorzitter:
    Het was toch niet mogelijk om, met de manier waarop de
    informant werkte, de eerste partij gelijk af te vangen? Daar
    kreeg je die andere toch niet mee?
    De heer Van Capelle:
    Wij hebben dat toen niet zo uitputtend besproken. Ik herhaal
    dat bij mij voorop stond dat moest worden voorkomen dat zo maar een
    partij harddrugs in het milieu terecht zou komen. Het hangt ook van
    de omvang van de proefzending af. Een proefzending van 5.000 kilo
    cocane is ongelooflijk veel, maar een proefzending van bijvoorbeeld
    100 kilo kon op zichzelf voldoende zijn geweest, bij alle andere
    feiten waarover wij beschikten, om de organisatie te
    ontmantelen.
    De voorzitter:
    Als het bovenste niveau van die organisatie bereid was om
    zijn handen in die 100 kilo te zetten. Anders was u nog even
    ver.
    De heer Van Capelle:
    Dat is een feitelijke afweging die je op dat moment maakt.
    Hoe worden afspraken gemaakt? Welke zekerheden kun je inbouwen? Je
    kunt dit niet van tevoren met een schaartje knippen.

    Noot

    De verwachting van de direct betrokkenen was dat bij een
    megazending van 5.000 kilo de top van de criminele organisatie
    zichtbaar zou worden. Bij de zendingen softdrugs was daar geen
    sprake van geweest. Noch de leiding van het OM, noch de Amsterdamse
    korpsleiding en teamleider Van Kastel waren hiervan op de hoogte.
    Het is de commissie niet gebleken dat deze plannen zijn uitgevoerd.

    7.4.7 Oude Bildtzijl: drugs en semtex

    In augustus 1992 werd onder observatie van het IRT een container
    met in totaal vermoedelijk 2.500 kilo marihuana naar Oude Bildtzijl
    (Friesland) vervoerd. Begin november 1992 kwam in de Amsterdamse
    haven wederom een schip met 6.000 kilo marihuana aan volgens de
    bovengenoemde methode. Het transport van deze partij werd ook door
    het IRT geobserveerd. Het OT van het IRT stelde vast dat een deel
    van deze partij werd afgeleverd bij een boerderij in Oude
    Bildtzijl. Het IRT verrichtte vervolgens een inkijkoperatie in de
    schuur van de boerderij om vast te kunnen stellen of daadwerkelijk
    marihuana aanwezig was.Dit binnentreden vond plaats ter verificatie
    in verband met een voorgenomen inbeslagneming in opdracht van de
    officier van justitie Van Riel. Het binnentreden werd verricht door
    slechts n opsporingsambtenaar, die zich via een soort luik aan de
    binnenkant van de schuur zich toegang tot een soort
    zolderverdieping kon verschaffen. Direct bij binnenkomst trof deze
    opsporingsambtenaar een partij softdrugs aan in open bruine dozen,
    terwijl hij tevens een plakbandapparaat zag liggen. Gelet op zijn
    opdracht slechts te constateren of er verdovende middelen lagen
    opgeslagen in genoemde schuur en hij deze vrijwel onmiddellijk op
    een klein zoldergedeelte aantrof, heeft hij de schuur via hetzelfde
    luik onmiddellijk verlaten, waardoor de actie slechts maximaal vier
    vijf

    minuten heeft geduurd. Door de korte duur van de actie en het feit,
    dat er nagenoeg geen licht kon worden gemaakt in verband met
    ontdekking, zijn er geen andere feiten of omstandigheden
    waargenomen. Slechts het gedeelte waar de opsporingsambtenaar via
    het genoemde luik was binnengekomen, was bekeken. De rest van de
    zolderverdieping en de overige delen van de schuur, dus ook de
    begane grond werden niet bekeken, waardoor ook niet werd ontdekt,
    dat er nog meer verdovende middelen (XTC), handgranaten en
    explosief materiaal waren opgeslagen, zoals later bij
    inbeslagneming bleek. Noot IRT-officier Van Riel en
    IRT-teamleider Lith besloten dat deze partij gepakt moest worden en
    zij tipten de politie in Friesland. Deze werd echter niet
    genformeerd over de precieze achtergrond van deze tip, namelijk het
    gebruik van de Delta-methode, aangezien het hier ging om een
    gesloten CID-traject. Toen de politie van Friesland de schuur
    doorzocht, werden naast enkele tonnen drugs en een paar duizend
    XTC-pillen ook 100 kilo semtex, 25 handgranaten en andere
    springstoffen gevonden. De politie heeft nooit kunnen achterhalen
    wie de semtex daar had neergezet.

    De leiding van het IRT wilde niet bekend maken dat de partij
    Nederland binnen was gekomen als onderdeel van de Delta-methode. De
    rol van informant 1 zou op die manier aan het licht kunnen komen.
    De eigenaar van de boerderij werd eind 1993 veroordeeld tot een
    jaar gevangenisstraf. De rechtbank was toen niet op de hoogte van
    de connectie met het IRT. Na perspublicaties vroeg het OM te
    Leeuwarden Lith om een aanvullend proces-verbaal. Het hof sprak in
    hoger beroep de eigenaar van de boerderij vrij van betrokkenheid
    bij de opslag van de partij.

    7.4.8 XTC-traject

    Binnen het IRT werden nog andere onderzoeken verricht, onder
    andere naar de handel in XTC-pillen. Deze XTC-pillen werden
    verhandeld naar Engeland en Duitsland. Vanaf 1991 was binnen het
    IRT aan de orde of XTC-pillen moesten worden doorgelaten naar
    Engeland. IRT-officier van justitie Franken van Bloemendaal ging
    daarmee niet akkoord. Noot

    Het IRT ontving in november 1992 informatie van een informant
    van de CID Kennemerland over mogelijke drugstransporten naar
    Engeland door de Delta-organisatie. Het transport zou geschieden
    door middel van een geheime bergplaats in een tankauto.
    Noot Het IRT beschikte over informatie over het
    prepareren van de tankauto.

    De wijze van prepareren was buitengewoon ingenieus. Er was een
    inwendig schot aangebracht, evenals een soort luik aan de
    bovenzijde, verborgen onder een looprek aan de bovenkant van de
    oplegger. Alleen iemand met gedetailleerde informatie, die slechts
    in heel beperkte kring voorhanden was, zou de verborgen ruimte
    kunnen vinden. Noot

    In de nacht van 12 op 13 januari 1993 werd door het IRT een
    tankauto afgeleverd bij de Dienst technische operationele
    ondersteuning (DTOO) van het KLPD, waar de tankauto werd voorzien
    van een peilbaken. Noot

    De voorzitter:
    Heeft u daar toestemming voor gegeven?
    De heer Van der Veen:
    Dat is juist. Noot
    De voorzitter:
    (…) Waarom plak je een peilbaken onder een auto als er
    eigenlijk helemaal niets aan de hand is en je niets kunt
    zien?
    De heer Wortel:
    Als je informatie krijgt dat X, Y en Z met iets bezig zijn
    dat te maken heeft met harddrugs en dat er stevig wordt genvesteerd
    om iets te doen wat valt onder de wettelijke omschrijving van
    opzettelijk vervoeren, verkopen, afleveren, enz. van verdovende
    middelen, dan moet je je de vraag stellen of je dat naast je neer
    wilt leggen als zijnde onvoldoende specifiek om een redelijke
    verdenking op te baseren of dat je wilt proberen om dat uit te
    zoeken.
    Noot

    Overigens verkeerde de DTOO in Driebergen in de veronderstelling
    dat het hier om een politievoertuig van het IRT ging waarop zonder
    toestemming van een officier een peilbaken kon worden aangebracht.
    Van de door Van der Veen gegeven toestemming is in het archief van
    de DTOO niets terug te vinden. Het observatieteam van het IRT heeft
    het laden van de tankauto verschillende malen geobserveerd. In de
    periode januari 1993 tot en met mei 1993 is de tankauto acht maal
    naar Engeland en enkele malen naar Duitsland, Belgi, Frankrijk en
    Itali geweest. Het is onduidelijk of tijdens deze transporten
    steeds XTC-pillen werden vervoerd. Duidelijk is wel dat het IRT
    voldoende vermoeden had om een peilbaken te laten plaatsen. Zo is
    op 16 maart 1993 door Van der Veen expliciet toestemming gegeven om
    een transport XTC-pillen waarvan de omvang niet bekend is, door te
    laten gaan naar Engeland. In enkele transporten terug naar
    Nederland zou geld verborgen zijn in de geheime bergplaats in de
    tankauto. In april 1993 heeft zaaksofficier
    Wortel een gerechtelijk vooronderzoek geopend, mede gericht op
    XTC-transporten naar Engeland. In een overleg tussen teamleider
    Lith en de Engelse liaison-officer in Nederland in het najaar van
    1992 is de casus in zijn algemeenheid ter sprake gekomen. De
    liaison-officer stelde dat Lith alles diende te vertellen. Lith
    achtte het niet mogelijk de Engelsen op de hoogte te stellen van
    alle operationele gegevens.

    De heer Lith:
    Wij hadden regelmatig contact met de Engelse liaisons,
    alleen al geboren uit het feit dat wij die andere XTC-zaak hadden
    gehad. En ik heb op een goed moment eens gesproken met een Engelse
    liason, zoals dat ook wel met de anderen ging, over soortgelijke
    casustiek. Ik liep toen aan tegen het punt dat het rechtsstelsel
    in
    Engeland anders was als bij ons als het gaat om
    besluitvorming en hetgeen in het vermogen ligt van de officier van
    justitie en de rechterlijke macht. Heel concreet heb ik met hem
    gesproken over de vraag hoe wij dat oplossen. Uit dat gesprek is
    mij volstrekt helder geworden dat hij zei: kijk, als je zoiets zou
    hebben en je zou mij het vermoeden aanreiken dat zoiets zou
    gebeuren, dan moet ik ervoor zorgen dat er gecontroleerd en
    ingegrepen wordt, omdat dit zo past binnen ons stelsel. Dan moet ik
    u toch zeggen dat dit niet paste in de methodiek van bestrijding
    van georganiseerde criminaliteit waarin je probeert niet alleen de
    kilo’s en de kerels te pakken maar ook om het gehele traject er uit
    te lichten.
    Noot

    Bij een XTC-transport in mei 1993 naar Engeland is de chauffeur van
    de tankauto gearresteerd en is de vrachtwagen in beslag genomen. In
    de dubbele wand van de tankauto bevonden zich anderhalf miljoen
    pillen XTC. De chauffeur had de tankauto steeds op een bepaalde
    plaats moeten achterlaten op de avond voorafgaand aan zijn reis
    naar Engeland. In de tankauto werd tevens geld (miljoenen) van
    Engeland naar Nederland gebracht. De chauffeur is veroordeeld tot
    langdurige gevangenisstraf.

    De heer Rouvoet:
    Mijnheer Wortel. Ik wil nog een vraagje stellen over het
    eventueel tippen van de Engelse politie. U zegt: naar mijn beste
    weten is er niet getipt. Ik meen mij goed te herinneren, dat de
    heer Vrakking hier heeft verklaard, dat u tegen hem gezegd heeft:
    er moet wel iemand de Engelsen getipt hebben. Staat u nog bij dat u
    dat tegen de heer Vrakking heeft gezegd?
    De heer Wortel:
    Er is een misverstand ontstaan. Ik heb gezegd: de
    rijksrechercheurs houden mij dingen voor die ik als schrikbarend
    wil omschrijven, maar het gaat daarbij uitdrukkelijk om
    aanwijzingen die zij tegenkomen, maar waarvoor ze nog bevestigingen
    moeten vinden. Ik weet tot op de dag van vandaag niets anders dan
    wat ik u zoven verteld heb.
    De heer Rouvoet:
    U hebt nooit het vermoeden uitgesproken: er zal wel getipt
    moeten zijn?
    De heer Wortel:
    Nee. Noot De commissie beschikt niet over
    gegevens dat vanuit Nederland de Engelse politie is getipt over de
    transporten. De loods waar de chauffeur is gearresteerd werd al
    geobserveerd door de Engelse politie omdat zij politie vermoedde
    dat gestolen goederen waren opgeslagen en werden verkocht. De
    chauffeur zou op de hoogte zijn geweest van het feit dat hij in de
    tankauto XTC-pillen vervoerde. Over het XTC-traject werden
    verschillende kamervragen gesteld. Op 26 oktober 1994 stelden de
    kamerleden Kalsbeek, Dittrich, Korthals en Soutendijk de vraag of
    met medeweten van het IRT grote hoeveelheden marihuana, XTC en
    amfetamine naar Groot-Brittanni zijn vervoerd zonder dat de Engelse
    politie of justitie daarvan op de hoogte waren gebracht. Ten
    behoeve van de beantwoording van deze vragen stuurden de officieren
    van justitie Van der Veen en Wortel ambtsberichten aan de minister
    van Justitie. De ambtsberichten bleven beperkt tot oppervlakkige en
    tactische antwoorden teneinde te voorkomen dat alsnog de veiligheid
    van personen in gevaar zou komen. Noot
    De voorzitter:
    Met zo’n peilbaken erbij kom je toch eerder in de richting
    van een verdenking?
    De heer Van der Veen:
    Ja, natuurlijk, dat is logisch.
    De voorzitter:
    Die was in de beantwoording van die twee XTC-vragen als het
    ware mijlenver weg?
    De heer Van der Veen:
    Er was geen verdenking, tot op het laatste moment
    niet.
    De voorzitter:
    Maar in ieder geval was er toch meer dan een vaag
    vermoeden.
    De heer Van der Veen:
    Ja, meer dan een vaag vermoeden. Noot Op 28
    november 1994 vond een bespreking plaats tussen minister van
    Justitie Sorgdrager, procureur-generaal Van Randwijck, officier van
    justitie Van der Veen en het hoofd directie politie van het
    ministerie van Justitie, Wooldrik. Noot In deze
    bespreking gaf Van der Veen aan dat bij verschillende transporten
    XTC-pillen en marihuana doorgelaten waren. Van der Veen stelde dat
    de informatie niet kon worden doorgegeven aan de Engelsen,
    aangezien sprake was van 00-informatie. De veiligheid van de
    informant zou daardoor in gevaar komen. Op dat moment was de
    informant echter al afgebouwd. Van der Veen vermeldde niet dat de
    tankauto
    was voorzien van een peilbaken. Van der Veen meldde ook niet dat er
    al een gerechtelijk vooronderzoek was geopend. Noot De
    minister van Justitie antwoordde op 12 december 1994 aan de Kamer
    dat het onjuist is te stellen dat grote hoeveelheden XTC, marihuana
    en amfetamine onder verantwoordelijkheid van het IRT naar Engeland
    zijn vervoerd zonder dat de politie of justitie van dat land
    daarvan op de hoogte is gebracht. De minister benadrukte dat nadere
    gegevens de veiligheid van informanten in gevaar konden brengen.
    Noot Op 16 december 1994 stelden de kamerleden Kalsbeek,
    Scheltema, Korthals en Soutendijk andermaal de vraag of sprake is
    geweest van medeweten van het IRT over de invoer van drugs naar
    Engeland. De kamerleden waren van oordeel dat onvoldoende
    informatie was verstrekt en stelden nieuwe vragen. Noot
    De minister van Justitie antwoordde nu als volgt:Het begrip
    medeweten kent verschillende gradaties, zoals zeker weten, redelijk
    vermoeden en vaag vermoeden. Van zekere weten of van feiten en
    omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld konden
    rechtvaardigen was bij de door de vragenstellers bedoelde
    drugstransporten naar Groot-Brittanni geen sprake. Wel beschikt het
    IRT over informatie die een vaag vermoeden opleverde. Deze
    informatie was echter van dien aard dat het onvoldoende was voor
    een verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.
    Aangezien het in de onderhavige gevallen dus ging om
    strafvorderlijk niet hanteerbare gegevens, zijn de Britse
    autoriteiten niet over deze mogelijk drugstransporten door het IRT
    of het OM op de hoogte gesteld. Noot
    De heer Rouvoet:
    Ik wil vaststellen, uit het antwoord van de minister, dat
    zij zegt dat in de tweede serie antwoorden wordt gesproken van
    medeweten en dat dit een toch wel heel juridisch begrip is. Zij had
    daar een ander woord voor moeten kiezen, zegt zij.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Het woord medeweten stond in de vragen. Je gaat het dan heel
    juridisch behandelen.
    De heer Rouvoet:
    U gaat er in het antwoord op in. Er was niet meer dan sprake
    van een vaag vermoeden. Nu zegt u dat het toch wel wat meer was dan
    dat.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Het was wel wat meer dan een vaag vermoeden.
    De heer Rouvoet:
    Er was meer dan een vaag vermoeden bij de politie over wat
    er aan de hand was?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja. Medeweten is misschien wat sterk gezegd. Ik had de term
    vaag vermoeden niet gebruikt.
    Noot

    Zaaksofficier Wortel gaf in oktober 1995 te kennen, dat de minister
    van Justitie daarmee een onjuist antwoord aan de Kamer gaf:Aan de
    Kamer is een bericht gestuurd waarin alleen staat dat wij
    onvoldoende aanleiding hadden gehad om de Britten te waarschuwen.
    Dat heeft de minister ook de Kamer meegedeeld. Op zichzelf
    beschouwd is dat natuurlijk onjuist. Er waren voldoende
    aanwijzingen, nog afgezien van de vertrouwelijke informatie. Gezien
    is destijds dat de trailer in een loods van onze verdachten heeft
    gestaan. Vervolgens is er schimmig mee gereden, inclusief een
    oponthoud op een parkeerplaats waar ook n van de verdachten in
    diens eigen auto verscheen. Noot

    Hoofdofficier Vrakking verklaarde in zijn verhoor voor de
    commissie het volgende:

    De heer Vrakking:
    Ik heb van de heer Wortel een bericht gekregen waarin hij
    mij heeft uitgelegd hoe het zat. Die XTC is willens en wetens tot
    waarschijnlijk drie keer toe naar het Verenigd Koninkrijk gevoerd.
    (…)
    De voorzitter:
    Weet u om welke hoeveelheden het gaat? Heeft uw
    zaaksofficier u dat verteld?
    De heer Vrakking:
    Dat heb ik gevraagd. Waarschijnlijk ging het drie keer om
    1,5 miljoen pillekens. En de laatste keer zat er nog behoorlijk wat
    cocane bij.
    De voorzitter:
    Om hoeveel geld ging dat?
    De heer Vrakking:
    Tientallen miljoenen. Noot Zaaksofficier van
    justitie Wortel nuanceerde de verklaring van zijn
    hoofdofficier:
    De voorzitter:
    Maar uw hoofdofficier heeft hier meerdere keren verklaard
    dat het ging om anderhalf miljoen pillen.
    De heer Wortel:
    Daar is een misverstand gerezen. Van de laatste rit weten
    wij wat er in zat. Overigens heb ik daar zelf een fout gemaakt. In
    het bericht aan de hoofdofficier heb ik geschreven dat het ging om
    anderhalf miljoen pillen en een kilo coke. Dat was een fout in mijn
    herinnering. Het ging niet om coke, maar om 154 kilo MDA. Over
    eerdere ritten van de auto kunnen wij niet zeggen of er iets mee
    vervoerd is en, zo ja, wat. Wij weten dat eenvoudigweg niet.

    Noot

    Naar aanleiding van zijn openbare verhoor door de commissie schreef
    Wooldrik een nota aan de minister van
    Justitie, waarin hij stelde dat de Kamer op twee punten mogelijk
    onjuist is ingelicht: het peilbaken op de tankauto en de
    mogelijkheid de Engelse autoriteiten in te lichten. Noot
    Van der Veen vertelde het ministerie van Justitie niet dat op basis
    van inlichtingen van een informant een peilbaken was aangebracht.
    Tevens meldde hij niet dat er een gerechtelijk vooronderzoek was
    geopend en daarmee sprake was van een verdenking van een strafbaar
    feit.

    De voorzitter:
    Mijnheer Wooldrik ik wil u nog kort vragen over het punt van
    de mogelijke XTC-transporten naar
    Engeland
    De heer Wooldrik:
    Daar begon u mee, voorzitter.
    De voorzitter:
    …aangezien hier enige getuigen verklaard hebben dat er
    verscheidene transporten hebben plaatsgevonden en de heer Vrakking
    noemt meer dan 1 miljoen pillen. Vervolgens is ons gebleken dat er
    sprake is geweest van een geplaatst peilbaken in die bewuste auto
    waarmee die transporten gedaan zijn. Die informatie hadden wij nog
    niet toen wij u de vorige keer daarover bevroegen. Blijft u bij het
    punt dat u, c.q. de minister, in feite genoeg wist om te antwoorden
    zoals er geantwoord is? Dat er dus in feite van medeweten geen
    sprake kon zijn?
    De heer Wooldrik:
    Ik blijf bij de uiteenzetting die ik u de vorige keer heb
    gegeven, voorzitter.
    De voorzitter:
    Maar toen heeft u ons niet verteld dat er een peilbaken was
    aangebracht.
    De heer Wooldrik:
    Maar dat was ook niet de informatie waarover de minister
    beschikte.
    De voorzitter:
    Maar beschikte u daarover?
    De heer Wooldrik:
    U moet goed onderscheiden wat er vorig jaar november aan de
    hand van kamervragen aan informatie is binnengekomen bij mij en wat
    ik mijn minister heb geadviseerd te antwoorden. Daar zat dat
    element van het peilbaken niet bij.
    De voorzitter:
    Dat wist zij toen niet?
    De heer Wooldrik:
    Dat wist zij niet. Op basis van de gegevens die wij toen
    hadden, is de Kamer genformeerd. Inmiddels blijkt dat er, zo
    begrijp ik uit informatie die later is binnengekomen, wel degelijk
    een peilbaken op was aangebracht. Dat hadden wij toen ook graag
    willen weten.
    De voorzitter:
    Hoe weet u dat nu?
    De heer Wooldrik:
    Omdat ons dat verteld is door de behandelend officier van
    justitie.
    De voorzitter:
    Dat was de heer…?
    De heer Wooldrik:
    De heer Van der Veen.
    De voorzitter:
    En wanneer heeft hij u dat verteld?
    De heer Wooldrik:
    Ik meen in de zomer.
    De voorzitter:
    Maar dat had u dan toch op 11 september aan de commissie
    kunnen vertellen?
    De heer Wooldrik:
    Ik?
    De voorzitter:
    Ja. Omdat wij u vroegen…
    De heer Wooldrik:
    Het kan ook zijn dat het na 11 september geweest is. Dat is
    ook mogelijk. In ieder geval…
    De voorzitter:
    Wanneer heeft u nu gehoord van dat peilbaken?
    De heer Wooldrik:
    Ja, onlangs heb ik daarvan gehoord.
    De voorzitter:
    Maar wanneer dan?
    De heer Wooldrik:
    Het kan ook in de maand september geweest zijn. Maar ik heb
    mij niet geprepareerd op dat dossier. Dat wilde ik aan het begin al
    zeggen. Dus ik zal nog wel voor u nagaan wanneer ik iets wist. Hoe
    belangrijk is dat nu eigenlijk?
    De voorzitter:
    Maar heeft u, nadat wij u op dit punt bevraagd hadden, toch
    actie ondernomen?
    De heer Wooldrik:
    Nou, actie ondernomen. Er is uiteraard nog weer enige
    ontwikkeling geweest. De minister wilde er ook meer over weten. Ik
    heb in ieder geval na 11 september een gesprek gehad met de heer
    Van der Veen over onder andere dit geheel…
    De voorzitter:
    Na 11 september?
    De heer Wooldrik:
    Ja, na 11 september, ook naar aanleiding van het onderzoek
    van de rijksrecherche dat zich ook hierop richt. Toen heeft de heer
    Van der Veen mij verteld, dat hij het element van het peilbaken
    niet in november van het vorige jaar aan de minister en aan mij en
    aan de heer Van Randwijck die er toen ook bij was, heeft
    verteld.
    De voorzitter:
    En waarom niet?
    De heer Wooldrik:
    Dat weet ik niet.
    De voorzitter:
    Omdat hij meende dat het om een gesloten CID-traject ging
    waar…
    De heer Wooldrik:
    Ik heb begrepen dat hij dat bij u heeft verklaard.
    De voorzitter:
    Is de minister, doordat dit feit niet aan de minister gemeld
    is, daardoor volledig genformeerd geweest?
    De heer Wooldrik:
    De minister, zo heb ik begrepen, had dat vorig jaar graag
    willen weten en ik zelf eerlijk gezegd ook wel.
    De voorzitter:
    Had u de minister dan anders geadviseerd over het
    antwoord?
    De heer Wooldrik:
    Dat kan ik achteraf niet meer beoordelen. Ik denk dat de
    strekking van de antwoorden overigens hetzelfde zou zijn geweest,
    namelijk dat er onvoldoende reden was om de Engelse autoriteiten te
    informeren. Want dat was de vraag.
    De voorzitter:
    Heeft u inmiddels al opgehelderd of er wel of niet een
    politietip is gegeven?
    De heer Wooldrik:
    Wij hebben nog eens gekeken of er van Engelse zijde over die
    zaak nog rechtshulpverzoeken bij Nederland zijn binnengekomen. Dat
    is inderdaad het geval. Naar aanleiding van het Engelse optreden
    hebben wij een rechtshulpverzoek gekregen waarin zij verzochten om
    bij de Nederlandse verdachte huiszoeking te doen en nog een aantal
    andere huiszoekingen in verschillende plaatsen in Nederland. Uit de
    uiteenzetting van de feiten die de Engelsen ons hebben gegeven,
    blijkt eigenlijk het volgende. De Engelsen hadden gewoon een eigen
    informatietraject. Die zaten als het ware op de kant van de Engelse
    afnemers. Die groepering hadden zij in beeld. Zij hadden

    observatie op een loods en daar is die vrachtauto toen
    ingereden. De Engelsen hebben een half uur gewacht, zo blijkt uit
    hun feitelijke weergave. Ze zijn toen naar binnen gegaan en zij
    hebben vervolgens de mensen aangehouden. Inmiddels waren de
    goederen waar het om ging, al uitgepakt. De politie hoefde dus de
    geheime bergplaats niet meer te zoeken want die was al bekend: de
    spullen lagen als het ware op de grond. Dat is de informatie die
    wij van de Engelsen hebben gekregen.
    Noot

    Naar aanleiding van de nota van Wooldrik stuurde de minister van
    Justitie op 10 oktober 1995 een vertrouwelijke brief aan de
    voorzitter van de Tweede Kamer. Zij bracht daarin naar voren dat
    deze nieuwe informatie mogelijk een ander licht werpt op de in de
    kamervragen aan de orde gestelde kwestie. Noot

    De voorzitter:
    Wij hebben in het verhoor met de heer Van der Burg
    hedenochtend aan de orde gehad een vertrouwelijke brief die u
    gestuurd heeft ter beantwoording van vragen over de XTC-lijn. Daar
    zijn wij in de verhoren verschillende keren op ingegaan. Denkt u nu
    dat u de Kamer onvolledig heeft genformeerd?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik denk dat naar wat ik toen wist, dat ik de Kamer toen op
    grond van mijn wetenschap goed heb genformeerd. Naar wat ik nu
    weet, weet ik dat het niet helemaal klopt.
    De voorzitter:
    Dat het niet klopt, dat het niet helemaal klopt?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Nee.
    De voorzitter:
    Wat klopt er niet?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Er wordt het woord medeweten gebruikt. Er wordt gesproken
    van een verdachte in de zin van artikel 27 Sv. Ik denk dat die
    beide elementen niet beantwoord hadden moeten worden zoals gebeurd
    is.
    De voorzitter:
    Wat is er volgens u wel gebeurd?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik denk dat je wel had kunnen spreken van een verdachte in
    de zin van artikel 27 Sv en dat het medeweten zo ontzettend
    juridisch is geformuleerd, achteraf bezien, dat ik dat wat meer in
    gewone-mensentaal had neergezet.
    Noot

    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken